CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

Nieuw - Reconstructie Vennewatersweg_Toelichting_Bijlage 13 Ecologische beoordeling stikstofdepositie

Raadsvergadering 15 december 2025, gemeente HeilooBij agendapunt: Bestemmingsplan Reconstructie Vennewatersweg34.343 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Vennewatersweg te Heiloo Ecologische Voortoets Stikstof in het kader van de natuurwetgeving

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

G&G-advies AE2025-054

Vennewatersweg te Heiloo Ecologische Voortoets Stikstof in het kader van de natuurwetgeving

C.A.M. Van der Heijde

2025

Opdrachtgever Werkorganisatie BUCH

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

G&G-advies AE2025-054

Versie

Datum

Gecontroleerd door

Concept

19 mei 2025

S.C. Wytema

26 november 2025

S.C. Wytema

Eindrapport

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Heulweg 28

Hazenkoog 35-A

2288 GN Rijswijk

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Inhoud 1 2 3

4

Inleiding

8

1.1

Projectomschrijving

8

Methodiek Uitgangssituatie

9 10

3.1 3.2 3.3

Netwerkeffecten Aeriusberekening Omschrijving Natura 2000-gebieden

10 10 15

3.3.1 Noordhollands Duinreservaat 3.3.2 Schoorlse duinen 3.3.3 Kennemerland-Zuid 3.3.4 Zwanenwater & Pettemerduinen 3.3.5 Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder 3.3.6 Polder Westzaan 3.3.7 Eilandspolder 3.3.8 Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

15 16 17 18 19 20 22 24

Omschrijving habitattypen per Natura 2000-gebied

25

4.1

Noordhollands Duinreservaat

25

4.1.1 H2120 Witte duinen 4.1.2 H2130 Grijze duinen 4.1.3 H2140 Duinheiden met Kraaihei 4.1.4 H2150 Duinheiden met Struikhei 4.1.5 H2160 Duindoornstruwelen 4.1.6 H2180 Duinbossen 4.1.7 H2190 Vochtige duinvalleien 4.1.8 H6410 Blauwgraslanden 4.1.9 Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

25 26 30 32 34 35 38 43 45

Schoorlse Duinen

47

4.2.1 H2120 Witte duinen 4.2.2 H2130 Grijze duinen 4.2.3 H2140 Duinheiden met Kraaihei 4.2.4 H2150 Duinheiden met Struikhei 4.2.5 H2160 Duindoornstruwelen 4.2.6 H2180 Duinbossen 4.2.7 H2190 Vochtige duinvalleien

47 48 49 50 51 52 53

Kennemerland-Zuid

56

4.3.1 H2120 Witte duinen 4.3.2 H2130 Grijze duinen 4.3.3 H2160 Duindoornstruwelen 4.3.4 H2180 Duinbossen 4.3.5 H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) 4.3.6 Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

56 57 58 59 61 62

4.2

4.3

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

5/137

4.4

4.5

4.6

4.7 4.8

5

Zwanenwater & Pettemerduinen

63

4.4.1 H2120 Witte duinen 4.4.2 H2130 Grijze duinen 4.4.3 H2140 Duinheiden met Kraaihei 4.4.4 H2150 Duinheiden met Struikhei 4.4.5 H2160 Duindoornstruwelen 4.4.6 H2180 Duinbossen 4.4.7 H2190 Vochtige duinvalleien 4.4.8 H6230 Heischrale graslanden 4.4.9 H6410 Blauwgraslanden

63 64 65 67 67 68 69 72 73

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

74

4.5.1 H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) 4.5.2 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

74 75

Polder Westzaan

77

4.6.1 H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) 4.6.2 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

77 77

Eilandspolder

79

4.7.1 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

79

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

80

4.8.1 H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) 4.8.2 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

80 81

Beoordeling van effecten

82

5.1 5.2 5.3

Kleine en tijdelijke deposities Duiding relevantie kleine stikstofdeposities Habitattypen met een depositie > 0,05 mol N/ha/j

83 83 87

5.3.1 H2180C Duinbossen (binnenduinrand) 5.3.2 H2130A Grijze duinen (kalkrijk) 5.3.3 H2130B Grijze duinen (kalkarm) 5.3.4 H2180A Duinbossen (droog), berken-eikenbos 5.3.5 H2160 Duindoornstruwelen 5.3.6 H2190B Duinvalleien (kalkrijk) 5.3.7 H2150 Duinheiden met Struikhei 5.3.8 H2190A Duinvalleien (open water) 5.3.9 H2130C Grijze duinen (heischraal) 5.3.10 H2140A Duinheiden met Kraaihei (vochtig) 5.3.11 H2120 Witte duinen 5.3.12 Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de Duinen 5.3.13 H2140B Duinheiden met kraaihei (droog) 5.3.14 H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) 5.3.15 H6410 Blauwgraslanden

87 89 91 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 104 105

Habitattypen met een depositie < 0,05 mol N/ha/j

106

5.4.1 H2120 Witte duinen 5.4.2 H2130A Grijze duinen (kalkrijk) 5.4.3 H2130B Grijze duinen (kalkarm) 5.4.4 H2140A Duinheiden met Kraaihei (vochtig) 5.4.5 H2140B Duinheiden met Kraaihei (droog) 5.4.6 H2150 Duinheiden met Struikhei

106 107 108 109 110 111

5.4

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

6/137

6 7 8

5.4.7 H2180A Duinbossen (droog), berken-eikenbos 5.4.8 H2180C Duinbossen (binnenduinrand) 5.4.9 H2190A Vochtige duinvalleien (open water) 5.4.10 H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) 5.4.11 H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) 5.4.12 H4010B Vochtige heiden (laagveengebied) 5.4.13 H6230vka Heischrale graslanden 5.4.14 H6410 Blauwgraslanden 5.4.15 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) 5.4.16 Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen.

112 113 114 115 116 117 118 119 120 121

Conclusie Ecologische Voortoets stikstof Literatuur Bijlagen

122 124 126

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

7/137

1

Inleiding Er bestaan plannen om de Vennewatersweg te Heiloo te reconstrueren. Als gevolg van de netwerkeffecten die kunnen ontstaan als gevolg van de reconstructie, samen met de inzet van mobiele werktuigen, is het nodig een berekening uit te voeren om de gegenereerde stikstofuitstoot/depositie van dit project te bepalen. Voor dit project is eerder een stikstofberekening uitgevoerd (GEMEENTE HEILOO, 2025). Alle verbrandingsprocessen waarbij fossiele brandstoffen en hitte zijn betrokken, leveren door oxidatie van vrije stikstof uit de lucht de gebonden stikstofoxiden nitriet (NO 2) en/of nitraat (NO3). Tevens komt soms ammoniak (NH3) vrij. De gebonden stikstofmoleculen worden na verbranding luchtzijdig verspreid en slaan na verloop van tijd neer. De gebonden moleculen werken na het neerslaan vervolgens bodemverrijkend en/of verzurend. Nederland heeft zich door ondertekening van de Europese Habitatrichtlijn verplicht bepaalde vegetaties te beschermen binnen het gebiedennetwerk van de Natura 2000gebieden. Deze vegetaties zijn in een aantal gevallen gevoelig voor bodemverrijking en/of verzuring en de neerslag van de gebonden stikstofmoleculen kunnen een bedreiging zijn voor het voortbestaan van deze vegetaties, zeker als de kritische (=maximale) depositiewaarde (KDW) op deze vegetaties reeds is bereikt.

1.1

Projectomschrijving De Vennewatersweg zal geschikt gemaakt moeten worden voor veiligere inrichting van het wegennetwerk. De werkzaamheden betreffen het openbreken van de bestaande weg, en het opnieuw leggen en asfalteren van de Vennewatersweg.

Figuur 1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebied. De oranje en paarse lijnen geven de verschillende wegtypes aan (oranje = buitenweg, paars = binnen bebouwde kom). Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

8/137

2

Methodiek In de Omgevingswet (Ow) zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VRL) en Habitatrichtlijn (HRL), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Vergunningstelsel Projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, zijn volgens de Ow vergunningplichtig. Ook projecten die niet in een Natura 2000-gebied worden uitgevoerd, kunnen leiden tot significante gevolgen en moeten in het kader van de zogenaamde externe werking beoordeeld worden. Bij een kleine, tijdelijke depositie kan in een Ecologische Voortoets berekend worden of de effecten van het project significant zijn op de betreffende Natura 2000- gebieden. Wanneer er sprake is van hoge depositie of een depositie die niet tijdelijk is, is een Passende Beoordeling nodig om de effecten op instandhoudingsdoelstellingen te beoordelen (RAAD VAN STATE, 2024). In een Ecologische Voortoets wordt gekeken of significante gevolgen op beschermde habitattypen in betreffende Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Wanneer significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten, dan is een Voortoets voldoende en is geen natuurvergunning nodig (SCHEMA BEOORDELINGSKADER INTERN SALDEREN, RAAD VAN STATE, 2024. Zie ook BIJLAGE 1). Wel geldt altijd de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden (ARTIKEL 11.6 BAL, RIJKSOVERHEID 2024). Wanneer significante effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, is een Passende Beoordeling nodig. Hierin wordt onderzocht of de depositie leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Op basis van de Passende Beoordeling kan een aanvraag voor een vergunning op grond van de Ow worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan. Als er sprake is van significante gevolgen, kan de Passende Beoordeling aangevuld worden met mitigerende maatregelen om de significante gevolgen te voorkomen. Wanneer er wel gevolgen zijn, maar deze zijn niet significant, dan dient een cumulatietoets uitgevoerd te worden. Er dient dan ook beoordeeld te worden of de gevolgen ook in samenhang met andere projecten geen significante gevolgen op instandhoudingsdoelstellingen hebben.

Indien een Passende beoordeling geen uitkomst biedt, kan een ADC-toets uitgevoerd worden: In een ADC-toets wordt beoordeeld of er geen Alternatieven zijn, er geen Dwingende reden van openbaar belang is en of er geen Compensatie plaatsvindt. Voor een situering van het plangebied en de routes van het wegverkeer ten opzichte van Natura 2000-gebieden, zie Figuur 1.

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

9/137

3

Uitgangssituatie Voor de uitgangssituatie wordt gekeken naar uitkomsten uit eerder uitgevoerde stikstofberekeningen op de betreffende Natura-2000 gebieden, de stikstofgevoelige habitattypen welke mogelijk negatief beïnvloed worden door de plannen en naar de grootte en duur van (de depositie) van de voorgenomen ontwikkeling. Zie Figuur 2 voor een visualisatie van de plannen en Figuur 3 voor de berekening van de aanlegfase.

3.1

Netwerkeffecten De reconstructie van de Vennewatersweg leidt tot netwerkeffecten. Dit houdt in dat er, als gevolg van de reconstructie, wegen zijn waar een hogere verkeersintensiteit bestaan en wegen waar de verkeersintensiteit zal dalen. Langelaar Milieuadvies heeft in het stikstofonderzoek van 21 oktober 2025 de stikstofdepositie doorgerekend voor zowel de toenames als de afnames op de betreffende wegen. In het kader van deze voortoets zijn de wegvakken waar een afname plaatsvind, als gevolg van de reconstructie, buiten beschouwing gelaten. Er is hier dus uitgegaan van een ‘worst case’ benadering. Als bijlage (Bijlage 3) is een nieuwe Aerius PDF toegevoegd (kenmerk RQJEGLaBQTU9, 30-10-2025) die, met uitzondering van de buiten beschouwing gelaten wegvakken met een afname, identiek is aan de Aerius berekening van Langelaar Milieuadvies (kenmerk RudWKdXQ1FkT, 21-10-2025).

3.2

Aeriusberekening Een Aeriusberekening met kenmerk RQJEGLaBQTU9 is uitgevoerd door Van der Goes en Groot (HEIJDE, 2025). Ten behoeve van de werkzaamheden zullen mobiele werktuigen, vrachtwagens en personenvoertuigen worden ingezet. Deze activiteiten leiden tot een totale emissie van 2.090,8 kg NOx/j en 85,6 kg NH3/j. De emissie leidt tot een maximale projectbijdrage van 0,27 mol N/ha/jr. De tijdelijke toename in stikstofdepositie is berekend met AERIUS calculator (versie 2025.0.1). Op 25 habitattypen, 1 leefgebied en 7 zoekgebieden verspreid over 8 Natura 2000-gebieden, wordt in een gedeelte van de hexagonen de KDW overschreden (Tabel 3-1). Zie (Tabel 3-2) voor een overzicht van de maximale toename per habitattype. De geplande werkzaamheden zullen in een periode van 12 weken worden uitgevoerd. Verwachte verslechtering De verwachte verslechtering als gevolg van het project is gebaseerd op een ‘worst case’ aanname. De maximaal mogelijke verslechtering zal mogelijk optreden in 25 verschillende habitattypen, 1 leefgebied en 7 zoekgebieden over een oppervlakte van in totaal 3.208,95 hectare.

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

10/137

Figuur 2 Visualisatie planontwikkeling

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

11/137

Tabel 3-1 * = KDW wordt niet overschreden of benaderd. 1 Kritische depositiewaarde (mol/ha/j) 2 Berekend oppervlak depositie (ha) 3 Hoogste achtergronddepositie (mol/ha/j)

1.429

H2130A H2130B

7,68

1.616,40

7,89

1.439,95

4,71

1.714,18

Grijze duinen (kalkrijk)

1.071 193,95

1.623,63

2,00

1.389,21 154,89

1.803,93

Grijze duinen (kalkarm)

929

251,23

1.616,93

66,62

1.570,13

1.792,06

0,00

H2130C

Grijze duinen (heischraal)

786

5,62

1.439,10

H2140A

Duinheiden met kraaihei (vochtig)

857

5,22

1.462,39

0,08

1.373,27

H2140B

Duinheiden met kraaihei (droog)

857

52,52

1.596,08

67,89

1.474,49

H2150

Duinheiden met struikhei

857

2,34

1.504,84

25,86

H2160

Duindoornstruwelen

2.000 128,67

2.288,35

0,09

H2170

Kruipwilgstruwelen

2.286

H2180A

Duinbossen (droog), berken-eikenbos

1.071 881,36

H2180Abe

Duinbossen (droog), berken-eikenbos

H2180Ao

4,38

*

47,35

1.008,03

1.539,16 * 1.505,30 136,24 *

* 1.515,40

0,03

2.288,35 105,27

AD3

Opp2

1.429

Witte duinen

AD3

Embryonale duinen

H2120

Opp2

H2110

KennemerlandZuid

AD3

Habitattype

Schoorlse Duinen

Opp2

Habitatcode

KDW1

Noordhollands Duinreservaat

*

1.792,06 1.364,55

1.570,13 288,74

1.823,71

1.071

15,53

1.803,93

Duinbossen (droog), overig

1.071

87,42

H2180B

Duinbossen (vochtig)

2.214

H2180C

Duinbossen (binnenduinrand)

H2190A

17,57

* 1.575,96

1.786 256,84

2.288,35

1.000

1.644,45

H2190B

Vochtige duinvalleien (open water) Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

1.429

16,75

1.468,21

H2190C

Vochtige duinvalleien (ontkalkt)

1.071

0,17

1.022,57

H4010B

Vochtige heiden (laagveengebied)

500

H6230vka

Heischrale graslanden, vochtig kalkarm

714

H6410

Blauwgraslanden

786

0,93

873,87

H6430C

Ruigten en zomen (droge bosranden) Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Galigaanmoerassen

1.857

0,02

* 1.059,15

0,02

*

1.786

ZGH2130A

Hoogveenbossen Zoom, mantel en droog struweel van de duinen Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen Grijze duinen (kalkrijk)

ZGH2130B

Grijze duinen (kalkarm)

929

ZGH2160

Duindoornstruwelen

2.000

ZGH2170

Kruipwilgstruwelen

714

ZGH2180A

Duinbossen (droog), berken-eikenbos

1.071

ZGH2180Ao

Duinbossen (droog), overig

1.071

ZGH2180B

Duinbossen (vochtig)

2.214

ZGH2180C

Duinbossen (binnenduinrand) Habitattype onbekend/onzeker KDW op basis meest kritische relevante type (H6230).

1.786

H2190Ae H2190Aom

H7140B H7210 H91D0 Lg12 ZGH2120

H9999:85

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

8,46

3,77 0,98

1.689,64

* 1.537,20 174,45

1.823,71

0,06

1.449,22

2.143

0,48

1.000

1.626,58 *

0,30

1.123,59

1,67

1.179,96

*

1.129,93

0,20

1.327,02

1,56

1.502,56

0,01

1.364,96

4,95

1.583,31

0,05

1.107,46

0,05

1.478,00

2,08

1.586,74

500 1.429 1.643

26,91

903,00 2.288,35

1.000 1.071

0,11

0,36

1.066,87

* 1.644,45

0,09

*

1.583,79

714

12/137

8,84

1.101,00

857

23,54

1.415,42

H2150

857

0,79

1.415,42

H2160

2.000

0,28

* 1.084,01

H2170

2.286

1,21

* 1.084,01

H2180A

1.071

H2180Abe

1.071

5,06

1.467,41

H2180Ao

1.071

H2180B

2.214 11,75 * 1.398,44

H2180C

1.786

H2190A

1.000

786

H2140A H2140B

931,72

0,09

855,90

14,32

1.249,87 14,70

1.211,92

0,40

1.046,33

967,20

* 1.415,42

H2190Aom 1.786

0,23

*

H2190B

1.429

0,43

* 1.049,32

H2190C

1.071

4,54

1.114,10

H4010B

500

H6230vka

714

1,24

1.114,10

H6410

786

0,26

1.049,32

H6430C

1.857

H7140B

500

H7210

1.429

H91D0

1.786

Lg12

1.643

ZGH2120

1.000

ZGH2130A

1.071

0,01

ZGH2130B

929

0,37

950,48

ZGH2170

714

1,55

1.398,44

ZGH2180A

1.071

ZGH2180B

2.214

ZGH2180C

1.786

500

H9999:85

714

923,08

14,42

1.387,86

969,60

*

2,11

1.025,12

827,18

*

0,66 *

2,70

*

1.387,86

0,00

*

989,37

706,52

ZGH3140lv 2.143 ZGH7140B

0,01

912,45

0,63

0,10

1,02

AD3

857

H2130C

Opp2

1.467,41

AD3

*

30,35

H2130B

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

Eilandspolder

Opp2

0,96

929

H2130A

AD3

1.071

1.429

Opp2

* 1.208,79

1.429

H2120

Polder Westzaan

AD3

AD3

2,02

H2110

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

Opp2

Opp2

KDW1

Zwanenwater & Pettemerduinen

0,09 1,48

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

878,63

0,37

1.381,48

856,36

13/137

Tabel 3-2 Overzicht van grootste toename in mol N/ha/jr per habitattype per Natura 2000-gebied. Noordhollands Duinreservaat

Schoorlse Duinen

KennemerlandZuid

Habitatcode

Zwanenwater & Pettemerduinen

0,01

H2120

0,08

0,03

0,01

0,01

H2130A

0,27

0,03

0,01

0,01

H2130B

0,27

0,04

0,01

0,01

H2130C

0,09

H2140A

0,09

0,03

0,01

H2140B

0,05

0,04

0,01

H2150

0,12

0,04

0,01

H2160

0,14

0,04

H2170

0,10

H2180A

0,14

0,04

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

H2180Abe

0,01

H2180Ao

0,01

H2180B

0,08

H2180C

0,27

H2190A

0,10

0,04

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

H2190Ae

0,01

H2190Aom

0,02

H2190B

0,12

H2190C

0,05

0,02

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

H4010B H6230vka

0,01

0,01

0,02

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

H6410

0,05

H6430C

0,04

0,01

H7140B 0,02

0,08

0,01

0,01

0,01

H91D0 Lg12

Eilandspolder

Ilperveld Varkensland, Oostzanderveld & Twiske

Grootste toename Mol/ha/j

H2110

H7210

WormerPolder en Westzaan Jisperveld

0,01

0,01

ZGH2120 ZGH2130A

0,01

ZGH2130B

0,01

ZGH2160

0,01

ZGH2170 ZGH2180A

0,01

0,02 0,02

ZGH2180Ao

0,01

ZGH2180B ZGH2180C

0,08

0,01

ZGH3140lv

0,01

ZGH7140B H9999:85

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

0,01

0,01

0,01

14/137

Figuur 3 Berekening aanlegfase

3.3

Omschrijving Natura 2000-gebieden

3.3.1 Noordhollands Duinreservaat Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat betreft een van de grootste natuurgebieden in Nederland. Het gebied is aangewezen als habitatrichtlijngebied voor 19 habitattypen en één leefgebied en twee habitatrichtlijnsoorten. Het duingebied loopt van de terreinen van Tata Steel bij Wijk aan Zee tot de Schoorlse Duinen. Het gebied omvat een reliëfrijk duingebied met strand, binnenduinrandbossen en enkele kleinere natuurgebieden. In de omgeving van de dorpen Egmond, Wijk aan Zee en Bergen bevinden zich voorbeelden van het zeedorpenlandschap. Tussen Wijk aan Zee en Bergen liggen typische voorbeelden van kalkrijk duinlandschap en tussen Egmond en Bergen ligt het overgangsgebied van het kalkrijke naar het kalkarme duindistrict (PROVINCIE NOORDHOLLAND, 2018). Als gevolg van de afwisseling in landschapstypen en de vele gradiënten bevat het gebied een grote verscheidenheid aan begroeiingen. In de zeereep bepaalt Helm (Ammophila arenaria) de vegetatie, met hier en daar minder algemene soorten als Blauwe zeedistel (Erynhium maritimum), Zeewinde (Convolvulus soldanella) en Zeewolfsmelk (Euphorbia paralias). In het noorden van het Natura 2000-gebied komen vegetatietypen voor die in de rest van het gebied ontbreken.

Kenmerkend voor het overgangsgebied van kalkrijke naar kalkarme duinen zijn de begroeiingen van habitattype H2130, gedomineerd door Duinroos (Rosa pimpinellifolia). Duinroos komt hier over een grote oppervlakte voor in het midden- en binnenduin. Ook komen begroeiingen van kalkarme standplaatsen voor, zoals vegetatie met Kraaihei (Empetrum nigrum; N2150) en korstmosrijke duingraslanden met Buntgras (Corynephorus canescens; H2130) (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

15/137

Figuur 4 Natura2000 gebied Noordhollands Duinlandschap

3.3.2 Schoorlse duinen Natura 2000-gebied de Schoorlse duinen betreft een brede duinstrook tussen de gemeente Bergen en de Hondsbossche Zeewering. Het gebied bestaat uit drogen duinen en valleien welke over een groot oppervlakte zijn begroeid met heide. In de binnenduinrand komen ook enkele oude loofbossen voor. Het gebied is aangewezen als habitatrichtlijngebied voor 10 habitattypen (MEIJER ET AL, 2016). De brede duinstrook die de Schoorlse duinen vormt, wordt in het oosten en noorden van het gebied gekenmerkt door een steile duinrand. Op de overgang loopt de weg van Bergen naar Camperduin. Aan de zuidkant van het gebied vormt de gemeentegrens van Bergen de scheiding met het Natura-2000 gebied Noordhollands Duinreservaat (MEIJER ET AL, 2016). De Schoorlse Duinen bestaan vooral uit oude duinen, welke vrijwel in het gehele gebied overdekt zijn met jongere zandafzettingen en alleen nog te herkennen aan de vorm van de strandwallen. In het oosten en zuiden van het gebied is ongeveer 950 hectare aan naaldbos aanwezig, waardoor dit deel van het gebied grotendeels bedekt wordt (MEIJER ET AL, 2016). Rond ongeveer 1900 kwamen in de duinvalleien nog allerlei vegetatiestadia welke in de loop van de 20ste eeuw veelal zijn verdwenen of sterk achteruitgegaan.

Dit heeft vooral soorten van kalkrijke valleien getroffen, zoals Parnassia (Parnassia palustris), Knopbies (Schoenus nigricans), Moeraswespenorchis (Epipactis palustris) en Grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea), maar ook soorten van vochtige heide, zoals Moeraswolfsklauw (Lycopodium inundatum). Momenteel zijn de nietbeboste valleien overwegend begroeid met Gewone

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

16/137

dophei (Erica tetralix) en Kraaihei (Empetrum nigrum) en is de duinheide in het gebied rijk aan korstmossen, waaronder Ezelspootje (Cladonia zopfii) (MEIJER ET AL, 2016). Achter de zeereep liggen de meer open delen van het duingebied welke nog een redelijk deel van de oorspronkelijke broedvogelbevolking herbergen. Hier komen soorten voor als Wulp, Veldleeuwerik, Roodborsttapuit en Tapuit (MEIJER ET AL, 2016).

Figuur 5 Natura2000 gebied Schoorlse Duinen

3.3.3 Kennemerland-Zuid Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid betreft een uitgestrekt duingebied aan de zuidkant van het Noordzeekanaal. Het gebied is aangewezen als habitatrichtlijngebied voor 15 habitattypen en één leefgebied en vier habitatrichtlijnsoorten (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Het duingebied Kennemerland-Zuid ligt binnen het kalkhoudende Renodunaal district en bestaat vooral uit kalkrijke duinen. Ter hoogte van Zandvoort ligt de overgang tussen kalkrijke jonge duinen en ontkalkte oude duinen. Deze overgang levert een soortenrijke en kenmerkende begroeiing op, met duinroosvegetaties in het open duin, duingraslanden, vochtige en droge duinvalleien, plasjes, goed ontwikkelde struwelen en diverse vormen van duinbossen. Ten zuiden van Zandvoort komen vooral vegetatie van vochtige en natte duinvalleien voor, waarvan het Houtglob het best ontwikkelde kalkrijke, natte duinvallei is. het grootste oppervlak aan duingrasland ligt vooral rond Zandvoort (PROVINCIE NOORDHOLLAND2, 2018). Rondom Zandvoort komen ook voorbeelden van het zeedorpenlandschap voor. De oudere duinen in het zuidoostelijke gedeelte van het gebied herbergen een goed ontwikkeld

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

17/137

kalkarm duingrasland. in het zuidelijke puntje, ter hoogte van Zandvoort, zijn ook paraboolduincomplexen aanwezig. Langs de Hollandse vastelandsduinen is het Kennemerstrand de enige locatie waar een jonge strandvlakte met embryonale duinen en een uitgestrekte oppervlakte met kalkrijke duinvalleien aanwezig is. Aan de binnenduinrand zijn een aantal oude buitenplaatsen gelegen, waaronder oude bossen met rijke stinzeflora (PROVINCIE NOORD-HOLLAND2, 2018). Op hoofdlijnen omvat het Natura 2000-gebied onder meer het Nationaal Park ZuidKennemerland en de Amsterdamse Waterleidingduinen. Voor de beschrijving van Kennemerland-Zuid worden, daar waar mogelijk, de volgende deelgebieden gehanteerd.  Kennemermeer/ KennemerstrandDuin  KruidbergKennemerduinen  Het Kraansvlak  Leyduin en Huis te Manpad  Amsterdamse Waterleiding Duinen  Noordduinen

Figuur 6 Natura2000 gebied Kennemerland-Zuid

3.3.4 Zwanenwater & Pettemerduinen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen behoren tot de best behouden vastelandsduinen van Nederland. Het gebied bestaat uit twee duinenrijen met daartussen gevarieerde vochtige duinvalleien en twee grote duinmeren. De duinen zijn over het algemeen kalkarm, maar door verstuiving en de invloed van kalkrijk grondwater zijn

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

18/137

belangwekkende gradiënten aanwezig. Het Zwanenwater is, in tegenstelling tot de meeste andere vastelandsduinen, nooit gebruikt voor waterwinning. Het gebied is aangewezen als habitatrichtlijngebied voor 18 habitattypen, éen habitatrichtlijnsoort en 6 vogelrichtlijnsoorten (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). Het gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is eeuwenlang extensief in gebruik geweest. Het gebied werd een lange tijd gebruikt als particulier jachtdomein, waar op kleine schaal vee graasde en gewassen werden geteeld (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017). In het Oostelijke deel van het Zwanenwater komen veel heidebegroeiingen met Kraaihei (Empetrum nigrum) voor. De begroeiingen komen voor op plekken waar geen verstuiving optreedt en waar bij gevolg het kalkgehalte snel afneemt. In het gebied komen slechts weinig vaatplanten voor, echter is de moslaag over het algemeen goed ontwikkeld. Hier komen ook diverse soorten levermos voor. Vanwege het oppervlakte vormen de heiden de beste voorbeelden van habitattype 2140 in de vastelandsduinen (PROVINCIE NOORD-HOLLAND3, 2017).

Figuur 7 Natura2000 gebied Zwanenwater & Pettemerduinen

3.3.5 Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder Natura 2000-gebied Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder is onderdeel van het brakke laagveengebied dat in Noord-Holland is gevormd door verlanding onder invloed van brak water in petgaten. Het gebied is aangewezen als habitatrichtlijngebied voor drie habitattypen, vijf habitatrichtlijnsoorten en zes broed- en niet-broedvogelsoorten (PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

19/137

Het Natura 2000-gebied bestaat vooral uit graslanden en wordt doorsneden door verschillende brede en vooral vele kleine veensloten. Voor weidevogels als de Grutto en Tureluur vormen de graslanden een belangrijk biotoop. Langs de sloten en in weilanden komen diverse waardevolle rietzomen voor, deze zijn van belang voor Noordse woelmuis en Roerdomp. De brakke verlandingsstadia van het Wormer- en Jisperveld herbergen bijzondere natuurwaarden, in het bijzonder de veenmosrietlanden met Veenmosorchis (Hammarbya paludosa) en de rietruigten met Heemst (Althaea officinalis) (PROVINCIE NOORDHOLLAND4, 2016). In het noordelijke deel van het Wormer- en Jisperveld komen Moerasheiden voor, waar zowel Gewone dophei (Erica tetralix), Kraaihei (Empetrum nigrum) en Struikhei (Calluna vulgaris) worden aangetroffen. De heidebegroeiingen zijn soortenarm en worden gekenmerkt door een hoge zuurgraad. Soortenrijkere moerasheiden (en veenmosrietlanden) hebben een hogere pH. Belangrijk om te vermelden is dat brakwaterverlandingen doorgaans relatief soortenarm zijn. Relatief algemene soorten als Moerasvaren (Thelypteris palustris), Scherpe zegge (Carex acuta), Moeraszegge (Carex acutiformis) en Pijpenstrootje (Molinia caerula) zijn in deze omgeving beslist zeldzaam (PROVINCIE NOORD-HOLLAND4, 2016).

Figuur 8 Natura2000 gebied Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

3.3.6 Polder Westzaan Natura 2000-gebied Polder Westzaan betreft een door bebouwing en wegen doorsneden brak veenweidegebied direct ten noorden van het Noordzeekanaal. Het gebied is aangewezen als habitatrichtlijngebied voor drie habitattypen en vier habitatrichtlijnsoorten.

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

20/137

Het veenweidegebied bestaat vooral uit graslanden, met vele sloten en lintvormige verlandingsgemeenschappen. Het gebied is belangrijk voor verschillende vegetatietypen, in het bijzonder brakke veenmosrietlanden en ruigten met Heemst (Althaea officinalis) en Echt lepelblad (Cochlearia officinalis subsp. Officinalis) (PROVINCIE NOORD-HOLLAND5, 2016).v Natura 2000-gebied Polder Westzaan is van oorsprong een hoogveengebied dat aan de zuiden westrand werd begrensd door het Oer-IJ en in het oosten door een veenrivier, de Zaan. Bijna alle percelen in het gebied zijn door oostwest lopende sloten doorsneden. Dwars op deze ontginningslijnen lopen verschillende brede sloten, die vroeger het overtollige water van het ontgonnen hoogveen afvoerden (PROVINCIE NOORD-HOLLAND5, 2016). Het gebied is rijk aan bijzondere verlandingsvegetatie, rietlanden met bijzondere moersasvogels en Noordse woelmuis, dichtbevolkte weidevogelgraslanden, en wateren met Bittervoorn en Grote modderkruiper. In de polder komt verlanding in alle verschillende stadia voor. In het Guisveld komen betrekkelijk veel initiële stadia van het overgangsveen voor, gekenmerkt door drijvende rietmatten met onder andere, Echte koekoeksbloem, Waterzuring, Ruwe bies, Kamvaren en Gewoon puntmos. Op overgangen naar de voedselrijke moerasruigten groeit hier en daar Gevleugeld hertshooi en op een enkele plek Veenreukgras.

In de gehele polder ontwikkelen gemaaide, drijvende rietlanden zich op termijn tot overgangsveen. De overige vegetatietypen in het gebied zijn de brakke gras landen en het moerasbos van De Noorderveen (PROVINCIE NOORD-HOLLAND5, 2016).

Figuur 9 Natura2000 gebied Polder Westzaan

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

21/137

3.3.7 Eilandspolder Het Natura 2000-gebied de Eilandspolder bestaat uit een open poldergebied. Het gebied wordt omgeven door twee grote droogmakerijen, de Schermer en de Beemster. In principe is de polder een ontgonnen hoogveenvlakte. Zowel landschappelijk als cultuurhistorisch kent het gebied een westelijk en oostelijk deel. Het grootste gedeelte van het landschap wordt ingenomen door graslanden op veen. De Eilandspolder is vooral van belang als rustgebied voor, Smient, Goudplevier en Grutto en als leefgebied voor Noordse woelmuis. Op een aantal plekken komen overgangsvenen en soortenarme zoomvormende ruigten voor, die tevens het belangrijkste leefgebied van de Noordse woelmuis vormen. In het gebied heeft brak water nauwelijks nog invloed, wel komen op een aantal plekken nog kenmerkende brakke overgangsvenen met Ruwe bies (Schoenoplectus tabernaemontani) voor. Het gebied is aangewezen als habitatrichtlijngebied voor 1 habitattype, 3 habitatrichtlijnsoorten en 8 vogelrichtlijnsoorten (PROVINCIE NOORD-HOLLAND6, 2016). Door veenontginning zakte het land en raakte het vatbaar voor overstromingen. Vanwege de aanhoudende bodemdaling zijn grote delen van het ontgonnen gebied verdwenen tijdens een storm. Vanaf de 13e eeuw was bijna de gehelde Eilandspolder omringd door ondiepe meren, zoals de Schermer, de Beemster en het Starnmeer.

Het overgebleven veeneiland vormde de basis voor de huidige Eilandspolder (PROVINCIE NOORD-HOLLAND6, 2016). Het Natura 2000-gebied is aangewezen als speciale beschermingszone onder de vogelrichtlijn vanwege het voorkomen van enorme aantallen van de Smient, welke overwintert in het gebied. Op de kleine veenmeertjes in het westelijke deel van het gebied bevinden zich de belangrijkste rustplaatsen. Op andere plekken in het gebied wordt ook op

Figuur 10 Natura2000 gebied Eilandspolder

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

22/137

brede vaarten en ondergelopen percelen gerust. De moeraszones in het gebied zijn van belang als broedgebied voor de Rietzanger. Het Natura 2000-gebied is van nationaal belang vanwege broedende weidevogels, naast de broed- en watervogels van de Vogelrichtlijn (PROVINCIE NOORD-HOLLAND6, 2016).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

23/137

3.3.8

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske In het Ilperveld, Oostzanerveld, Varkensland en Twiske is door ontwatering en kavelscheidingen een karakteristiek slotenpatroon ontstaan. Dit patroon bestaat uit een, door brede en smalle sloten doorsneden, cultuurlandschap van kleine en grote eilanden. De talloze eilandjes zijn grillig van vorm. Een groot deel van dit Natura 2000-gebied bestaat uit grasland, wat belangrijk is voor de vele weidevogels (PROVINCIE NOORD-HOLLAND9, 2016). Ilperveld, Oostzanerveld, Varkensland en Twiske vormt het grootste uitgeveende laagveencomplex ten noorden van Amsterdam. Vanwege het voorkomen van de Noordse woelmuis, veenmosbegroeiingen met gewone dophei (Erica tetralix) en naar verhouding grote oppervlakte aan overgangs- en trilvenen zijn de veenterreinen van internationale betekenis. Daarnaast zijn de gebieden van belang voor voedselrijke, zoomvormende strooiselruigten en voor dieren als Bittervoorn, Grote modderkruiper, Kleine modderkruiper, Rivierdonderpad en Meervleermuis (PROVINCIE NOORD-HOLLAND9, 2016). De Terreinen bieden een fraaie afwisseling van extensieve graslanden (rijk aan weidevogels), soortenarme rietlanden, voedselrijke rietzomen en veenmosrijke riet- en biezenlanden.

De grootste oppervlakte wordt ingenomen door graslanden van het Zilverschoonverbond, welke van betekenis zijn voor Grutto, Tureluur, Zomertaling, Krakeend en Slobeend. In graslanden die worden afgewisseld met een moerassige vegetatie, broedt plaatselijk de Watersnip. Naast de weidevogels zijn de graslanden van belang voor de Noordse woelmuis, die vooral voorkomt in de meest vochtige graslanden met een ietwat pollige vegetatiestructuur (PROVINCIE NOORD-HOLLAND9, 2016).

Figuur 11 Natura2000 gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

24/137

4

Omschrijving habitattypen per Natura 2000-gebied In deze paragraaf worden elk van de habitattypen waarvan de KDW overschreden wordt gedurende de aanleg (Tabel 3-1) beschreven. De habitattypen worden per Natura 2000gebied beschreven.

4.1

Noordhollands Duinreservaat Sense of urgency Een ‘sense of urgency’ wordt toegekend aan gebieden en soorten waarvoor een mogelijke onherstelbare situatie kan ontstaan. Voor deze gebieden en soorten geldt dat de specifieke ecologische vereisten zo snel mogelijk, in ieder geval in de eerste beheerplan periode, op orde gebracht moeten worden. Voor het Noordhollands Duinreservaat zijn de Grijze duinen (alle subtypes) aangewezen als ‘sense of urgency’. Natuurdoelanalyse De Natuurdoelanalyse voor het Noordhollands Duinreservaat geeft aan dat de natuur in sommige delen verslechterd is, onder andere vanwege de hoge stikstofbelasting. In grote delen van het gebied liggen de achtergronddeposities boven de kritische depositiewaarden (PROVINCIE NOORD-HOLLAND8, 2025). De ecologische autoriteit benadrukt in haar rapport (ECOLOGISCHE AUTORITEIT, 2023) dat er al maatregelen genomen zijn, maar dat deze niet voldoende zijn om verslechtering te voorkomen of om de instandhoudingsdoelstellingen volledig te behalen.

4.1.1 H2120 Witte duinen Beschrijving Het habitattype witte duinen bestaat uit door helm, noordse helm of duinzwenkgras gedomineerde delen van de buitenduinen. Witte duinen met helmbegroeiingen ontstaan van nature daar waar embryonale duinen (H2120) zover aanstuiven dat de plantengroei buiten het bereik van zout grondwater en overstromend zeewater komt. Dit proces vindt plaats in de zeereep (de duinenrij die aan het strand grenst). De invloed van zeewater is nog steeds groot door de inwaai van fijne zoutdruppeltjes, die ontstaan bij de verneveling van opspattend golfwater (‘salt spray’). Witte duinen kunnen ook ontstaan door uitstuiving of overstuiving van eerder vastgelegde Grijze duinen of door opstuiving van door mensen aangelegde windbarrières (rietbossen en helmaanplant). Daarnaast komt het habitattype ook op actief stuivende paraboolduinen in het buitenduin voor. Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 423,68 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 221,48 ha (AERIUS MONITOR, 2025).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

25/137

Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Witte duinen binnen Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Het habitattype Witte duinen komt voor van Wijk aan Zee tot Bergen aan Zee in een veelal aaneengesloten zone van stuivende helmduinen in en direct achter de zeereep. Recent zijn diverse natuurherstelprojecten uitgevoerd met als doel herstel van de Witte duinen. Er is geplagd, gegraven, reliëf hersteld en begraasd. Dit heeft geleid tot herstel van verstuiving op kleine en grote schaal. In het gebied ten noorden van Egmond aan Zee is de zeereep, het zeeduin en het middenduin van zichzelf nog dynamisch en plaatselijk zeer dynamisch. het areaal aan H2120 betreft in totaal 186,1 hectare, waarvan 157,6 ha in goede kwaliteit verkeerd en 28,5 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend De kwaliteitstrend is positief. Wat als matig staat aangegeven, is grotendeels open zand en paraboolduin, als gevolg van maatregelen ter bevordering van verstuiving dan wel het gevolg van het dynamische zeereepbeheer. Er is dus sprake van verbetering.

Daarnaast is de oppervlaktetrend ook positief door eerder genoemd herstel van verstuiving bij Castricum en Bergen aan Zee. (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2017). Ecologische vereisten Goed ontwikkelde witte duinen komen voor bij een zuurgraad boven pH 6 en zijn matig voedselarm tot matig voedselrijk en droog. Voor de Witte duinen is de aanwezigheid van dynamiek, die zorgt voor overstuiving met vers zand en zoutspray, heel belangrijk. De overstuivingen zorgen voor vitale en levenskrachtige helm (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van witte duinen (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).  Verstarrende effecten van zandsuppletie.  Beperkingen in de windynamiek, wegvallen van konijnenpopulatie  Vestiging van exoten als Rimpelroos en Amerikaanse vogelkers spelen een beperkende rol in de windynamiek.

4.1.2 H2130 Grijze duinen Beschrijving Dit habitattype, dat bestaat uit duingraslanden met een min of meer gesloten gras-, mos- of korstmosmat, komt meer landinwaarts voor dan Witte duinen (H2120). Door de bodemvorming ontstaat een zogenoemde ‘C-horizont’ met een grijze kleur, vandaar de naam van het habitattype. Dynamiek in de vorm van lichte overstuiving, helling-processen (dynamiek door neerslag) en begrazing door konijnen zorgt van nature voor de instandhouding van het type. De hoge soortenrijkdom is voor een belangrijk deel karakteristiek voor de grazige vegetaties zelf, maar een deel van de soorten is juist (mede) afhankelijk van onbegroeide delen.

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

26/137

Het ontstaan van duingraslanden is een natuurlijk proces, maar de uitgestrektheid van de graslanden in de Nederlandse duinen is waarschijnlijk mede veroorzaakt door menselijke activiteiten (met name beweiding, maar ook grondwateronttrekking). Op grond van het kalkgehalte in de toplaag van de bodem en de dikte van de humuslaag, worden voor dit habitattype drie subtypen onderscheiden, (kalkrijk (A), kalkarm (B) en heischraal (C)). De overgangen tussen de subtypen zijn echter gradueel en begroeiingen van subtype C wisselen doorgaans af met begroeiingen van subtype A (kalkrijk) of B (kalkarm). Overigens komen de duingraslanden als geheel vaak voor in samenhang met helmduinen, natte duinvalleien en struwelen (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). H2130A: Kalkrijke grijze duinen bestaan uit duingraslanden van kalkrijke, weinig tot niet ontkalkte bodem. Kalkrijke grijze duinen komen vooral voor in de van nature kalkrijke duinen ten zuiden van bergen. Lokaal komt het ook voor in de niet-ontkalkte jonge duinen van enkele Waddeneilanden. Het ‘zeedorpenlandschap is een bijzonder vorm van het habitattype. H2130B: Kalkarme grijze duinen bestaan uit duingraslanden van bodems die van nature kalkarm zijn of waarvan de toplaag ontkalkt is. In dit subtype kunnen vooral korstmossen een opvallende plaats innemen.

Bij verdergaande ontkalking (verzuring) in de kalkarme duinen en in de diep ontkalkte duinen ontstaan droge duinheides (H2140B en H2150). H2130C: Heischrale grijze duinen bestaan uit duingraslanden op bodems die humeuzer en vochtiger zijn dan die van subtype A en B. hier gaat het voornamelijk om smalle overgangen van droge graslanden naar natte duinvalleivegetaties (H2190) of vochtige tot natte heischrale gaslanden (H6230). 4.1.2.1 H2130A Grijze duinen (kalkrijk) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 1.750,34 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 815,12 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Grijze duinen (kalkrijk) binnen Natura 2000gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit kalkrijke grijze duinen komen over een groot oppervlak voor in het Noordhollands Duinreservaat en zijn vooral beperkt tot de kalkrijke duinen.

De grootste oppervlakten komen dan ook voor ten zuiden van Bergen aan Zee, van de zeeduinen tot aan de binnenduinen, mits het duin maar voldoende open en kalkrijk is. Het areaal aan H2130A betreft in totaal 997,6 hectare, waarvan 691,8 ha in goede kwaliteit verkeerd en 305,8 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORDHOLLAND, 2018). Lokale trend Als gevolg van de verstruweling en verlies van dynamiek in de afgelopen vijftien tot twintig jaar is zowel de oppervlakte als de kwaliteit achteruitgegaan. Als gevolg van vergrassing is de Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

27/137

trend in kwaliteit negatief. De verwachting is echter dat er een ombuiging plaats gaat vinden (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Ecologische vereisten De optimale zuurgraad voor kalkrijke grijze duinen is hoger dan pH 6,5. De optimale voedselrijkdom bestaat uit de klasse matig voedselarm tot licht voedselrijk en de optimale vochtoestand is droog. De balans tussen voldoende aanvoer van vers kalkrijk zand door lichte overstuiving en de herstelkracht van de vegetatie is onlosmakelijk verbonden met dit habitattype. Bij te weinig overpoedering verzuurt de bodem. Ook de momenteel te geringe invloed van zoutspray is van belang (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van kalkrijke grijze duinen. Onder invloed van deze factoren versnelt de successiereeks, treedt vergrassing op en groeien de grijze duinen dicht (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).  Doorsijpelend regenwater maakt het gevoelig voor ontkalking  Afname van de konijnpopulatie  Verhoogde stikstofdepositie 4.1.2.2 H2130B Grijze duinen (kalkarm) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 1.156,48 ha. Het relevante gekarteerde oppervlak komt neer op 475,72 ha (AERIUS MONITOR, 2025).

Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Grijze duinen (kalkarm) binnen Natura 2000gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Kalkarme grijze duinen kennen een grote verspreiding in het Noordhollands Duinreservaat en komt zowel in de kalkrijke als kalkarme duinen voor. Wanneer het habitattype ontstaat uit ontkalkte primair kalkrijke duinen, dan is dit te zien als achteruitgang van habitattype 2130A. Een strikte scheiding tussen de twee habitattypen is dan ook niet op te gaan. Het areaal aan H2130B betreft in totaal 458,4 hectare, waarvan 246,6 ha in goede kwaliteit verkeerd en 211,8 ha in matige kwaliteit. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend De trend van kalkarme grijze duinen is lastig in kaart te brengen omdat er weinig exacte gegevens bekend zijn. Het is waarschijnlijk dat de kwaliteit en de omvang van het habitattype een negatieve trend vertonen door gebrek aan dynamiek, stikstofdepositie en afname van de konijnenpopulatie (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Ecologische vereisten De optimale zuurgraad kalkarme grijze duinen ligt tussen een pH van 5 en 6,5.

De optimale voedselrijkdom bestaat uit de klasse matig voedselarm tot licht voedselrijk en de optimale vochttoestand is droog. Het habitattype ontstaat door geleidelijke stabilisatie van witte

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

28/137

duinen. Dit habitattype heeft beperkte, regelmatige overstuiving met (niet uitgeloogd) zand nodig om verzuring te beperken. Daarnaast spelen zoutspray, lichte bodemvorming en ontkalking een belangrijke rol bij de ontwikkeling van dit habitattype. Bij een grote konijneninvloed kan dit leiden tot de vorming van stuifkuilen (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van kalkarme grijze duinen. Onder invloed van deze factoren versnelt de successiereeks, treedt vergrassing op en groeien de grijze duinen dicht (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).  Hoge stikstofdepositie gecombineerd met een lage mate van begrazing  Geringe winddynamiek, wat leidt tot een vermindering in verstuiving  Betreding  Verstoring door honden 4.1.2.3 H2130C Grijze duinen (heischraal) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 26,27 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 7,19 ha (AERIUS MONITOR, 2025).

Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Grijze duinen (heischraal) binnen Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: verbetering oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Heischrale Grijze duinen komen verspreid in het duingebied voor, vooral op locaties waar natte duinvalleien aanwezig zijn. Tot de belangrijkste locaties behoren de vochtige duinvalleien bij Egmond, Bergen en de duinen bij Castricum. In de natuurlijke situatie zijn de heischrale vegetatietypen gewoonlijk beperkt tot smalle randjes langs vochtige duinvalleien. Het areaal aan H2130C betreft in totaal 7,4 hectare, waarvan 7,4 hectare in goede kwaliteit verkeerd. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend Er is weinig bekend over de trend van het habitattype in Noordhollands Duinreservaat. Vanwege de aanleg van een groot oppervlakte nieuwe natte duinvalleien in het recente verleden is de verwachting, dat op lange termijn het oppervlak van dit habitattype, dat voorkomt langs natte valleien, zal toenemen. Duidelijke gegevens over de huidige kwaliteitstrend ontbreken. Wel is er sprake van een dreigende verstruweling van heischrale grijze duinen vanuit de randen.

Een geringe toename in de voedingstoestand heeft al snel grote gevolgen voor de kwalificerende vegetaties, vergrassing en verruiging zijn hiervan het gevolg. Hierin speelt (naast ontbrekende konijnenbegrazing) de stikstofdepositie een grote rol. Het is dus aannemelijk dat de kwaliteit onder druk staat als gevolg van stikstofdepositie (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

29/137

Ecologische vereisten De optimale zuurgraad voor Grijze duinen (heischraal) ligt tussen 5 en 6,5. De optimale voedselrijkdom bestaat uit de klasse matig voedselarm en de optimale vochttoestand ligt tussen vochtig en zeer vochtig. Belangrijk voor de instandhouding van de heischrale Grijze duinen is dus een periodieke aanvoer van voldoende basenrijk grondwater voor de buffering en vochtvoorziening, de instandhouding van een humuslaaf en de aanwezigheid van periodieke lichte overstuiving (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van heischrale grijze duinen (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).  Het ontbreken van goede hydrologische omstandigheden  Het dichtgroeien van Vochtige duinvalleien vanuit de randen met struweel door te beperkt maaien van de vallei is bedreiging voor dit habitat.  Vergrassing en verruiging als gevolg van kleine veranderingen in voedingstoestand.  Verhoogde stikstofdepositie en de daardoor versnelde bodemontwikkeling en verzurende bodem  Het ontbreken van milde overpoedering en het ontbreken van de begrazingsdruk van konijnen zijn knelpunten.

4.1.3 H2140 Duinheiden met Kraaihei Beschrijving Dit habitattype bestaat uit open kustduinen met een vegetatie die wordt gedomineerd door dwergstruiken, waaronder kraaihei (Empetrum nigrum). Gewone dophei (Erica tetralix) of cranberry (Oxycoccus macrocarpos) kunnen in natte duinheide in duinvalleien dominant zijn. In de droge duinheiden kunnen eikvaren (Polypodium vulgare), kruipwilg (Salix repens) of, pleksgewijs, struikhei (Calluna vulgaris) domineren. Wanneer kraaihei slechts met een lage bedekking aanwezig is, worden vegetaties met dwergstruiken tot dit habitattype gerekend. Kraaihei gedraagt zich doorgaans als een zeer concurrentiekrachtige soort die andere dwergstruiken kan verdringen. In de regel gebeurt dit voornamelijk door vegetatieve uitbreiding (‘groeifront’). Kraaihei is van oorsprong een soort van relatief koude streken. De soort groeit in Nederland dus ook alleen in de noordelijke helft van het land, bij relatief koele en vochtige omstandigheden. Om deze reden komt het habitattype vooral voor op noordhellingen, vanwege de hoge luchtvochtigheid, en in duinvalleien. In alle gevallen betreft ontkalkte duinen met een relatief dikke humuslaag op de bodem. In valleien kan het habitattype lang standhouden. Op basis van de standplaatsverschillen wordt het habitattype verdeeld in twee subtypen (Natura 2000, 2008).

 H2140A: Vochtige duinheiden met kraaihei bestaan uit begroeiingen met kraaihei in vochtige duinvalleien  H2140B: Droge duinheiden met kraaihei bestaan uit begroeiingen met kraaihei op duinhellingen in droge duinvalleien. Deze begroeiingen vormen in de valleien een verdrogingsstadium van wat eerst behoorde tot habitattype Vochtige duinvalleien (H2190).

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

30/137

4.1.3.1 H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 27,68 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 10,37 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinheiden met kraaihei (vochtig) binnen Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PASgebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit De Duinheiden met kraaihei (vochtig) zijn in hun verspreiding vooral beperkt tot de primaire kalkarme duinen. Geïsoleerd en soms zeer kleine oppervlakten worden aangetroffen in de ontkalkte delen van de duinen ten zuiden van Bergen. Het areaal aan H2140A betreft in totaal 9,8 hectare, waarvan 9,8 ha in goede kwaliteit verkeerd. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend Er is niets bekend over de trend van dit habitattype in het Noordhollands Duinreservaat (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).

Ecologische vereisten De optimale zuurgraad voor Duinheiden met Kraaihei (vochtig) ligt beneden pH 5,5 en betreft matig zure tot zure bodems. De optimale voedselrijkdom ligt tussen matig voedselarm en zeer voedselarm. De optimale vochttoestand omvat de range van zeer nat tot vochtig met een bijbehorende gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand tussen 5 cm boven maaiveld en >40cm onder het maaiveld. In het laatste geval mag een droogtestress optreden van maximaal twee weken. (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype. (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).  De beïnvloeding van het natuurlijke grondwaterregime door aangeplant dennenbos, verstruweling, bosvorming, grondwateronttrekking en versnelde afvoer is een hydrologisch knelpunt.  Het vastliggen van dynamische processen zorgt ervoor dat er geen nieuwe valleien ontstaan waar dit habitattype in juiste relatie met het huidige grondwaterniveau kan ontstaan.  Door het dichtgroeien van de omgeving verminderd de invloed van de winddynamiek op het landschap en nemen de kansen op de benodigde kleinschalige verstuivingen en de milde overpoedering af. Overpoederen is een voorwaarde voor de kenmerkende bodemopbouw.

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

31/137

4.1.3.2 H2140B Duinheiden met kraaihei (droog) Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 229,57 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 69,9 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Grijze duinen (kalkrijk) binnen Natura 2000gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Duinheide met Kraaihei (droog) komt bijna uitsluitend voor in de primaire kalkarme duinen ten noorden van Bergen aan Zee. Ten zuiden van Bergen komen enkele verspreide zeer kleien oppervlakten met dit habitattype voor, zoals ten zuiden van de Verbrande Pan tot aan de Wimmenumer duinen (zegeveld). Het areaal aan H2140B betreft in totaal 55,3 hectare, waarvan 55,3 ha in goede kwaliteit verkeerd. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend De trend betreffende dit habitattype in het Noordhollands Duinreservaat is onbekend (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).

Ecologische vereisten De optimale zuurgraad voor Duinheiden met Kraaihei (droog) liggen tussen pH 4,0 en 5,5 en de optimale voedselrijkdom ligt tussen matig voedselarm en zeer voedselarm. De optimale vochttoestand omvat de range matig droog tot droog met een bijbehorende gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand van >40 cm onder het maaiveld. De standplaatsen worden net als bij subtype A, gekenmerkt door de aanwezigheid van een zwarte organische humuslaag bovenop het duinzand, veroorzaakt door de zure omstandigheden. voor de vestiging van kraaihei is een relatief koel en vochtig microklimaat nodig (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype. (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).  Het habitattype is onder een verhoogde stikstofdepositie en bodemvorming gevoelig voor dichtgroeien met struiken en bomen waaronder de exoten Pimpelroos, Krent en Amerikaanse vogelkers.  Vergrassing is eveneens een knelpunt.  Dennen en bosaanplant veroorzaken een verstarring van het landschap.

4.1.4 H2150 Duinheiden met Struikhei Beschrijving Dit habitattype bestaat uit begroeiingen gedomineerd door Struikhei (Calluna vulgaris) op kalkarme kustduinen in relatief ver landinwaarts gelegen, van oorsprong kalkrijke maar inmiddels sterk ontkalkte en langdurig beweide oude kustduinen. Het habitattype komt meer voor in zuidelijkere landen waar het type ook het meest karakteristiek is ontwikkeld. In het noorden, langs de kusten van Nederland tot en met Polen, verschilt de Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

32/137

soortensamenstelling echter weinig van de twee andere habitattypen met struikhei (H2310 en H4030), die in het binnenland voorkomen. De soortenrijkdom aan korstmossen kan in de ondergroei redelijk groot zijn. In het duingebied lijkt dit habitattype op het habitattype Duinheiden met kraaihei (droog)(H2140B), dat over vele grotere oppervlakte voorkomt. Wanneer kraaihei in een duinheide voorkomt, is er al sprake van H2140. Enkel struikbegroeiingen zonder kraaihei worden dus tot H2150 gerekend (Natura 2000, 2008). Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 5,44 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 2,35 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duinheiden met struikhei binnen Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud oppervlakte en kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Huidige situatie in omvang en kwaliteit Het habitattype komt in beperkt oppervlak voor in de ontkalkte delen van kalkrijke duinen ten zuiden van Bergen: ten noorden van de Verbrande Pan (Bergen), ten noorden van het Koningsbosch bij Bakkum.

Het areaal aan H2150 betreft in totaal 30,4 hectare, waarvan 30,4 ha in matige kwaliteit verkeerd. Het minimumoppervlakte van dit habitattype is 1 are (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Lokale trend Er is weinig bekend over de trend van het habitattype in het Noordhollands Duinreservaat. Wel is duidelijk dat de heiden dichtgroeien met houtsoorten als den, eik en berk. Met beheer wordt dit tegengegaan. Door inzet van begrazing tussen Bergen en Bergen aan Zee is de verwachting dat hier de kwaliteit zal toenemen. (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Ecologische vereisten De optimale zuurgraad voor het habitattype omvat matig zure en zure omstandigheden met een pH lager dan 5,0. De optimale voedselrijkdom omvat alleen de klasse zeer voedselarm. Voor de instandhoudingsdoelstellingen moet er afwisseling zijn van jonge, oude en zeer oude heidestruiken. Vegetatiebeheer is noodzakelijk, konijnenbegrazing is niet voldoende. en er moet een soortenrijke korstmossenbegroeing zijn die meer dan 20% van het oppervlak bedekt (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018). Knelpunten De volgende knelpunten zijn aangewezen binnen het Noordhollands Duinreservaat die negatieve effecten hebben op de ontwikkeling en het behoud van dit habitattype (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).  Het wegvallen van winddynamiek door aanplant van naald- en loofbossen is een knelpunt.

 Verzuring van de duinheiden leidt tot vergrassing en het verlies van soortenrijkdom.  De stikstofdepositie en beperkte begrazing leidt tot verhouting waaronder ook exoten zoals Krent en Amerikaanse vogelkers.  Gebrek aan kleinschalige overstuiving met verdergaande verzuring is een knelpunt.

Vennewatersweg te Heiloo G&G-advies AE2025-054

33/137

4.1.5 H2160 Duindoornstruwelen Beschrijving Het habitattype betreft door Duindoorn (Hippophae rhamnoides) gedomineerde duinen (en vergelijkbare plaatsen elders in het kustgebied). Naast Duindoorn kunnen ook andere struiken met hoge bedekkingen voorkomen, waaronder Gewone vlier (Sambucus nigra), Wilde liguster (Ligustrum vulgare) en Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna). Duindoorn is voor kieming en vestiging gebonden aan humusarm, kalkrijk zand met een lage indringingsweerstand. Goed ontwikkelde jonge duindoornstruwelen komen dan ook vooral voor na een sterk stuivende fase met Helm (habitattype Witte duinen, H2120), waarbij de relatief kalkrijke bodem ontsloten is. Duindoorn vormt wortelknolletjes met stikstofbindende actinomyceten en heeft een goed verteerbaar bladstrooisel. Op de relatief kalkrijke bodems leidt dit tot trage humusvorming en een verhoogde beschikbaarheid van stikstof. In zeer kalkrijke duinen kunnen deze struwelen enkele eeuwen oud worden. Voor de biodiversiteit zijn met name de struwelen belangrijk die ontstaan als gevolg van voortgaande successie op meer beschutte plekken (vooral op plekken waar door hellingprocessen organisch materiaal ophoopt). Naast Duindoorn nemen dan de bovengenoemde andere struiken een belangrijke plaats in. Wanneer deze struiken echter te hoog worden, wordt Duindoorn door beschaduwing verdrongen.

Op minder beschutte delen kan de successie richting gemengde struwelen echter stagneren. Daarbij ontstaan soortenarme begroeiingen. Zolang de bodem, door overstuiving met kalkrijk zand voldoende kalkrijk blijft, kan Duindoorn zich handhaven. Als de bodem ontkalkt raakt en gaat verzuren, verdwijnt het habitattype. Niet alleen successie kan leiden tot soortenarme begroeiingen. Een groot deel van de huidige Duindoornstruwelen is soortenarm vanwege hun onnatuurlijke oorsprong: veel duindoorns zijn ontkiemd op geroerde, voedselrijke grond die vrijkwam na het verlaten van akkers, het verwijderen van militaire complexen (mijnenvelden, bunkers) en het inrichten van waterwingebieden (Natura 2000, 2008). Beginsituatie Het relevant ingetekende oppervlak van dit habitattype is 1.027,39 ha. Dit is de totale oppervlakte waar het habitattype op doelstellingsniveau zou kunnen voorkomen. Het relevante gekarteerde oppervlak is het totale oppervlakte waarop het habitattype daadwerkelijk voorkomt. Dit komt neer op 372,6 ha (AERIUS MONITOR, 2025). Instandhoudingsdoelen De instandhoudingsdoelstelling van habitattype Duindoornstruwelen binnen Natura 2000gebied Noordhollands Duinreservaat is in het beheerplan en de PAS-gebiedsanalyse als volgt vastgesteld: behoud kwaliteit (PROVINCIE NOORD-HOLLAND, 2018).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=6c10432b-c9b6-472e-9dc7-05183c655976