Integraal Huisvestingsplan
Tekst van het document
Integraal huisvestingsplan Gemeente Heiloo
Opdrachtgever Gemeente Heiloo
Datum 10 april 2024
Referentienummer 2230125
Auteur(s) Leonoor Clemens Peter Jan Bakker
│ Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV
Inhoudsopgave 1.
Inleiding 1.1
Aanleiding
4
1.2
Proces
4
1.3
Taken en verantwoordelijkheden
5
1.3.1 1.4
2.
4.
Wetswijzigingsvoorstel
Lopende ontwikkelingen
Visie en beleidskaders 2.1
3.
4
Visie op de huisvesting
5 6
7 7
2.1.1
Duurzaam en gezond
7
2.1.2
Circulariteit
11
2.1.3
Renovatie
12
2.1.4
Verbreding
12
2.1.1
Inclusie
17
Inzicht en beoordeling
19
3.1
Algemeen
19
3.2
Kwaliteit
19
3.3
Financiën
21
3.4
Leerlingenontwikkeling
22
Oplossingsrichtingen 4.1
Primair onderwijs
24 24
4.1.1
Heiloo-Noord
24
4.1.2
Heiloo-West, Oost en Zuid
26
4.2
Voortgezet onderwijs
30
4.3
Planning
31
5.
Bewegingsonderwijs
32
6.
Financiën
35
6.1
Uitgangspunten
35
6.2
Totale investering onderwijs
36
6.3
Verduurzaming
38
De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICS Adviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICS Adviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICS Adviseurs B.V., gedeponeerd bij de Rechtbank Overijssel onder nummer 9/2021, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICS Adviseurs B.V.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
7.
Slotsom en aanbevelingen
39
7.1
Slotsom
39
7.2
Aanbevelingen
39
Bijlagen
2230125 | www.icsadviseurs.nl
41
1. Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeenteraad van Heiloo heeft in oktober 2018 het integraal huisvestingsplan (IHP) 2018-2022 vastgesteld. Sindsdien hebben zich verschillende ontwikkelingen voorgedaan, landelijk (wet- en regelgeving, klimaatakkoord energietransitie), lokaal (gebiedsontwikkelingen, onderwijslandschap) en financieel (stijging bouw- en energieprijzen). Gemeente en schoolbesturen hebben derhalve de behoefte om het IHP te actualiseren, waarmee ze de koers voor de komende vier jaar en de richting voor de daaropvolgende twaalf jaren verder aanscherpen. Ook de gewenste overdracht van schoolgebouwen van de gemeente naar de schoolbesturen is een samenhangend vraagstuk die bij de ontwikkeling van het IHP dient te worden betrokken. Met de te maken afspraken in het IHP willen gemeente en schoolbesturen gezamenlijk bereiken dat leerlingen en personeel in het primair- en voortgezet onderwijs kunnen leren en werken in gebouwen die bijdragen aan de leer- en werkprestaties. Dit vertaalt zich in duurzame, inspirerende en functionele gebouwen, die een goed binnenklimaat hebben en voor alle partijen binnen de beschikbare middelen te exploiteren zijn. Voorliggend IHP omvat een richtinggevend kader met meerjarige investeringsafspraken waarmee gemeente en schoolbesturen aan hun gezamenlijke doelstelling vorm en inhoud geven.
In het plan zijn gedragen afspraken gemaakt over de kwaliteit, verdeling van verantwoordelijkheden, het proces/tijdspad en de financiering.
1.2 Proces Het IHP voor gemeente Heiloo wordt gelijktijdig met het IHP voor gemeente Castricum ontwikkeld en waar mogelijk is het proces gezamenlijk doorlopen. Enerzijds omdat er gezamenlijke vraagstukken liggen en anderzijds omdat beide gemeenten de wens hebben om gelijkluidende kaderstellend beleidsuitgangspunten te formuleren (onder andere ten aanzien van de verduurzamingsopgave en het financieringsvraagstuk ten aanzien van IKC-vorming). Het voorliggende rapport is opgesteld onder begeleiding van ICSadviseurs, in samenwerking met de gemeente (afdeling onderwijshuisvesting en financiën) en alle schoolbesturen voor het primair- en voortgezet onderwijs in de gemeente Heiloo.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
4/42
1.3 Taken en verantwoordelijkheden De taken en verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbestuur zijn wettelijk bepaald. De afbeelding hieronder (figuur 1) toont het onderscheid in wettelijke taken en verantwoordelijkheden. De gemeente heeft een wettelijke zorgplicht om te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het primair, speciaal, voortgezet onderwijs en bewegingsonderwijs. Deze zorgplicht staat omschreven in de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Heiloo uit 2015. De gemeente is verantwoordelijk voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Vooruitlopend op de aangekondigde wetswijziging is de gemeente tevens verantwoordelijk voor renovatie, ook wel vernieuwbouw genoemd. Voor de uitvoering van de zorgplicht ontvangt de gemeente jaarlijks ongelabeld budget in het gemeentefonds vanuit het ministerie van binnenlandse zaken. Dit budget wordt voor primair onderwijs jaarlijks gebaseerd op basis van algemene maatstaven. Voor het voortgezet onderwijs wordt het budget bepaald aan de hand van het aantal ingeschreven leerlingen. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de instandhouding van het schoolgebouw. Taken als het onderhouden, exploiteren en het uitvoeren van inpandige (onderwijskundige) aanpassingen zijn belegd bij het schoolbestuur. Voor deze taken ontvangen de besturen jaarlijks vanuit het Rijk middelen.
Deze vergoeding wordt gebaseerd op het aantal ingeschreven leerlingen en niet op de technische staat van het schoolgebouw. Wat de gymzalen betreft is de gemeente Heiloo eigenaar en daarmee verantwoordelijk voor het onderhoud en de exploitatie. Met uitzondering van de gymzaal op het GGZ-terrein. Deze gymzaal wordt gehuurd van de GGZ. Het voortgezet onderwijs is verantwoordelijk voor al het onderhoud aan de gymzalen (waarvan zij Figuur 1: taken en verantwoordelijkheden juridisch eigenaar is). Bij gebruik van gemeentelijke accommodaties betaalt het voortgezet onderwijs een exploitatievergoeding.
1.3.1 Wetswijzigingsvoorstel Er is een wetswijziging in behandeling waardoor het wettelijk kader voor onderwijshuisvesting gaat veranderen. De streefdatum voor de inwerkingtreding van het wetswijzigingsvoorstel is 1 januari 2025. Het voorstel bevat de volgende elementen: ▪ ▪ ▪ ▪
Het IHP wordt een wettelijke verplichting van gemeenten. Het IHP heeft een scope van 16 jaar en daarbinnen een perspectief van een beschikking voor alle projecten in de eerste 4 jaar; Renovatie wordt een voorziening in de huisvesting en valt onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid; Het investeringsverbod voor het primair en speciaal onderwijs wordt gedeeltelijk opgeheven; Gemeente en schoolbesturen hebben de verplichting te zorgen voor een gezond binnenklimaat. Waarbij de gemeente bij (ver)nieuwbouw verantwoordelijk is voor het creëren van een goed binnenklimaat en het schoolbestuur verantwoordelijk is om het gezonde binnenklimaat te behouden.
Het voorliggend IHP sluit aan op het wijzigingsvoorstel. Zowel in de visie als in bij het formuleren van scenario’s en het berekenen van investeringen zijn bovenstaande thema’s onder de aandacht gebracht en vertaald naar concrete voorstellen.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
5/42
1.4 Lopende ontwikkelingen Sinds de totstandkoming van het IHP in 2018 hebben zich verschillende ontwikkelingen voorgedaan. Onderstaand worden de relevante ontwikkelingen voor dit IHP nader toegelicht. Gebiedsontwikkeling Zandzoom Op het grensgebied tussen de gemeente Castricum en Heiloo vindt gebiedsontwikkeling Zandzoom plaats. Naar schatting worden er ca. 2.000 woningen gerealiseerd in dit gebied. Deze ontwikkeling is meegenomen in de leerling prognose van de gemeente Heiloo. Binnen de gemeentegrenzen van Castricum wordt in de prognose rekening gehouden met de bouw van ca. 400 woningen als gevolg van deze gebiedsontwikkeling. De kaders voor een nieuw kindcentrum in de Zandzoom zijn reeds vastgesteld door het college van Heiloo. Hierbij wordt uitgegaan van een kindcentrum voor maximaal 300 leerlingen, dat wordt gerealiseerd vanuit de gemeente Heiloo. In het verlengde van afspraken over het nieuwe kindcentrum in de Zandzoom zijn er beleidskaders met de drie schoolbesturen afgesproken aangaande de omvang van de bestaande scholen (zie bijlage Notitie Toekomstbestendige onderwijshuisvesting). Afgesproken is dat de gemeente, in principe, geen uitbreiding van onderwijs vierkante meters financiert indien er binnen het totale bestand nog formule ruimte is. De schoolbesturen geleiden (binnen hun mogelijkheden) de leerling stromen; m.a.w.
vóórkoming van leegstand enerzijds en behoefte aan uitbreiding anderzijds. Voorkoming leegstand kan ook door medegebruik van elkaars gebouwen. SUVIS In 2021 is de Specifieke Uitkering Ventilatie In Scholen (SUVIS) in het leven geroepen. Deze subsidieregeling is een uitkering voor gemeenten om het binnenklimaat van bestaande schoolgebouwen te verbeteren. Vanuit de subsidie kunnen bouw- en installatiekosten voor maximaal 30% vanuit de subsidieregeling worden gefinancierd. De SUVIS regeling is inmiddels niet meer van kracht. In Heiloo is voor De Springschans en de scholen in de Hoed en de Kring de SUVIS aangevraagd en toegekend. DUMAVA-subsidie Om het maatschappelijk vastgoed in Nederland te verduurzamen heeft het Ministerie van BZK in 2022 de investeringssubsidie duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) ingevoerd. Het hoofddoel is om eigenaren van maatschappelijk vastgoed te stimuleren te investeren in verduurzamingsmaatregelen om de energieprestatie te verbeteren en de CO2-uitstoot te verlagen. De regeling is bedoeld voor bestaand maatschappelijk vastgoed, waaronder schoolgebouwen, die minimaal 10 jaar oud zijn. Per project kan voor maximaal 30% van de kosten subsidie worden aangevraagd. Afhankelijk van de benodigde maatregelen varieert het verkrijgen subsidiebedrag tussen de 25.000,- euro en maximaal € 2,5 miljoen.
In het IHP brengen we in kaart voor welke projecten het kansrijk is om de DUMAVA subsidie aan te vragen.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
6/42
2. Visie en beleidskaders Gemeente en schoolbesturen hebben gezamenlijk de visie op diverse onderwijshuisvestingsthema’s geformuleerd. Met deze visie als basis zijn voor de thema’s financiering kinderopvang en duurzaamheid concrete beleidskaders uitgewerkt.
2.1 Visie op de huisvesting 2.1.1 Duurzaam en gezond Duurzaamheid en gezondheid is een belangrijk thema bij het creëren van toekomstbestendige onderwijshuisvesting. In het Klimaatakkoord zijn concrete doelstellingen geformuleerd voor het reduceren van de CO2-emissie. Voor 2030 is het streefdoel een reductie van 55% (t.o.v. 1990) en voor 2050 is een hard einddoel van een reductie van 95% afgesproken. In dat kader is tevens het doel gesteld om in 2050 volledig aardgasvrij te zijn. We zitten inmiddels aan het begin van deze energietransitie. Daarnaast geeft het Programma van Eisen Frisse Scholen1 duidelijke richtlijnen ten aanzien van luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid in schoolgebouwen. De normen die in het vigerende bouwbesluit voor nieuwbouw worden gehanteerd, zijn vergelijkbaar met Frisse Scholen Klasse B. In de beleidsregel ‘buitenklimaat: luchtkwaliteit op scholen en kinderdagverblijven’2 worden eisen gesteld aan de afstand van een school en/of kinderdagverblijf t.o.v. rijkswegen en binnenstedelijke wegen. Bij nieuwbouw dient aan deze eisen te worden voldaan. De BUCH-gemeenten hebben in het beleidsplan ‘Op weg naar klimaatadptieve en natuurinclusieve gemeenten’ doelen opgenomen ten aanzien van klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit. In 2050 willen de gemeenten klimaatbestendig, waterrobuust en natuurinclusief zijn.
In geval van nieuwe gebouwen dient al in de eerste fase van projecten de kaders voor klimaatadapatie en natuurinclusief bouwen te worden meegenomen. In het kader van klimaatadaptatie is het tevens het streven om de schoolpleinen te vergroenen en daarmee hittestress te voorkomen en regenwater langer vast te houden. Groene schoolpleinen hebben ook een positief effect op het welzijn van kinderen en kunnen worden ingezet voor educatieve doeleinden. Daarnaast is er in het kader van de energietransitie een visie en uitvoeringsplan op aardgasvrij wijken opgesteld. De herziening van de warmtetransitie aanpak is in de zomer van 2023 1 https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/06/PvE-Frisse-Scholen-2021.pdf 2
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR339320/1#:~:text=Bij%20de%20advisering%20van%20de,geldt%20het%20nee%2Dtenzij%20principe.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
7/42
vastgesteld. Het educatieve karakter van duurzaam bouwen brengen de schoolbesturen ook aan de kinderen over. Schoolbesturen zien het als hun rol om maatregelen binnen het gebouw en het terrein zichtbaar te maken en kinderen te betrekken bij het bouwtraject. De onderwijsportefeuille in Heiloo moet aan deze landelijke en lokale eisen gaan voldoen. Gemeenten en schoolbesturen hebben nog 27 jaar de tijd om dit te bereiken. Aan nieuwbouw en aan verbouwing (aanpassing, renovatie) van bestaande gebouwen worden wettelijk gezien verschillende eisen gesteld. Maar de verduurzamingsopgave waar we als maatschappij voor staan, geldt feitelijk voor de gehele vastgoed voorraad. Ook het binnenklimaat van onze gebouwen moet in elk geval geen negatieve impact op de gezondheid en leerprestaties van leerlingen en docenten opleveren. Onderstaand wordt voor zowel voor nieuwe als bestaande bouw beschreven hoe wordt bijgedragen aan het realiseren van duurzame en gezonde onderwijsgebouwen. Aandachtspunt: netcongestie. Er is momenteel een wachtlijst voor aansluitingen op het elektriciteitsnet in Heiloo en omstreken. Voor (ver)nieuwbouw, uitbreidingsvraagstukken en het toepassen van duurzame maatregelen bestaat het risico dat de capaciteit van het net ontoereikend is.
2.1.1.1 Nieuwe gebouwen Onder nieuwe gebouwen worden de schoolgebouwen verstaan die in het IHP binnen een afzienbare tijd een grootschalige ingreep krijgen in de vorm van nieuwbouw of renovatie. Het doel van de ingreep is het verhogen van de kwaliteit en levensduur van het gebouw. Het is de ambitie om bij nieuwe (of vernieuwde) schoolgebouwen maximaal bij te dragen aan de verduurzamingsopgave. Het streven is, daar waar dat haalbaar blijkt, te gaan voor Nul-op-de-meter (NoM). Dit houdt in dat zowel het gebouw- als gebruiksgebonden energieverbruik volledig wordt opgewekt op de locatie zelf en daarmee ook een neutrale CO2-emissie wordt bereikt. Op het gebied van gezondheid wordt Frisse Scholen Klasse B gezien als ondergrens. Het streven is Frisse Scholen Klasse A te behalen. Gezocht wordt naar een optimaal samenspel tussen het reduceren van de energiebehoefte en een gezond binnenklimaat. De gehanteerde eisen kunnen dus per gebouw verschillen. Ook dient er bij nieuwbouw aandacht te zijn voor klimaatadaptatie en natuurinclusie binnen het gebouw en het terrein.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
8/42
Voorstel IHP De gemeente en schoolbesturen dragen gezamenlijk bij aan het behalen van deze ambitie. De gemeente bekostigt het wettelijke deel (nu nog BENG, aardgasvrij en minimaal Frisse Scholen B). Binnen dit budget wordt per project bekeken op welke onderdelen Frisse Scholen Klasse A behaald kan worden. Onderzocht wordt of de stap van BENG naar ENG of Nul-op-de-meter te realiseren is met een schoolbestuurlijke bijdrage. Uitgangspunt is dat de schoolbesturen deze eenmalige bijdrage kunnen dekken uit besparing op de energielasten, uit (rijks)subsidies en uit eventuele besparingen op het meerjaren onderhoudsplan (MJOP). In basis draagt het schoolbestuur hier zelf aan bij of sluit hiervoor een lening af. In een businesscase wordt de haalbaarheid van deze aanvullende bijdrage onderzocht en onderbouwd. Bij projecten worden ook de kansen benut om klimaatadapatie en natuurinclusiviteit te integreren. Door middel van een klimaatscan wordt in beeld gebracht welke maatregelen er op de specifieke locatie mogelijk zijn om hittestress en wateroverlast tegen te gaan en de biodiversiteit te vergroten. Afhankelijk van de projectfase is het opstellen van de klimaatscan een verantwoordelijkheid van de gemeente of het schoolbestuur. Bij nieuwbouw of locatieonderzoeken wordt in het IHP getoetst of wordt voldaan aan de eisen zijn opgenomen in de beleidsregel buitenklimaat (zie p. 7).
Gevraagd besluit: ▪ ▪
Gemeente stelt een leenfaciliteit beschikbaar voor de schoolbesturen om investeringen in verduurzaming (de stap van BENG naar ENG of NoM) te kunnen financieren. Gemeente is bereid tot een financiële bijdrage aan de stap van BENG naar ENG of NoM indien het schoolbestuur onderbouwd (d.m.v. een TCO-berekening) aantoont de investering niet terug te verdienen in de exploitatie of vanuit subsidies te dekken is.
2.1.1.2 Bestaande bouw Onder bestaande bouw vallen de gebouwen die binnen de looptijd (16 jaar) van het IHP in stand worden gehouden. Hoewel deze gebouwen geen grootschalige ingreep in de vorm van nieuwbouw of renovatie krijgen is ook voor deze categorie nagedacht over hoe kan worden bijgedragen aan de verduurzaming en het verbeteren van het binnenklimaat in lijn met de landelijke klimaatdoelen. Uitgangspunt is immers dat over 27 jaar alle gebouwen CO2 neutraal zijn. Binnen de huidige regelgeving is het schoolbestuur verantwoordelijk voor het in stand houden en onderhouden van het schoolgebouw. Zij stellen hiervoor een MJOP op en verrichten metingen naar de luchtkwaliteit. Het schoolbestuur is tevens verplicht om de Erkende Maatregelenlijst (EML, Wet Milieubeheer) uit te voeren. Dit betreft duurzame maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder. Voor het onderhouden en het uitvoeren van de Erkende Maatregelen zet het schoolbestuur een deel van haar vergoeding vanuit het Rijk in. Deze regeling blijft gehandhaafd. Toch vraagt het behalen van de doelstellingen uit het klimaatakkoord en de lokale klimaatdoelen om aanvullende maatregelen. Hieronder is een voorstel opgenomen hoe hiermee om te gaan.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
9/42
Beleidskader verduurzaming in stand te houden gebouwen Het klimaatakkoord van Parijs vormt een belangrijke leidraad voor de verduurzaming van het vastgoed in Nederland. Heel concreet komt het erop neer dat alle schoolgebouwen in 2050 energieneutraal (en aardgas vrij) moeten zijn. In de aanloop naar die doelstelling, worden gebouweigenaren (de schoolbesturen) geconfronteerd met te treffen verduurzamingsmaatregelen. Vooralsnog maatregelen die binnen een afzienbare termijn zijn terug te verdienen. Maar dat is nog niet voldoende voor de totale opgave om te komen tot energie neutrale schoolgebouwen. 1. 2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
Schoolbesturen zijn in beginsel verantwoordelijk voor de in stand houding van hun schoolgebouwen en hebben de ambitie om deze verder te verduurzamen; Schoolbesturen stellen voor hun schoolgebouwen een duurzaam meerjaren onderhoudsplan op om hiermee tevens de energieprestatie van hun schoolgebouwen te verbeteren. Daarnaast voeren schoolbesturen de zogenaamde ‘Erkende maatregelen energiebesparing’ (EML)van het Activiteitenbesluit uit, als zij daartoe wettelijk verplicht zijn; Verduurzamingsmaatregelen die schoolbesturen uitvoeren (en bekostigen) moeten in relatie staan tot de termijn waarop de gebouwen naar verwachting nog in stand worden gehouden en de middelen die het schoolbestuur tot haar beschikking heeft; Het initiatief voor verdere verduurzaming ligt bij het schoolbestuur en is in de regel relevent voor gebouwen die ouder zijn dan 10 jaar, in het IHP zijn opgenomen als in stand te houden en waar voor de eerstkomende 15 jaar niet de verwachting is dat er sprake is van vernieuwing of grootschalige renovatie; Op gezamenlijk initiatief van de schoolbesturen kan er een scan worden uitgevoerd. In het IHP is opgenomen welke gebouwen hiervoor in aanmerking komen Deze scan maakt inzichtelijk welke maatregelen nodig en haalbaar zijn om energie te besparen, van het gas af te gaan en het binnenklimaat te verbeteren. De gemeente bekostigt de scan.
Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de uitvoering en coördinatie van de scan. Gezamenlijk bepalen de schoolbesturen en gemeente welke partij zij selecteren voor de uitvoering van deze scans. In de bijlage is een handreiking opgenomen met aspecten die in de scan moeten worden onderzocht; De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de maatregelen, die op basis van de scan worden geadviseerd, ligt bij het schoolbestuur. Uitvoering van de maatregelen die boven op de EML worden geadviseerd zijn niet verplicht; Uitvoering van de geadviseerde maatregelen boven op de EML, wordt in relatie tot de verwachte in stand houdingstermijn afgewogen. Indien de verwachting is dat voor een schoollocatie in een volgende (actualisatie van het) IHP wel een vernieuwingsslag wordt opgenomen, wordt dit meegewogen. De gemeente treedt faciliterend op bij het verduurzamen van bestaande gebouwen. De gemeente onderzoekt welke vorm hier het beste bij past en sluit daarbij zoveel mogelijk aan op bestaand beleid of beleid dat voor bredere verduurzamingsdoelstellingen is vastgesteld en/of wordt ontwikkeld.
Opties die daarbij denkbaar zijn en nader verkend kunnen worden, zijn: beschikbare gemeentelijke subsidies, een revolverend fonds of gemeentelijke garantstelling; De schoolbesturen zetten zich in op het verkrijgen van overige provinciale en/of landelijke subsidies (zoals DUMAVA-subsidie, duurzaam maatschappelijk vastgoed) bij het verbeteren van de schoolgebouwen.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
10/42
2.1.2 Circulariteit Het streven naar een toekomstbestendige samenleving vraagt om een bewust en verantwoordelijk gebruik van grondstoffen. De ontwikkeling naar een circulaire economie, een economie zonder verspilling van grondstoffen en uitputting van de hulpbronnen van de aarde, vormt hiervoor de basis. Nederland wil in 2050 een volledig circulaire economie zijn3. Het realiseren en gebruiken van schoolgebouwen maakt integraal onderdeel uit van de ontwikkeling naar een circulaire economie en levert hieraan een bijdrage. De BUCH-gemeenten hebben in 2023 het beleidsplan ‘Circulaire economie’ vastgesteld waarin vanuit circulariteit de volgende doelen zijn geformuleerd: ▪ ▪ ▪ ▪
Het inzetten van een materialenpaspoort bij nieuwbouw (vanaf 2023) Het hanteren van circulaire criteria bij gronduitgifte (vanaf 2024) Bij nieuwbouw gebouwen onder MPG-norm (Milieu Prestatie Gebouwen) van 0.8 (vanaf 2024); landelijk streven is MPG uiterlijk in 2030 naar 0.5 Circulariteit integreren in alle bouw-, sloop- en infrastructuurprojecten (vanaf eind 2025)
Gemeente en schoolbesturen zetten zich in om deze doelen te bereiken en passen de circulaire principes zoveel mogelijk toe binnen bouwprojecten. Om een circulair gebouw en -gebruik te realiseren wordt bij ieder project een team samengesteld van adviseurs, architecten en aannemers die ervaring hebben met circulair bouwen. Ook wordt er in de voorbereidingsfase voldoende tijd ingeruimd om de circulaire principes te vertalen naar een haalbaar ontwerp. Bij circulair bouwen behouden de gebouwen een zekere restwaarde, omdat bouwmaterialen na een levenscyclus herbruikbaar zijn. Materialen krijgen een toekomstwaarde. Voorstel IHP De gemeente ondersteunt circulair bouwen en zoekt naar extra investeringsruimte. Circulair bouwen geeft een extra impuls aan de levensduur en de restwaarde van het gebouw. Met circulair bouwen ben je nog beter in staat de restwaarde van materialen te waarborgen door onder andere demontabele verbindingen te maken. Samen met de gemeente wordt onderzocht of de termijn waarover de investering wordt afgeschreven kan worden verlengd, zodat het integreren van circulaire principes budgetneutraal kan worden uitgevoerd. Voorwaarde is dat gebouwen aantoonbaar circulair worden opgeleverd, o.a. door het opstellen van een materialenpaspoort. De verdere voorwaarden voor circulaire projecten worden nader uitgewerkt. In het IHP benoemen we een circulair pilotproject.
Het doel van een pilotproject is om te onderzoeken welke circulaire principes haalbaar, toepasbaar en betaalbaar zijn. Het pilotproject wordt uitvoerig geëvalueerd zodat de geleerde lessen worden meegenomen in een volgend project. Gevraagd besluit: De gemeente onderzoekt of de termijn waarover de investering voor nieuwbouw en renovatie wordt afgeschreven kan worden verlengd, zodat het integreren van circulaire principes budgetneutraal kan worden uitgevoerd.
3 Nederland Circulair in 2050 – Rijksoverheid
2230125 | www.icsadviseurs.nl
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/circulaire-economie/nederland-circulair-in-2050
11/42
2.1.3 Renovatie Renovatie is een actueel thema, maar vooralsnog hanteert de (onderwijs)wet het begrip renovatie niet. PO-Raad, VO-Raad en VNG hebben recent de minister geadviseerd om renovatie een formele status te geven en een wetwijziging wordt momenteel voorbereid. Het is de ambitie om, vooruitlopend op de aanstaande wetwijziging, in het IHP, naast de in de verordening opgenomen voorzieningen ‘nieuwbouw’ en ‘uitbreiding’ uitgangspunten op te nemen ten aanzien van de oplossingsrichting ‘renovatie’. Gemeente en schoolbesturen zien renovatie als een gelijkwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw. Een renovatie wordt alleen dan toegepast als aan dezelfde eisen voor nieuwbouw kan worden voldaan (zie hoofdstuk 2.1.1.), waarbij de volgende zaken worden gewaarborgd en in een businesscase onderzocht: ▪
▪
▪
Er wordt een afweging gemaakt tussen de klimaateffecten van verbeterde energieprestaties van het gebouw enerzijds, versus de klimaateffecten die het realiseren van het project (nieuwbouw of renovatie) zelf met zich meebrengen; Er dient een goed onderbouwde vergelijking op diverse facetten, o.a. onderwijsinhoudelijk, bouwkundig en planologisch, gemaakt te worden. Per situatie wordt er een weging aan deze facetten toegekend. Gemeente en schoolbesturen dienen vooraf een eenduidig afwegingskader op te stellen. Eventuele monumentale kwaliteit of cultuurhistorische waarde van het gebouw wordt meegewogen. In de businesscase wordt de afschrijftermijn in combinatie met de investering voor de renovatie van een monumentaal gebouw integraal afgewogen. Voorstel IHP In het IHP wordt renovatie als een gelijkwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw gezien. De afweging voor nieuwbouw of renovatie wordt gemaakt na het opstellen van het IHP, in een businesscase waar de bouwheer verantwoordelijk voor is. In de businesscase wordt de haalbaarheid van renovatie ten opzichte van nieuwbouw nader onderzocht op basis van een technische, functionele, ruimtelijke en financiële verkenning, met aandacht voor de impact die renovatie of nieuwbouw heeft op het milieu/klimaat.
Indien bij renovatie gelijkwaardige kwaliteit als bij nieuwbouw wordt behaald is de afschrijftermijn voor renovatie gelijk aan de afschrijftermijn voor nieuwbouw. Gevraagde besluit: In het IHP wordt gerekend met één investeringsbudget voor zowel renovatie als (vervangende) nieuwbouw. De ruimtebehoefte voor nieuwbouw vormt de basis voor de indicatieve investeringskosten, waaruit ook een renovatie bekostigd kan worden. De afschrijftermijn voor renovaties wordt gelijkgetrokken met nieuwbouw.
2.1.4 Verbreding De schoolbesturen en de gemeente hebben het streven om een bereikbaar aanbod van kindvoorzieningen te realiseren. Dit doen ze door intensieve samenwerkingen aan te gaan met opvang, zorg, sport en cultuur. Verschillende partijen rondom het kind werken samen aan een stabiele, intellectuele, persoonlijke en sociale groei van kinderen van 0 – 18 jaar en mogelijk ouder. Dit kan in de vorm van kindcentra (KC), al dan niet integraal (aangestuurd vanuit één organisatie), maar hoeft niet altijd onder één dak te worden georganiseerd. Er wordt ook gezocht naar samenwerkingen met voorzieningen die in de wijk aanwezig zijn. De samenwerking tussen opvang, primair- en voortgezet onderwijs vindt per locatie plaats op basis van een eenduidige pedagogische visie waarin de ontwikkeling van het kind centraal staat. Op basis van lokale behoeften kan het aanbod aan kindvoorzieningen worden verbreed met zorg en/of ondersteuning voor kinderen en ouders. (Zie ook 2.5 Inclusie). In de gemeente Heiloo is het brede
2230125 | www.icsadviseurs.nl
12/42
aanbod aan denominaties en onderwijsconcepten een groot goed. Het is de wens deze verscheidenheid te behouden en ouders en kinderen keuzevrijheid te blijven bieden. De basisschool is in veel gevallen een ankerpunt in de wijk. Naar behoefte kunnen er ook wijkgerichte maatschappelijke voorzieningen aan de school of het KC gekoppeld worden. Denk daarbij aan een ontmoetingsplek voor ouderen of oefenruimten voor verenigingen. Ook hier geldt dat deze functies niet per definitie onder één dak worden gehuisvest, maar partijen actief de samenwerking met maatschappelijke partners in de wijk zoeken. Bij het realiseren van brede voorzieningen is het draagvlak van de buurt van belang. Dit vraagt om een evenwichtige spreiding van bredere voorzieningen over de gemeente en aandacht voor bewonersparticipatie gedurende de realisatie. Het realiseren van bredere voorzieningen vraagt om een andere kijk op de gebouwde onderwijsomgeving en samenwerking met (maatschappelijke) partners. En op het dubbel en multifunctioneel gebruik van ruimte. Gemeente, schoolbesturen en derden hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om brede voorzieningen te realiseren. Specifiek dient daarbij aandacht te worden besteed aan de financiering, het eigendom en het beheer van de brede voorziening en de wettelijke kaders die daar voor partijen bij gelden. Het voortgezet onderwijs heeft een meer regionale functie.
Een breed aanbod binnen het voortgezet onderwijs vraagt om een goede bereikbaarheid van de locaties met de fiets en het openbaar vervoer. Om kinderen zo goed mogelijk voor te bereiden op het voortgezet onderwijs beschikt de gemeente Heiloo over een Junior College (12 tot 14-jarigen). Met het Junior College wordt de overstap van de basisschool naar de middelbare school laagdrempelig vormgegeven. Het schoolbestuur heeft de ambitie om het Junior College de komende jaren te laten groeien. Schoolbesturen in het primair onderwijs en het schoolbestuur van PCC Heiloo hebben de ambitie om een verdergaande samenwerking in de vorm van een onderwijsvoorziening voor 10 – 14 jarigen te verkennen. Deze voorziening zou een aanvulling zijn op het bestaande onderwijsaanbod in de gemeente. Uitgangspunt daarbij is dat het niet tot extra ruimtebehoefte leidt, maar dat gebruik wordt gemaakt van de onderwijsfaciliteiten die in de gemeente beschikbaar zijn. Uitgangspunt is dat er binnen de gemeente efficiënt wordt omgaan met de beschikbare ruimte. Voor zowel het primair- als het voortgezet onderwijs is het de intentie om het schoolgebouw, het plein en, indien aanwezig, de gymzaal, multifunctioneel in te zetten en ook na schooltijden beschikbaar te stellen voor maatschappelijke doeleinden. Indien de wens er is worden de mogelijkheden per locatie bekeken.
Het eigendom- en beheervraagstuk alsmede de handhaving is hierbij van belang en vraagt om een nadere uitwerking. Het belang van bewegen wordt steeds meer onderkend. Voor het aan uren bewegingsonderwijs gelden vastgestelde normen. Het is van belang dat er voldoende ruimte voor sport en bewegen in de nabijheid van scholen kan worden geboden.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
13/42
Beleidskaders financiering m²-s opvang bij nieuwbouw 1. In een businesscase wordt de behoefte aan capaciteit voor kinderopvang onderzocht en onderbouwd. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het opstellen van deze businesscase. De businesscase is maatwerk, maar een aantal elementen dienen in de businesscase in elk geval te worden uitgewerkt (zie bijlage). De businesscase wordt uitgevoerd als voorschot op het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet; 2. Het schoolbestuur doet een aanvraag bij de gemeente voor het (voor)financieren van de investering ten behoeve van het realiseren van capaciteit voor kinderopvang als onderdeel van een nieuwbouw/vernieuwbouw van een onderwijslocatie; 3. De gemeente maakt, na positieve beoordeling, een financieringsafspraak met het schoolbestuur, het betreft een langjarige leenfaciliteit vanuit de gemeente; 4. Het schoolbestuur wordt juridisch eigenaar van het gebouwdeel en verhuurt aan kinderopvang; 5. De verantwoordelijkheid voor het beheer en onderhoud van het gehele gebouw ligt bij het schoolbestuur, tenzij gemeente en schoolbestuur hier andere afspraken over maken; 6. Over de periode waarop de huurovereenkomst tussen schoolbestuur en opvangorganisatie betrekking heeft, is het te verhuren gebouwdeel onttrokken aan de onderwijscapaciteit; 7. Het schoolbestuur betaalt jaarlijks een vergoeding aan gemeente, gebaseerd op: a.
Initiële investeringskosten van het betreffende gebouwdeel b. Annuïteit en afschrijftermijn van 40 jaar (of gekoppeld aan de afschrijftermijn die de gemeente voor nieuwbouw hanteert) c. Rentepercentage die geldt voor een 20-jarige lening bij de BNG voor de gemeente, te bepalen op het moment van voorbereiding van het raadsvoorstel voor het toekennen van het investeringskrediet d. Na afloop van de financieringstermijn en op het moment dat de boekwaarde is gereduceerd tot € 0 vervalt de vergoeding door het schoolbestuur aan de gemeente. 8. De hoofdsom van de lening dient uiterlijk 40 jaar nadat het gebouw(deel) is opgeleverd (door aannemer aan schoolbestuur) te zijn terugbetaald. Het is mogelijk voor het schoolbestuur om de lening in een kortere termijn boeteloos af te lossen; 9. Gelijk het gebouwdeel voor het onderwijs, valt het eigendom van het gebouwdeel voor de kinderopvang terug aan de gemeente indien het schoolbestuur haar onderwijsactiviteiten op de betreffende locatie stopt. Indien dit aan de orde is en de lening is nog niet afbetaald, wordt de restant van de lening kwijtgescholden. Indien vroegtijdig is afgelost door het schoolbestuur, wordt de restant boekwaarde (gebaseerd op de 40-jarige annuïteit) door de gemeente aan het schoolbestuur vergoed; 10.
De restanthoofdsom van de geldlening is onmiddellijk, zonder nadere ingebrekestelling, opeisbaar en/of rechterlijke tussenkomst opeisbaar bij faillissement of surseance van betaling van het schoolbestuur, dan wel in het geval het schoolbestuur zijn activiteiten staakt en/of zij wordt ontbonden, c.q. geliquideerd; 11. De vergoeding die het schoolbestuur aan de gemeente betaalt maakt onderdeel uit van de door te belasten huurkosten aan de opvangorganisatie.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
14/42
Beleidskaders financiering m²-s opvang in bestaande onderwijsgebouwen 1. Bij onderwijsgebouwen waar dit aan de orde is de bestaande situatie volledig in kaart brengen op basis van een NEN2580 en in relatie tot vastgestelde of definitief vast te stellen onderwijscapaciteit beschouwen: wat valt wel onder de onderwijscapaciteit en wat niet? Zie hiervoor ook de uitgangspunten voor volumeafspraken. Gemeente en schoolbesturen komen bij het maken van de volumeafspraken gezamenlijk overeen hoeveel leerlingen maximaal op een locatie kunnen worden gehuisvest (gerelateerd aan de m²-s onderwijsruimte) en hoeveel m² inzetbaar is voor de kinderopvang. Een en ander afgestemd op de dan actuele leerlingenprognoses en in samenhang met de andere schoolgebouwen in de omgeving. Gemaakte afspraken hierover zijn niet eenzijdig aanpasbaar. 2. Bij het bepalen en het toewijzen van gebouwcapaciteit wordt ook rekening gehouden met gebouwoppervlak dat tot stand is gekomen door een investering van het schoolbestuur zelf. Hierover worden maatwerk afspraken gemaakt, waarbij het basis uitgangspunt is dat onderwijscapaciteit in principe door de gemeente is en wordt gefinancierd. 3.
Nadat de volumeafspraken zijn gemaakt (of door schoolbestuur en gemeente gezamenlijk herzien), kan het voorkomen dat onderwijscapaciteit leeg staat (het aantal leerlingen is minder dan het maximaal vastgesteld aantal voor die locatie). In dat geval kan een schoolbestuur de keuze maken om die leegstaande onderwijscapaciteit alsnog (tijdelijk) in te zetten voor opvangfuncties (of andere functies). 4. Indien gebouwoppervlak voor kinderopvang binnen de vastgestelde onderwijscapaciteit valt: a. Schoolbestuur verhuurt aan kinderopvang organisatie b. Schoolbestuur bepaalt huursom en er vindt geen afdracht plaats aan gemeente, maar: c. Onderwijscapaciteit kan altijd worden geclaimd ten behoeve van onderwijs (= risico opvang organisatie). Eventuele verbouwkosten zijn niet voor rekening van de gemeente. 5. Indien gebouwoppervlak voor kinderopvang buiten de vastgestelde onderwijscapaciteit valt: a. Schoolbestuur is juridisch eigenaar van gebouwdeel en verhuurt aan kinderopvang b. Schoolbestuur betaalt jaarlijks een vergoeding aan de gemeente, gebaseerd op: ─ De nog openstaande boekwaarde bij de gemeente ─ Annuïteit en resterende afschrijftermijn van de boekwaarde ─ Rentepercentage die geldt voor een 20-jarige lening bij de BNG voor de gemeente, te bepalen op het moment van voorbereiding van het collegevoorstel voor het toekennen van de ruimte in het onderwijsgebouw c.
De vergoeding die het schoolbestuur aan de gemeente betaalt maakt onderdeel uit van de door te belasten huurkosten aan de opvangorganisatie d. De hoofdsom van de jaarlijkse vergoeding dient uiterlijk over een periode van de nog resterende afschrijvingstermijn van het gebouw(deel), nadat deze is onttrokken aan de onderwijsbestemming, te zijn terugbetaald. Het is mogelijk voor het schoolbestuur om de som (restboekwaarde) in een kortere termijn boeteloos af te lossen; e. Over de periode waarop de huurovereenkomst tussen schoolbestuur en opvangorganisatie betrekking heeft, is het te verhuren gebouwdeel onttrokken aan de onderwijscapaciteit; f. De bepalingen zoals die bij nieuwbouw onder 9 tot en met 11 zijn opgenomen, zijn ook hier van toepassing.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
15/42
Beleidskaders volumeafspraken 1. Voor elke onderwijslocatie wordt de onderwijscapaciteit gezamenlijk vastgesteld in m2 bvo en in maximaal te huisvesten aantal leerlingen; 2. Bij het beoordelen en vaststellen van de onderwijscapaciteit wordt onderscheid gemaakt tussen primair onderwijs en voortgezet onderwijs (VO). De onderwijscapaciteit in het VO wordt meer op regionaal niveau in samenhang met andere scholen beoordeeld. De onderwijscapaciteit in het PO meer op wijkniveau, waarbij wel ook rekening wordt gehouden met voedingsgebieden van de scholen in relatie tot het type onderwijs dat wordt aangeboden: hebben scholen een wijkgerichte functie of juist meer een wijk overstijgende functie in het aanbod? 3. Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit wordt rekening gehouden met de mogelijkheid om een deel van het gebouw in te zetten voor kinderopvangvoorzieningen, voor zover dat bouwtechnisch mogelijk is en voor zover de beschikbare onderwijscapaciteit op wijkniveau toereikend blijft (o.b.v. okt-telling en formele prognose). Het is aan de schoolbesturen om de onderwijscapaciteit voor locaties in relatie tot de gewenste capaciteit voor voorzieningen ten behoeve van kinderopvang te bepalen en een voorstel daarvoor te doen. Gemeente en schoolbesturen stellen dit voorstel vervolgens gezamenlijk vast.
De gemeente beoordeelt dit in relatie tot de leerlingenprognoses en in samenhang met de totale onderwijscapaciteit in de omgeving van de betreffende school; 4. Indien de onderwijscapaciteit in de situatie zoals geschetst onder punt 2 niet toereikend is (als gevolg van gebruik door kinderopvang) ontstaat er een uitbreidingsbehoefte ten behoeve van de kinderopvang. Hier wordt als volgt mee omgegaan: a. De ruimte die door kinderopvang reeds wordt gebruikt wordt onttrokken aan de onderwijscapaciteit. Er vindt een uitbreiding van de onderwijscapaciteit plaats. De kosten van deze uitbreiding komen ten laste van de kinderopvang, waar een financieringsafspraak voor wordt opgesteld. Of; b. De kinderopvang vertrekt en zoekt zelfstandig naar alternatieve huisvesting. 5. Schoolbesturen zijn zelf (gezamenlijk) verantwoordelijk voor de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de volumeafspraken in relatie tot de vrije schoolkeuze van ouders: ofwel men faciliteert het gebruik van ruimte in elkaars onderwijsgebouwen, ofwel men stuurt op de instroom; 6. Er is alleen sprake van aanpassing in het volume indien daar op wijkniveau aanleiding toe is; 7. Indien op wijkniveau aanleiding is om extra volume toe te voegen, wordt in onderling overleg tussen gemeente en schoolbestuur: a. gekeken of capaciteit in nabijgelegen wijk(en) beschikbaar is b.
rekening houdend met instroom van leerlingen uit deze wijk(en) en rekening houdend met acceptabele afstanden tot scholen, waarbij de acceptabele afstand wordt gedefinieerd conform het uitgangspunt voor medegebruik c. wanneer geen capaciteit beschikbaar blijkt, wordt capaciteit uitgebreid op de locatie waar: ─ ─ ─
Op basis van de leerlingenprognoses de uitbreidingsvraag zich voordoet, én waar Dit technisch en planologisch haalbaar is Én waar de school dit organisatorisch kan waarmaken
d.
8.
schoolbesturen die in de wijk een school hebben, bepalen gezamenlijk met de gemeente op welke locatie en op welke wijze uitbreiding het beste kan plaatsvinden Op het moment dat de marge in de capaciteit onder de 10% komt en de leerlingenprognoses geven een verdergaande groei van het leerlingaantal aan, treden gemeente en schoolbesturen in overleg om te bepalen of er aanleiding is om in te grijpen. Voor VO wordt de marge op regionaal niveau bekeken, voor het PO op wijkniveau. Dit om te waarborgen dat men tijdig reageert op ontwikkelingen. Op basis van de periodieke (2-jaarlijkse) actualisatie van de leerlingenprognoses wordt gesignaleerd waar de marge wordt benaderd. De beoordeling van de ‘grenswaarde’ en signalering maakt onderdeel uit van een OOGO.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
16/42
2.1.1 Inclusie De gemeente en schoolbesturen onderschrijven het belang van het aanbieden van passend en inclusiever onderwijs. Inclusiever onderwijs gaat ervan uit dat het onderwijs voor alle leerlingen toegankelijk is en niemand wordt uitgesloten. Kinderen leren, spelen en werken samen en ieder kind kan zich optimaal ontwikkelen met ondersteuning die daarvoor nodig is. Kinderen hebben hiermee gelijke kansen op school, maar ook in de maatschappij. Inclusie vertaalt zich voor de gemeente Heiloo in twee verschillende vraagstukken. (1) De huisvestingsvraag van kinderen met een fysieke of mentale ondersteuningsbehoefte en (2) het huisvesten van nieuwkomers. Kansengelijkheid is voor alle kinderen in Heiloo belangrijk. Het streven is kinderen met een ondersteuningsbehoefte zo lang mogelijk binnen het reguliere onderwijs te houden. Waar mogelijk en in het belang van het kind zoeken we naar oplossingen in de wijken. In de wijken brengen we partijen rondom het kind samen. Dit stimuleert partijen om intensief samen te werken en van elkaar te leren. De ontwikkeling van het kind staat daarbij te allen tijde voorop. Inclusie vraagt om een breed aanbod aan kindvoorzieningen in een KC, waar naast onderwijs en opvang ook zorg en therapie geboden kan worden.
Zorgprofessionals gaan aan de slag op scholen om de uitstroom naar het speciaal onderwijs te verkleinen Dit vraagt om wat extra ruimte, aanvullende op de onderwijscapaciteit, waar specialistische zorg en begeleiding geboden kan worden. De ruimten in KC’s zijn flexibel en multifunctioneel inzetbaar voor o.a. externe zorgaanbieders of begeleiders zoals logopedisten. Specialistische voorzieningen zoals het speciaal (voortgezet) onderwijs blijft bestaan voor kinderen die dit nodig hebben. Sinds de oorlog in Oekraïne heeft de behoefte aan onderwijs voor nieuwkomers binnen het primair en voortgezet onderwijs een vlucht genomen. Om deze kinderen zo snel mogelijk te laten integreren en ze zoveel mogelijk een thuis te bieden is het streven de taalklassen en internationale schakelklassen (ISK) te plaatsen bij bestaande scholen. Bij bestaande scholen dient ruimte te worden gegenereerd om de komende jaren de huisvesting voor nieuwkomers te bestendigen. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de kleinere groepsgrootte van taalklassen en de ISK in vergelijking tot het reguliere onderwijs. Voorstel IHP Voor het huisvesten van kinderen met een ondersteuningsbehoefte gelden dezelfde voorstellen zoals omschreven bij ‘verbreding’. Op basis van de visie dient er per (ver)nieuwbouwproject een plan gemaakt te worden.
Met de samenwerkingsverbanden en de schoolbesturen dient bepaald te worden aan welke voorzieningen op de betreffende locatie behoefte is en welke samenwerkingen daarvoor worden aangegaan. Als de behoefte voor nieuwkomers onderwijs toeneemt wordt gezamenlijk onderzocht hoe en waar het beste invulling kan worden gegeven aan deze vraag. Permanente leegstand op scholen wordt gezien als een kans om klassen voor nieuwkomers te plaatsen. Gevraagd besluit: ▪
▪
De gemeente kent extra bouwvolume toe in het kader van inclusie, bovenop de normatief te berekenen m2-s onderwijshuisvesting. De behoefte aan dit extra bouwvolume dient aangetoond te worden uit andere gemeentelijke beleidskaders en -plannen en de ondersteuningsplannen van de samenwerkingsverbanden. Voldoende ruimte, verspreid over de gemeente, beschikbaar stellen op bestaande scholen (PO en VO) om nieuwkomers te huisvesten.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
17/42
Flexibiliteit Maatschappelijke ontwikkelingen hebben invloed op de vraag naar onderwijshuisvesting. Binnen de gemeentegrenzen van Heiloo is er sprake van woningbouwontwikkelingen, met een toename van het aantal leerlingen als gevolg. Ook zorgt de oorlog in Oekraïne voor een grotere toestroom aan nieuwkomers waar, in de vorm van ISK of een taalklas, onderwijs aan geboden wordt. Daarnaast vraagt de gewenste verbreding en inclusie om multifunctionele en flexibel ruimtegebruik. Voor het inspelen op groei en krimp en veranderingen in het gebruik is flexibele huisvesting een voorwaarde. In de planvormingsfase en bij de locatiekeuze dient daar waar mogelijk daarom rekening gehouden te worden met het volgende: ▪
▪
▪
De (interne) aanpasbaarheid. Denk hierbij aan flexibele indeelbaarheid van het gebouw. Hierbij dient onder andere aandacht te zijn voor een passend installatieconcept. Modulaire bouwmethoden, waarbij gewerkt wordt met gestandaardiseerde en demontabele onderdelen, worden als een kans gezien; De toekomstige uitbreidbaarheid van het gebouw. Dit kan in de vorm van een grondgebonden aanbouw of als verdieping op het bestaande gebouw. In ruimtelijk-planologische zin dient hier rekening mee gehouden te worden, door in het bestemmingsplan en bij het bepalen van het terrein oppervlak te anticiperen op een toekomstige uitbreiding. De mogelijkheid het gebouw in de toekomst te transformeren naar een andere functie, zonder de bruikbaarheid van het gebouw voor het onderwijs teniet te doen.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
18/42
3. Inzicht en beoordeling Ten behoeve van de actualisatie van het IHP is de staat van de schoolgebouwen opnieuw in kaart gebracht. Voor ieder gebouw is een factsheet opgesteld, die te vinden zijn in de bijlagen. De schoolbesturen hebben hiertoe actuele gegevens aangeleverd over de capaciteit en staat van het gebouw. De gemeente heeft nieuwe leerlingenprognoses op laten stellen. Dit hoofdstuk beschrijft de staat van de gebouwen op de onderdelen kwaliteit, financiën en de leerling ontwikkeling.
3.1 Algemeen In Heiloo zijn 11 scholen gevestigd, 10 BO scholen en 1 VO school. De gemiddelde leeftijd van de schoolgebouwen in het BO is 41 jaar. Het gaat hier om het initiële bouwjaar, eventuele uitbreidingen en/of renovatie zijn niet meegerekend. Bij het VO is er zoals gezegd maar één school in de gemeente Heiloo, met één gebouw. Deze is redelijk recent gebouwd in 2014.
Gebouwleeftijden 5 4 3 2 1 0 Jonger dan 20 jaar
Tussen de 20 en 40 jaar BO
Tussen de 40 en 60 jaar
Ouder dan 60 jaar
VO
Figuur 2: Leeftijd van de schoolgebouwen
3.2 Kwaliteit Binnen het thema kwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen drie criteria: ▪ ▪ ▪
technische staat; functionele staat; binnenklimaat.
De schoolbesturen hebben aan de hand van een vragenlijst de onderwijsgebouwen kwalitatief beoordeeld. In de vragenlijsten is gevraagd naar de ervaring van de schoolbesturen bij verschillende onderdelen. Er zijn geen metingen uitgevoerd. De uitkomsten van de beoordeling zijn weergegeven in figuur 3, 4 en 5. De onderwijsportefeuille voldoet nog niet aan de doelstellingen uit het klimaatakkoord. In Heiloo hebben twee gebouwen een WKO (gasloos). Van de gebouwen beschikt 64% over zonnepanelen, dit is boven het landelijk gemiddelde.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
19/42
Technische staat 12 9 6 3 0 Geheel algemeen Uitstekend
Goed
Buitenkant Redelijk
Binnenkant
Matig
Slecht
Zeer slecht
Installaties Geen gegevens
Figuur 3: Beoordeling technische staat schoolgebouwen Heiloo De technische staat geeft inzicht in de kwaliteit van de installaties en de binnen – en buitenkant van het gebouw. De gebruikers zijn overwegend tevreden over de technische staat van de gebouwen. Er zijn geen slechte scores gegeven. Bij de meeste gebouwen wordt de technische staat redelijk tot goed beoordeeld. Met een aantal gebouwen waarbij een matige score wordt gegeven voor de technische staat van de binnenkant en de installaties. Er is één gebouw dat op alle onderdelen een matige beoordeling heeft gekregen van het schoolbestuur. Dit betreft IKC de Ontdekkers. De opgegeven reden daarvoor is dat IKC de Ontdekkers onderdeel is van een gemeentelijk verzamelgebouw. In afwachting van de discussie over toekomstig eigendom en beheer zijn onderhoudstaken door de gemeente opgeschoven in de tijd. De andere school in het verzamelgebouw, De Meander, heeft vanwege de eigendom en beheer situatie enkel een beoordeling gegeven op de technische staat van de binnenkant. Ook zij beoordelen dit als matig.
Functionaliteit 12 9 6 3 0 Onderwijsruimten Uitstekend
Werkomgeving staf
Facilitaire voorzieningen
Toegankelijkheid
Goed
Matig
Zeer slecht
Redelijk
Slecht
(Speel)plein
Geen gegevens
Figuur 4: Beoordeling functionaliteit schoolgebouwen Heiloo Hierin spelen onderwijsruimtes, de werkomgeving van de staf, de facilitaire ruimtes van de staf, de toegankelijkheid en het (speel)plein allemaal een rol. Wederom worden de meeste schoolgebouwen redelijk tot goed beoordeeld. Met uitzondering van de facilitaire voorzieningen, daarover zijn de schoolbesturen bij enkele gebouwen minder tevreden. Slechts 3 schoolgebouwen worden hier goed tot uitstekend op beoordeeld. Bij één schoolgebouw (IKC de Ontdekkers) wordt een slechte beoordeling op facilitaire voorzieningen gegeven. PCC Heiloo wordt op alle onderdelen van de functionaliteit als uitstekend beoordeeld. Dit redelijk recent gebouwde schoolgebouw (uit 2014) voldoet aan de verwachtingen.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
20/42
Binnenklimaat 12 9 6 3 0 Ventilatie Uitstekend
Temperatuur Goed
Redelijk
Matig
Licht Slecht
Zeer slecht
Geluid Geen gegevens
Figuur 5: Beoordeling Binnenklimaat schoolgebouwen Heiloo De beoordeling van het binnenklimaat geeft aan hoe de ventilatie, de temperatuur, het licht en geluid binnen het gebouw ervaren worden. Op deze criteria van de kwaliteitsbeoordeling waren de schoolbesturen redelijk positief, al zijn er verschillen op onderdelen. Positief zijn de schoolbesturen over het licht en geluid binnen de schoolgebouwen. Op de onderdelen ventilatie en temperatuur is men bij enkele gebouwen kritisch. Eén school werd slecht beoordeeld op ventilatie, dit betreft De Duif (een gebouw uit 1975). Deze slechte beoordeling is toe te schrijven aan het ontbreken van mechanische ventilatie. Een ander schoolgebouw ontving een slechte beoordeling op temperatuur. Hierbij gaat het om IKC Willibrord (en dan met name het bouwdeel uit 1977). Daarbij geven zij aan dat er grote temperatuurverschillen ontstaan tussen lokalen aan de zon- en de niet zonzijde. De beoordeling op binnenklimaat voor IKC de Ontdekkers is wederom aan de lage kant in vergelijking met de andere scholen. Daar wordt de ventilatie en de temperatuur als matig beoordeeld. De opgegeven reden daarvoor is dat er in de uitbreiding alleen natuurlijk kan worden geventileerd, waardoor het in de winter koud wordt in de lokalen. Tevens kloppen de instellingen van de cv-installatie niet, waardoor de verwarming op onlogische momenten aan of uit gaat.
3.3 Financiën Het thema financiën geeft inzicht in de exploitatielasten (onderhoud- en energiekosten) van de onderwijsgebouwen. Deze kosten zijn voor rekening van de schoolbesturen. Binnen de beoordeling wordt onderscheid gemaakt tussen de onderhoudslasten, waarbij gekeken wordt naar het Meerjarenonderhoudsplan (MJOP) van de komende 10 jaar, en energielasten, waarbij gekeken wordt naar de afschriften van de afgelopen jaren. De kosten zijn vervolgens vergeleken met een door ICSadviseurs opgestelde benchmark (2021). De benchmark bevat schoolgebouwen van uiteenlopende bouwjaren uit heel Nederland en is daarmee een representatieve database. Figuur 6 maakt de beoordeling van de financiën op basis van de benchmark inzichtelijk.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
21/42
Financiën 12 10 8 6 4 2 0 Energie Goed
Onderhoud Gemiddeld
Slecht
Geen gegevens
Figuur 6: Beoordeling kosten energie en onderhoud scholen Heiloo4 Energie De energielasten van de onderwijsgebouwen zijn vastgesteld op basis van de meest recente jaarafrekeningen van het gas-, water- en elektraverbruik. Ook deze jaarlijkse lasten zijn afgezet tegen de gemiddelde energielasten uit de benchmark van ICSadviseurs. De gemiddelde jaarlijkse energielasten uit de benchmark bedragen € 13,- per m2 bvo voor PO-scholen, bij VO-scholen is dit €11,- per m2 bvo. De schoolgebouwen met lagere energielasten dan de benchmark zijn beoordeeld als ‘goed’, energielasten rond of op de benchmark zijn ‘gemiddeld’, en schoolgebouwen met hogere energielasten dan de benchmark zijn beoordeeld als ‘slecht’. Opvallend is dat het merendeel van de beoordeelde gebouwen in Heiloo (van 2 schoolgebouwen waren geen (volledige) gegevens beschikbaar) tot de laatste categorie behoren. De gemiddelde energielasten van deze 5 scholen, allen gebouwd in de jaren ‘70 en ‘90, liggen rond de € 22,- per m2 bvo. Dat is bijna 2 keer zo hoog als de benchmark. Vooral de kosten voor gas hebben bij deze scholen de exploitatielasten omhooggedreven. Onderhoud Voor de schoolgebouwen zijn de onderhoudslasten in beeld gebracht op basis van de verwachte onderhoudskosten zoals opgenomen in het MJOP. Deze bedragen zijn omgerekend naar een jaarlijks gemiddelde onderhoudslast per vierkante meter bruto vloeroppervlak.
Dit gemiddelde is vervolgens afgezet tegen de gemiddelde onderhoudskosten uit de benchmark opgesteld door ICSadviseurs, die € 33,- per m2 bvo voor PO-scholen bedraagt. Bij VO-scholen liggen die kosten gemiddeld op €31,- per m2 bvo. De besturen zijn gevraagd de geraamde onderhoudskosten aan te leveren. Zeer opvallend is dat voor bijna alle scholen de onderhoudskosten hoger liggen dan het landelijk gemiddelde. Slechts één school scoort gemiddeld en één school scoort goed op dit onderdeel, de rest scoort slecht. Een schoolgebouw ontvangt een slechte score wanneer de onderhoudslasten hoger liggen dan de benchmark. Van de scholen die slecht scoren liggen de verwachte onderhoudslasten voor de komende 10 jaar zelfs tussen € 46,- en € 97,- per m2 bvo per jaar. Dit betekent dat als alle begrote onderhoudsposten de komende jaren worden uitgevoerd deze scholen veel geld kwijt zijn aan het in stand houden van de onderwijsgebouwen.
3.4 Leerlingenontwikkeling De gemeente Heiloo heeft in 2023 een nieuwe prognose laten opstellen. Deze prognose is opgesteld op basis van de oktobertelling van 2022. De woningbouwontwikkeling Zuiderloo – Zandzoom maakt onderdeel uit van deze prognose. Onderstaand wordt de verwachte leerlingenontwikkeling van Heiloo in beeld gebracht. 4 Voor De Duif ontbreken de kosten voor Energie en water.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
22/42
Leerling ontwikkeling o.b.v. telling 1-10-2022 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0 2023
2024
2025
2026
2027
2028
PO
2029
2030
2031
2032
2033
2034
2035
2036
2037
2038
VO (junior college)
Figuur 7: Leerlingenontwikkeling Heiloo Mede als gevolg van de woningbouw in de Zandzoom wordt er voor het PO er een toename van het aantal leerlingen voorspeld. De piek van de verwachte groei wordt voorzien in 2032, waarbij sprake is van een groei van 600 leerlingen t.o.v. het huidige aantal. Na 2032 neemt de groei weer af tot een groei van 300 leerling in 2038 t.o.v. het huidige aantal. Dit beeld wijkt af ten opzichte van het vorige IHP, waar tot 2034 een daling van het leerlingen aantal in het PO werd verwacht. Voor het VO laat de prognose een stabiele ontwikkeling van het leerling aantal zien. De leerlingenprognose is de basis voor de berekening van de ruimtebehoefte. In hoofdstuk 4 wordt verder ingegaan op de verhouding tussen de vraag en het aanbod per gebied op schoolniveau. Hierbij wordt ook het gebruik door andere partijen, zoals kinderopvang, meegenomen.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
23/42
4. Oplossingsrichtingen 4.1 Primair onderwijs 4.1.1 Heiloo-Noord In Heiloo-Noord zijn vier scholen gehuisvest, te weten:
De Jan van Rijckenborghschool is gehuisvest in een gebouw uit 1976 dat in 2006 en 2020 is uitgebreid met een aula en een berging. De school heeft een continurooster en geen opvangvoorzieningen in of aan de school. De technische staat van het gebouw is redelijk. Functioneel gezien past het niet geheel bij de wensen van het onderwijs. Het is de verwachting dat het leerlingaantal de komende jaren toeneemt. Het totale aantal leerlingen blijft echter onder de opheffingsnorm. De capaciteit van het gebouw past bij het huidig aantal leerlingen. Hoewel de leerling prognose voor deze school een groei laat zien van het aantal leerlingen, geeft de school aan niet de ambitie te hebben een grotere school te willen vormen. De school is Het aangegeven ruimtetekort dat op termijn zou ontstaan, uitgaande van de prognose, is vooralsnog niet aan de orde. Het gebouw van IKC Benedictus is gerealiseerd in 2009. De gebruikers zijn tevreden over de technische staat, de functionaliteit en het binnenklimaat. Naast ruimte voor de school is er ook specifieke ruimte voor de kinderopvang aanwezig (geen onderdeel uitmakend van de onderwijscapaciteit). De prognoses verwachten dat het leerlingaantal de komende jaren stabiel blijft. De capaciteit van het gebouw past bij het huidig en toekomstig aantal leerlingen, laat een beperkte overcapaciteit zien.
2230125 | www.icsadviseurs.nl
24/42
IKC St. Radboud is gehuisvest in drie aaneengeschakelde gebouwen. Het oudste gebouw stamt uit 1937. In 2003 zijn er lokalen en een verdiepingsvleugel bijgebouwd. De oudste bouwdelen zijn matig van kwaliteit. De indeling is traditioneel, wat niet aansluit op flexibele onderwijsvormen. Daarnaast beschikt het gebouw niet over koeling, waardoor het op zonnige dagen snel te warm wordt. Het leerlingaantal blijft redelijk stabiel. De aanwezige druk op de capaciteit neemt daarmee niet af. Het gebouw van De Springschans is gerealiseerd in 2009. De gebruikers zijn tevreden over de technische staat, de functionaliteit en het binnenklimaat. In 2022 is met behulp van de SUVIS-regeling het gebouw verduurzaamd. Het is de verwachting dat het leerlingaantal de komende jaren toeneemt, kijkend naar de recente leerlingenprognoses. Reeds op korte termijn kan dit leiden tot een ruimtetekort. De gemeente heef een semi-permanente chalet geplaatst om voor beide scholen te voorzien in extra capaciteit. Deze capaciteit is niet in de naastgelegen tabellen verwerkt. De afspraak daarbij is dat wanneer de ene school groeit, terwijl de andere daalt, er gewisseld wordt van gebruik van de lokalen in dit gebouw. Het chalet is 250 m² bvo en heeft vier lokalen. Twee lokalen (à 125 m²) in dit chalet worden momenteel gebruikt door de kinderopvang en twee lokalen door IKC St. Radboud.
Het ruimtetekort van de Radboud wordt daar momenteel mee opgelost. Totale onderwijs huisvestingscapaciteit in relatie tot verwachte leerlingaantallen De totale beschikbare onderwijscapaciteit in dit deel van Heiloo bedraagt 5.216 m2bvo, inclusief het semipermanente ‘chalet’ tussen IKC St Radboud en De Springschans in. Momenteel wordt 125m² van deze onderwijscapaciteit gebruikt door de kinderopvang. Uitgaande van vier scholen (en dus 4x een vaste voet) betekent dit, dat in dit deel van Heiloo voor maximaal 878 leerlingen gebouwcapaciteit is. De leerlingenprognose houdt rekening met een piek van 912 leerlingen (2031) en een afvlakking naar 888 leerlingen in 2038. Voorgestelde huisvestingsingrepen De afspraak is dat met de komst van het nieuwe kindcentrum in de Zandzoom (zie H. 1.3) geen extra capaciteit aan de bestaande onderwijscapaciteit wordt toegevoegd. In relatie tot deze afspraken dienen de schoolbesturen te sturen op de maximale capaciteit. Indien het voorspelde tekort op diverse scholen dreigt te ontstaan zal gezocht moeten worden naar medegebruik bij een andere school of het beperken van de instroom van leerlingen. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪