Hoogeweg 72_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen, maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zo maar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan.
29
bestemmingsplan Hoogeweg 72
4.2.2.3 Waterbesluit In het Waterbesluit zijn de regels gegeven die betrekking hebben op beheer en gebruik van watersystemen die in beheer zijn van het Rijk. Voor het gebruik maken van een waterstaatswerk (een oppervlaktewaterlichaam, waterkering of kunstwerk zoals een sluis) kan een watervergunning vereist zijn. Voor de waterstaatswerken in beheer bij het Rijk is dat geregeld in het Waterbesluit en de Waterregeling. Voor regionale waterstaatswerken staan de regels in de keur van het waterschap. Oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer zijn o.a. IJsselmeer en daaraan verbonden wateren zoals het Markermeer en IJmeer; de Rijn en daarmee verbonden wateren zoals het Amsterdam-Rijnkanaal, Buiten IJ, Afgesloten IJ en Noordzeekanaal (zie bijlage II van het Waterbesluit). Ook de zijwateren van deze oppervlaktewateren zijn in principe in beheer bij het rijk. Andere watergangen zoals het Nieuwe Diep ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal (Boven Diep) en de watergangen en sloten langs waterkeringen en sluizen zijn in beheer bij het Rijk. Voor het maken of behouden van werken, het plaatsen van vaste substanties of voorwerpen en het uitvoeren van werkzaamheden op of in rijkswateren, anders dan in overeenstemming met de functie, is een watervergunning vereist.
Met de toevoeging "anders dan in overeenstemming met de functie" wordt geregeld dat het varen op een vaarweg of het zwemmen in zwemwater niet vergunningplichtig is. Deze toevoeging moet echter vrij beperkt geïnterpreteerd worden; het maken van een laad- en losplaats voor schepen is wel degelijk vergunningplichtig, ook als het betreffende water de functie scheepvaart heeft. Op de vergunningplicht bestaat een flink aantal uitzonderingen. De volgende handelingen zijn niet vergunningplichtig: het uitvoeren van activiteiten genoemd in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (behoudens enkele uitzonderingen); het uitvoeren van onderhoud, aanleg of wijziging van waterstaatswerken door of in opdracht van de beheerder; het maken van werken om oeverafslag tegen te gaan; het permanent afmeren van woonschepen of andere drijvende objecten in andere rijkswateren dan de grote rivieren. Deze niet-vergunningplichtige activiteiten zijn in het algemeen wel meldingsplichtig op grond van artikel 6.14 van de Waterregeling.
4.2.2.4 Watervisie 2021 - Uitvoeringsprogramma 2016 - 2021 De Watervisie 2021 geeft aan waar het provinciale waterbeleid voor de lange termijn op gericht is en waar de prioriteiten voor de planperiode 2016-2021 liggen. Het Uitvoeringsprogramma geeft inzicht in de uit te voeren acties, de instrumenten die worden ingezet en het beschikbare budget. Tevens wordt duidelijk gemaakt hoe wordt bijgedragen aan de in de Watervisie genoemde lange termijn doelen.
30
bestemmingsplan Hoogeweg 72
4.2.2.5 Waterbeleid HHNK Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.
4.2.3
Watertoets
Hieronder wordt een watertoets uitgevoerd teneinde de waterbelangen die gelden voor de planlocatie goed te beschouwen.
4.2.3.1 Waterkering De planlocatie is niet binnen (de invloedsfeer van) een waterkering gelegen. Negatieve effecten op de waterkering zijn daarom niet aanwezig.
4.2.3.2 Oppervlaktewater De voorliggende ontwikkeling heeft geen invloed op de hoeveelheid aanwezige oppervlaktewater. Er is geen oppervlaktewater aanwezig in het plangebied.
4.2.3.3 Oppervlakteverharding / infiltratie hemelwater Het plangebied is thans 100% verhard. In de nieuwe situatie wordt veel groen aangebracht in de vorm van tuinen en openbaar groen. De oppervlakte verharding neemt daardoor behoorlijk af, wat gunstig is voor het opvangen en afvloeien van hemelwater.
4.2.3.4 Waterkwaliteit en riolering De ambitie van het Hoogheemraadschap is om 100% van het hemelwater van nieuwe oppervlakken te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. In het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Het waterschap adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Deze adviezen worden in het kader van de omgevingsvergunning meegenomen.
Planspecifiek
31
bestemmingsplan Hoogeweg 72
Voor de aanwezigheid van beschermde soorten is door Els & Linde BV te Hilversum ter plaatse een verkennend onderzoek gedaan. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. Els & Linde concludeert aan de hand van haar locatiebezoek dat er voor de sloop van de bestaande opstallen en realisatie van de woningbouw geen ontheffing noodzakelijk is op grond van de Wet natuurbescherming. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar.
4.2.4
Conclusie
Het aspect waterhuishouding staat de voorliggende ontwikkeling niet in de weg.
4.3
Ecologie
4.3.1
Soortenbescherming
Voor de bescherming van diersoorten is de Wet natuurbescherming van toepassing. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten- en diersoorten op grond van de Wet natuurbescherming. Indien uit gegevens dan wel onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantingsof rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid c.q. activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing c.q. vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming.
Planspecifiek Voor de aanwezigheid van beschermde soorten is door Els & Linde BV te Hilversum ter plaatse een verkennend onderzoek gedaan. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. Els & Linde concludeert aan de hand van haar locatiebezoek dat er voor de sloop van de bestaande opstallen en realisatie van de woningbouw geen ontheffing noodzakelijk is op grond van de Wet natuurbescherming. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar.
4.3.2
Gebiedsbescherming
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extern) effect hebben op nabijgelegen natuurgebieden. De gebiedsbescherming in de Wet natuurbescherming vindt plaats via de Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Aantasting van deze gebieden als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is verboden.
Planspecifiek De planlocatie is niet gelegen in een Natura2000 gebied, zodat geen sprake is van directe gevolgen van de ontwikkeling voor een Natura2000 gebied. De planlocatie ligt wel op korte afstand van diverse Natura2000 gebieden. Dit betreffen: Noordhollands Duinreservaat (circa 2,0 kilometer van plangebied Schoorlse Duinen (circa 5,6 kilometer van plangebied) Eilandspolder (circa 6,6 kilometer van plangebied) Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (circa 9,3 kilometer van plangebied) Polder Westzaan (circa 11,1 kilometer van plangebied) Dit zijn gebieden waarin stikstofgevoelige habitattype voorkomen.
32
bestemmingsplan Hoogeweg 72
Stikstofdepositie bestaat in gereduceerde vorm (NH3, ammoniak) en geoxideerde vorm (stikstofoxide, NOx). Beide vormen van stikstof kunnen worden omgezet tot de nutriënten ammonium (NH4) en nitraat (NO3). De extra aanvoer van deze voedingsstoffen kan vooral bedreigend zijn voor voedselarme habitattypen. Door de verrijking kan de vegetatie verruigen en kunnen kenmerkende soorten van schrale milieus verdwijnen. Daarnaast kan depositie van stikstof en dan vooral depositie van ammoniak, leiden tot een daling van de bodem-pH. Door verzuring verdwijnen gevoelige soorten en neemt de soortenrijkdom en kwaliteit van zuurgevoelige habitattypen af. Voor de toetsing van de effecten is het van belang om vast te stellen of de kritische depositiewaarde (KDW) van de betreffende habitattypen wordt overschreden. De KDW is de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Een overschrijding van de KDW betekent niet direct dat dit leidt tot een daadwerkelijke verslechtering van de kwaliteit, dit is afhankelijk van lokale situatie, waarbij er sprake kan zijn van buffering ten aanzien verzuring of vermesting. De van het plangebied afkomstige stikstofemissie als gevolg van de bouw- en gebruiksfase kunnen in potentie het Natura2000 gebied aantasten.
Daarom is onderzoek naar de stikstofemissie en depositie verricht door Sweco te De Bilt (SWNL0256452). De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is een berekening met de AERIUS Calculator 2019 uitgevoerd, welke geen rekening meer houdt met de vrijstellingen in het voormalige PAS. Sweco heeft in haar onderzoek voor de aanlegfase verschillende bouwwijzen berekend om de effecten daarvan in beeld te brengen. Sweco concludeert aan de hand van haar onderzoek dat ten opzichte van de huidige situatie is in de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie. Voor de aanlegfase is er geen toename van de stikstofdepositie in de beide Natura 2000-gebieden, indien er gebouwd wordt met de bouwvariant kalkzandsteen/breedplaat emissiestandaard Stage IV met een fasering over twee kalenderjaren. Daarmee is het bestemmingsplan uitvoerbaar en is het project niet vergunningplichtig onder de Wet natuurbescherming.
4.4
Cultuurhistorie en archeologie
In de Erfgoedwet (2016) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: “de veroorzaker betaalt”. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief “in situ” (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. De Nota Cultuurhistorie is op 9 mei 2011 door de raad van de gemeente Heiloo vastgesteld. Hierin is ook het archeologiebeleid opgenomen. De archeologische waarde van een gebied wordt door de gemeente bepaald door het gebied te toetsen aan aspecten geomorfologie, historische wegen en bekende archeologische vindplaatsen. Het plangebied ligt grotendeels op de strandwal. Het gebied is vanaf de prehistorie in gebruik genomen door nomaden. Op basis van deze feiten bezit het gehele gebied een zeer hoge archeologische verwachting.
Aan deze waardering is de consequentie verbonden dat ontwikkelingen vanaf 50 m² en dieper dan 50 cm vergunningplichtig zijn.
Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan betreft een plan waarin nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt.
33
bestemmingsplan Hoogeweg 72
Ten behoeve van het behoud van de archeologische waarde van het gebied is een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ opgenomen, die inhoudt dat voor werkzaamheden met een oppervlak van meer dan 50 m² en dieper dan 50 cm een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Het plangebied bevat geen cultuurhistorische waarden waardoor verstoring hiervan ook uitgesloten is.
4.5
Kabels en leidingen
In een ruimtelijk plan moeten planologisch relevante leidingen worden opgenomen. Deze kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik in de omgeving. Planologisch relevant zijn hoofdnutsvoorzieningen, zoals leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen, aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen of afvalwaterleidingen. Als dergelijke leidingen in het plangebied voorkomen worden deze als zodanig bestemd. Dit inclusief de afstand die vrijgehouden moet worden van bebouwing om de leiding te beschermen. In en rond het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig waarmee in dit plan rekening moet worden gehouden.
4.6
Verkeer en parkeren
4.6.1
Verkeersafwikkeling
Het perceel wordt nu gebruikt voor bedrijfsdoeleinden waarbij zwaar materieel wordt gebruikt en werknemers het perceel per auto bereiken en daar vandaan vertrekken. In de nieuwe situatie worden de woningen grotendeels via een centrale as op de Nieuwelaan ontsloten. Zowel de Hoogeweg als de Nieuwelaan zijn verkeersveilig ingericht en in staat om de 340 voertuigbewegingen van het wijkje op te nemen (zie tabel). Er is uitgegaan van de CROW Publicatie 317 (2012). Voor de verkeersgeneratie is uitgegaan van matig stedelijk, rest bebouwde kom.
Woning
Aantal
Max v/et
Totaal
Vrijstaand
1
8,6
8,6
2 onder 1 kap
4
8,2
32,8
3 onder 1 kap/rij/hoek
36
7,8
280,8
Seniorenwoning
4
4,3
17,2
Totaal
45
340 (afgerond)
Wanneer rekening wordt gehouden met de bestaande verkeersstromen dan neemt het netto aantal voertuigbewegingen per saldo toe. In de huidige situatie kan uitgegaan worden van 2.800 m2 grondoppervlakte aan bebouwing en van een arbeidsintensief- en bezoekersextensief bedrijf (conform CROW). Dat levert de volgende berekening op. Gemiddelde verkeersgeneratie is 10 verkeersbewegingen per 100 m2 BVO. Dit levert totale bestaande verkeersgeneratie op van 280 verkeersbewegingen per etmaal. Hierbij is geen rekening gehouden met het BVO dat zich op de verdiepingen van de bebouwing bevindt. Deze bestaande hoeveelheid verkeersbewegingen relativeert de nieuwe hoeveelheid. Bovendien moet worden bedacht dat er in de bestaande situatie sprake is van een zeer groot aandeel vrachtverkeer dat met de nieuwe ontwikkeling verdwijnt. Dit is positief voor het omliggende wegennet. Zowel voor de doorstroming als voor de verkeersveiligheid. Dezelfde conclusie is getrokken in de rapportage van Rigo over de
34
bestemmingsplan Hoogeweg 72
verblijfsverplaatsing van GP Groot (MKBA Bedrijfsverplaatsing GP Groot Infra & Engineering Hoogeweg 70-72 Heiloo, projectnummer P 38850, 1 april 2019) dat is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Castricum.
4.6.2
Parkeren
Voor het parkeren wordt conform het vigerende Parapluplan Parkeren getoetst aan het Parkeerbeleidsplan Heiloo 2010. Uit de navolgende tabel - afkomstig uit het stedenbouwkundig plan volgt wat de nieuwe parkeerbehoefte wordt voor het totale plan. Uit de tabel blijkt tevens dat er twee parkeerplaatsen meer worden gerealiseerd dan vereist is vanuit het parkeerbeleid.
35
bestemmingsplan Hoogeweg 72
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische aspecten
Planmethodiek
Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BRK-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.
5.2
Toelichting op de planregels
De regels bestaan uit vier hoofdstukken: Inleidende regels (hoofdstuk 1) Bestemmingsregels (hoofdstuk 2) Algemene regels (hoofdstuk 3) Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) In het hoofdstuk 'Inleidende regels' is een aantal begrippen verklaard welke gebruikt wordt in de planregels. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is in het artikel "Wijze van meten" bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan geïnterpreteerd dient te worden. In het hoofdstuk 'Bestemmingsregels' zijn de in het plan opgenomen bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Tevens zijn, waar dat wenselijk is, flexibiliteitbepalingen opgenomen. In het hoofdstuk ‘Algemene regels’ worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. In de anti-dubbeltelregel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.
In de algemene gebruiksregels is een algemeen verbod op strijdig gebruik opgenomen, en wordt een aantal voorbeelden genoemd wat in ieder geval als strijdig gebruik wordt beschouwd. De algemene afwijkingsregels zijn een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat middels een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van de bouw van schakelkastjes (nutsgebouwtjes) in het openbare gebied. Ook zijn een tweetal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft bijvoorbeeld een geringe wijziging van de bestemmingsgrens. In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor legale bebouwing en legaal gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde
36
bestemmingsplan Hoogeweg 72
voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.
5.3
Plansystematiek
Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.
5.4
Crisis- en herstelwet
Het bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied. Daarom is de Crisis-en herstelwet op de totstandkoming van het bestemmingsplan van toepassing. De toepassing van de Chw heeft onder meer tot gevolg dat in de beroepsfase geen nieuwe standpunten buiten de beroepstermijn aangevoerd kunnen worden en dat de Raad van State binnen zes maanden na de beroepstermijn uitspraak moet doen op ingestelde beroepen.
37
bestemmingsplan Hoogeweg 72
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Vooroverleg
Artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening schrijft voor dat kennis moet worden gegeven (ook via elektronische weg) van het voornemen een nieuw bestemmingsplan voor te bereiden. In het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient voorts voor dit bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de volgende instanties: Provincie Noord-Holland; Rijkswaterstaat; Landschap Noord-Holland; Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier; Omgevingsdienst NHN. De opmerkingen van de ODNHN hebben geleid tot toevoeging van een paragraaf over duurzaamheid en over gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Artikel 3.1.6 Bro bepaalt dat de toelichting in het ontwerpbestemmingsplan en het vastgestelde bestemmingsplan een beschrijving bevat van de wijze, waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Hieronder wordt nader ingegaan op de resultaten van de inspraak. Bewonersavond 13 februari 2020 Op 13 februari 2020 heeft initiatiefnemer een bewonersavond georganiseerd, in navolging van een raadsinformatiebijeenkomst op 1 oktober 2019. De avond is bezocht door circa 25 - 30 omwonenden van het plangebied. Tijdens de bewonersavond zijn enkele suggesties gedaan, die initiatiefnemer met de gemeente heeft onderzocht. Dit betrof met name het instellen van éénrichtingsverkeer in de wijk. In overleg met de gemeente is besloten toch tweerichtingenverkeer te handhaven voor de goede ontsluiting van de wijk. Een verslag van de bewonersavond is aangehecht als Bijlage 6.
Inloopbijeenkomst 18 augustus 2020 Op 18 auguatus heeft een tweede bijeenkomst plaatsgevonden in de vorm van een inloopbijeenkomst. De avond is bezocht door 32 personen. In Bijlage 7 is het verslag van de bijeenkomst opgenomen.
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Hoogeweg 72 heeft vanaf donderdag 29 juli tot en met woensdag 8 september ter inzage gelegen voor zienswijzen. In de periode zijn 2 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn in Bijlage 8 samengevat en van een antwoord voorzien. De zienswijzen hebben tot een aanpassing van het bestemmingsplan geleid. Op de verbeelding is een aanduidingen 'specifieke vorm van groen - voorwaardelijke verplichting' opgenomen. In de regels is bepaald dat de woningen in het plan pas in gebruik genomen mogen worden als ter plaatse van de aanduiding een dichte erfscheiding van 2 meter hoog is gebouwd en in stand wordt gelaten voor de duur dat de aangrenzende gronden in gebruik zijn voor agrarische doeleinden. Deze erfscheiding dient om de effecten van gewasbestrijding op de nieuwbouw te beperken. De erfscheiding wordt binnen de bestemming 'Groen' landschappelijk ingepast. Er heeft ook nader onderzoek plaatsgevonden naar de effecten op het woon- en leefklimaat door de
38
bestemmingsplan Hoogeweg 72
realisatie van de noordelijke ontsluiting in het plangebied op de direct ten noorden gelegen woning. Uit onderzoek van Buro DB van 9 november 2021 volgt dat met de realisatie van de genoemde ontsluiting sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 9.
6.3
Economische uitvoerbaarheid
6.3.1
Exploitatieverplichting
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Voor het verhaal van gemeentelijke kosten is met de gemeente Heiloo een anterieure overeenkomst gesloten, waardoor kostenverhaal anderszins is verzekerd. Hierdoor is er voor de gemeente Heiloo geen verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, van de Wro.
6.3.2
Planschade
Door een ruimtelijk plan, zoals een bestemmingsplan, kan planschade voor omwonenden ontstaan. De gemeente heeft met de initiatiefnemer een verhaalsovereenkomst gesloten, waarmee de gemeente de risico’s en kosten van planschade bij de initiatiefnemer heeft belegd. Gelet op de ruimtelijke ontwikkeling waarbij een in ruimtelijk opzicht zwaardere functie wordt vervangen door een lichtere functie, wordt de kans op vergoedbare planschade als gevolg van de ontwikkeling door initiatiefnemer als gering aangemerkt.
39