Heiloo Werkafspraken bijtincidenten honden
Tekst van het document
Werkafspraken bijtincidenten honden Grondslagen • • • • •
Algemene wet bestuursrecht (Awb), artikelen 4:81 en 5.32; titel 5.3.1 (Herstelsancties); Gemeentewet (Gw), artikel 172; Wetboek van Strafrecht (WSr), artikelen 300, 308, 350 en 425; Algemene plaatselijke verordening (Apv), artikelen 6:1 en 2:59; het overleg dat heeft plaatsgevonden tussen de gemeente en politie.
Deze werkafspraken zijn gemaakt tussen de politie Noord-Holland, basisteam Alkmaar en het bevoegd gezag van de gemeente Heiloo. Deze werkafspraken zijn opgesteld voor de uitvoering van de vastgestelde ‘Beleidsregels bijtincidenten honden gemeente Heiloo 2021’. Definities opgenomen in de beleidsregels zijn daarmee ook van toepassing op deze werkafspraken.
Werkafspraken Stap 1 bijtincidenten worden geregistreerd bij de politie Elk bij de politie gemeld bijtincident, moet door de politie worden geregistreerd. Er is afgesproken dat in de registratie wordt vastgelegd: • personalia eigenaar/houder; • personalia benadeelde partij; • personalia getuige(n); • gegevens van bijtende hond inclusief vermelding van ras, chipnummer, roepnaam hond en kopie paspoort en/of stamboomgegevens indien van toepassing; • foto’s van de hond van meerdere kanten; • indien van toepassing: gegevens slachtoffer (indien van toepassing melding van behandeling door huisarts); • indien van toepassing: gegevens van gebeten hond inclusief vermelding van ras, chipnummer, roepnaam hond, kopie paspoort en/of stamboomgegevens (indien van toepassing melding van behandeling door dierenarts); • indien van toepassing: gegevens van gebeten dier (indien van toepassing melding van behandeling door dierenarts); • aard en omvang van letsel en schade; • omstandigheden en aanleiding van het bijtincident; • of de hond mee naar huis is of in beslag is genomen en op welke grond (straf- of bestuursrecht); en • of er andere meldingen (tot 2 jaar terug) over desbetreffende hond in het systeem aanwezig zijn. Ook andere instanties (toezicht, inwoners) doen soms meldingen van bijtincidenten bij de gemeente. Deze zijn ook van belang.
De gemeente zorgt dat meldingen van bijtincidenten zo volledig mogelijk worden doorgestuurd naar de politie. Als er informatie ontbreekt (bijvoorbeeld foto’s of het chipnummer) gaat de BOA langs om de gegevens compleet te krijgen. Er wordt door de gemeente een overzicht bijgehouden van de gemelde bijtincidenten, ook van de meldingen waar geen verdere actie op geweest is. Dit is nodig voor een goede dossiervorming. In de nabije toekomst komt er een systeem waar digitaal de meldingen in bijgehouden kunnen worden. Als de gemeente een verzoek krijgt tot het opleggen van een muilkorfgebod van een inwoner voor de hond van een andere inwoner naar aanleiding van een bijtincident, dan neemt ze altijd eerst contact op met de politie om te controleren of er ook bij de politie bijtincidenten bekend zijn. Dit maakt het opleggen van een muilkorfgebod eenvoudiger. De politie past altijd hoor en wederhoor toe in dit soort situaties.
1 van 6
Op basis van een bestuurlijke rapportage en aanlijn- en/of muilkorfgebod van een andere gemeente, kan ook een aanlijn- en/of muilkorfgebod voor de eigen gemeente worden opgelegd als de hond in de eigen gemeente uitgelaten wordt. Hiertoe dient de andere gemeente een verzoek in bij de eigen gemeente. Andersom is uiteraard ook mogelijk. De eigen gemeente kan ook het verzoek aan een andere gemeente doen om ook in de andere gemeente een aanlijn- en/of muilkorfgebod op te leggen. Dit dient wel van te voren aangekondigd te worden aan de eigenaar/houder van de hond.
Stap 2 na eerste bijtincident wordt een waarschuwing uitgereikt Namens het bevoegd gezag stellen de BOA’s standaard een waarschuwing op en overhandigen, c.q. sturen deze aan de eigenaar/houder van de hond na een eerste (niet ernstig) bijtincident. In samenspraak tussen gemeente en politie kan ook worden beslist dat het eerste bijtincident dermate ernstig is dat extra maatregelen nodig zijn en er meteen een bestuurlijke rapportage moet worden opgesteld door de politie waarin wordt geadviseerd de hond als gevaarlijk aan te wijzen en direct een aanlijn- en/of muilkorfgebod op te leggen (zie stap 3). In uiterste gevallen kan het ook zijn dat een strafrechtelijke inbeslagname van de hond (zie stap 10) volgt. Binnen de gemeente verzorgt team Apv namens het bevoegd gezag dergelijke voornemens en het definitieve besluit. In de waarschuwing en ook in het voornemen tot opleggen van een aanlijn- en/of muilkorfgebod wordt verwezen naar hoe om te gaan met het soort hond dat de eigenaar/houder heeft (via de site https://www.licg.nl/honden/). In voorkomende gevallen vraagt de politie of de eigenaar/houder vrijwillig afstand wil doen van de hond.
BESTUURSRECHTELIJK TRAJECT Stap 3 na tweede bijtincident dient politie een verzoek in bij gemeente Na een tweede bijtincident binnen twee jaar door dezelfde hond, vraagt c.q. adviseert de politie het bevoegd gezag een aanlijn- en/of muilkorfgebod op te leggen (team Apv). Daarbij wordt een afweging gemaakt over de ernst van de incidenten, kijkend naar de aard van het incident, de omvang van het letsel en hoe de eigenaar/houder van de hond zich gedraagt. Het verzoek van de politie is gemotiveerd op basis van een bestuurlijke rapportage van de geregistreerde gegevens. De bestuurlijke rapportage bevat in ieder geval een omschrijving van het bijtincident (zie de gegevens in stap 1), het verzoek/advies aan de gemeente om de hond aan te wijzen als gevaarlijk en het verzoek/advies tot het opleggen van een aanlijn- en/of muilkorfgebod.
Stap 4 gemeente legt voornemen tot aanlijn- en/of muilkorfgebod voor Het bevoegd gezag beoordeelt de bestuurlijke rapportage, waarbij deze ook een afweging maakt over de ernst en de aard van het incident, de omvang van het letsel en hoe de eigenaar/houder van de hond zich gedraagt. Vervolgens stelt het bevoegd gezag (opsteller team Apv) een voornemen tot een aanlijn- en/of muilkorfgebod op en stuurt deze aangetekend op naar de eigenaar/houder van de hond. In het voornemen staat tevens genoemd dat een eigenaar/houder een gedragstest bij de hond kan laten doen om aan te tonen dat de hond niet hinderlijk of gevaarlijk is. Eigenaar/houder krijgt maximaal tien werkdagen de gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken.
Stap 5 zienswijze eigenaar/houder De zienswijze van de eigenaar/houder kan leiden tot het volgende: 1. De eigenaar/houder van de hond is het eens met het verzoek/advies van de politie en een besluit tot oplegging van een aanlijn- en/of muilkorfgebod voor de hond kan door het bevoegd gezag (team Apv) worden opgelegd. 2. De eigenaar/houder van de hond is het niet eens met het verzoek van de politie en laat voor zijn eigen rekening een gedragstest uitvoeren via de daartoe bevoegde instantie om aan te tonen dat zijn hond niet hinderlijk of gevaarlijk is. Een gedragstest dient altijd te worden afgenomen door een door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied benoemde gedragskeurmeester dan wel een andere erkende en door de gemeente goedgekeurde onderzoeker of faculteit. Bij twijfel over de certificaten wordt contact opgenomen met de Universiteit Utrecht. Het advies is om de gedragstest in de woon-/leefomgeving van de hond en in het bijzijn van de eigenaar/houder uit te voeren.
2 van 6
3. De eigenaar/houder van de hond is het niet eens met het verzoek en is niet bereid om voor zijn rekening een gedragstest uit te laten voeren. 4. Het opleggen van een aanlijn- en/of muilkorfgebod met aanvullende motivering en/of voorwaarden. 5. Het niet opleggen van een aanlijn- en/of muilkorfgebod.
Stap 6 besluit tot aanlijn- en/of muilkorfgebod Er wordt een besluit genomen over het opleggen van een aanlijn- en/of muilkorfgebod voor de hond, onafhankelijk van het gegeven of er een gedragstest wordt uitgevoerd. In de regel gaat er enige tijd overheen tussen het aanvragen van de test en het beschikbaar komen van de testuitslag. Om het risico op eventueel verdere bijtincidenten te voorkomen wordt daarom niet gewacht tot deze uitslag beschikbaar is. Het voornoemde besluit, is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar en beroep openstaat. In dit besluit wordt opgenomen dat het aanlijngebod ook geldt voor losloopgebieden. Het aanlijn- en/of muilkorfgebod kan alleen gelden voor de openbare weg en het terrein van een ander. Er kan geen aanlijn- en/of muilkorfgebod worden opgelegd dat geldt voor het eigen terrein. Wel kan er in het besluit een waarschuwing worden opgenomen voor eventueel verregaande maatregelen met het oog op de veiligheid van de openbare ruimte, indien het gedrag van de hond niet verbetert. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een verplichte cursus of tijdelijke inbeslagneming van de hond (zie stap 9). Als een gedragstest heeft plaatsgevonden, neemt het bevoegd gezag in beginsel het advies van de onderzoeker over.
Is de uitslag positief voor de hond, dan wordt het besluit tot opleggen van een aanlijnen/of muilkorfgebod in beginsel ingetrokken. Hierbij wordt aangetekend dat bij een volgend bijtincident binnen twee jaar, opnieuw een aanlijn- en/of muilkorfgebod opgelegd kan worden. De eigenaar/houder van de hond kan dan wederom een verzoek indienen tot heroverweging of intrekking van het besluit, met als onderbouwing een gedragstest. In dit geval geldt dat het enkele feit dat er (wederom) een positieve uitslag van de gedragstest is uitgebracht, dit op voorhand geen aanleiding geeft om van het opleggen van het aanlijn- en/of muilkorfgebod af te zien. Een uitkomst van de gedragstest kan ook zijn een advies tot aanpassingen aan de woning of het erf van de eigenaar/houder van de hond. Hiermee kan worden voorkomen dat de hond van het eigen erf of uit de eigen woning kan ontsnappen. Deze maatregelen kunnen niet worden verplicht. Daarnaast kunnen er overige maatregelen worden opgelegd, zoals een verplichte training. Controle op het uitvoeren van deze maatregelen ligt bij de BOA en eventueel bij de politie.
Stap 7 bezwaar tegen besluit De eigenaar/houder van de hond kan binnen zes weken na verzenddatum van het besluit, bezwaar maken tegen het besluit tot opleggen van een aanlijn- en/of muilkorfgebod. Dit bezwaar wordt via de daarvoor geldende procedure doorlopen. Aansluiten van de politie (de opsteller van de bestuurlijke rapportage) tijdens een hoorzitting is hierbij wenselijk. Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift wordt een beslissing genomen op het bezwaar. Daarbij kan besloten worden om het bestreden besluit te herroepen of in stand te laten, eventueel met aanvullende motivering en/of voorwaarden. Bovenstaande geldt ook wanneer er bezwaar wordt gemaakt tegen de last onder dwangsom, als deze wordt opgelegd vanwege overtreding van een opgelegd aanlijn- en/of muilkorfgebod (zie stap 8).
Stap 8 bestuursrechtelijk optreden na overtreding van een besluit Als het aanlijn- en/of muilkorfgebod door de eigenaar/houder van de hond wordt overtreden, kan daartegen bestuursrechtelijk worden opgetreden door – in beginsel – het opleggen van een last onder dwangsom door het bevoegd gezag om herhaling te voorkomen. De last onder dwangsom wordt opgelegd als een BOA of de politie constateert dat de hond los loopt, dan wel niet is aangelijnd zoals is voorgeschreven en/of zonder muilkorf is gesignaleerd, waarbij er geen (ernstig) bijtincident heeft plaatsgevonden. De hoogte van de dwangsom is afhankelijk van de ernst van de overtreding en zal worden opgelegd door de juridisch adviseur (TH) namens het bevoegd gezag.
3 van 6
In het geval een BOA of de politie bovengenoemde overtreding zelf heeft waargenomen, kan er ook voor worden gekozen om een boete op te leggen, in plaats van een last onder dwangsom. Zie stap 12 voor verdere uitleg.
Stap 9 inbeslagname door burgemeester De burgemeester is op grond van artikel 172, tweede lid van de Gemeentewet, bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. De burgemeester kan besluiten tot inbeslagname van een hond, indien: • de eigenaar/houder van een hond die door het bevoegd gezag als gevaarlijke hond is aangewezen in strijd met artikel 2:59 Apv handelt en/of; • de hond een nieuw bijtincident veroorzaakt, waarbij sprake is van ernstig letsel. De politie en de hiermee belaste ambtenaren verzoeken de burgemeester om een bevel tot inbeslagname. Als de burgemeester het bevel tot inbeslagname van een hond geeft, meldt de politie de hond aan bij www.rvo.nl voor onderbrenging naar een geheime locatie. Omdat deze locatie geheim is, wordt deze dus niet in de registratie of meldingen vermeld. De politie regelt zo spoedig mogelijk het vervoer van de hond naar de aangegeven locatie. De hond ondergaat een risicoanalyse, uitgevoerd door het riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht. De burgemeester neemt in beginsel het advies van het riskassessmentteam over. Dit kan betekenen dat de hond onder voorwaarden terug wordt geplaatst bij de eigenaar of wordt herplaatst. Uitgangspunt is dat de periode van inbeslagname niet langer dan 4 weken duurt.
De kosten van inbeslagname van de hond, zoals kosten van vervoer, verblijf, de benodigde testen en eventueel de kosten voor het laten uitvoeren van euthanasie, komen volledig voor rekening van de eigenaar of houder van de hond. In uitzonderlijke, spoedeisende gevallen waarin nog geen aanlijn- en/of muilkorfgebod is opgelegd en waarbij de openbare orde wordt verstoord, dan wel ernstige vrees bestaat voor het ontstaan daarvan, is het mogelijk om, ter directe afwending van het gevaar, over te gaan tot tijdelijke inbeslagname van de hond op grond van artikel 172, derde lid van de Gemeentewet, indien de eigenaar/houder van de hond geen vrijwillige afstand van de hond doet. In dit geval komen de kosten voor inbeslagname voor rekening van de gemeente. Omdat inbeslagname van een hond een ingrijpende maatregel is, moet hier voorzichtig mee om worden gegaan en moet het besluit zeer goed gemotiveerd worden. Dit blijkt ook uit jurisprudentie.
STRAFRECHTELIJK TRAJECT Stap 10 strafrechtelijke inbeslagname van de hond Artikel 425, eerste en tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, geeft de politie de mogelijkheid tot het opnemen van aangifte en in een heterdaadsituatie (in overleg met de Officier van Justitie) overgaan tot inbeslagname van de hond. Dit is naast de eerder genoemde mogelijkheid tot in beslagname door de burgemeester. Deze artikelen gelden wanneer er sprake is van iemand die een dier op een mens aanhitst of een onder zijn hoede staand dier, wanneer het een mens aanvalt, niet terughoudt. Bij inbeslagname van een hond meldt de politie de hond aan bij www.rvo.nl aan voor onderbrenging naar een geheime locatie. Omdat deze locatie geheim is, wordt deze dus niet in de registratie of meldingen vermeld. De politie regelt zo spoedig mogelijk het vervoer van de hond naar de aangegeven locatie. De politie maakt vervolgens zo spoedig mogelijk (in ieder geval binnen 3 dagen) een kennisgeving van inbeslagname en een proces-verbaal van bevindingen op en stuurt deze naar de vaste contactpersonen van het Openbaar Ministerie. De politie dient altijd te vragen of de eigenaar/houder afstand wil doen van de hond. Indien afstand wordt gedaan, wordt deze verklaring meegezonden. Deze informatie mag niet ontbreken in het proces-verbaal.
De politie stuurt het proces-verbaal zo spoedig mogelijk naar het Openbaar Ministerie, op de daarvoor gebruikelijke wijze.
4 van 6
Stap 11 strafrechtelijke vervolging De Officier van Justitie kan, met inachtneming van het opportuniteitsbeginsel, vervolgen op grond van de volgende artikelen: Overtreding: Artikel 425 Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft: 1. hij die een dier op een mens aanhitst of een onder zijn hoede staand dier, wanneer het een mens aanvalt, niet terughoudt; 2. hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier. Een bestuursrechtelijk opgelegd aanlijn- en/of muilkorfgebod kan in dit verband bewijsmiddel zijn t.a.v. de definitie van ‘gevaarlijk dier’. Misdrijven: Artikel 300 1. Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. 2. Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie. 3. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie. 4. Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid. 5. Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar. Artikel 308 1.
Hij aan wiens schuld te wijten is dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden ontstaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie. Artikel 350 1. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie. 2. Gelijke straf wordt toegepast op hem die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt.
Stap 12 strafrechtelijke overtreding van een muilkorfgebod In het geval de politie, respectievelijk een BOA, zelf heeft waargenomen dat het opgelegde aanlijn- en/of muilkorfgebod wordt overtreden – zonder dat er een (ernstig) bijtincident heeft plaatsgevonden – kan een boete worden opgelegd. Dit volgt uit artikel 7:1, eerste lid van de Apv, waaruit volgt dat overtredingen van de Apv gestraft worden met een geldboete van de eerste categorie conform artikel 23, vierde lid WvSr. In overleg met de juridisch adviseur TH wordt, namens het bevoegd gezag, beslist of een boete wordt opgelegd of gekozen wordt voor het opleggen van een last onder dwangsom (zie stap 8). Er kan voor een boete worden gekozen indien er sprake is van verzachtende omstandigheden. Bij overtreding van het aanlijn- en/of muilkorfgebod in combinatie met een nieuw bijtincident kan de Officier van Justitie onttrekking van de hond aan het verkeer vorderen. In het uitzonderlijke geval dat tot inbeslagname is overgegaan, kan het OM overgaan tot het vervreemden van de hond en zal deze in het uiterste geval over kunnen gaan tot het laten inslapen van de gevaarlijke hond. Deze mogelijkheid staat los van de mogelijkheid genoemd bij stap 9.
5 van 6
CIVIELRECHTELIJK TRAJECT Stap 13 civielrechtelijk Het is mogelijk dat slechts sprake is van een civielrechtelijk schade-incident. De politie wijst de dader en het slachtoffer van het bijtincident op de rechten en plichten en adviseert de partijen om het schadeincident onderling te regelen.
6 van 6