Concept Visie onderwijshuisvesting Castricum en Heiloo
Tekst van het document
Visie onderwijshuisvesting Gemeente Castricum en Heiloo
CONCEPT
Opdrachtgever BUCH gemeenten
Datum 4 september 2023
Referentienummer 2230125/
Auteur(s) Leonoor Clemens Peter Jan Bakker
│ Onderdeel van ICS Ruimteregiegroep BV
1. Inleiding De gemeenten Castricum en Heiloo hebben beide de behoefte aan een nieuw IHP waarin de koers voor de onderwijshuisvesting voor de komende vier jaar en de richting voor de daaropvolgende twaalf jaren wordt vastgesteld. En waarin diverse ontwikkelingen, zowel landelijk als lokaal, verankerd worden. De beide colleges hebben ervoor gekozen voor het ontwikkelen van het IHP zoveel mogelijk samen op te trekken. Enerzijds omdat er gezamenlijke vraagstukken liggen (aanbod van voortgezet onderwijs en de basisschool in de Zandzoom), anderzijds omdat beide colleges de wens hebben om waar mogelijk gelijkluidende en kaderstellende beleidsuitgangspunten te formuleren. Onder andere ten aanzien van de verduurzamingsopgave en het financieringsvraagstuk ten aanzien van (integrale) kindcentra. Met de te maken afspraken in het IHP willen de gemeenten en schoolbesturen gezamenlijk bereiken dat leerlingen en personeel in het primair en voortgezet onderwijs kunnen leren en werken in gebouwen die bijdragen aan de leer- en werkprestaties. Dat vertaalt zich in duurzame, inspirerende en functionele gebouwen, die een goed binnenklimaat hebben en voor alle partijen binnen de beschikbare middelen te exploiteren zijn. In een gezamenlijke bijeenkomst waar verschillende gemeentelijke disciplines en de schoolbesturen aan deelnamen is er op tal van actuele thema’s een visie geformuleerd.
Hierbij is naast het formuleren van een visie ook nagedacht over de implementatie van de visie en de kaders die van belang zijn voor het IHP. Onderliggend document bevat de uitwerking van deze bijeenkomst op de volgende thema’s:
www.icsadviseurs.nl
2/12
2. Visie op onderwijshuisvesting 2.1 Duurzaam en gezond Duurzaamheid en gezondheid is een belangrijk thema bij het creëren van toekomstbestendige onderwijshuisvesting. In het Klimaatakkoord zijn concrete doelstellingen geformuleerd voor het reduceren van de CO2-emissie. Voor 2030 is het streefdoel een reductie van 55% (t.o.v. 1990) en voor 2050 is een hard einddoel van een reductie van 95% afgesproken. In dat kader is tevens het doel gesteld om in 2050 volledig aardgasvrij te zijn. We zitten inmiddels aan het begin van deze energietransitie. Daarnaast geeft het Programma van Eisen Frisse Scholen1 duidelijke richtlijnen ten aanzien van luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid in schoolgebouwen. De normen die in het vigerende bouwbesluit voor nieuwbouw worden gehanteerd, zijn vergelijkbaar met Frisse Scholen Klasse B. In de beleidsregel ‘buitenklimaat: luchtkwaliteit op scholen en kinderdagverblijven’2 worden eisen gesteld aan de afstand van een school en/of kinderdagverblijf t.o.v. rijkswegen en binnenstedelijke wegen. Bij nieuwbouw dient aan deze eisen te worden voldaan. De BUCH-gemeenten hebben in het beleidsplan ‘Op weg naar klimaatadptieve en natuurinclusieve gemeenten’ doelen opgenomen ten aanzien van klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit. In 2050 willen de gemeenten klimaatbestendig, waterrobuust en natuurinclusief zijn.
In geval van nieuwe gebouwen dient al in de eerste fase van projecten de kaders voor klimaatadapatie en natuurinclusief bouwen te worden meegenomen. In het kader van klimaatadaptatie is het tevens het streven om de schoolpleinen te vergroenen en daarmee hittestress te voorkomen en regenwater langer vast te houden. Groene schoolpleinen hebben ook een positief effect op het welzijn van kinderen en kunnen worden ingezet voor educatieve doeleinden. Daarnaast is er in het kader van de energietransitie een visie en uitvoeringsplan op aardgasvrij wijken opgesteld. De herziening van de warmtetransitie aanpak komt voor de zomer 2023 op het programma bij de raad. Het educatieve karakter van duurzaam bouwen brengen de schoolbesturen ook aan de kinderen over. Schoolbesturen zien het als hun rol om maatregelen binnen het gebouw en het terrein zichtbaar te maken en kinderen te betrekken bij het bouwtraject. De onderwijsportefeuille in Castricum en Heiloo moet aan deze landelijke en lokale eisen gaan voldoen. Gemeenten en schoolbesturen hebben nog 27 jaar de tijd om dit te bereiken. Aan nieuwbouw en aan verbouwing (aanpassing, renovatie) van bestaande gebouwen worden wettelijk gezien verschillende eisen gesteld. Maar de verduurzamingsopgave waar we als maatschappij voor staan, geldt feitelijk voor de gehele vastgoed voorraad.
Ook het binnenklimaat van onze gebouwen moet in elk geval geen negatieve impact op de gezondheid en leerprestaties van leerlingen en docenten opleveren. Onderstaand wordt voor zowel voor nieuwe als bestaande bouw beschreven hoe wordt bijgedragen aan het realiseren van duurzame en gezonde onderwijsgebouwen.
1 https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/06/PvE-Frisse-Scholen-2021.pdf 2
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR339320/1#:~:text=Bij%20de%20advisering%20van%20de,geldt%20het%20nee%2Dtenzij%20principe.
www.icsadviseurs.nl
3/12
2.1.1 Nieuwe gebouwen Onder nieuwe gebouwen worden de schoolgebouwen verstaan die in het IHP binnen een afzienbare tijd een grootschalige ingreep krijgen in de vorm van nieuwbouw of renovatie. Het doel van de ingreep is het verhogen van de kwaliteit en levensduur van het gebouw. Het is de ambitie om bij nieuwe (of vernieuwde) schoolgebouwen maximaal bij te dragen aan de verduurzamingsopgave. Het streven is, daar waar dat haalbaar blijkt, te gaan voor Nul-op-de-meter (NOM). Dit houdt in dat zowel het gebouw- als gebruiksgebonden energieverbruik volledig wordt opgewekt op de locatie zelf en daarmee ook een neutrale CO2-emissie wordt bereikt. Op het gebied van gezondheid wordt Frisse Scholen Klasse B gezien als ondergrens. Het streven is Frisse Scholen Klasse A te behalen. Gezocht wordt naar een optimale samenspel tussen het reduceren van de energiebehoefte en een gezond binnenklimaat. De gehanteerde eisen kunnen dus per gebouw verschillen. Ook dient er bij nieuwbouw aandacht te zijn voor klimaatadaptatie en natuurinclusie binnen het gebouw en het terrein.
Voorstel IHP De gemeente en schoolbesturen dragen gezamenlijk bij aan het behalen van deze ambitie. De gemeente bekostigt het wettelijke deel (nu nog BENG, aardgasvrij en minimaal Frisse Scholen B). Binnen dit budget wordt per project bekeken op welke onderdelen Frisse Scholen Klasse A behaald kan worden. Onderzocht wordt of de stap van BENG naar ENG of Nul-op-de-meter te realiseren is met een schoolbestuurlijke bijdrage. Uitgangspunt is dat de schoolbesturen deze eenmalige bijdrage kunnen dekken uit besparing op de energielasten, uit (rijks)subsidies en uit eventuele besparingen op het meerjaren onderhoudsplan (MJOP). In basis draagt het schoolbestuur hier zelf aan bij of sluit hiervoor een lening af. In een businesscase wordt de haalbaarheid van deze aanvullende bijdrage onderzocht en onderbouwd. Bij projecten worden ook de kansen benut om klimaatadapatie en natuurinclusiviteit te integreren. Door middel van een klimaatscan wordt in beeld gebracht welke maatregelen er op de specifieke locatie mogelijk zijn om hittestress en wateroverlast tegen te gaan en de biodiversiteit te vergroten. Bij nieuwbouw of locatieonderzoeken wordt in het IHP getoetst of wordt voldaan aan de eisen zijn opgenomen in de beleidsregel buitenklimaat. Gevraagd besluit: ▪ ▪
Gemeente stelt een leenfaciliteit beschikbaar voor de schoolbesturen om investeringen in verduurzaming (de stap van BENG naar ENG of NOM) te kunnen financieren. Gemeente is bereid tot een financiële bijdrage aan de stap van BENG naar ENG of NOM indien het schoolbestuur onderbouwd aantoont de investering niet terug te verdienen in de exploitatie of vanuit subsidies te dekken is.
www.icsadviseurs.nl
4/12
2.1.2 Bestaande bouw Onder bestaande bouw vallen de gebouwen die binnen de looptijd van het huidige IHP in stand worden gehouden. Hoewel deze gebouwen geen grootschalige ingreep in de vorm van nieuwbouw of renovatie krijgen is ook voor deze categorie nagedacht over hoe kan worden bijgedragen aan de verduurzaming en het verbeteren van het binnenklimaat in lijn met de landelijke klimaatdoelen. Uitgangspunt is immers dat over 27 jaar alle gebouwen CO2 neutraal zijn. Binnen de huidige regelgeving is het schoolbestuur verantwoordelijk voor het in stand houden en onderhouden van het schoolgebouw. Zij stellen hiervoor een MJOP op en verrichten metingen naar de luchtkwaliteit. Het schoolbestuur is tevens verplicht om de Erkende Maatregelenlijst (EML, Wet Milieubeheer) uit te voeren. Dit betreft duurzame maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder. Voor het onderhouden en het uitvoeren van de Erkende Maatregelen zet het schoolbestuur een deel van haar vergoeding vanuit het Rijk in. Deze regeling blijft gehandhaafd. Toch vraagt het behalen van de doelstellingen uit het klimaatakkoord en de lokale klimaatdoelen om aanvullende maatregelen. Hieronder is een voorstel opgenomen hoe hiermee om te gaan.
Voorstel IHP Voor alle schoolgebouwen, die binnen de looptijd van het IHP geen grootschalige ingreep in de vorm van nieuwbouw of renovatie krijgen, wordt een scan uitgevoerd. Deze scan maakt inzichtelijk welke maatregelen nodig en haalbaar zijn om de CO2-uitstoot te verminderen, het binnenklimaat te verbeteren, energie te besparen en om van het aardgas af te gaan. Gemeente en schoolbesturen zijn samen verantwoordelijk voor het formuleren van het gewenste ambitieniveau en de insteek van de scan. We maken in het IHP inzichtelijk voor welke gebouwen een scan noodzakelijk is en welke investering het opstellen van deze scans vraagt. De uitvoeringsperiode van de scans wordt gekoppeld aan grote investeringen in het onderhoud en het uitvoeringsplan aardgasvrije wijken. Indien de uitkomsten van de scan aanleiding geven tot het doorvoeren van maatregelen zijn de schoolbesturen in principe verantwoordelijk voor de uitvoering en bekostiging daarvan. Het uitvoeren van de maatregelen wordt zoveel mogelijk gekoppeld aan natuurlijke momenten in het MJOP. De besparing op de exploitatielasten (incl. het effect op onderhoud) vormt de dekking voor de investering, alsmede eventueel beschikbare subsidies. Op basis van een businesscase maakt het schoolbestuur in samenspraak met de gemeente de afweging of en zo ja welke maatregelen worden doorgevoerd.
Gevraagd besluit: De gemeente bekostigt een scan die inzicht geeft in de maatregelen die nodig en haalbaar zijn om de CO2-uitstoot te verminderen, het binnenklimaat te verbeteren, energie te besparen en om van het aardgas af te gaan. Deze scan wordt uitgevoerd bij gebouwen die gedurende de looptijd van het IHP niet in aanmerking komen voor nieuwbouw of renovatie.
www.icsadviseurs.nl
5/12
2.2 Circulariteit Het streven naar een toekomstbestendige samenleving vraagt om een bewust en verantwoordelijk gebruik van grondstoffen. De ontwikkeling naar een circulaire economie, een economie zonder verspilling van grondstoffen en uitputting van de hulpbronnen van de aarde, vormt hiervoor de basis. Nederland wil in 2050 een volledig circulaire economie zijn3. Het realiseren en gebruiken van schoolgebouwen maakt integraal onderdeel uit van de ontwikkeling naar een circulaire economie en levert hieraan een bijdrage. De BUCH-gemeenten hebben in 2023 het beleidsplan ‘Circulaire economie’ vastgesteld waarin vanuit circulariteit de volgende doelen zijn geformuleerd: ▪ ▪ ▪ ▪
Het inzetten van een materialenpaspoort bij nieuwbouw (vanaf 2023) Het hanteren van circulaire criteria bij gronduitgifte (vanaf 2024) Bij nieuwbouw gebouwen onder MPG-norm (Milieu Prestatie Gebouwen) van 0.8 (vanaf 2024); landelijk streven is MPG uiterlijk in 2030 naar 0.5 Circulariteit integreren in alle bouw-, sloop- en infrastructuurprojecten (vanaf eind 2025)
Gemeente en schoolbesturen zetten zich in om deze doelen te bereiken en passen de circulaire principes zoveel mogelijk toe binnen bouwprojecten. Om een circulair gebouw en -gebruik te realiseren wordt bij ieder project een team samengesteld van adviseurs, architecten en aannemers die ervaring hebben met circulair bouwen. Ook wordt er in de voorbereidingsfase voldoende tijd ingeruimd om de circulaire principes te vertalen naar een haalbaar ontwerp. Bij circulair bouwen behouden de gebouwen een zekere restwaarde, omdat bouwmaterialen na een levenscyclus herbruikbaar zijn. Materialen krijgen een toekomstwaarde. Voorstel IHP De gemeente ondersteunt circulair bouwen en zoekt naar extra investeringsruimte. Circulair bouwen geeft een extra impuls aan de levensduur en de restwaarde van het gebouw. Met circulair bouwen ben je nog beter in staat de restwaarde van materialen te waarborgen door onder andere demontabele verbindingen te maken. Samen met de gemeente wordt onderzocht of de termijn waarover de investering wordt afgeschreven kan worden verlengd, zodat het integreren van circulaire principes budgetneutraal kan worden uitgevoerd. Voorwaarde is dat gebouwen aantoonbaar circulair worden opgeleverd, o.a. door het opstellen van een materialenpaspoort. De verdere voorwaarden voor circulaire projecten worden nader uitgewerkt. In het IHP benoemen we een circulair pilotproject.
Het doel van een pilotproject is om te onderzoeken welke circulaire principes haalbaar, toepasbaar en betaalbaar zijn. Het pilotproject wordt uitvoerig geëvalueerd zodat de geleerde lessen worden meegenomen in een volgend project. Gevraagd besluit: De gemeente onderzoekt of de termijn waarover de investering voor nieuwbouw en renovatie wordt afgeschreven kan worden verlengd, zodat het integreren van circulaire principes budgetneutraal kan worden uitgevoerd.
3 Nederland Circulair in 2050 – Rijksoverheid
www.icsadviseurs.nl
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/circulaire-economie/nederland-circulair-in-2050
6/12
2.3 Renovatie Renovatie is een actueel thema, maar vooralsnog hanteert de (onderwijs)wet het begrip renovatie niet. PO-Raad, VO-Raad en VNG hebben recent de minister geadviseerd om renovatie een formele status te geven en een wetwijziging wordt momenteel voorbereid. Het is de ambitie om, vooruitlopend op de aanstaande wetwijziging, in het IHP, naast de in de verordening opgenomen voorzieningen ‘nieuwbouw’ en ‘uitbreiding’ uitgangspunten op te nemen ten aanzien van de oplossingsrichting ‘renovatie’. Gemeente en schoolbesturen zien renovatie als een gelijkwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw. Een renovatie wordt alleen dan toegepast als aan dezelfde eisen voor nieuwbouw kan worden voldaan (zie hoofdstuk 2.1.1.), waarbij de volgende zaken worden gewaarborgd: ▪
▪
▪
Er wordt een afweging gemaakt tussen de klimaateffecten van verbeterde energieprestaties van het gebouw enerzijds, versus de klimaateffecten die het realiseren van het project (nieuwbouw of renovatie) zelf met zich meebrengen; Er dient een goed onderbouwde vergelijking op diverse facetten, o.a. onderwijsinhoudelijk, bouwkundig en planologisch, gemaakt te worden. Per situatie wordt er een weging aan deze facetten toegekend. Gemeente en schoolbesturen dienen vooraf een eenduidig afwegingskader op te stellen. Eventuele monumentale kwaliteit van het gebouw en de waarde van het gebouw in zijn omgeving wordt meegewogen. In de businesscase wordt de afschrijftermijn in combinatie met de investering voor de renovatie van een monumentaal gebouw integraal afgewogen. Voorstel IHP In het IHP wordt renovatie als een gelijkwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw gezien. De afweging voor nieuwbouw of renovatie wordt gemaakt na het opstellen van het IHP, in een businesscase. In de businesscase wordt de haalbaarheid van renovatie ten opzichte van nieuwbouw nader onderzocht op basis van een technische, functionele, ruimtelijke en financiële verkenning, met aandacht voor de impact die renovatie of nieuwbouw heeft op het milieu/klimaat.
Indien bij renovatie gelijkwaardige kwaliteit als bij nieuwbouw wordt behaald is de afschrijftermijn voor renovatie gelijk aan de afschrijftermijn voor nieuwbouw. Gevraagde besluit: In het IHP wordt gerekend met één investeringsbudget voor zowel renovatie als (vervangende) nieuwbouw. De ruimtebehoefte voor nieuwbouw vormt de basis voor de indicatieve investeringskosten, waaruit ook een renovatie bekostigd kan worden. De afschrijftermijn voor renovaties wordt gelijk getrokken met nieuwbouw.
2.4 Verbreding De schoolbesturen en de gemeente hebben het streven om een bereikbaar aanbod van kindvoorzieningen te realiseren. Dit doen ze door intensieve samenwerkingen aan te gaan met opvang, zorg, sport en cultuur. Verschillende partijen rondom het kind werken samen aan een stabiele, intellectuele, persoonlijke en sociale groei van kinderen van 0 – 18 jaar en mogelijk ouder. Dit kan in de vorm van kindcentra (KC), al dan niet integraal (aangestuurd vanuit één organisatie), maar hoeft niet altijd onder één dak te worden georganiseerd. Er wordt ook gezocht naar samenwerkingen met voorzieningen die in de wijk aanwezig zijn. De samenwerking tussen opvang, primair- en voortgezet onderwijs vindt per locatie plaats op basis van een
www.icsadviseurs.nl
7/12
eenduidige pedagogische visie waarin de ontwikkeling van het kind centraal staat. Op basis van lokale behoeften kan het aanbod aan kindvoorzieningen worden verbreed met zorg en/of ondersteuning voor kinderen en ouders. (Zie ook 2.5 Inclusie). In de gemeenten Heiloo en Castricum is het brede aanbod aan denominaties en onderwijsconcepten een groot goed. Het is de wens deze verscheidenheid te behouden en ouders en kinderen keuzevrijheid te blijven bieden. De basisschool is in veel gevallen een ankerpunt in de wijk. Naar behoefte kunnen er ook wijkgerichte maatschappelijke voorzieningen aan de school of het KC gekoppeld worden. Denk daarbij aan een ontmoetingsplek voor ouderen of oefenruimten voor verenigingen. Ook hier geldt dat deze functies niet per definitie onder één dak worden gehuisvest, maar partijen actief de samenwerking met maatschappelijke partners in de wijk zoeken. Bij het realiseren van brede voorzieningen is het draagvlak van de buurt van belang. Dit vraagt om een evenwichtige spreiding van bredere voorzieningen over de gemeente en aandacht voor bewonersparticipatie gedurende de realisatie. Het realiseren van bredere voorzieningen vraagt om een andere kijk op de gebouwde onderwijsomgeving en samenwerking met (maatschappelijke) partners. En op het dubbel en multifunctioneel gebruik van ruimte.
Gemeente, schoolbesturen en derden hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om brede voorzieningen te realiseren. Specifiek dient daarbij aandacht te worden besteed aan de financiering, het eigendom en het beheer van de brede voorziening en de wettelijke kaders die daar voor partijen bij gelden. Het voortgezet onderwijs heeft een meer regionale functie. Een breed aanbod binnen het voortgezet onderwijs vraagt om een goede bereikbaarheid van de locaties met de fiets en het openbaar vervoer. Om kinderen zo goed mogelijk voor te bereiden op het voortgezet onderwijs beschikt de gemeente Heiloo over een Junior College (12-14 jarigen). Met het Junior College wordt de overstap van de basisschool naar de middelbare school laagdrempelig vormgegeven. Het is de ambitie om het Junior College de komende jaren te laten groeien. Uitgangspunt is dat er binnen de gemeente efficiënt wordt omgaan met de beschikbare ruimte. Voor zowel het primair- als het voortgezet onderwijs is het de intentie om het schoolgebouw, het plein en, indien aanwezig, de gymzaal, multifunctioneel in te zetten en ook na schooltijden beschikbaar te stellen voor maatschappelijke doeleinden. De mogelijkheden en effecten worden per locatie bekeken. Het eigendomen beheervraagstuk alsmede de handhaving is hierbij van belang en vraagt om een nadere uitwerking. Het belang van bewegen wordt steeds meer onderkend.
Voor het aan uren bewegingsonderwijs gelden vastgestelde normen. Het is van belang dat er voldoende ruimte voor sport en bewegen in de nabijheid van scholen kan worden geboden.
www.icsadviseurs.nl
8/12
Voorstel IHP Het realiseren van een breder aanbod dan enkel onderwijs reikt verder dan de gemeentelijke zorgplicht voor onderwijshuisvesting en is maatwerk. Per situatie moet in de planvormingsfase onderzocht worden aan welke aanvullende voorzieningen behoefte is en hoe deze ingepast kunnen worden. Daarbij zoeken we naar de raakvlakken en uitgangspunten uit andere gemeentelijke beleidskaders en -plannen en de ondersteuningsplannen van de samenwerkingsverbanden PO en VO. De behoefte en haalbaarheid van een brede voorziening wordt dan ook per project in een businesscase nader bepaald. Het uitgangspunt daarbij is dat verbreding niet ten laste komt van het onderwijshuisvestingsbudget. Een voorfinanciering door de gemeente voor ruimten buiten het onderwijs kan bijdragen aan het realiseren van brede voorzieningen. Vanwege het incourante en inpandige vastgoed van de ruimte voor kinderopvang binnen kindcentra is het voor een kinderopvangorganisatie vaak lastig om een lening bij een bank af te sluiten. Een voorfinanciering op basis van een langjarige overeenkomst kan hier een oplossing bieden. Gevraagde besluiten: ▪
▪
De gemeente faciliteert de realisatie van KC’s door ruimte ten behoeve van opvangfuncties voor te financieren en door middel van (huur)inkomsten deze voorfinanciering te dekken. De basis hiervoor is een langjarige huurafspraak die contractueel wordt vastgelegd tussen de kinderopvang en de verhurende partij. Afhankelijk van de eigendomsconstructie kan de gemeente of het schoolbestuur als verhuurder optreden. Indien het schoolbestuur verhuurt gaat de gemeente een bekostigingsovereenkomst aan met het schoolbestuur. De gemeente faciliteert andere vormen van verbreding van de onderwijshuisvesting indien dit passend is binnen gemeentelijke beleidskaders die betrekking hebben op die bredere functies en daar dekking voor is of voor gevonden wordt buiten de begroting onderwijshuisvesting.
2.5 Inclusie De gemeente en schoolbesturen onderschrijven het belang van het aanbieden van passend en inclusiever onderwijs. Inclusiever onderwijs gaat ervan uit dat het onderwijs voor alle leerlingen toegankelijk is en niemand wordt uitgesloten. Kinderen leren, spelen en werken samen en ieder kind kan zich optimaal ontwikkelen met ondersteuning die daarvoor nodig is. Kinderen hebben hiermee gelijke kansen op school, maar ook in de maatschappij. Inclusie vertaalt zich voor de gemeente Heiloo en Castricum in twee verschillende vraagstukken. (1) De huisvestingsvraag van kinderen met een fysieke of mentale ondersteuningsbehoefte en (2) het huisvesten van nieuwkomers. Kansengelijkheid is voor alle kinderen in Castricum en Heiloo belangrijk. Het streven is kinderen met een ondersteuningsbehoefte zo lang mogelijk binnen het reguliere onderwijs te houden. Waar mogelijk en in het belang van het kind zoeken we naar oplossingen in de wijken. In de wijken brengen we partijen rondom het kind samen. Dit stimuleert partijen om intensief samen te werken en van elkaar te leren. De ontwikkeling van het kind staat daarbij te allen tijde voorop. Inclusie vraagt om een breed aanbod aan kindvoorzieningen in een KC, waar naast onderwijs en opvang ook zorg en therapie geboden kan worden.
Zorgprofessionals gaan aan de slag op scholen om de uitstroom naar het speciaal onderwijs te verkleinen Dit vraagt om wat extra ruimte, aanvullende op de onderwijscapaciteit, waar specialistische zorg en begeleiding geboden kan worden. De ruimten in KC’s zijn flexibel en multifunctioneel inzetbaar voor o.a. externe zorgaanbieders of begeleiders zoals logopedisten. Specialistische voorzieningen zoals het speciaal (voortgezet) onderwijs blijft bestaan voor kinderen die dit nodig hebben.
www.icsadviseurs.nl
9/12
Sinds de oorlog in Oekraïne heeft de behoefte aan onderwijs voor nieuwkomers binnen het primair en voortgezet onderwijs een vlucht genomen. Om deze kinderen zo snel mogelijk te laten integreren en ze zoveel mogelijk een thuis te bieden is het streven de taalklassen en internationale schakelklassen (ISK) te plaatsen bij bestaande scholen. Bij bestaande scholen dient ruimte te worden gegenereerd om de komende jaren de huisvesting voor nieuwkomers te bestendigen. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de kleinere groepsgrootte van taalklassen en de ISK in vergelijking tot het reguliere onderwijs. Voorstel IHP Voor het huisvesten van kinderen met een ondersteuningsbehoefte gelden dezelfde voorstellen zoals omschreven bij ‘verbreding’. Op basis van de visie en opgave per wijk dient er een plan gemaakt te worden. Met de samenwerkingsverbanden en de schoolbesturen dient bepaald te worden aan welke voorzieningen op de betreffende locatie behoefte is en welke samenwerkingen daarvoor worden aangegaan. In het IHP brengen we in beeld wat de huisvestingsbehoefte is voor nieuwkomers de komende jaren, op basis van de prognoses. Gezamenlijk onderzoeken we hoe en waar het beste invulling kan worden gegeven aan deze vraag. Permanente leegstand op scholen wordt gezien als een kans om klassen voor nieuwkomers te plaatsen. Gevraagd besluit: ▪
▪
De gemeente kent extra bouwvolume toe in het kader van inclusie, bovenop de normatief te berekenen m2-s onderwijshuisvesting. De behoefte aan dit extra bouwvolume dient aangetoond te worden uit andere gemeentelijke beleidskaders en -plannen en de ondersteuningsplannen van de samenwerkingsverbanden. Voldoende ruimte, verspreid over de gemeente, beschikbaar stellen op bestaande scholen (PO en VO) om nieuwkomers te huisvesten.
Flexibiliteit Maatschappelijke ontwikkelingen hebben invloed op de vraag naar onderwijshuisvesting. Binnen de gemeentegrenzen van Castricum en Heiloo is er sprake van woningbouwontwikkelingen, met een toename van het aantal leerlingen als gevolg. Ook zorgt de oorlog in Oekraïne voor een grotere toestroom aan nieuwkomers waar, in de vorm van ISK of een taalklas, onderwijs aan geboden wordt. Daarnaast vraagt de gewenste verbreding en inclusie om multifunctionele en flexibel ruimtegebruik. Voor het inspelen op groei en krimp en veranderingen in het gebruik is flexibele huisvesting een voorwaarde. In de planvormingsfase en bij de locatiekeuze dient daarom rekening gehouden te worden met het volgende: ▪
▪
▪
De (interne) aanpasbaarheid. Denk hierbij aan flexibele indeelbaarheid van het gebouw. Hierbij dient onder andere aandacht te zijn voor een passend installatieconcept. Modulaire bouwmethoden, waarbij gewerkt wordt met gestandaardiseerde en demontabele onderdelen, worden als een kans gezien; De toekomstige uitbreidbaarheid van het gebouw. Dit kan in de vorm van een grondgebonden aanbouw of als verdieping op het bestaande gebouw. In ruimtelijk-planologische zin dient hier rekening mee gehouden te worden, door in het bestemmingsplan en bij het bepalen van het terrein oppervlak te anticiperen op een toekomstige uitbreiding. De mogelijkheid het gebouw in de toekomst te transformeren naar een andere functie, zonder de bruikbaarheid van het gebouw voor het onderwijs teniet te doen.
www.icsadviseurs.nl
10/12
2.6 Resume gevraagde besluiten gemeenteraad Op basis van het visiedocument worden aan de gemeenteraad de volgende voorstellen ter besluitvorming voorgelegd: ▪
▪ ▪
▪
▪
▪
▪
▪
▪
De gemeente bekostigt een scan die inzicht geeft in de maatregelen die nodig en haalbaar zijn om de CO2-uitstoot te verminderen, het binnenklimaat te verbeteren, energie te besparen en om van het aardgas af te gaan. Deze scan wordt uitgevoerd bij gebouwen die gedurende de looptijd van het IHP niet in aanmerking komen voor nieuwbouw of renovatie. Gemeente stelt een leenfaciliteit beschikbaar voor de schoolbesturen om investeringen in verduurzaming (de stap van BENG naar ENG of NOM) te kunnen financieren. Gemeente is bereidt tot een financiële bijdrage aan de stap van BENG naar ENG of NOM indien het schoolbestuur onderbouwd aantoont de investering niet terug te verdienen in de exploitatie of vanuit subsidies kan dekken. De gemeente onderzoekt of de termijn waarover de investering voor nieuwbouw en renovatie wordt afgeschreven kan worden verlengd, zodat het integreren van circulaire principes budgetneutraal kan worden uitgevoerd. In het IHP wordt gerekend met één investeringsbudget voor zowel renovatie als (vervangende) nieuwbouw. De ruimtebehoefte voor nieuwbouw vormt de basis voor de indicatieve investeringskosten, waaruit ook een renovatie bekostigd kan worden. De afschrijftermijn voor renovaties wordt gelijk getrokken met nieuwbouw. De gemeente kent extra bouwvolume toe in het kader van inclusie, bovenop de normatief te berekenen m2-s onderwijshuisvesting.
De behoefte aan dit extra bouwvolume dient aangetoond te worden uit andere gemeentelijke beleidskaders en -plannen en het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband. De gemeente faciliteert de realisatie van KC’s door ruimte ten behoeve van opvangfuncties voor te financieren en door middel van huurinkomsten deze voorfinanciering te dekken. De basis hiervoor is een langjarige huurafspraak die contractueel wordt vastgelegd tussen de kinderopvang en de verhurende partij. Afhankelijk van de eigendomsconstructie kan de gemeente of het schoolbestuur als verhuurder optreden. Indien het schoolbestuur verhuurt gaat de gemeente een bekostigingsovereenkomst aan met het schoolbestuur. De gemeente faciliteert andere vormen van verbreding van de onderwijshuisvesting indien dit passend is binnen gemeentelijke beleidskaders die betrekking hebben op die bredere functies en daar dekking voor is of voor gevonden wordt buiten de begroting onderwijshuisvesting. De gemeente stelt voldoende ruimte, verspreid over de gemeente, beschikbaar op bestaande scholen (PO en VO) om nieuwkomers te huisvesten.
www.icsadviseurs.nl
11/12
Bijlage 1: overzicht opbrengst gemeenteraden
www.icsadviseurs.nl
12/12