bijlage 6 Onderzoek Wnb.pdf
Tekst van het document
Actualisatie quickscan Wet Natuurbescherming Herinrichting De Driestal 22a te Heiloo 2 maart 2023, Hippolytushoef
Opdrachtgever: Ory Projectontwikkeling BV Laan van Frans 10 1851 SH Heiloo
Opdrachtnemer: Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 1777AG Hippolytushoef Tel: 0227-595576 Mob: 06-24818383 e-mail: info@aandachtnatuur.nl www.aandachtnatuur.nl
Bureau Aandacht Natuur
Inhoudsopgave 1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 De Wet Natuurbescherming..………..……………..…………………….….. blz. 2 2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 6 2.1 Gebieds- en planbeschrijving..………...……..………..…………..………… blz. 6 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…….…blz. 7 2.3 Houtoptanden.....……………………………..………..…………..………….. blz. 7 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 7 3. Resultaten……………………………..………..…………..………………….. blz. 8 3.1 Flora…………………………………………………….……...……………......blz. 8 3.2 Vogels…………………………………………………….…………………...... blz. 8 3.3 Zoogdieren...…………………………………………….…………………...... blz. 8 3.4 Overige beschermde soorten.....…………………………………................. blz. 10 4. Resultaten gebiedsbescherming………………….……...……………......... blz. 11 4.1 Natura 2000 gebieden ……………………………….……...……………...... blz. 11 4.2 Overige aspecten gebiedsbescherming..…………….…………………...... blz. 13 5. Conclusies en advies….……….…………..……………………………….… blz. 14 5.1 Soortbescherming...…………………………………….…………………...... blz. 14 5.2 Gebiedsbescherming…………………………..……….…………………...... blz. 15 5.3 Houtopstanden.………………………………………….…………………...... blz. 16 Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz. 17 Bijlage 1: Wet Natuurbescherming Bijlage 2: Stikstofberekening Aerius Calculator
1
Bureau Aandacht Natuur
1. Inleiding In opdracht van Ory projectontwikkeling BV heeft een onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden met betrekking tot de herinrichting van De Driestal 22a te Heiloo. Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft op 2 september 2019 een veldonderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Ter actualisatie van het onderzoek heeft aanvullend hierop een veldbezoek plaatsgevonden op 9 februari 2023. Het onderzoek is uitgevoerd door dhr. M. Volkers van Bureau Aandacht Natuur. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of de beoogde locatie een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten.
Figuur 1. Ligging van de projectlocatie aan De Driestal 22a te Heiloo
1.1 Aanleiding en doel Het verkennend onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming vindt plaats vanwege de voorgenomen sloop van de aanwezige loods aan De Driestal 22a en het voornemen om op de locatie woningen te realiseren. Het onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming is uitgevoerd door dhr. M. Volkers van Bureau Aandacht Natuur. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of het beoogde gebied een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten. De uitkomsten van dit onderzoek zullen worden meegenomen in de plannen voor de nieuwbouw en zijn mede bepalend voor het verdere plan van aanpak. 1.2 Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en richt zich op de bescherming van natuurgebieden, -verbindingen, planten- en diersoorten en houtopstanden. Deze wet gaat uit van het 'nee, tenzij'-principe. Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn 2
Bureau Aandacht Natuur
slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen in de Wet Natuurbescherming. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1. Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere binnen de Wet Natuurbescherming te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of provinciaal landschap. Voor ieder Natura 2000 gebied dient te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen. Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstof-emissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria. Hierbij gaat het voornamelijk om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding.
Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht. Vogelrichtlijnsoorten Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hiermee is het verboden om in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen en worden ze voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd.
Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt.
3
Bureau Aandacht Natuur
Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Het is hierbij verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren te beschadigen, te vernielen of te rapen. Ook het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten is niet toegestaan. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk.
Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. “Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het is hierbij verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een ontheffing of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud. Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten. Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij verplicht om hetzelfde areaal te herplanten. Ontheffing, vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Wet Natuurbescherming ligt nagenoeg geheel bij de provincies en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing kan worden verleend.
1
De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”
4
Bureau Aandacht Natuur
Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffings- of vergunningsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. De gemeente is in dit geval het bevoegd gezag. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Het is ook mogelijk om een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning is dit eveneens van toepassing.
5
Bureau Aandacht Natuur
2. Huidige situatie en methode 2.1 Gebieds- en planbeschrijving De projectlocatie aan De Driestal 22a te Heiloo bestaat uit een loods en parkeerplaats, gelegen in een woonwijk aan de noordzijde van Heiloo. De loods is opgebouwd uit deel gemetselde muren en aan de voorzijde een houten gevelbetimmerig met hoge, eveneens houten schuifdeuren. Het dak bestaat uit stalen sandwich platen. De opgemetselde muren zijn halfsteens en bevat derhalve geen spouw. De achterzijde betreft een blinde muur en grenst direct aan de achtertuinen van aanliggende woningen. In de nok, aan beide zijden van de loods, zijn raamkozijnen aanwezig. Ook de noordwestzijde van de loods grenst direct aan de erfgrens en is een aanbouw tegen de loods gebouwd. Aan de zuidoostzijde van de loods ligt een smalle strook grond tussen de gevel en aanliggende tuinen. Hier is wat opslag van ruwe berk, gewone esdoorn en bamboe aanwezig. Aan de voorzijde van de loods is een ruime geasfalteerde parkeerplaats aanwezig en een oprit met een klinkerbestrating. Met uitzondering van opslag aan de randen van het terrein en klimop aan de achterzijde, tegen de gevel, van de loods, ontbreken er groenelementen binnen het plangebied.
Figuur 2. Huidige loods aan De Driestal 22a te Heiloo
In 2023 is de situatie nagenoeg ongewijzigd, maar is sprake van iets meer verval, door verslechtering van kozijnhout en dichtgezette ramen. Tevens is de gootbetimmering aan de voorzijde volledig verwijderd en is een deel van de houten geveldelen aan de onderzijde verwijderd. Met betrekking tot de beoogde herinrichting, zal de huidige loods worden gesloopt en plaats maken voor vier grondgebonden woningen. De beoogde woningen zullen op dezelfde locatie als de loods gebouwd en worden voorzien van een kleine voor- en achtertuin. De huidige parkeergelegenheid blijft beschikbaar voor de nieuwe woningen.
6
Bureau Aandacht Natuur
2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen De planlocatie is gelegen in de woonkern van Heiloo en ligt niet in een Natura 2000 gebied en is niet aangewezen als (onderdeel van) Natuurnetwerk Nederland (NNN), weidevogelleefgebied of een natuurverbinding. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied betreft het Noordhollands Duinreservaat en de grens van dit gebied ligt op een minimale afstand van 3,25 kilometer van de projectlocatie. Gezien de ligging in de woonkern en de aard van de planlocatie (bedrijfsloods en verharding), bevat het plangebied geen elementen die de specifieke waarden van genoemde Natura 2000 gebieden versterken en hebben dan ook geen functie voor in de Natura 2000 gebieden aangewezen habitatsoorten, habitattypen of vogelrichtlijnsoorten. 2.3 Houtopstanden De projectlocatie is gelegen binnen de bebouwde kom en bevat geen (beschermde) houtopstanden zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming. 2.4 Methode Op 2 september 2019 en 9 februari 2023 heeft overdag een veldbezoek plaatsgevonden aan het hierboven beschreven gebied. Het onderzoek heeft zich met name gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten binnen of in de directe omgeving van het projectgebied. Verder is op basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen.
7
Bureau Aandacht Natuur
3. Resultaten soortbescherming Tijdens het veldonderzoek zijn met uitzondering van een aantal vogelsoorten geen beschermde soorten aangetroffen. Hieronder worden per soortgroep de bevindingen van het onderzoek verder omschreven en aangegeven welke beschermde soorten eventueel te verwachten dan wel uit te sluiten zijn binnen de projectlocatie. 3.1 Flora Binnen het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Met uitzondering van enkele wilde planten als guldenroede, stinkende gouwe, geel nagelkruid, melkdistel en klimop en opslag van esdoorn, veldiep en berk tussen de bestrating en langs de gevel zijn er geen plantensoorten op- of aan het gebouw aangetroffen. Van (beschermde) muurplanten is geen sprake binnen het plangebied. Aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2023) is binnen het betreffende uurhok te Heiloo, het voorkomen van een aantal beschermde soorten bekend. Het gaat hierbij om groeiplaatsen van glad biggenkruid, ruw parelzaad (niet wild), stofzaad en scherpkruid. Glad biggenkruid is een soort van het open duin en komt voor op zonnige, warme, open plaatsen (pioniersvegetatie), op droge, voedselarme en kalkarme grond. Ruw parelzaad en scherpkruid zijn soorten van kalkhoudend, omgewerkte of braakliggende grond en kunnen voorkomen in akkers en bermen.
Stofzaad is een soort van oude landgoedbossen aan de binnenduinrand (NDFF & FLORON, 2023). Gezien de standplaatseisen van betreffende soorten, de ligging en bebouwde/verharde situatie van het projectgebied in de woonkern van Heiloo, wordt niet verwacht dat beschermde plantensoorten voorkomen op de projectlocatie. 3.2 Vogels Met betrekking tot vogels zijn er binnen de projectlocatie zelf geen waarnemingen gedaan. Uiteraard zijn in de omliggende tuinen en het openbaar groen soorten als koolmees, merel, roodborst, Turkse tortel en kauw waargenomen. De (omliggende) tuinen vormen waarschijnlijk het broedgebied van een aantal van deze soorten. Met uitzondering van de klimop tegen de westgevel van de loods, zijn er binnen het plangebied beperkte mogelijkheden voor nestlocaties van vogels aanwezig. Er zijn binnen het plangebied geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. De loods is niet toegankelijk voor gebouw bewonende jaarrond beschermde vogelsoorten zoals kerkuil, huismus of gierzwaluw. Aan en rondom de loods zijn geen potentieel geschikte nestlocaties van roofvogels of uilen aangetroffen of sporen die wijzen op hun aanwezigheid (braakballen/uitwerpselen/prooiresten).
Gezien het type gebouw, het gebruik van metalen (sandwich) dakplaten en de verder terreintypen, wordt niet verwacht dat vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen voorkomen binnen het plangebied. 3.3 Zoogdieren Op of rond de projectlocatie zijn geen zoogdieren of sporen daarvan waargenomen. Verwacht wordt dat het plangebied (en omgeving) het leefgebied vormt voor enkele 8
Bureau Aandacht Natuur
algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoort zoals huisspitsmuis en egel. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft ook voor dergelijke soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming (bijlage 1) van toepassing. Daarbij komen de beschermde soorten wezel, hermelijn, bunzing, eekhoorn, boommarter, en noordse woelmuis voor in de omgeving van Heiloo. Verder is in Noord-Holland sporake van een opmars van de steenmarter en is reeds in de omgeving van Alkmaar waargenomen, maar het voorkomen van deze soort is nog niet bekend uit het betreffende atlasblok (5x5km) waarbinnen de projectlocatie is gelegen. Van genoemde soorten zijn binnen de projectlocatie geen sporen of aanwijzingen gevonden die wijzen op hun aanwezigheid. Gezien de ligging in de woonkern van Heiloo en het gebruik van het terrein als bedrijfsgebouw en parkeerplaats, ontbreekt er, met uitzondering van steenmarter, voor genoemde geschikt leefgebied. Noordse woelmuis is een soort van moeras- en rietlanden en eekhoorn en boommarter komen voor in (oude) bosrijkje gebieden en groenstructuren. Geschikt leefgebied voor deze soorten ontbreekt binnen en in de directe omgeving van het plangebied.
Gezien de inrichting en gebruik van het terrein en omliggende tuinelementen, wordt tevens niet verwacht dat verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig zijn in de bebouwing of aanliggende siertuinen. Voor kleine marterachtigen ontbreken dichte groenstructuren en voldoende rust. De steenmarter is echter meer tolerant voor menselijke activiteiten en kan zich vestiging in kruip en tussenruimtes in bebouwing binnen het stedelijk gebied. Naast de dat het voorkomen van deze soort (nog) niet bekend is uit Heiloo, zijn er tevens geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van steenmarter, zoals prooiresten, uitwerpselen, krabsporen. Tevens zijn er geen openingen aangetroffen in de bebouwing die geschikt is als verblijfplaats voor steenmarter.
Figuur 5. Goed aansluitende houten delen aan de voorgevel plus bewegingscensor voor de waakverlichting met felle bouwlampen
Verder kan worden verwacht dat vleermuizen voorkomen op en rond het plangebied. Gezien de aanwezige begroeiing in omliggende tuinen en bomen in de straat, kan worden verwacht dat de omgeving van het erf onderdeel uitmaakt van een foerageergebied voor vleermuizen. Van een (mogelijke) vliegroute langs de loods is geen sprake aangezien aan en om de loods lijnvormige groenelementen ontbreken.
9
Bureau Aandacht Natuur
De loods is in beperkte mate geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De gemetselde muur is half steens en bevat geen spouwmuur. Ook het dak biedt geen geschikte invliegopeningen / verblijfplaatsen door het gebruik van sandwich dakplaten. Alleen de voorgevel bevat een houten gevelbetimmering met een betimmerde gootoverstek. Met uitzondering van de verwijderde boeidelen langs de dakgoot, sluiten de houten delen goed op elkaar aan. Verder is de voorgevel voorzien van bewegingsmelders met felle bouwlampen ten behoeve van de bewaking van het pand, waardoor niet wordt verwacht dat de houten gevelbetimmering aan de voorzijde van het pand een verblijfplaats vormt voor vleermuizen. Daarbij bestaat een groot deel van de voorgevel uit grote bewegende schuifdeuren, waardoor ruimte achter de gevelbetimmering niet geschikt is als vleermuisverblijfplaats. Ook aan andere delen van het pand zijn geen (mogelijk) geschikte invliegopeningen/ vleermuisverblijfplaatsen geconstateerd. Met de voorgenomen sloop van de loods wordt dan ook niet verwacht dat vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen worden verwijderd of verstoord. Andere beschermde zoogdieren worden gezien de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeur niet verwacht binnen of in de directe omgeving van het plangebied.
3.4 Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd zijn niet aangetroffen op de projectlocatie tijdens het veldbezoek. Naast de aanwezigheid van enkele algemeen voorkomende amfibieën zoals gewone pad en bruine kikker, is ook het voorkomen van de strikt beschermde soort rugstreeppad (tabel 3) bekend uit de omgeving van Heiloo (Creemers & van Delft, 2009 en telmee.nl). Geschikt leefgebied voor rugstreeppad ontbreekt echter binnen of in de directe omgeving van het betreffende plangebied. Overige beschermde soorten (vissen, reptielen, dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelde) worden op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht binnen of in de omgeving van het projectgebied.
10
Bureau Aandacht Natuur
4. Resultaten Gebiedsbescherming 4.1 Natura 2000 gebieden Gezien de ligging van het projectgebied in de dorpskern van Heiloo wordt niet verwacht dat er directe negatief effecten optreden op het Natura 2000 gebied Noordhollands Duinreservaat, gelegen op een minimale afstand van 3,25 kilometer van de projectlocatie. Echter is het mogelijk dat er een extern effect van de plannen wordt ondervonden door de uitstoot van stikstof door een toename van verkeersbewegingen en de tijdelijke bouwwerkzaamheden.
Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Door bijvoorbeeld mest van landbouwbedrijven en uitstoot door industrie en auto's. Dit is schadelijk voor de natuurgebieden. Per Natura 2000 gebied is in beheerplannen aangegeven welke habitattypen gevoelig zijn voor (overmatige) stikstofdepositie en welke afspraken hierover zijn vastgelegd. Alleen als de hoeveelheid laag genoeg is (onder de gestelde drempelwaarde van 0,00 kg/jr.), zijn nieuwe activiteiten met stikstofuitstoot mogelijk. Beoordeling van stikstofdepositie Om te beoordelen of het planvoornemen effecten heeft op de stikstofdepositie, en daarmee op Natura 2000 gebieden, is het toekomstige gebruik beoordeelt middels het rekeninstrument Aerius. Dit programma berekent hoeveel ruimte er is voor nieuwe (economische) ontwikkelingen, in dit geval de herinrichting van de Driestal 22a te Heiloo. In verband met de inrichting van de planlocatie met een drie-tal woningen, is een toename van het aantal verkeersbewegingen te verwachten. De woningen zelf worden gas- en haardloos opgeleverd, waardoor er naast de verkeerstoename geen sprake is van een stikstofuitstoot door de woningen zelf. Ten behoeve van hoek- en rijtjeswoning is uitgegaan van de gemiddeld kencijfers van CROW-publicatie 381 en betreft dan 8,2 verkeersbewegingen per etmaal per woning.
Met betrekking tot de stikstofuitstoot van verkeerbewegingen bij drie woningen is gerekend met 24,6 verkeersbewegingen per etmaal. Tevens zullen door de beoogde graaf- en bouwwerkzaamheden en de hiermee gepaard gaande verkeersbewegingen eveneens sprake zijn van een (tijdelijke) stikstofuitstoot, en daarmee een mogelijk oorzaak van stikstofdepositie in (nabijgelegen) Natura 2000 gebieden. De sloop en nieuwbouw nemen zo’n half jaar in beslag (20 werkweken). Voor de berekening is uitgegaan van middelzwaar transport van 36 vrachtwagen ritten en 12 verkeersbewegingen van zwaar vrachtverkeer. Met betrekking tot het lichte bouwverkeer zijn er geen extra verkeersbewegingen opgenomen, aangezien deze tijdelijk van aard zijn en ruim binnen de 29,6 verkeersbewegingen per etmaal uitkomen. Voor de sloop en 11
Bureau Aandacht Natuur
nieuwbouw van de woningen is uitgegaan van de inzet van onderstaand materieel, werkduur en brandstofverbruik: Materieel - Mobiele kraan t.b.v. sloop (75-130 kW) - Midi kraan (56-75 kW) - Betonpomp t.b.v. fundering en vloeren (130-560 kW) - Compacte-heimachine (75-130 kW) - Telekraan (130-560 kW)
draaiuren 17 24 5 10 10
verbruik (l/jr) 300 160 100 200 200
Veranderingen in stikstofbalans Binnen dit planvoornemen zijn de bouwwerkzaamheden van het plan aan te merken als tijdelijke stikstofbronnen voor de omgeving en de omliggende Natura 2000-gebieden. Tabel 1. Overzicht van de stikstof-emissie in kg/j per onderdeel van de realisatie- en gebruiksfase.
12
Bureau Aandacht Natuur
Om te bepalen wat de gevolgen zijn voor de stikstofdepositie van dit plan is onderstaand per onderdeel, de beoogde situatie geïnventariseerd en doorgerekend. In tabel 1 is de totale emissie voor de beoogde herinrichting op de betreffende planlocatie per fase weergegeven. Tijdelijk (circa een half jaar) is er sprake van bouwverkeer van en naar de projectlocatie en betreft zwaar vrachtverkeer, middelzwaar vrachtverkeer en licht bouwverkeer (werknemers/ aannemers). Hiertoe zijn de beoogde verkeersbewegingen ingetekend van de projectlocatie tot de dichtstbijzijnde N-of A-weg. De uitstoot van extra stikstof door de verkeersaantrekkende werking en het (tijdelijke) brandstofverbruik van de machines benodigd voor de sloop en nieuwbouw zijn de belangrijkste bronnen van stikstofemissie. Ten aanzien van de gebruiksfase is uitsluitend gerekend met de toename van het aantal verkeersbewegingen, en is opgenomen als lichte verkeersbewegingen in tabel 1. De woningen zullen gas- en haardloos worden opgeleverd, waardoor er geen sprake is van een (extra) emissie van de gebruiksfase op de betreffende planlocatie zelf. Ten behoeven van de stikstofberekening zijn zowel de gebruiksfase als de uitvoeringsfase in één berekening meegenomen. Tevens is het oude gebruik van de huidige locatie niet als referentiesituatie ingevoerd en betreft de uitgevoerde stikstofberekening een worstcase scenario.
Met een gecombineerde berekening van de realisatie- en gebruiksfase komt de stikstofemissie door het planvoornemen op een totale toename van 22,9 kg NOx per jaar en 0,8 kg NH3 per jaar. Middels het programma Aerius is de beoogde situatie ingevoerd en doorgerekend. Hieruit blijkt dat het nabij gelegen Natura 2000 gebieden geen overschrijding verkrijgen door de (extra) stikstofdepositie door de beoogde werkzaamheden (uitvoeringsfase) en de gebruiksfase, zie bijlage 2. 4.2 Overige onderdelen gebiedsbescherming Op of langs het projectgebied is er geen sprake van andere onderdelen van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming, zoals de aanwijzing als NNN, natuurverbinding of een Bijzonder Provinciaal Landschap.
13
Bureau Aandacht Natuur
5. Conclusies en advies Hieronder worden de conclusies ten aanzien van de Wet Natuurbescherming verder beschreven. Per onderdeel van de Wet Natuurbescherming wordt hieronder besproken of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. 5.1 Soortbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen in of aan de planlocatie. Aan de hand van huidige terreintypen en de groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is het voorkomen van binnen de Wet Natuurbescherming beschermde plantensoorten op de planlocatie niet te verwachten. Een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming, in verband met het (mogelijk) voorkomen van beschermde plantensoorten, is dan niet aan de orde. Vogels Op en rond het plangebied zijn uitsluitend enkele algemeen voorkomende broedvogels aangetroffen en te verwachten. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden. Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels (categorie 1 t/m 4) verstoren zijn eveneens niet toegestaan.
Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Mogelijke jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels of sporen die wijzen op hun aanwezigheid zijn niet aangetroffen binnen of rond het plangebied. Aan de hand van de uiterlijke kenmerken van het plangebied en het type gebouw, wordt niet verwacht dat vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rusten verblijfplaats een nestlocatie hebben op of in de directe omgeving van het plangebied. Een nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming, in verband met het (mogelijk) voorkomen van jaarrond beschermde vogelsoorten, is dan ook niet noodzakelijk. Zoogdieren Op de projectlocatie kunnen enkele (zwaar) beschermde zoogdieren worden verwacht. In verband met de plannen heeft de voorgenomen sloop en nieuwbouw voornamelijk betrekking op de soortgroep van vleermuizen.
Verder worden hoofdzakelijk algemeen voorkomende beschermde soorten verwacht in of rond de projectlocatie, waarvoor een vrijstelling geldt met betrekking tot een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Op basis van de ligging, de uiterlijke kenmerken en het gebruik van het plangebied heeft de projectlocatie naar verwachting geen functie als leefgebied van boommarter, eekhoorn, noordse woelmuis en kleine marterachtigen zoals wezel, hermelijn en bunzing. Ook met betrekking tot steenmarter zijn geen aanwijzingen gevonden (uitwerpselen of prooiresten) dat deze soort een vaste rust- en verblijfplaats heeft binnen het plangebied. Met de 2
In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli.
14
Bureau Aandacht Natuur
voorgenomen sloop en de herinrichting van het plangebied is een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag ten aanzien van marterachtigen niet noodzakelijk. Gezien de ligging en het gebruik van het plangebied wordt niet verwacht dat andere, zwaar beschermde (grondgebonden) zoogdiersoorten voorkomen op de projectlocatie. Met betrekking tot andere zwaar beschermde (grondgebonden) zoogdieren is een nader onderzoek of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. Gezien de situering van de projectlocatie en de aanwezige terreintypen, kan worden verwacht dat het projectgebied van beperkt belang zal zijn voor vleermuizen. Het te slopen gebouw vormt geen potentieel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen. Daarnaast ontbreken doorlopende groenstructuren langs de projectlocatie, waardoor niet wordt verwacht dat de projectlocatie een (belangrijke) functie heeft als vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen. Voor de voorgestane sloop is een aanvullend onderzoek naar vleermuizen of een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming niet noodzakelijk. Overige beschermde soorten Met uitzondering van enkele algemeen voorkomende amfibieën, worden overige (zwaar) beschermde soorten niet verwacht binnen de projectlocatie. Een nader onderzoek naar het voorkomen van overige beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk.
Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies. Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen. Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om maatregelen te nemen en/of ontheffing aan te vragen voor deze soort(en). 5.2 Gebiedsbescherming Gezien de ligging van de projectlocatie in de dorpskern van Heiloo, de aard van de plannen en de minimale afstand van circa 3,25 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Noordhollands Duinreservaat, zijn er met uitzondering van een stikstofdepositie geen negatieve effecten te verwachten op het Natura 2000 gebieden. Ten behoeve van de realisatie van het beschreven planvoornemen is dan ook een stikstofdepositie-analyse uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de stikstofemissie bij een worstcase benadering, waarbij zowel de uitvoeringsfase als de gebruiksfase van het planvoornemen in één rekenjaar zijn doorgerekend (zonder de referentiesituatie), toeneemt met 22,9 kg NOx per jaar en 0,8 kg NH3 per jaar. Middels het programma Aerius is de nieuwe situatie ingevoerd en doorgerekend.
Hieruit blijkt dat het nabij gelegen Natura 2000 gebied Noordhollands Duinreservaat geen overschrijding verkrijgt door de (extra) stikstofdepositie van de beoogde werkzaamheden en de gebruiksfase. Aan de hand van de gehanteerde inzet, zijn er binnen Natura 2000 gebieden geen rekenresultaten hoger van de 0,00 mol/ha/j, zie bijlage 2. De beoogde plannen vinden verder niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) Bijzonder Provinciaal Landschap, de NNN of een natuurverbinding. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de overige aspecten van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is hiermee niet aan de orde.
15
Bureau Aandacht Natuur
5.1 Houtopstanden Houtopstanden, die vallen onder het beschermingsregime van de Wet Natuurbescherming, zijn niet aanwezig binnen de projectlocatie. Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van houtopstanden is dan ook niet aan de orde.
16
Bureau Aandacht Natuur
Literatuurlijst •
• • • • • •
•
•
• • • • • • • • • • •
Broekhuizen, S., Hoekstra K., Thissen J.B.M., Canters K.J., Buys J.C. (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12, Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden Kapteyn K., 1995, Vleermuizen in het landschap over hun ecologie, gedrag en verspreiding, Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs bv, Haarlem / Provincie NoordHolland, Haarlem. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2013, 27 maart 2013. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W., 2009, De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse fauna 9, Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey Nederland, Leiden Herder J., Kranenbarg J., Hoogeboom D., Hamers J., Dekker K., 2012, Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012, Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen Scharringa C.J.G., Ruitenbeek W., en Zomerdijk P., 2010, Atlas van de NoordHollandse broedvogels 2005-2009, Springeruit Drukwerk.
Bos F., Bosveld M., Groenendijk D., van Swaay C.,Wynhoff I., De Vlinderstichting, 2006, De Dagvlinders van Nederland (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea), Nederlandse fauna 7, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Nederlandse vereniging voor Libellenstudie, 2002, De Nederlandse libellen (Odonata), Nederlandse fauna 4, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 28 oktober 2016, Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr. WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming, Staatscourant Nr.55791 Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 19 januari 2016, Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Ministerie van Economische zaken, 3 december 2016, Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, StainessMedia.com Provinciale Staten van Noord-Holland, Besluit van Provinciale Staten van NoordHolland van tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland, Haarlem Dienst Regelingen (2009).
Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen. www.ravon.nl www.floron.nl www.wilde-planten.nl www.telmee.nl www.noord-holland.nl www.rijksoverheid.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/
17
Bureau Aandacht Natuur
Bijlage 1. Wet Natuurbescherming
Bureau Aandacht Natuur
Inleiding Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 (1 oktober 2005), de Flora- en faunawet (1 april 2002) en de Boswet (20 juli 1961). De Wet Natuurbescherming heeft tot doel om (1) de biodiversiteit in Nederland te beschermen, (2) het decentraliseren van verantwoordelijkheden en (3) het vereenvoudigen van de weten regelgeving. De voorgaande natuurwetgeving kende verschillende bevoegde gezagen en rechtsdocumenten (vergunning, ontheffing en melding). De verantwoording van de Wet Natuurbescherming komt vrijwel geheel bij de Provincies te liggen en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing wordt verleend. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote internationale belangen of provincie overschrijdende zaken zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. In deze wet, gepubliceerd op 19 januari 2016 in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Nr.
34, jaargang 2016, is het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en de instandhouding van de natuurlijke habitats (richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L206), het behoud van de vogelstand (richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009; PbEU 2010, L20) en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving geregeld.
Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming (voorheen de Natuurbeschermingswet 1998) zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000gebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en/of vogelrichtlijnsoorten apart aangewezen. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken dan wel te verzachten (middels mitigerende maatregelen). Het bevoegd gezag kan beperkende maatregelen opleggen om schadelijke activiteiten te verzachten of te voorkomen. Voor onvermijdelijke schade is men verplicht een vergunning aan te vragen. Andere te beschermen gebieden bestaan uit gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding (evz) of provinciaal landschap. Deze beschermde waarden van de NNN of een natuurverbinding zijn niet toegespitst tot bepaalde soorten of habitats, zoals bij de Natura 2000gebieden), maar gaat het hoofdzakelijk om de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. •
Natura 2000-beheerplannen
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. •
Cumulatieve effecten
Door een combinatie van activiteiten kunnen namelijk ook negatieve effecten optreden, de zogeheten cumulatieve effecten. Hierbij wordt als richtlijn gehanteerd dat alleen plannen en projecten, waarover een definitief besluit is genomen, bij deze beoordeling worden betrokken. •
Beschermd Natuurmonument
Tevens waren, voordat Natura 2000 gebieden bestonden, zogeheten Beschermde Natuurmonumenten aangewezen. Voor deze gebieden bestaan vaak minder concrete natuurdoelen en was gericht op de instandhouding van de wezenlijke waarden, zoals natuurschoon en natuurwetenschappelijke waarden. In de Wet Natuurbescherming komen de aanwijzingen van Beschermd Natuurmonument te vervallen.
Bureau Aandacht Natuur
Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Elk van deze van de regimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hiermee zijn binnen de Wet Natuurbescherming ruim 700 vogelsoorten en 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. De wet erkent hierbij de intrinsieke waarde van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Alle soorten hebben een eigen rol in het ecosysteem en dragen bij aan de biodiversiteit. Dat betekent dat voor de wet alle dieren en planten van onvervangbare waarde zijn en dat daar dus zorgvuldig mee omgegaan moet worden.
Het gevolg is onder andere, dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. In de Wet Natuurbescherming worden de volgende planten- en diersoorten beschermd: 80 inheemse plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels alle vleermuizen (22) die van nature in Nederland in het wild voorkomen 39 terrestrische zoogdieren en 7 marine zoogdieren alle amfibieën (16) en reptielen (7) die van nature in Nederland in het wild voorkomen een beperkt aantal soorten vissen (8), en schaal- en schelpdieren (3) bepaalde soorten insecten zoals vlinders (27), libellen (16) en kevers(6) Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Welke negatieve effecten dat precies zijn, kan niet in een lijst opgesomd worden. Dat is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Om die bescherming toch enigszins concreet te maken, zijn per beschermingsregime een aantal verbodsbepalingen van kracht. •
Beschermingsregime Vogels
Alle van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten. Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben Het is verboden vogels opzettelijk te (ver)storen tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort1
1
Afhankelijk van de betekenis van de lokale vogelpopulatie kan sprake zijn van een effect op de landelijke staat van instandhouding. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met cumulatieve effecten op de landelijke staat van de soort. Het beschadigen van nesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren van vogels niet, tenzij er sprake is van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende soort.
Bureau Aandacht Natuur
Voor de verstoring van broedende vogels en vogelnesten wordt geen ontheffing of vrijstelling verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en niet voor dwingende redenen van openbaar belang. Voor vogels geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Dat zijn: in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. De jaarrond beschermde nestlocaties zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor de overige vogelsoorten geldt dat (opzettelijke) verstoring van broedende dieren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit geen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli. •
Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten
Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming (artikel 3.5, lid 1 (fauna) en lid 5 (flora)) van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk2 te doden of te vangen. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden dieren opzettelijk te verontrusten. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV), het Verdrag van Bern (Bijlage I en II) of het Verdrag van Bonn (Bijlage I) kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
2 In de Wet Natuurbescherming is bij meerdere verbodsbepalingen het “opzetvereiste” toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn niet verboden. Daarbij is echter van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.
Bureau Aandacht Natuur
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
Beschermingsregime “andere” beschermde soorten
Dit betreffen “andere” soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng en gelden de volgende verbodsbepalingen: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Voor de ‘andere’ (nationaal) beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven beschreven; in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, in het algemeen belang van de betreffende soort. •
Mitigatie en compensatie
Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag kunnen worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (=verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Indien dergelijke maatregelen kunnen worden getroffen waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Voorbeelden van mitigerende maatregelen die een overtreding kunnen voorkomen zijn: het aanpassen van de werkvolgorde of uitvoeringsperiode het gebruik maken van andere werkapparatuur of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd
Bureau Aandacht Natuur
Voor een aantal soorten (23) kan met betrekking tot mitigerende maatregelen ten aanzien van (verstorende) werkzaamheden of activiteiten, worden gehandeld conform een soortenstandaard. In de soortenstandaard staan naast ecologische informatie van de betreffende soort ook de mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen, te verminderen en/of te herstellen. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt en/of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de overige Europees en nationaal beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. In de soortenbescherming wordt, in tegenstelling tot de gebiedenbescherming, geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt. •
Vrijstelling
Onder de Wet Natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk, zoals provinciale verordeningen en gedragscodes. In de Wet Natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een ‘programmatische aanpak’. Een programmatische aanpak kan meerwaarde bieden, bijvoorbeeld bij de vormgeving van een actieve leefgebiedenbenadering op regionaal niveau voor soorten waarvoor dat in het licht van de internationale verplichtingen nodig is. Dit moet leiden tot een meer doelmatige aanpak en tegelijkertijd ruimte genereren voor economische en ruimtelijke ontwikkelingen. Via de programmatische aanpak moet dan zekerheid worden geboden dat het streven naar een gezonde populatie van de betreffende soort niet in het gedrang komt. De programmatische aanpak dient getoetst te zijn aan de criteria voor vrijstelling die voor de betreffende soort(en) is vastgesteld. Indien dat het geval is, kan sprake zijn van een vrijstelling.
Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk (artikel 3.11). Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.
Bescherming Houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit tevoren te worden gemeld/aangevraagd en is de initiatiefnemer verplicht om hetzelfde areaal te herplanten3. De aanvraag dient als onderdeel van de omgevingsvergunning bij de betreffende gemeente te worden ingediend. Tevens is mogelijk om de aanvraag seperaat bij de provincie in te dienen. De provincie bepaalt welke gegevens bij een aanvraag/melding moeten worden aangeleverd.
3
De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000doel.
Bureau Aandacht Natuur
Ontheffing, vrijstelling en/of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig op de in de wet gestelde verbodsbepalingen. Voor handelingen of activiteiten is een ontheffing van de verbodsbepalingen nodig indien: Er geen maatregelen mogelijk zijn om het overtreden van de verbodsbepalingen te voorkomen; Er geen vrijstelling geldt op grond van een provinciale verordening, gedragscode, beheerplan Natura 2000, programmatische aanpak of een ministeriële regeling. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffingsaanvraag worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning (zoals activiteiten uit de Waterwet, mijnbouwwet etc.) geldt dat een aparte ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd moet worden (naast een mogelijke watervergunning, ontgrondingsvergunning etc.). Als sprake is van een handeling met gevolgen voor beschermde soorten of gebieden waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, is het tevens mogelijk dat de initiatiefnemer eerst apart een ontheffing en/of vergunning onder de Wet Natuurbescherming aanvraagt en daarna de omgevingsvergunning.
De gemeente is het bevoegd gezag voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie (of in bijzondere gevallen door het Rijk) aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Indien (vooraf) een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd wordt / moet worden, is de desbetreffende provincie het bevoegd gezag. De provincie zal vervolgens de aangeleverde gegevens toetsen en bepalen of een vergunning, ontheffing dan wel vrijstelling kan worden afgegeven en onder welke voorwaarden.