Bijlage 5_Rapport onderzoek marterachtigen_bestemmingsplan Westerweg 399....pdf
Tekst van het document
Inventarisatie Kleine marterachtigen Westerweg, Heiloo Inventarisatie in het kader van de Wet Natuurbescherming
Inventarisatie kleine marterachtigen Westerweg, Heiloo
Opdrachtgever
Visser en Van Dam
Auteur
Ing. V. Ronde
Conceptversie
17-08-2020
Definitieve versie
..-..-2020
Inhoudsopgave Inhoudsopgave ........................................................................................................................................ 6 1 Inleiding ................................................................................................................................................ 4 1.1 Aanleiding en doelstelling ............................................................................................................. 4 1.2 Ligging van het plangebied ............................................................................................................ 4 2 Methode ............................................................................................................................................... 5 2.1 Kleine marterachtigen ................................................................................................................... 5 2.2 Overzicht veldbezoeken ................................................................................................................ 6 3 Onderzoeksresultaten .......................................................................................................................... 8 3.1 Sporenbuizen .................................................................................................................................
8 3.2 Mostela .......................................................................................................................................... 8 3.3 Cameraval ...................................................................................................................................... 9 4 Effectbeoordeling ............................................................................................................................... 10 5 Conclusie ............................................................................................................................................ 11 5.1 Conclusie ..................................................................................................................................... 11 5.2 Zorgplicht..................................................................................................................................... 11 Bijlage 1 Bronnen .................................................................................................................................. 12 Bijlage 2 Wetgeving ............................................................................................................................... 13
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Op het betreffende perceel aan de Westerweg te Heiloo staat de bouw van een vrijstaande woning gepland. In 2020 heeft in het kader van de Wet Natuurbescherming een quickscan (Ronde, 2020) plaatsgevonden waaruit blijkt dat mogelijk kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel) op het terrein voorkomen. Om het voorkomen van kleine marterachtigen op het terrein nader te onderzoeken heeft Ecologisch Adviesbureau Ronde in opdracht van Visser en Van Dam vervolgonderzoek naar deze soorten uitgevoerd.
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied betreft een perceel dat is gelegen ten noorden van een perceel aan de Westerweg 401. Het plangebied ligt aan de rand van de dorpse bebouwing aan de zuidkant van Heiloo. In de directe omgeving liggen bebouwing, een tuincentrum en een aantal percelen gras- en akkerland.
Figuur 1 Ligging van het plangebied (rood omrand) aan de Westerweg te Heiloo.
4 Ecologisch adviesbureau Ronde
2 Methode 2.1 Kleine marterachtigen In 2017 is door de provincie Noord-Holland (RUD NHN) een handreiking (Wezel, Hermelijn en Bunzing beschermd in Noord-Holland) opgesteld als leidraad voor onderzoek naar kleine marterachtigen. Het onderzoek in het plangebied is uitgevoerd conform deze handleiding. Aangezien er geschikt biotoop aanwezig is voor zowel Bunzing als Hermelijn en beide soorten in het verleden in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen is voor het onderzoek gebruik gemaakt van een wildcamera, sporenbuizen en een mostela. In totaal zijn er 8 sporenbuizen geplaatst en is er één wildcamera en één mostela geplaatst. De gebruikte onderzoeksmaterialen hebben in totaal vier weken in het veld gestaan. Tussentijds heeft er na twee weken een controleronde plaatsgevonden waarbij de camera’s zijn uitgelezen, de batterijen van de camera’s zijn gecontroleerd (en indien nodig zijn vervangen) en de sporenbuizen zijn bekeken op aanwezige sporen en zijn voorzien van nieuw sporenpapier. Wildcamera De wildcamera wordt gemonteerd in een open cameraopstelling. Hierbij wordt de camera gemonteerd aan een paaltje of een vast object (bijv. een hek of boom). Op enkele meters afstand wordt een lokmiddel (blikje sardines) geplaatst.
Beweging binnen het bereik van de camera wordt door middel van een sensor waargenomen waardoor de camera wordt getriggerd en start met het maken van opnames. Bij onvoldoende licht (schemering en ’s nachts) wordt gebruikt gemaakt van een infraroodflits. Deze is niet waarneembaar voor mens en dier waardoor dieren niet verstoord worden en hun natuurlijk zullen blijven vertonen. Mostela De mostela is een houten kist met inloopbuis en wildcamera. Zodra een dier via de inloopbuis de mostela binnenkomt wordt dit waargenomen door de sensor van de wildcamera. Vervolgens start de camera met het maken van beelden. De mostela wordt geplaatst op een voor Hermelijn en Wezel geschikte locatie. Dit is doorgaans in de dekking van bijvoorbeeld vegetatie. De van nature nieuwsgierige Hermelijn en Wezel inspecteren allerlei holtes op zoek naar voedsel en komen vanuit deze nieuwsgierigheid ook de mostela onderzoeken. Aangezien mostela’s ook veel door muizen worden bezocht trekt de geur van muizen vervolgens weer kleine marterachtigen als Hermelijn en Wezel aan. Sporenbuizen De sporenbuizen zijn pvc-buizen met een diameter van 8 tot 10 cm die voorzien zijn van een loopplankje met stempelkussen. Het stempelkussen is een sponzendoekje dat voorzien is van paraffine-olie met houtskoolpoeder.
Aan beide zijden van het stempelkussen is wit papier/witte verf aangebracht waar de sporen van dieren die door de sporenbuis lopen op achterblijven. Hermelijn en Wezel zijn nieuwsgierig en inspecteren tijdens het zoeken naar voedsel en verkennen van de omgeving allerlei holtes en buizen waaronder de sporenbuizen.
5 Ecologisch adviesbureau Ronde
2.2 Overzicht veldbezoeken Datum 01-07-2020 16-07-2020 02-08-2020
Activiteit Onderzoeksmaterialen plaatsen Controleronde Onderzoeksmaterialen ophalen
Figuur 2 Sporenbuizen, klaar om in het veld geplaatst te worden.
Figuur 3 De mostela (bij de rode pijl) is geplaatst in dichte broeiing van Gewone braam.
6 Ecologisch adviesbureau Ronde
Figuur 4 De open camera opstelling. De camera aan een boom en enkele meters voor de camera een blikje sardines aan een boom geschroefd.
7 Ecologisch adviesbureau Ronde
3 Onderzoeksresultaten 3.1 Sporenbuizen Zowel bij de controleronde als bij de eindanalyse van de sporen in de sporenbuizen zijn geen sporen van Hermelijn en Wezel aangetroffen. Er zijn enkel sporen van muizen in de sporenbuizen aangetroffen. De sporen van muizen zijn vanwege de grote gelijkenis van prenten van verschillende muizensoorten niet verder te determineren op soort. Tijdens de controleronde bleek dat er door maaiwerkzaamheden 4 sporenbuizen verloren zijn gegaan. Aangezien er in de handreiking van de provincie Noord-Holland een onderzoeksinspanning van 4 wildcamera’s of sporenbuizen per hectare wordt voorgeschreven wordt door de overige materialen (1 mostela, 1 wildcamera en 4 sporenbuizen) nog ruimschoots aan deze voorgeschreven hoeveelheid onderzoeksmateriaal voldaan.
3.2 Mostela Op de camerabeelden van de Mostela zijn geen Hermelijn of Wezel aangetroffen. De enige zoogdiersoort die op de beelden is aangetroffen betreft Bosmuis.
Figuur 5 Een Bosmuis in de mostela.
8 Ecologisch adviesbureau Ronde
3.3 Cameraval Op de beelden van de wildcamera zijn geen kleine marterachtigen waargenomen. Er zijn echter wel zoogdieren op de beelden waargenomen. Het betreft Bosmuis, Huiskat en Bruine rat. In totaal zijn er drie verschillende Huiskatten op de camera vastgelegd. Naast zoogdieren zijn nog enkele vogelsoorten op de camera vastgelegd. Het gaat om Roodborst, Merel en Winterkoning. Vanwege het ontbreken van waarnemingen van kleine marterachtigen of andere beschermde, niet vrijgesteld soorten is geen verspreidingskaart in deze rapportage opgenomen.
Figuur 6 Bosmuis voor de wildcamera.
Figuur 7 Bruine rat voor de wildcamera.
9 Ecologisch adviesbureau Ronde
4 Effectbeoordeling Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied geen kleine marterachtigen aanwezig zijn. Negatieve effecten op kleine marterachtigen zijn hierdoor uitgesloten.
Figuur 8 Enkele foto's van Huiskat voor de camera waarvan linksonder een kat met prooi (waarschijnlijk een muis).
10 Ecologisch adviesbureau Ronde
5 Conclusie 5.1 Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied geen kleine marterachtigen aanwezig zijn. Negatieve effecten op kleine marterachtigen zijn hierdoor uitgesloten. De aangetroffen grondgebonden zoogdieren Huiskat en Bruine rat zijn niet beschermd onder de Wet natuurbescherming. De Bosmuis behoort tot de in Noord-Holland beschermde, vrijgestelde soorten waardoor bij werkzaamheden als ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geen ontheffing noodzakelijk is. Aangezien er in het plangebied geen beschermde, niet vrijgestelde soorten zijn aangetroffen is het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Uiteraard dient de zorgplicht tijdens de uitvoer van de werkzaamheden in acht te worden genomen.
5.2 Zorgplicht De zorgplicht geldt voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving. De zorgplicht is openomen in artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming en Luidt als volgt. 1 Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Om aan de zorgplicht te voldoen kunnen de volgende richtlijnen worden gehanteerd:
Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. Bij de bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt. 11
Ecologisch adviesbureau Ronde
Bijlage 1 Bronnen Geraadpleegde literatuur
Bouwens, S., 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant., Zoogdiervereniging, Nijmegen. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Kanters & J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Diepenbeek, A. van. 2007. Veldgids Diersporen. KNNV uitgeverij, Zeist. Hoogeboom, D.M., F. Visbeen, J. Wondergem, W. Ruitenbeek (red.) 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noordhollandse zoogdierstudiegroep (NOZOS), Alkmaar Ronde, V., 2020. Ecologische quickscan, Westerweg, Heiloo. Toetsing in het kader van de Wet Natuurbescherming. Ecologisch Adviesbureau Ronde, Heerhugowaard. RUD NHN, 2017. Weze, Hermelijn en Bunzing beschermd in Noord-Holland, Handreiking bescherming en onderzoek kleine marterachtigen. Veldman, J., Troost, C. 2019. Soortbescherming in Overijssel, Bunzing, egel, hermelijn en wezel. Provincie Overijssel. Westra, S., Kuiters, R., 2018. Beheerwijzer, Landschappelijke maatregelen voor kleine marterachtigen, Bunzing, wezel & hermelijn. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
12 Ecologisch adviesbureau Ronde
Bijlage 2 Wetgeving Huidige natuurwetgeving Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.” Soortbescherming Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten.
Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie 0) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 1.
13 Ecologisch adviesbureau Ronde
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. X= vrijgesteld, 1= vrijgesteld juli – september, 2= vrijgesteld 15 aug – 15 okt, 3= vrijgesteld mrt-april en juli t/m november 4= 15 aug t/m feb (bron: habitus.nl).
Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.
14 Ecologisch adviesbureau Ronde
5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie 0) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie 0) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen).
Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient een van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. Ontheffing is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. Ontheffing is nodig ter voorkoming van schade of overlast. Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna.
Ontheffing is nodig ter beperking van de omvang van een populatie van dieren in het verband met veelvuldig veroorzaakte schade. Ontheffing is nodig ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden. 15 Ecologisch adviesbureau Ronde
Soort
Categorie Toelichting codes
Boomvalk
4
Buizerd
4
Gierzwaluw
2
Grote gele kwikstaart
3
Havik
4
Huismus
2
Kerkuil
3
Oehoe
3
Ooievaar
3
Ransuil
4
Roek
2
Slechtvalk
3
Sperwer
4
Steenuil
1
Wespendief
4
Zwarte wouw
4
Vogelsoorten waarvan de nesten in principe jaarrond zijn beschermd met beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het broedseizoen het nest gebruiken als vaste rust- of verblijfplaats; 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop; 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing; 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in staat zijn een nest te maken.
Ontheffing is nodig in verband met bestendig beheer en onderhoud infrastructuur, waterwerken, land- en bosbouw etc. Ontheffing is nodig in het algemeen belang Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf kan het zijn dat zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan moet worden betrokken. Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan soms, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in 16 Ecologisch adviesbureau Ronde
dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, kan de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie 5-soorten Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie. Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’.
Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld. Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden.
Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: https://www.natura2000.nl/gebieden Habitattoets Wanneer plannen bestaan uit een project en ook voor zogenaamde ‘andere handelingen’ in of rond een Natura 2000-gebied, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. 17 Ecologisch adviesbureau Ronde
Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen. Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden.
Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Om de mate van stikstofvervuiling te volgen en te reguleren is de zogenaamde ‘Programmatische Aanpak Stikstof’ (PAS) in werking getreden. Boven bepaalde ‘drempelwaardes’ kan een project vanwege neergeslagen stikstof meldings- of vergunning plichtig zijn. Overige gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de wet: Ecologische Hoofdstructuur EHS Via de Wet Ruimtelijke Ordening wordt het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur EHS) planologisch beschermd. Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor EHS-gebieden. Dit algemene regime bestaat eruit dat er geen toestemming mag worden verleend aan activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de zogenaamde ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.
In de provinciale verordening moet dit ‘nee tenzij’-regime zo worden vastgelegd dat hieraan in alle bestemmingsplannen en/of omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen wordt voldaan. Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn. Houtopstanden Houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijen bestaand uit meer dan 20 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom, zijn beschermd. Men dient vergunning of ontheffing te verkrijgen indien dergelijke 18 Ecologisch adviesbureau Ronde
houtopstanden moeten worden gekapt of gerooid. In sommige gevallen is een herplantplicht aan de orde.
Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit de onderstaande figuur te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen.
Geen ontheffing nodig
Geen ontheffing nodig
Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing
19 Ecologisch adviesbureau Ronde
Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft voor het ‘natuur’ onderdeel van de omgevingsvergunning.
De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes, strafrechtelijke vervolging of het stilleggen van werkzaamheden.
20 Ecologisch adviesbureau Ronde