Bijlage 4_Quick scan ecologie_bestemmingsplan Westerweg 399_bijlagen toe....pdf
Tekst van het document
Ecologische quickscan Westerweg, Heiloo Toetsing in het kader van de Wet Natuurbescherming
Ecologische quickscan Westerweg, Heiloo
Opdrachtgever
Visser en Van Dam
Auteur
Ing. V. Ronde
Conceptversie
22-5-2019
Definitieve versie
..-..-2020
Inhoudsopgave Inhoudsopgave ........................................................................................................................................ 6 1 Inleiding ................................................................................................................................................ 4 1.1 Aanleiding en doelstelling ............................................................................................................. 4 1.2 Ligging van het plangebied ............................................................................................................ 4 1.3 Volledigheid onderzoek ................................................................................................................. 5 2 Methode ............................................................................................................................................... 6 3 Onderzoeksresultaten .......................................................................................................................... 7 3.1 Beschrijving aanwezige biotopen .................................................................................................. 7 3.2 Beschermde soorten .....................................................................................................................
8 3.2.1 Planten.................................................................................................................................... 8 3.2.2 Vissen...................................................................................................................................... 8 3.2.3 Amfibieën ............................................................................................................................... 8 3.2.5 Vogels ..................................................................................................................................... 8 3.2.6 Grondgebonden zoogdieren .................................................................................................. 9 3.2.7 Vleermuizen.......................................................................................................................... 10 3.2.8 Insecten ................................................................................................................................ 10 4 Effectbeoordeling ............................................................................................................................... 11 4.1 Amfibieën ....................................................................................................................................
11 4.2 Vogels .......................................................................................................................................... 11 4.3 Grondgebonden zoogdieren ....................................................................................................... 11 4.4 Vleermuizen................................................................................................................................. 11 5 Beschermde natuurgebieden ............................................................................................................. 12 5.1 Beschermde gebieden ................................................................................................................. 12 5.2 Bijzondere beschermde houtopstanden ..................................................................................... 13 6 Conclusies en aanbevelingen ............................................................................................................. 14 6.1 Beschermde gebieden: ................................................................................................................ 14 6.2 Beschermde soorten: ..................................................................................................................
14 6.3 Zorgplicht..................................................................................................................................... 15 Bijlage 1 Wetgeving ............................................................................................................................... 16 Bijlage 2 Bronnen .................................................................................................................................. 25
1 Inleiding In opdracht van Visser en Van Dam heeft Ecologisch Adviesbureau Ronde een ecologische quickscan uitgevoerd op een locatie aan de Westerweg te Heiloo. Deze quickscan is uitgevoerd in het kader van de Wet Natuurbescherming.
1.1 Aanleiding en doelstelling De aanleiding voor de uitvoering van deze quickscan is de geplande bouw van een woning op het perceel. Het betreft een vrijstaande woning die parallel loopt aan de weg en ruim op het kavel zal worden gepositioneerd. De overige ruimte op het perceel zal worden ingericht als tuin. Het uitvoeren van een ecologische quickscan is noodzakelijk aangezien er door de bouw van de woning en de herinrichting van het perceel mogelijk negatieve gevolgen kunnen optreden voor de mogelijk in het plangebied aanwezige (beschermde) flora- en fauna. Daarnaast kan het zijn dat de plannen negatieve effecten kunnen hebben op beschermde natuurgebieden. Het doel van de quickscan is het in kaart brengen van de (mogelijk) aanwezige beschermde flora en fauna en nabijgelegen natuurgebieden.
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied betreft een perceel dat is gelegen ten noorden van een perceel aan de Westerweg 401. Het plangebied ligt aan de rand van de dorpse bebouwing aan de zuidkant van Heiloo. In de directe omgeving liggen bebouwing, een tuincentrum en een aantal percelen gras- en akkerland.
Figuur 1 Ligging van het plangebied (rood omrand) aan de Westerweg te Heiloo.
4 Ecologisch adviesbureau Ronde
1.3 Volledigheid onderzoek Een quickscan is een momentopname en kan hierdoor slechts in beperkte mate uitsluitsel geven over de aan- of afwezigheid van soorten. Het kan voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek. Door het moment van het veldbezoek zorgvuldig te plannen en aanvullend een literatuurstudie te doen tracht Ecologisch adviesbureau Ronde een zo compleet mogelijk beeld te geven van de in het plangebied voorkomende soorten. In het plangebied kunnen verblijfplaatsen van kleine marterachtigen voorkomen. Door de plannen kunnen mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van kleine marterachtigen vernietigd worden. Vervolgonderzoek naar kleine marterachtigen is derhalve noodzakelijk. Indien verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig zijn dienen er alternatieve verblijfplaatsen en/of vervangend leefgebied in de omgeving te worden aangeboden. Daarnaast is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk waarbij compenserende maatregelen in een activiteitenplan worden beschreven.
Figuur 2 Het plangebied, gezien vanaf de Westerweg.
5 Ecologisch adviesbureau Ronde
2 Methode Hieronder wordt beschreven hoe soortenbescherming en gebiedsbescherming is onderzocht. Soortenbescherming De quickscan is opgebouwd uit een literatuurstudie en een veldbezoek. Door middel van een literatuurstudie is onderzocht welke beschermde flora en fauna recentelijk in het plangebied en de directe omgeving is waargenomen. Hierbij is gebruikgemaakt van de NDFF ("© NDFF - quickscanhulp.nl 20-05-2020”) en verschillende verspreidingsatlassen. Waarnemingen tot 1 km zijn hierbij meegenomen in de beoordeling. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 11 mei 2020. Er is zoveel mogelijk concrete informatie (zichtwaarnemingen, geluidwaarnemingen, nesten en sporen) verzameld om de al dan niet aanwezige flora en fauna in kaart te brengen. Om een zo compleet mogelijk beeld van de situatie te verkrijgen zijn tijdens het veldbezoek ook de aanwezige biotopen beschreven. Op basis van de aangetroffen flora en fauna, de biotopen en informatie uit de vakliteratuur over populaties in de omgeving, is per soortgroep een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van in ieder geval die beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling.
Gebiedsbescherming Met behulp van verschillende websites is gekeken of het plangebied deel uitmaakt van een beschermd natuurgebied en of er beschermde natuurgebieden aanwezig zijn waar de plannen in het plangebied mogelijk effect op kunnen hebben. Er is gebruik gemaakt van: https://www.natura2000.nl/gebieden Noord Holland: https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/
6 Ecologisch adviesbureau Ronde
3 Onderzoeksresultaten 3.1 Beschrijving aanwezige biotopen Het plangebied bestaat grotendeels uit ruig grasland waar een grote variëteit aan planten groeit. Er groeien naast verschillende soorten grassen planten als Hondsdraf, Smalle weegbree, Paardenbloem, Grote brandnetel, Ridderzuring, Zevenblad en Scherpe boterbloem. Hier en daar groeien ook jonge eikjes in het grasland. Langs de noord- en westzijde van het perceel is struweel van Gewone braam aanwezig. Aan de westzijde gaat het bramenstruweel samen met brandnetelruigte over in een enkele meters brede strook bomen waaronder Zomereik, Zwarte els, Hazelaar, Gewone vlier, Eenstijlige meidoorn en Hulst. In de bomen zijn geen grote nesten en holtes/spleten aanwezig. Op de bodem is veel dood hout aanwezig. Er is geen bebouwing in het plangebied aanwezig.
Figuur 2 Ruig grasland met soorten als Hondsdraf en Smalle weegbree.
Figuur 3 Bramenstruweel aan de noordzijde.
Figuur 4 Bomen als Zomereik en Gewone es aan de westzijde van het perceel.
Figuur 5 Tussen de bomen ligt veel dood hout en is Klimop aanwezig.
7 Ecologisch adviesbureau Ronde
3.2 Beschermde soorten 3.2.1 Planten Waargenomen soorten In het plangebied is tijdens het veldbezoek geen beschermde flora aangetroffen. In het verleden is in de omgeving van het plangebied beschermde flora aangetroffen. Het betreft Scherpkruid. Potentie flora Scherpkruid is een zeer zeldzame soort. De soort is niet in het plangebied aangetroffen tijdens het veldbezoek en ook niet in het plangebied te verwachten. In het plangebied wordt vanwege ontbreken van geschikt biotoop tevens ook andere geen beschermde flora verwacht.
3.2.2 Vissen In het plangebied is geen water aanwezig. Het voorkomen van beschermde, niet vrijgestelde, vissen in het plangebied is hierdoor op voorhand uitgesloten.
3.2.3 Amfibieën Waargenomen soorten In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën aangetroffen. In het verleden zijn in de omgeving van het plangebied verschillende beschermde, niet vrijgestelde soorten aangetroffen. Het betreft Rugstreeppad en Boomkikker. De waarneming van Boomkikker betreft waarschijnlijk een uitgezet exemplaar of een exemplaar dat per ongeluk is meegevoerd vanuit een andere locatie. Er zijn in de omgeving van het plangebied namelijk geen populaties van Boomkikker bekend. Potentie amfibieën In het plangebied is geen voortplantingswater aanwezig voor amfibieën. Wel is er marginaal geschikt landhabitat aanwezig voor algemeen voorkomende soorten amfibieën zoals Gewone pad, Bruine kikker, Kleine watersalamander, Bastaardkikker en Meerkikker. Het plangebied is niet geschikt voor Rugstreeppad. Er is geen geschikt voortplantingswater voor de soort aanwezig en er is geen zandig, vergraafbaar landbiotoop aanwezig dat door de soort gebruikt zou kunnen worden buiten de voortplantingsperiode. Indien er in het plangebied gegraven wordt of zand wordt opgebracht is het mogelijk dat Rugstreeppadden uit de omgeving het plangebied intrekken.
3.2.5 Vogels Waargenomen soorten Tijdens het veldbezoek zijn verschillende vogelsoorten waargenomen. Het betreft Heggenmus, Koolmees (cat. 5), Merel, Pimpelmees (cat. 5), Roodborst, Putter, Groenling en Kauw In het verleden zijn in de omgeving van het plangebied verschillende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Het betreft Huismus, Gierzwaluw, uilen en roofvogels. In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen van soorten met jaarrond beschermde nesten bekend. 8 Ecologisch adviesbureau Ronde
Potentie vogels met niet jaarrond beschermde nesten In de bomen en struiken in het plangebied broeden mogelijk soorten van bos en struweel als Merel, Roodborst, Groenling, Heggenmus en Winterkoning. Potentie vogels met jaarrond beschermde nesten In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van roofvogels, uilen of soorten als Huismus en Gierzwaluw aangetroffen of te verwachten. Geschikte bebouwing (met holtes en/of dakpannen op de daken) en grote nesten in bomen zijn afwezig. Daarnaast werden geen sporen (in de vorm van uitwerpselen, braakballen of nesten) gevonden.
Figuur 3 Heggenmus (links) en Roodborst (rechts) waargenomen in het plangebied.
3.2.6 Grondgebonden zoogdieren Waargenomen soorten Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren aangetroffen. In het verleden zijn in de omgeving van het plangebied verschillende soorten grondgebonden beschermde, niet vrijgestelde zoogdieren waargenomen. Het betreft Bunzing en Hermelijn en Eekhoorn. Potentie zoogdieren Het plangebied is geschikt voor enkele algemeen voorkomende muizensoorten en soorten als Haas en Egel. In het plangebied kunnen geen Eekhoorns verblijven. Er zijn geen geschikte nesten en holtes in de bomen in het plangebied aanwezig. Het plangebied is geschikt voor kleine marterachtigen als Bunzing en Hermelijn. Er is voldoende dekking aanwezig aan de randen van het perceel in de vorm van struweel, bomen en dood hout. In bomenrand aan de westzijde van het perceel kunnen in de dekking onder dood hout tevens verblijven van Bunzing en Hermelijn aanwezig zijn.
9 Ecologisch adviesbureau Ronde
3.2.7 Vleermuizen Waargenomen soorten In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden vier verschillende soorten vleermuizen aangetroffen. Het betreft Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis en Ruige dwergvleermuis. Potentie verblijvende vleermuizen Vanwege het ontbreken van geschikte holtes en spleten in de bomen en het ontbreken van bebouwing in het plangebied zijn verblijven van vleermuizen uitgesloten. Potentie foerageergebied Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Potentie vliegroute Vanwege de ligging en de vorm van het plangebied is uitgesloten dat het plangebied gebruikt kan worden als (onder deel van een) vliegroute.
3.2.8 Insecten Waargenomen soorten In de omgeving van het plangebied is in het verleden een beschermde insectensoort waargenomen. Het betreft Grote vos. In het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde insecten bekend. Potentie insecten Grote vos is een zeldzame vlinder die zeer mobiel is en zelden in Nederland voortplant. De meeste waargenomen exemplaren betreffen zwervende exemplaren hoewel af en toe ook voortplanting plaatsvindt. Het is een soort van vochtige open bossen, boomgaarden en bosranden. In het plangebied wordt de soort niet verwacht gezien de zeldzaamheid, het ontbreken van waarnemingen in het plangebied en de afwezigheid van voldoende geschikt biotoop en waardplanten als Iep, Zoete kers en enkele wilgensoorten. Er worden ook geen andere beschermde insecten in het plangebied verwacht vanwege het ontbreken van waarnemingen in de omgeving en het ontbreken van geschikt biotoop.
10 Ecologisch adviesbureau Ronde
4 Effectbeoordeling 4.1 Amfibieën Aangezien het plangebied niet geschikt is voor Rugstreeppad zijn geen negatieve effecten op de soort te verwachten. Om te voorkomen dat tijdens de bouw-/graafwerkzaamheden ontstane zandhopen door Rugstreeppadden uit de omgeving als winterhabitat gebruikt kunnen worden dienen dergelijke zandhopen voorafgaan aan de overwinteringsperiode te worden verwijderd of afgeschermd door middel van een paddenscherm. Hiermee wordt voorkomen dat Rugstreeppadden het gebied intrekken.
4.2 Vogels Aanwezige vogelnesten kunnen worden beschadigd of vernield tijdens de geplande werkzaamheden. Met name tijdens het verwijderen van aanwezige struiken en bomen. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Activiteiten die nesten verstoren of vernielen dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het broedseizoen loopt grofweg van 15 maart-15 augustus. De broedperiode varieert echter per soort en is tevens afhankelijk van het weer. Indien er buiten de genoemde periode vogels broedend aanwezig zijn dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld. Voor mogelijk aanwezige categorie 5 soorten als Pimpelmees en Koolmees zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestmogelijkheden beschikbaar. Er zijn derhalve geen ecologische omstandigheden waardoor de nesten van dergelijke soorten als jaarrond beschouwd dienen te worden. Voor deze soorten geldt ook dat activiteiten die nesten kunnen verstoren of vernietigen buiten het broedseizoen dienen plaats te vinden. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient voorafgaand aan de vestiging van broedvogels het plangebied ongeschikt gemaakt te worden. Tevens dient voorafgaand aan de werkzaamheden een scan plaats te vinden om uit te sluiten dat broedende vogels aanwezig zijn.
4.3 Grondgebonden zoogdieren Bij de inrichting van het plangebied kunnen bij het verwijderen van struweel en dood hout aan de westzijde van het perceel mogelijk verblijfplaatsen van kleine marterachtigen beschadigd of vernietigd worden. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen uit te voeren. Indien verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig zijn dienen er alternatieve verblijfplaatsen en/of vervangend leefgebied in de omgeving te worden aangeboden. Daarnaast is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk waarbij compenserende maatregelen in een activiteitenplan worden beschreven.
4.4 Vleermuizen Foeragerende vleermuizen Voor foeragerende vleermuizen wordt geen negatief effect verwacht. In de omgeving van het plangebied is voldoende vergelijkbaar en beter foerageergebied aanwezig. Foeragerende vleermuizen kunnen gemakkelijk uitwijken. Na de herinrichting van het plangebied zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen. 11 Ecologisch adviesbureau Ronde
5 Beschermde natuurgebieden In dit hoofdstuk staat beschreven welke beschermde natuurgebieden er in de directe omgeving aanwezig zijn en of het plangebied deel uitmaakt van een of meerdere van deze gebieden. Daarnaast wordt beschreven of er nog aanvullende natuurwetgeving aan de orde is.
5.1 Beschermde gebieden Het dichtstbijgelegen Natura2000-gebied is het Noordhollands duinreservaat. Dit gebied ligt op ruim 2,3 kilometer van het plangebied. Vanwege de grote afstand en de geplande werkzaamheden worden geen negatieve effecten op dit gebied verwacht voor wat betreft licht, geluid en trillingen. Verdere toetsing naar dergelijke effecten is niet noodzakelijk. Bij de plannen is verhoging van stikstofemissie aan de orde. Om de effecten van de plannen op stikstofgevoelige habitattypen in natura 2000-gebieden in de omgeving inzichtelijk te maken wordt een Aerius-berekening aanbevolen. Zoals in de onderstaande afbeelding te zien is maakt het plangebied geen deel uit van het NNN netwerk en beschermde Weidevolgelleefgebieden. Van de geplande werkzaamheden zijn geen negatieve effecten op het NNN netwerk en het Weidevogelleefgebied te verwachten. Een nadere toetsing is niet nodig.
Figuur 4 Ligging van het plangebied (bij rode pijl) ten opzicht van Natura 2000-gebied, het NNN netwerk en beschermde Weidevogelleefgebieden.
12 Ecologisch adviesbureau Ronde
5.2 Bijzondere beschermde houtopstanden Bij de geplande werkzaamheden worden geen buiten de (volgens de WNB bepaalde) bebouwde kom gelegen houtopstanden gekapt van meer dan 1000 m² Daarnaast worden er ook geen rijbeplantingen gekapt van meer dan 20 bomen. Er is in het plangebied dan ook geen spraken van een bijzonder beschermde houtopstand. Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.
13 Ecologisch adviesbureau Ronde
6 Conclusies en aanbevelingen 6.1 Beschermde gebieden: Gezien de aard van de ingreep, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden is op voorhand vast te stellen dat er geen negatieve effecten zullen optreden in andere beschermde gebieden ten gevolge van licht, geluid en trillingen. Door de toename van stikstofemissie door de plannen is een negatief effect op stikstofgevoelige habitattypen niet uit te sluiten. Door middel van een Aerius berekening kan de toename in stikstofemissie inzichtelijk gemaakt worden. Er wordt aanbevolen hierover vooroverleg te voeren het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland.
6.2 Beschermde soorten:
Amfibieën: Er zijn enkel algemeen voorkomende amfibiesoorten aangetroffen of te verwachten. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied voor beschermde amfibieën als Rugstreeppad. Om te voorkomen dat tijdens de bouw-/graafwerkzaamheden ontstane zandhopen door Rugstreeppadden uit de omgeving als winterhabitat gebruikt kunnen worden dienen dergelijke zandhopen voorafgaan aan de overwinteringsperiode te worden verwijderd of afgeschermd door middel van een paddenscherm. Hiermee wordt voorkomen dat Rugstreeppadden het gebied intrekken.
Vogels: Binnen het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Om uit te sluiten dat nesten vernield of verstoord kunnen worden dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart tot 15 juli) plaats te vinden. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient voorafgaand aan de vestiging van broedvogels het plangebied ongeschikt gemaakt te worden. Tevens dient voorafgaand aan de werkzaamheden een scan plaats te vinden om uit te sluiten dat broedende vogels aanwezig zijn.
Grondgebonden zoogdieren: In het plangebied kunnen verblijfplaatsen van kleine marterachtigen voorkomen. Door de plannen kunnen mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van kleine marterachtigen vernietigd worden. Vervolgonderzoek naar kleine marterachtigen is derhalve noodzakelijk. Indien verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig zijn dienen er alternatieve verblijfplaatsen en/of vervangend leefgebied in de omgeving te worden aangeboden. Daarnaast is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk waarbij compenserende maatregelen in een activiteitenplan worden beschreven.
14 Ecologisch adviesbureau Ronde
Vleermuizen: Er zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen of te verwachten. Voor mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep. In de omgeving van het plangebied is voldoende vergelijkbaar en beter foerageergebied aanwezig. Aanwezige foeragerende vleermuizen kunnen tijdens de werkzaamheden gemakkelijk uitwijken. Na de herinrichting van het plangebied zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen.
6.3 Zorgplicht De zorgplicht geldt voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving. De zorgplicht is openomen in artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming en Luidt als volgt. 1 Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Om aan de zorgplicht te voldoen kunnen de volgende richtlijnen worden gehanteerd:
Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. Bij de bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.
15 Ecologisch adviesbureau Ronde
Bijlage 1 Wetgeving Huidige natuurwetgeving Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.” Soortbescherming Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten.
Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie 0) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 1.
16 Ecologisch adviesbureau Ronde
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. X= vrijgesteld, 1= vrijgesteld juli – september, 2= vrijgesteld 15 aug – 15 okt, 3= vrijgesteld mrt-april en juli t/m november 4= 15 aug t/m feb (bron: habitus.nl).
17 Ecologisch adviesbureau Ronde
Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten.
Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie 0) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie 0) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient een van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. Ontheffing is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna.
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.
18 Ecologisch adviesbureau Ronde
Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. Ontheffing is nodig ter voorkoming van schade of overlast. Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Ontheffing is nodig ter beperking van de omvang van een populatie van dieren in het verband met veelvuldig veroorzaakte schade. Ontheffing is nodig ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden. Ontheffing is nodig in verband met bestendig beheer en onderhoud infrastructuur, waterwerken, land- en bosbouw etc. Ontheffing is nodig in het algemeen belang Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd.
Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf kan het zijn dat zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan moet worden betrokken.
19 Ecologisch adviesbureau Ronde
Soort
Categorie Toelichting codes
Boomvalk
4
Buizerd
4
Gierzwaluw
2
Grote gele kwikstaart
3
Havik
4
Huismus
2
Kerkuil
3
Oehoe
3
Ooievaar
3
Ransuil
4
Roek
2
Slechtvalk
3
Sperwer
4
Steenuil
1
Wespendief
4
Zwarte wouw
4
Vogelsoorten waarvan de nesten in principe jaarrond zijn beschermd met beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het broedseizoen het nest gebruiken als vaste rust- of verblijfplaats; 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop; 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing; 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in staat zijn een nest te maken.
Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan soms, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, kan de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie 5-soorten Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie. Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’.
20 Ecologisch adviesbureau Ronde
Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld. Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden.
Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: https://www.natura2000.nl/gebieden Habitattoets Wanneer plannen bestaan uit een project en ook voor zogenaamde ‘andere handelingen’ in of rond een Natura 2000-gebied, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen. Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten.
Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 21 Ecologisch adviesbureau Ronde
2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Om de mate van stikstofvervuiling te volgen en te reguleren is de zogenaamde ‘Programmatische Aanpak Stikstof’ (PAS) in werking getreden. Boven bepaalde ‘drempelwaardes’ kan een project vanwege neergeslagen stikstof meldings- of vergunning plichtig zijn. Overige gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de wet: Ecologische Hoofdstructuur EHS Via de Wet Ruimtelijke Ordening wordt het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur EHS) planologisch beschermd. Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor EHS-gebieden. Dit algemene regime bestaat eruit dat er geen toestemming mag worden verleend aan activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de zogenaamde ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. In de provinciale verordening moet dit ‘nee tenzij’-regime zo worden vastgelegd dat hieraan in alle bestemmingsplannen en/of omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen wordt voldaan.
Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn. Houtopstanden Houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijen bestaand uit meer dan 20 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom, zijn beschermd. Men dient vergunning of ontheffing te verkrijgen indien dergelijke houtopstanden moeten worden gekapt of gerooid. In sommige gevallen is een herplantplicht aan de orde.
Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit de onderstaande figuur te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen.
22 Ecologisch adviesbureau Ronde
Zie hiervoor, 0 van ghhghj Geen ontheffing nodig
Zie hiervoor, 0 Geen ontheffing nodig
Zie hiervoor, 0
Zie hiervoor, 0 Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing
23 Ecologisch adviesbureau Ronde
Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een projectplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een projectplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft voor het ‘natuur’ onderdeel van de omgevingsvergunning.
De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes, strafrechtelijke vervolging of het stilleggen van werkzaamheden
24 Ecologisch adviesbureau Ronde
Bijlage 2 Bronnen Geraadpleegde literatuur
Bremer, A. van den, 2015. Basisgids grassen. KNNV, Zeist Herder, J.E., J. Kranenbarg, D.M. Hoogeboom, J. Hamers & K. Dekker (red) 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen Hoogeboom, D.M., F. Visbeen, J. Wondergem, W. Ruitenbeek (red.) 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noordhollandse zoogdierstudiegroep (NOZOS), Alkmaar Huigen, P., R. Vogel, Topografische inventarisatieatlas voor flora en fauna van Nederland. Vogelbescherming Nederland, Zeist Riet, B. van de, H. van der Goes, T. Baas, T (red) 2014. Atlas van de Noord-Hollandse flora. Landschap Noord-Holland, Heiloo Scharringa, K. (C.J.G.), Ruitenbeek, W & Zomerdijk, P.J. (red) (2010) Atlas van de NoordHollandse broedvogels 2005-2009. Heiloo: Landschap Noord-Holland & samenwerkende vogelwerkgroepen Noord-Holland
Geraadpleegde websites www.quickscanhulp.nl www.zoogdiervereniging.nl www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/
25 Ecologisch adviesbureau Ronde