CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 20 Ecologische Voortoets Zandzoom (15 november 2023)_Geredigeerd_1

Commissies t/m 31-12-2023 11 december 2023, gemeente HeilooBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Zandzoom Heiloo 20233.911 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ecologische Voortoets Zandzoom, Heiloo Beoordeling voor de pot enti ële eff ecten op Natura 2000 -gebied bij ni euwbouw

Havinghastraat 66-L 1817 DA Alkmaar ----------------------------Tel: 0645554586 Email: bureau@endemica.nl

© 2023 Bureau Endemica B.V. / De Buch

DISCLAIMER Bureau Endemica B.V., is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Endemica B.V.; opdrachtgever vrijwaart Bureau Endemica voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m. v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemm ing van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Bureau Endemica, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvo or het is vervaardigd.

1

Inhoudsopgave 1

Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding .....................................................................................................................................................5

1.2

Doel .................................................................................................................................................................5

1.3

Onderzoeksvragen .................................................................................................................................... 6

1.4

Rekenresultaten ........................................................................................................................................ 7

2

Uitgangspunten bij effectbepaling ........................................................................... 8 2.1

Effectenindicator en toelichting storingsfactoren ........................................................................8 2.1.1

Effecten stikstof ................................................................................................................................................ 9

2.2

Afbakening storingsfactoren ............................................................................................................... 11

2.3

Afbakening Natura 2000-gebieden................................................................................................... 12

3

Effectanalyse per N2000-gebied ............................................................................ 14 3.1

Noordhollands Duinreservaat ............................................................................................................ 14 3.1.1

Instandhoudingsdoelstellingen habitatsoorten en -typen .............................................................. 15

3.1.2

Beoordeling verzuring en vermesting door stikstofdepositie....................................................... 16

3.2

Eilandspolder ............................................................................................................................................ 18

3.2.1

Instandhoudingsdoelstellingen habitatsoorten en -typen .............................................................. 18

3.2.2

Beoordeling verzuring en vermesting door stikstofdepositie....................................................... 19

3.3

Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder ........................................................................................ 20

3.3.1

Instandhoudingsdoelstellingen habitatsoorten en -typen ............................................................. 20

3.3.2

Beoordeling verzuring en vermesting door stikstofdepositie....................................................... 21

3.4

Schoorlse Duinen ................................................................................................................................... 22

3.4.1

Instandhoudingsdoelstellingen habitatsoorten en -typen ............................................................. 22

3.4.2

Beoordeling verzuring en vermesting door stikstofdepositie...................................................... 23

3.5

Polder Westzaan ..................................................................................................................................... 25

3.5.1

Instandhoudingsdoelstellingen habitatsoorten en -typen ............................................................. 26

3.5.2

Beoordeling verzuring en vermesting door stikstofdepositie...................................................... 26

3.6

Kennemerland-Zuid............................................................................................................................... 27

3.6.1

Instandhoudingsdoelstellingen habitatsoorten en -typen ............................................................. 28

3.6.2

Beoordeling verzuring en vermesting door stikstofdepositie...................................................... 28

3.7

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske....................................................................... 30

3.7.1

Instandhoudingsdoelstellingen habitatsoorten en -typen ............................................................. 30

3

3.7.2

3.8

Beoordeling verzuring en vermesting door stikstofdepositie....................................................... 31

Zwanenwater & Pettemerduinen ..................................................................................................... 33

3.8.1

Instandhoudingsdoelstellingen habitatsoorten en -typen ............................................................. 34

3.8.2

Beoordeling verzuring en vermesting door stikstofdepositie...................................................... 35

4

Conclusie ..................................................................................................................... 37

5

Bronnenlijst ................................................................................................................ 38 5.1

Literatuur................................................................................................................................................... 38

5.2

Websites..................................................................................................................................................... 39

6

Bijlagen ........................................................................................................................ 40 6.1

Aerius-berekening ................................................................................................................................. 40

4

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Het plan voorziet in de bouw van 1.278 nieuwe woningen op de locatie Zandzoom te Heiloo. Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van Heiloo, ten zuiden van de Vennewatersweg en is een uitgestrekt gebied met voormalige duinpannen, historische houtwallen en veel groen. Voor het uitvoeren van deze handelingen is een bestemmingsplan nodig. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen beschermde plant- of diersoorten in het geding kunnen zijn, dienen de plannen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De voorgenomen werkzaamheden zijn dan namelijk mogelijk in strijd met de Wet natuurbescherming. Het project wordt op wezenlijke afstand van de omliggende Natura 2000-gebieden uitgevoerd. Echter gezien de omvang en aard van de geplande ingreep, is in de zogeheten uitvoeringsfase van het project sprake van mogelijke negatieve verstorende effecten (stikstofuitstoot, geluid, trillingen, grondwater etc.) op de meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Omdat een negatief effect op Natura 2000-gebied niet op voorhand uitgesloten kan worden, worden deze effecten eerst nader bekeken in voorliggend rapportage.

1.2

Doel

Doel van de voorliggende Ecologische Voortoets is het beoordelen van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Hierin wordt beoordeeld en onderbouwd of significante negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Hierbij wordt rekening gehouden met de staat van instandhouding van betrokken habitattype. Of er sprake is van significant negatieve effecten, is onder andere afhankelijk van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Een plan of project heeft een significant effect als deze de haalbaarheid van instandhoudingsdoelstellingen in de weg staat (bijv. verslechtering van een habitattype of het leefgebied van een habitatrichtlijnof vogelrichtlijnsoort). Maar het is dus ook mogelijk dat een project wel gevolgen heeft voor een bepaald gebied, maar dat de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar komen. In dat geval is er geen sprake van significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien er wel een toename is van stikstofdepositie maar de toename van de stikstofdepositie plaatsvindt in een niet-stikstofgevoelig habitattype, of wanneer de kritische depositiewaarde (KDW1) niet wordt overschreden. Voor de habitattypen en leefgebieden waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebieden zijn KDW voor stikstofdepositie vastgesteld.

Met de KDW wordt bedoeld: de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie (Van Dobben et al. 2012). Deze KDW zijn bepaald op basis van de waarden in wetenschappelijke literatuur, op basis van veldexperimenten en op basis van modeluitkomsten (Bobbink en Hettelingh 2011). Ieder habitattype en subtype heeft dus een eigen KDW, waarbij overschrijding van die waarde

1

de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de stikstofdepositie.

5

verslechtering optreedt. Wanneer de achtergronddepositiewaarde (ADW) lager is dan de KDW, en deze ook niet overschreden wordt door de additionele depositie als gevolg van de te toetsen activiteit, kunnen significante effecten als gevolg van deze stikstofdepositie worden uitgesloten. De Ecologische Voortoets heeft dus als doel te bepalen welke vervolgstappen noodzakelijk zijn en is een verkennende analyse om te bepalen of een activiteit vergunningsplichtig is. Als significant negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten, volstaat een Voortoets. Als sprake is van stikstofdepositie op reeds overbelaste natuur zal een Voortoets in de meeste gevallen niet voldoende zijn omdat effecten niet bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. De Ecologische Voortoets kent drie mogelijke uitkomsten aan de hand waarvan vervolgstappen worden bepaald: I. De plannen of activiteiten hebben geen negatief effect op het Natura 2000-gebied → geen vervolg nodig en geen vergunningplicht. II. Als gevolg van de plannen of activiteiten treden mogelijk negatieve effecten op, maar deze zijn zeker niet significant2 → bij deze uitkomst moet er een vergunning aangevraagd worden. Bij de aanvraag voor deze vergunning moet het resultaat van een verslechteringstoets (effectbeschrijving) worden toegevoegd. In de praktijk komt uit de Voortoets vaak al naar voren of een negatief effect significant is of niet.

Op basis daarvan kan voor een concreet project worden overgegaan op de vergunningsaanvraag (waarbij de Voortoets ook als verslechteringstoets dient). III. Als gevolg van de plannen of activiteiten treden mogelijk significant negatieve effecten op (én of meer van de instandhoudingsdoelen worden mogelijk geschaad) → Passende Beoordeling opstellen. In dat geval moet er een vergunning aangevraagd worden. Bij de aanvraag moet dan een passende beoordeling worden toegevoegd. De Passende Beoordeling bepaald of er sprake is van schadelijke gevolgen voor de habitats en soorten gelet op de instandhoudingsdoelstellingen die voor de betrokken habitats en soorten gelden. Dit is noodzakelijk omdat ruimtelijke plannen geen ruimte mogen bieden aan activiteiten die significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen hebben. Op grond van de Natuurbeschermingswet dienen plannen of handelingen die van invloed kunnen zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebiedennamelijk ‘passend beoordeeld’ te worden.

1.3

Onderzoeksvragen

Om goed voorbereid te zijn op een eventueel noodzakelijke vergunningsaanvraag van de Wet natuurbescherming geeft de Voortoets Wet natuurbescherming antwoord op de volgende onderzoeksvragen: • Zijn er negatieve effecten op plaatselijk aangewezen habitatsoorten en -typen te verwachten? • Ondervinden de aangewezen instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden negatieve effecten van de ontwikkelingen?

2

hetgeen betekent dat de activiteiten het behalen van de instandhoudingsdoelen niet schaden.

6

2 UITGANGSPUNTEN BIJ EFFECTBEPALING Nieuwe activiteiten binnen of buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied mogen niet leiden tot negatieve effecten op de Natura 2000-doelen. De voorgenomen activiteiten kunnen in principe een breed scala van effecten op het Natura 2000-gebied veroorzaken, zoals oppervlakteverlies of versnippering van het leefgebied, verzuring of vermesting van bodem of water ten gevolge van stikstofdepositie, verdroging of verontreiniging van habitattypen of verstoring van de leefgebieden van de desbetreffende habitatsoorten door geluid, licht, trilling, mechanische effecten of door optische verstoring. Voor de effectbepaling van het voornemen dient middels de effectenindicator relevante storingsfactoren te worden geselecteerd en beoordeeld. In de volgende paragrafen worden deze aspecten uiteengezet en afgebakend.

2.1

Effectenindicator en toelichting storingsfactoren

De effectenindicator ‘Natura 2000 – ecologische randvoorwaarden en storende factoren’ is een hulpmiddel voor initiatiefnemers, vergunningverleners en planmakers die te maken krijgen met activiteiten in of nabij Natura 2000-gebieden. De effectenindicator geeft informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren. De effectenindicator geeft alleen generieke informatie over mogelijke effecten van de activiteit. De effectenindicator van het Ministerie van EZ die hiervoor is ontwikkeld, geeft een eerste indicatie van de factoren die een rol kunnen spelen en de mate van gevoeligheid van habitattypen en beschermde soorten voor deze factoren. Voor de effectbepaling van het voornemen is het van belang om eerst de relevante storingsfactoren in beeld te brengen die de ontwikkeling met zich meebrengt. De effectenindicator geeft ten aanzien van woningbouw negen storingsfactoren die door de ingreep kunnen ontstaan en mogelijk effect hebben op de beschermde natuurwaarden van het Natura 2000-gebied, namelijk: • (1) Oppervlakteverlies: afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen of paartjes bestaan.

Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe. • (2) Versnippering: van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering op in de soortensamenstelling en het ecosysteem. • (7) Verontreiniging: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. • (8) Verdroging: Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt 8

•

•

•

•

•

2.1.1

ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. De verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype. (13) Verstoring door geluid: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer danwel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. (14) Verstoring door licht: Verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden.

(15) Verstoring door trilling: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. (16) Optische verstoring: optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort (17) Verstoring door mechanische effecten: Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen.

Effecten stikstof

Het aspect N-depositie komt bij de effectindicator niet naar voren en die is juist cruciaal in dit verhaal. Er bestaat een directe relatie is tussen de depositie van stikstof en de groei van planten. Als de stikstofdepositie namelijk boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. Algemene en concurrentiekrachtige soorten nemen hier de plaats in van meer zeldzame en kwetsbare soorten. Door een hoge stikstofdepositie neemt de biodiversiteit daarom af. Beide vormen van stikstof (NH3, ammoniak en stikstofoxide, NOx) kunnen worden omgezet tot de nutriënten ammonium (NH4) en nitraat (NO3). Door de verrijking kan de vegetatie verruigen en kunnen kenmerkende soorten van schrale milieus verdwijnen. Daarnaast kan depositie van stikstof en dan vooral depositie van ammoniak, leiden tot een daling van de bodem-pH. Door verzuring verdwijnen gevoelige soorten en neemt de soortenrijkdom en kwaliteit van zuurgevoelige habitattypen af. De extra aanvoer van deze voedingsstoffen kan vooral bedreigend zijn voor voedselarme habitattypen. 9

2.2 Afbakening storingsfactoren Op basis van een eerste analyse kan het optreden van een enkele effecten uit de effectenindicator op voorhand buiten beschouwing worden gelaten. De effecten (1) verlies aan oppervlak en (2) versnippering zijn zonder enige verdere analyse niet van toepassing. De projectlocatie ligt namelijk buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied en vormt geen barrière tussen Natura 2000-gebieden. Dergelijk effect treedt zodoende niet op. Tevens zijn verstoring door (13) geluid, (14) licht, (15) trilling, (16) optische verstoring en verstoring door (17) mechanische effecten op voorhand uit te sluiten, gezien de gepaste afstand van de ontwikkeling tot het Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde gebied ligt op circa 2 km afstand. De genoemde storingsfactoren die tijdens of na de voorgenomen werkzaamheden tot stand komen zullen de Natura 2000-gebieden niet bereiken en is daarmee niet aan de orde. Evenmin zijn verontreiniging (7) of verdroging (8) van toepassing. Het Natura 2000-gebied ligt buiten de verstoringsafstand van deze factoren. Tevens wordt het voornemen binnen de bestaande milieuregels afgewikkeld, waardoor verontreiniging geen relevant effecttype is.

Vanwege het op voorhand kunnen uitsluiten van effecten door bovengenoemde storingsfactoren, zal in het vervolg van deze Voortoets dan ook alleen gekeken worden naar de mogelijke effecten van vermesting en verzuring door stikstofdepositie (Figuur 1). Door de informatie van de effectenindicator te confronteren met de specifieke kenmerken van de activiteit en plan, in combinatie met de locatie specifieke gegevens over het richtlijngebied (voorkomen soorten/habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen), kan vastgesteld worden of er sprake zal zijn van mogelijke schadelijke effecten. Zodoende kan gemotiveerd besloten worden of nader onderzoek noodzakelijk is. Hiervoor is een interpretatieslag nodig welk in dit rapport gemaakt wordt.

11

2.3 Afbakening Natura 2000-gebieden Natuurgebieden kunnen enkel negatief effect ondervinden wanneer deze op wezenlijke afstand ligt van de projectlocatie. Uit de stikstofberekeningen is gebleken dat er ten gevolge van de huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling de volgende Natura 2000-gebieden een stikstofeffect (kunnen) ondervinden (Figuur 2): 1. Noordhollands Duinreservaat (Habitatrichtlijngebied) → circa 2 km afstand ten westen van de planlocatie. 2. Eilandspolder (Vogel- en Habitatrichtlijngebied) → circa 6 km afstand ten oosten van de planlocatie. 3. Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder (Vogel- en Habitatrichtlijngebied) → circa 9,3 km afstand ten zuidoosten van de planlocatie. 4. Schoorlse Duinen (Habitatrichtlijngebied) → circa 9,8 km afstand ten noorden van de planlocatie. 5. Polder Westzaan (Habitatrichtlijngebied) → circa 11 km ten zuidoosten van de planlocatie. 6. Kennemerland-Zuid (Habitatrichtlijngebied) → circa 15 km ten zuidwesten van de planlocatie. 7. Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (Vogel- en Habitatrichtlijngebied) → circa 16 km ten zuidoosten van de planlocatie. 8. Zwanenwater & Pettemerduinen (Vogel- en Habitatrichtlijngebied) → circa 20 km ten noordwesten van de planlocatie.

12

Figuur 2: Globale ligging planlocatie ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (Bron: AeriusCalculator).

13

3 EFFECTANALYSE PER N2000-GEBIED Voor alle Natura 2000-gebieden in Nederland zijn specifieke instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Hierbij gaat het om gerichte doelstelling voor habitattypen of soorten van de Habitatrichtlijn en/of soorten van de Vogelrichtlijn waarvoor het gebied van bijzondere waarde is. Of er sprake is van significant negatieve effecten, is onder andere afhankelijk van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Een plan of project heeft een significant effect als deze de haalbaarheid van instandhoudingsdoelstellingen in de weg staat (bijv. verslechtering van een habitattype of het leefgebied van een habitatrichtlijnof vogelrichtlijnsoort). De instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd in termen van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang (populatiegrootte of oppervlakte habitattype of leefgebied van de soort) en “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit (van het habitattype of het leefgebied van de soort). In de onderstaande paragrafen wordt per relevante Natura 2000gebied de instandhoudingsdoelstellingen en beschermde habitattypen- en soorten behandeld. De storingsfactoren die in deze paragrafen aan een nadere beschouwing worden onderworpen zijn: (3) Verzuring door N-depositie uit de lucht en (4) Vermesting door N-depositie uit de lucht.

Bij elke storingsfactor wordt eerst gekeken wat de invloedssfeer van deze verstoringsfactor is en in hoeverre soorten en habitats van het Natura 2000-gebied hierdoor mogelijk worden beïnvloed. De effecten worden per Natura 2000-gebied beoordeeld.

3.1

Noordhollands Duinreservaat

Het Natura 2000-gebied het Noordhollands Duinreservaat omvat circa 5240 hectare en wordt globaal begrensd door Bergen in het noorden en Wijk aan Zee in het zuiden (Figuur 3). Het Noordhollands Duinreservaat is een karakteristiek voorbeeld van een Nederlands duinlandschap. Het is een biologisch, morfologisch, hydrologisch en landschappelijk geheel van duinen met natte en vochtige duinvalleien, duingraslanden, struwelen, bossen en ruigten. Het ligt op de overgang van de kalkrijke naar de kalkarme duinen. Het reservaat behoort in zijn algemeenheid tot de kalkrijke duinen; er is echter een verloop in kalkrijkdom te zien. De vegetatie weerspiegelt de kalkgehalten in de bodem: in het uiterst noordelijke deel komen kalkarme vegetaties met kraaiheide, kruipwilg, buntgras en dergelijke voor, ten zuiden van Bergen aan Zee overgaand in kalkrijke duingraslanden met duinsterretje en zeedorpenvegetaties, zoals bij Wijk aan Zee en Egmond aan Zee. Een aanzienlijk deel van het gebied is bebost met naaldbos en loofbos, die voor een deel zeer oud zijn (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.-a).

14

4 CONCLUSIE Op basis van deze Voortoets is beoordeeld of negatieve effecten te verwachten zijn met betrekking tot de beoogde ontwikkeling, of dat deze uitgesloten kunnen worden. Verlies aan oppervlak, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, licht, trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten zijn zonder verdere analyse als niet van toepassing beoordeeld. Deze effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten doordat de projectlocatie zich buiten de begrenzing van de omliggende Natura 2000-gebieden bevindt en vanwege de aanzienlijke afstand tussen de projectlocatie en desbetreffende Natura 2000-gebieden, tevens buiten de verstoringsafstand van deze factoren bevindt. De beoogde ontwikkeling leidt in geen enkel Natura 2000-gebied tot toename in stikstofdepositie voor enig habitattype, noch voor stikstofgevoelige leefgebieden van kwalificerende soorten. In vergelijking met de huidige situatie resulteert de voorgenomen ontwikkeling in een vermindering van stikstofdepositie binnen 8 Natura 2000-gebieden, namelijk het Noordhollands Duinreservaat, Eilandspolder, Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder, Schoorlse Duinen, Polder Westzaan, Kennemerland-Zuid, Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Zwanenwater & Pettemerduinen.

De grootste afname treedt op binnen het Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat, namelijk een vermindering van 1,05 mol N/ha/jaar. De geringste afname wordt waargenomen binnen de Schoorlse Duinen, met een reductie van 0,04 mol N/ha/jaar. Het merendeel van de habitattypes in de Natura 2000-gebieden vertoont momenteel een overschrijding van de Kritische Depositiewaarde (KDW). Met voorgenomen ontwikkelingen wordt een afname van stikstofdepositie veroorzaakt en heeft daarmee het potentieel om de achtergronddepositie te verminderen en bij te dragen aan het terugdringen van de overschrijding, wat positief kan bijdragen aan het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Het kan met zekerheid gesteld worden dat de geplande ingreep geen significant negatieve gevolgen zal hebben op de instandhoudingsdoelstellingen, als gevolg van een toename in stikstofdepositie. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat met de voorgenomen ontwikkeling er geen (significant) negatieve gevolgen optreden en er dus geen Wnbvergunningplicht is voor het aspect stikstofdepositie.

37

5 BRONNENLIJST 5.1

Literatuur

BIJ12. (2021). Handreiking Voortoets Stikstof. Factsheet BIJ12, Utrecht. Broekmeyer, M., Schouwenberg, E., Van der Veen, M., Prins, D. & Vos, C. (2005).

Effectenindicator Natura 2000-gebieden. Achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. Alterra, Wageningen UR Bobbink, R. en J.-P. Hettelingh (eds.), (2011). Review and revision of empirical critical loads and

dose-response relationships. Proceedings of an expert workshop, Noordwijkerhout, 23-25 June 2010. Bilthoven: Coordination Centre for Effects of the International Cooperative Programme on Modelling and Mapping Critical Levels and Loads and Air Pollution Effects, Risks and Trends. Bobbink, R. (2021). Effecten van stikstofdepositie nu en in 2030: een analyse. Onderzoekcentrum B-WARE, Nijmegen. Rapportnummer RP-20.135.21.35 B obbink, R., G. van Dijk, E. Remke, and H. Tomassen. 2022. Herstelbaarheid van door stikstofdepositie aangetaste Natura 2000-habitattypen: een overzicht. Onderzoekcentrum BWARE (Nijmegen). CLO. (2013). Vermesting en verzuring: oorzaken en effecten. Dienst Landelijk Gebied & Staatsbosbeheer. (2016). Natura 2000-beheerplan: Schoorlse Duinen

(86).

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-a). Noordhollands Duinreservaat; introductie. Natura2000.nl Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-b). Noordhollands Duinreservaat; doelstelling. Natura2000.nl Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-c). Eilandspolder; doelstelling. Natura2000.nl Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-d). Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder; introductie. Natura2000.nl Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-e). Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder; doelstelling. Natura2000.nl Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-f). Schoorlse Duinen; introductie. Natura2000.nl Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-g). Schoorlse Duinen; doelstelling. Natura2000.nl 38

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-h). Polder Westzaan; introductie. Natura2000.nl Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-i). Polder Westzaan; doelstelling. Natura2000.nl Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-j). Kennemerland Zuid; introductie. Natura2000.nl Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-k). Kennemerland Zuid; doelstelling. Natura2000.nl Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-l). Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske; introductie. Natura2000.nl Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.-m). Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske; doelstelling. Natura2000.nl Voedselkwaliteit.

(z.d.-n).

Zwanenwater

&

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Pettemerduinen; doelstelling. Natura2000.nl

(z.d.-o).

Zwanenwater

&

Ministerie

van

Landbouw, Natuur en Pettemerduinen; introductie. Natura2000.nl Ministerie

van

Provincie Noord-Holland. (2023a). Natura 2000-beheerplan: Eilandspolder 2023 – 2029. Haarlem. Provincie Noord Holland. (2017). Natura 2000-beheerplan: Noordhollands Duinreservaat 2018 - 2024. Haarlem. Provincie Noord-Holland. (2023b). Natura 2000-beheerplan Wormer- en Jisperveld &

Kalverpolder; Periode 2023-2029.

van Dobben, H.F., R. Bobbink, D. Bal, and A. van Hinsberg. 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000 . Alterra (Wageningen).

5.2 Websites https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01 https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/ https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatormaatregelenappl.aspx?subj=so orten#maatregelen https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=1 https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-holland/

39

6 BIJLAGEN 6.1

Aerius-berekening

40

41

42

43

44

45

46

47

48

49

50

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=ddea9c11-cda7-4b3c-b971-564ea6ac71d7