Bijlage 2 was wordt lijst Heiloo2017.pdf
Tekst van het document
Was-wordt- tabel Wijziging Algemene plaatselijke verordening Heiloo. Hierna volgt een overzicht van de voorgestelde wijzigingen van de Algemene plaatselijke verordening Heiloo. Voor elke tabel met wijzigingen wordt toegelicht wat er wordt gewijzigd en om welke reden. Indien er slechts sprake is van een kleine tekstuele wijziging of verbetering van een taal of typefout wordt de wijziging niet toegelicht. Soms wordt de tekst van een artikel gewijzigd naar de standaard tekst uit de modelverordening. De reden dat er wordt aangesloten bij de standaard tekst van de modelverordening is dat de koppeling van de feitcodes aan de artikelen van de Apv’s in het systeem waarmee de Boa’s hun bestuurlijke strafbeschikkingen uitschrijven, dan automatisch gaat. Als de tekst in de Apv afwijkt van de model Apv dan moet dit handmatig worden gekoppeld. In die gevallen dat er uitsluitend een tekstueel verschil is en de inhoud van het artikel gelijk is aan de model-Apv wordt de standaard tekst uit de model-Apv opgenomen. De grondslagen dan wel bevoegdheid waarop de Apv is gebaseerd is aangevuld. In de Apv 2017 ontbreken enkele verwijzingen naar de grondslagen en bevoegdheden, door voorgestelde wijziging is de wettelijke grondslag(en) en bevoegdhe(i)d(en) weer compleet. Voorts is de intitulé aangevuld met de besluitdatum en de overwegingen.
Aan artikel 1:1 worden drie definities toegevoegd in artikel 1.1. De toevoegingen betreffen de definitie voor motorvoertuig, de definitie voor bromfiets, de definitie voor voertuig en de definitie voor parkeren. Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Intitulé
Nieuwe tekst Intitulé
Algemene plaatselijke verordening gemeente Heiloo 2017
Algemene plaatselijke verordening gemeente Heiloo 2021 De raad van de gemeente Heiloo:
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.(nader aan te vullen); gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; gezien het advies van de Algemene raadscommissie van (nader aan te vullen); besluit vast te stellen de volgende verordening: Algemene plaatselijke verordening gemeente Heiloo 2022. Bestaande tekst Artikel 1:1 Begripsbepalingen
Nieuwe tekst Artikel 1:1 Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
In deze verordening wordt verstaan onder:
• – bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
- bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
• – bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
- bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
•– bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening daaronder wordt verstaan;
- bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening Gemeente Heiloo 2012 daaronder wordt verstaan; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
•– college: het college van burgemeester en - college: het college van burgemeester en wethouders; wethouders; •– gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan;
- gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet;
•– handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
- handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
•–openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
- openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
•–openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;
- openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
•– rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
- rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
- voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; •– weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.
- weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het derde lid van artikel 1.2 wordt gewijzigd zodat alle in de Apv opgenomen en aan de Wabo aangehaakte vergunning worden genoemd. Artikel 1:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:2 Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
Nieuwe tekst Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, artikel 2:12 of artikel 4:11.
3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, eerste lid ,een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onder a, een vergunning als bedoeld in artikel 2:12 eerste lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 4:11 eerste lid.
4. In afwijking van het eerste en tweede lid gelden voor een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid de beslistermijnen zoals genoemd in artikel 3:12.
4. In afwijking van het eerste en tweede lid gelden voor een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25, de termijnen bedoeld in artikel 2:25, derde lid, en als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid de beslistermijnen zoals genoemd in artikel 3:12.
Artikel 1:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
Nieuwe tekst Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing/vrijstelling is vereist;
b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
e. indien de houder dit verzoekt.
e. de houder dit verzoekt.
In beginsel worden vergunningen (of ontheffingen) voor onbepaalde tijd verleend. Echter sinds een uitspraak van het Europees Hof van Justitie in 2016 gaat dit niet op voor de zogenaamde schaarse vergunningen . In gevallen waarin een activiteit beperkt is tot een aantal vergunninghouders, kan sprake zijn van schaarste. Voor vergunningen die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen, geldt dat deze vergunningen niet voor onbepaalde tijd mogen worden verleend Schaarse vergunningen lenen zich naar hun aard niet voor verlening voor onbepaalde tijd omdat dat zich niet met het formele gelijkheidsbeginsel, waarin tevens een beginsel van gelijke kansen besloten ligt, verenigt. Het voor onbepaalde tijd verlenen van schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers tot gevolg hebben dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Door toevoeging van het voorgestelde tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat schaarse vergunningen in ieder geval moeten worden aangemerkt als vergunningen die zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd. Artikel 1:7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:7 Termijnen De vergunning of ontheffing/vrijstelling geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing/vrijstelling anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
Nieuwe tekst Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing/vrijstelling geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing/vrijstelling anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing/vrijstelling verzet zich in ieder
geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Voorgesteld wordt om lid twee en drie van artikel 1:8 samen te voegen. De standaard termijn wordt gesteldop drie weken, echter in de verordening kunnen bij de desbetreffende activiteiten andere termijn worden opgenomen. Artikel 1:8 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1:8 Weigeringsgronden
Nieuwe tekst Artikel 1:8 Weigeringsgronden
1. De vergunning of ontheffing in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu.
1. De vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu.
2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken, of een andere termijn indien anders bepaald in deze verordening, voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
3. In afwijking van het tweede lid kan een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 voor een aandachtsevenement worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 11 weken voor de beoogde datum van het evenement is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is
In het opschrift van hoofdstuk 2 wordt na ‘Openbare orde’ ingevoegd ‘en veiligheid, volksgezondheid en milieu’. Zo dekt het opschrift van hoofdstuk 2 beter de inhoud van het hoofdstuk. Het opschrift van hoofdstuk 2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Hoofdstuk 2. Openbare orde
Nieuwe tekst Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
In het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 1, wordt ‘Bestrijding’ vervangen door ‘Voorkomen of bestrijden’.
Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden
Nieuwe tekst Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 2, vervalt. Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 2, wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Afdeling 2. Betoging
Nieuwe tekst -
Na artikel 2:1 is in 2019 artikel 2.1a, de verblijfsontzegging in gebied ingevoegd. Het ging om een uitbreiding in de Apv van de bevoegdheden van de burgemeester. Bij het opleggen van een verblijfsontzegging is er sprake van het toepassen van een bestuursrechtelijk sanctiemiddel. Gelet op het feit dat het een bevoegdheid van de burgemeester betreft is het in het logisch om deze bevoegdheid ook op te nemen in de het hoofdstuk van de Apv waarin meer bevoegdheden van de burgemeester zijn opgenomen te weten afdeling 15. Er wordt dan ook voorgesteld om artikel 2:1a om te nummeren naar artikel 2:78. . Bestaande tekst Artikel 2:1a Verblijfsontzegging in gebied
Nieuwe tekst Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woonof leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woonof leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 12 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 12 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen 6 maanden
3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen 6 maanden
na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd bevel als bedoeld in lid 1 en 2.
5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd bevel als bedoeld in lid 1 en 2.
In de aan deze wijziging van de Apv voorafgaande periode worden er binnen de gemeente Heiloo, maar ook binnen de andere gemeenten veel meer betogingen georganiseerd dan enkele jaren daarvoor. Thans laten vele groepen mensen uit de samenleving zich horen, over onderwerpen als klimaatverandering, de coronamaatregelen en racisme. Uitgangspunt is dat deze betogingen worden gefaciliteerd. Ervaring leert echter dat om dit op adequate wijze mogelijk te maken en daarin goed te kijken naar aspecten als openbare orde en veiligheid, van zowel deelnemers aan de betoging als publiek of eventuele tegendemonstranten, een termijn van 48 uur niet altijd voldoende is om al deze belangen juist af te wegen, dan wel om voldoende maatregelen te organiseren, in de vorm van inschakelen van politie, of het afzetten van openbaar gebied, om de veiligheid van een ieder, waaronder begrepen de betogers te waarborgen. Gelet hierop wordt voorgesteld om de termijn waarvoor er melding gemaakt moet worden van een betoging te stellen op één week in plaats van 48 uur. Artikel 2:3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
Nieuwe tekst Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste één week voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging;
2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging;
c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Het opschrift van Hoofdstuk 2, afdeling 4, vervalt. Bestaande tekst Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg
Nieuwe tekst -
Het opschrift van artikel 2:9 komt te luiden: Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen Artikel 2:9 is iets aangepast om de leesbaarheid van het artikel te vergroten. In de huidige tekst staat in onderdeel b opgenomen dat bepaalde gevallen altijd sprake is van hinder. De facto houdt dat een verbod in. In de voorgestelde tekst worden die gevallen opgenomen als onderdeel. Die onderdelen in samenhang gelezen met de aanhef van het artikel houden een verbod in. Artikel 2:9 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2:9 Straatartiest e.d.
Nieuwe tekst Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen
1. Het is op openbare plaatsen verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden, indien daardoor naar het oordeel van de burgemeester:
Het is op openbare plaatsen verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden, indien:
o a. de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu wordt aangetast; o b. onaanvaardbare hinder ontstaat voor de omgeving. Er is in ieder geval sprake van onaanvaardbare hinder indien: – het optreden plaatsvindt voor 09.00 uur of na 21.00 uur; – degene die voor zijn optreden langere tijd op één plaats optreedt niet elk half uur een andere plaats inneemt, die minimaal op 50 m afstand ligt van een andere plaats waar hij dezelfde dag heeft opgetreden.
a. daardoor naar het oordeel van de burgemeester de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu wordt aangetast; b. daardoor naar het oordeel van de burgemeester onaanvaardbare hinder ontstaat voor de omgeving; c. het optreden plaatsvindt voor 09.00 uur of na 21.00 uur; d. degene die optreedt niet elk half uur een andere plaats inneemt, die minimaal op 50 meter afstand ligt van een andere plaats waar hij dezelfde dag heeft opgetreden.
Afdeling 5 wordt vernummerd en komt te luiden: Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Bestaande tekst Nieuwe tekst Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk de weg aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen In deze afdeling zijn onderwerpen opgenomen die de fysieke leefomgeving raken. In voorbereiding op de Omgevingswet wordt regelgeving die de fysieke leefomgeving raakt opgenomen en geordend in de Verordening fysieke leefomgeving. Zo ook enkele artikelen die voorheen in de Apv in o.a. deze afdeling waren opgenomen. De artikelen 2:10, 2:11 en 2:12 worden opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving en komen met de inwerkingtreding van de Verordening fysieke leefomgeving te vervallen in de Apv. In artikel 2:10 van de Apv 2017 is een algemene regel met ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Het is wenselijk om in het kader van het omgevingsplan zo veel mogelijk te harmoniseren. Gelet op het feit dat in de overige gemeenten van de BUCH er gewerkt wordt met een vergunningplicht wordt voorgesteld om ook in Heiloo weer een vergunningplicht te herintroduceren. Daarbij moet worden opgemerkt dat door de vakafdeling thans ook op die wijze gewerkt wordt hoewel er in principe geen vergunningplicht geldt. Bestaande tekst Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg
Nieuwe tekst Artikel 2:10 Voorwerpen en stoffen op, aan, in of boven de weg
1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: o a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering
1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Het verbod is niet van toepassing op:
vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of o b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 1 m wordt gelaten op voetpaden en van 3 m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: o a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; o b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en o c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
a. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: - geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; - geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; - geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd is; d. voertuigen, met inbegrip van kinderwagens, kruiwagens en dergelijke kleine voertuigen; e. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; f. terrassen als bedoeld in artikel 2:27;
7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening.
g. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;
8. Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd:
h. situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.
a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4. a. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. b. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. c. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 5. a. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod als gesteld in het eerste lid niet geldt. b. Het college kan nadere regels stellen voor een veilig en doelmatig gebruik van de openbare ruimte ten behoeve van de in sub a bedoelde categorieën. c. Het college kan wegen en weggedeelten aanwijzen waar het plaatsen van de onder sub a. bedoelde voorwerpen niet of slechts beperkt is toegestaan. d. Het is verboden een voorwerp als bedoeld onder sub a. op de weg te plaatsen als in strijd wordt gehandeld met de onder sub b.
bedoelde nadere regels of met een aanwijzing als bedoeld onder sub c. 6. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde
gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 7. Op de vergunning, voor zover deze niet is aan te merken als omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:11 raakt de fysieke leefomgeving en wordt opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving, artikel 2:11 komt met de introductie van de verordening fysieke leefomgeving te vervallen in de Apv. Bestaande tekst Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Nieuwe tekst Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2. De vergunning wordt verleend: o a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of o b. door het college in de overige gevallen.
2. De vergunning wordt verleend: o a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of o b. door het college in de overige gevallen.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het bevoegd gezag de vergunning weigeren indien: o a. de beoogde activiteit schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig beheer en veilig gebruik daarvan; o b. de beoogde activiteit een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; o c. de beoogde activiteit afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg,
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het bevoegd gezag de vergunning weigeren indien: o a. de beoogde activiteit schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig beheer en veilig gebruik daarvan; o b. de beoogde activiteit een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; o c. de beoogde activiteit afbreuk doet aan andere publieke functies van de weg,
inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.
inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.
4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.
4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.
5. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Provinciale wegenverordening of het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
5. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Provinciale wegenverordening of het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
6. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
6. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Het opschrift van Hoofdstuk 2, afdeling 6, vervalt Bestaande tekst Afdeling 6. Veiligheid op de weg
Nieuwe tekst -
Artikel 2:15 wordt om aan te sluiten bij de tekst van de model-Apv als volgt gewijzigd. Bestaande tekst Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Nieuwe tekst Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Het opschrift van artikel 2:16 komt te luiden: Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Bestaande tekst Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.
Nieuwe tekst Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke
Artikel 2:18 wordt als volgt gewijzigd. In het derde lid is een uitzondering van alle verboden opgenomen voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Uitsluitend het verbod opgenomen in het eerste lid onder a hoort onder de uitzondering te vallen. Gelet daarop wordt voorgesteld om dat aan te passen.
Bestaande tekst Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen; c. een open vuur aan te leggen, te hebben of te stoken.
Nieuwe tekst Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen; c. een open vuur aan te leggen, te hebben of te stoken.
2. De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.
3. De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
De zin in het tweede lid van artikel 2:21 loopt niet. In het tweede lid staat opgenomen dat het besluit tot het aanbrengen van voorzieningen voor verkeer of verlichting vooraf aan de rechthebbende op het bouwwerk bekend wordt gemaakt. Voorgesteld wordt om lid twee te schrappen. Besluiten treden pas in werking nadat deze bekend zijn gemaakt. Er kan niet eerder uitvoering gegeven worden aan een besluit dan nadat deze in werking is getreden. Het tweede lid van artikel 2:21 is derhalve onnodig, nu de Awb reeds een regeling kent over het bekendmaken van besluiten. Bestaande tekst Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
Nieuwe tekst Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2. Het college maakt tevoren aan de rechthebbende het besluit tot het aanbrengen als bedoeld in het eerste lid bekend.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Afdeling 7. Evenementen wordt vernummerd en wordt Afdeling 3. Evenementen Bestaande tekst Afdeling 7. Evenementen
Nieuwe tekst Afdeling 3. Evenementen
De artikelen uit de Apv en het evenementenbeleid uit 2011 sluiten niet meer op elkaar aan. Bij een van de herzieningen van de Apv zijn de artikel 2:24 en 2:25 van de Apv aangepast, echter nadien is het evenementenbeleid niet meer aangepast aan de nieuwe tekst van genoemde artikelen. Dit levert met name in de vergunningverlening nog wel eens verwarring op. Met de voorgestelde tekst wordt de tekst van het artikel in overeenstemming gebracht met het evenementenbeleid 2011. De werkwijze opgenomen in het evenementenbeleid sluit nog steeds aan bij de werkwijze zoals die ook gehanteerd wordt door de veiligheidsregio. Het opschrift van artikel 2:24 komt te luiden: Artikel 2:24 Definities. Voorts wordt artikel 2:24 als volgt gewijzigd. Bestaande tekst Artikel 2:24 Begripsbepaling
Nieuwe tekst Artikel 2:24 Definities
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a. bioscoopvoorstellingen;
a. bioscoop- en theatervoorstellingen;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening;
d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. 2. Onder evenement wordt mede verstaan:
2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement);
b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement); f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
Artikel 2:25 wordt als volgt gewijzigd. Het zesde lid komt te vervallen, de burgmeester kan en mag namelijk geen nadere regels stellen. De Gemeentewet staat in de weg aan het delegeren van regelgevende bevoegdheid aan de burgemeester. Bestaande tekst Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
Nieuwe tekst Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1.Het is verboden zonder vergunning of in afwijking van de burgemeester een evenement te organiseren.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren indien: a. de aanvrager/organisator in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren indien: a.de aanvrager/organisator in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
b. de aanvrager/organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement.
b.de aanvrager/organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement. 3. De burgemeester kan een vergunning weigeren indien de termijn tussen de aanvraag om vergunning en de beoogde datum van het evenement minder bedraagt dan: a. risico-evenementen (categorie A): 25 weken; b. aandachtevenementen (categorie B): 19 weken; c. reguliere evenementen (categorie C): 12 weken.
3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het evenement een incidenteel karakter heeft en niet langer duurt dan 1 dag; b. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; c. er geen tijdelijk bouwwerk, zoals een tent, geplaatst wordt waarin meer dan 50 personen tegelijk aanwezig kunnen zijn; d. het evenement tussen 10.00 en 24.00 uur plaats vindt; e. geen muziek ten gehore wordt gebracht na 23.00 uur; f. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; g. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object; h. er een organisator is; i. er niet bedrijfsmatig of tegen een vergoeding alcohol wordt geschonken;j j. er niet in de openlucht vuur wordt gestookt anders dan kaarsen, fakkels en dergelijke of vuur voor koken, bakken en braden (barbecue); k. er geen evenement plaatsvindt op dezelfde datum en op dezelfde locatie; en l. de organisator ten minste 14 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5.
De burgemeester kan voorschriften stellen met het oog op een ordelijk en veilig verloop van een evenement als bedoeld in het derde lid met het oog op het voorkomen van hinder voor derden. 6. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid
4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: a. het evenement een incidenteel karakter heeft en niet langer duurt dan 1 dag; b. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; c. er geen tijdelijk bouwwerk, zoals een tent, geplaatst wordt waarin meer dan 50 personen tegelijk aanwezig kunnen zijn; d. het evenement tussen 10.00 en 24.00 uur plaats vindt; e. geen muziek ten gehore wordt gebracht na 23.00 uur; f. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; g. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object; h. er een organisator is; i. er niet bedrijfsmatig of tegen een vergoeding alcohol wordt geschonken; j. er niet in de openlucht vuur wordt gestookt anders dan kaarsen, fakkels en dergelijke of vuur voor koken, bakken en braden (barbecue); k. er geen evenement plaatsvindt op dezelfde datum en op dezelfde locatie; en l. de organisator ten minste 14 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5. De burgemeester kan binnen vijf werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het vierde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
6. De burgemeester kan voorschriften stellen met het oog op een ordelijk en veilig verloop van een evenement als bedoeld in het derde lid met het oog op het voorkomen van hinder voor derden.
of de gezondheid nadere regels stellen voor het organiseren van evenementen. 7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
7. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen wordt vernummerd naar Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Bestaande tekst Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen
Nieuwe tekst Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Het opschrift van artikel 2:27 komt te luiden: Artikel 2:27 Definitie Aan de opsomming opgenomen in artikel 2:27, eerste lid, wordt toegevoegd waterpijpcafé, komt de onderverdeling I en II te vervallen. Tevens komt in dit artikel de definitie voor paracommerciële rechtspersoon te vervallen. Deze definitie is opgenomen in artikel 2:34. Voorts worden de artikelen die zien op horeca en de exploitatie daarvan aangepast aan de op 1 juli 2021 in werking getreden Alcoholwet. Bestaande tekst Artikel 2:27 Begripsbepalingen
Nieuwe tekst Artikel 2:27 Definitie
1.In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.
a. openbare inrichting: i. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis; ii. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid; b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden
b. Een buiten de onder a bedoelde besloten ruimte liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een
geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt; c. paracommerciële rechtspersoon: dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet. 2.Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. c. Dag/avondhoreca: lunchrooms/broodjeszaken, snackbars/cafetaria’s, wijk/buurtcentra, sociaal-culturele voorzieningen, sportkantines, verenigingen en dergelijke. d. Nachthoreca: restaurants, (grand)cafés, bar(dancings) en discotheken.
Artikel 2:28 wordt als gevolg van de introductie van de Alcoholwet als volgt gewijzigd. Onderdeel e van het derde lid komt te vervallen omdat dat onderdeel een dubbeling met de Wet Bibob inhoudt. In artikel 3 in samenhang gelezen met artikel 7 van de Wet Bibob is al opgenomen dat een vergunning wordt geweigerd als die vergunning wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Tevens wordt in het 5e lid een ontheffing exploitatievergunning geïntroduceerd. Als je, én een exploitatievergunning nodig hebt én een vergunning op grond van de Alcoholwet, dan kan de burgemeester een ontheffing van de exploitatievergunningplicht verlenen. Bestaande tekst Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
Nieuwe tekst Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren indien:
3 Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:
a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving de openbare inrichting of de openbare orde of de veiligheid op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde of de veiligheid op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of
b. de exploitant of leidinggevende van slecht levensgedrag is; c. de exploitant de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;
b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
d. de exploitant onder curatele of bewind staat; e. indien sprake is van het geval en onder de voorwaarde als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 4.Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in
4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:
a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
b. een zorginstelling;
b. een zorginstelling;
c. een museum; of
c. een museum; of
d. een bedrijfskantine of -restaurant.
d. een bedrijfskantine of -restaurant.
5.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.
5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als: a. een terras als bedoeld in artikel 2:27 geen onderdeel uitmaakt van de openbare inrichting; en b. zich in de zes maanden voorafgaand aan het verzoek om vrijstelling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt, en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid en er geen terras zal worden
geëxploiteerd als bedoeld in artikel 2:27 Apv. 6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a. 7. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing Artikel 2:29 is aangepast aan het reeds door de raad vastgestelde horecabeleid. Er wordt in het beleid van 2019 geen onderscheid gemaakt tussen het sluitend van de horeca in door het college aangewezen gebieden en overige gebieden. De sluitingstijden zijn gelijk getrokken voor heel Heiloo. Voorts komt de algemene portiersverplichting te vervallen. Er wordt al jaren ontheffing verleend van deze verplichting. De horecaondernemer zelf verantwoordelijk is voor het nemen van de nodige maatregelen om de veiligheid in en rondom de horeca-inrichting te waarborgen en moet hij/zij alles in het werk stellen om overlast te voorkomen. Bestaande tekst Artikel 2:29 Sluitingstijd
Nieuwe tekst Artikel 2:29 Sluitingstijd
1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur, met uitzondering van paracommerciële rechtspersonen.
1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur, met uitzondering van paracommerciële rechtspersonen.
2. Openbare inrichtingen in door het college aangewezen gebieden zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag van 02.00 uur tot 06.00 uur en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur tot 06.00 uur.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn openbare inrichtingen die zijn aangemerkt als nachthoreca op vrijdag en zaterdag tussen 03.00 uur tot 06.00 uur gesloten indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden, a. bezoekers mogen niet meer worden toegelaten vanaf 02.30 uur; b. er dient minimaal één beveiliger aanwezig te zijn tot één uur na sluitingstijd.
3. Openbare inrichtingen in die door het college aangewezen gebieden dienen op vrijdagavond en zaterdagavond tot een uur na sluitingstijd een portier in te zetten. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de verplichting een portier in te zetten, dan wel hier nadere voorwaarden aan verbinden.
4. Paracommerciële rechtspersonen, alsmede openbare inrichtingen die gelegen zijn in een gebouw of op een terrein dat in hoofdzaak wordt gebruikt door een of meer paracommerciële rechtspersonen, zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 0.00 uur en 06.00 uur.
3. Paracommerciële rechtspersonen, zoals bedoeld in artikel 2:34a, alsmede openbare inrichtingen die gelegen zijn in een gebouw of op een terrein dat in hoofdzaak wordt gebruikt door een of meer paracommerciële rechtspersonen, zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 0.00 uur en 06.00 uur.
5. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven buiten de vastgestelde openingstijden.
4. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven buiten de vastgestelde openingstijden.
6. De burgemeester kan door middel van een vergunningsvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras.
5. De burgemeester kan door middel van een vergunningsvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras.
7. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
8.Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
7.Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
9.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
8.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 8a wordt vernummerd naar Afdeling 5 en het opschrift van deze Afdeling komt te luiden: Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet Bestaande tekst Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en horecawet
Nieuwe tekst Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Het opschrift van artikel 2:34a komt te luiden: Artikel 2:34a Definitie. Tevens worden de definities in alfabetische volgorde in de vorm van een opsomming opgenomen. Bestaande tekst Artikel 2:34a Begripsbepaling
Nieuwe tekst Artikel 2:34a Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder: • – alcoholhoudende drank, • – horecabedrijf, • – horecalocaliteit, • – inrichting, • – paracommerciële rechtspersoon,
In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank; - horecabedrijf; - horecalokaliteit; - inrichting; - paracommerciële rechtspersoon;
• – sterke drank, • – slijtersbedrijf en • – zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.
- sterke drank; - slijtersbedrijf; - zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34b wordt aangepast aan de Horecanota van 2019 en de Alcoholwet Bestaande tekst Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
Nieuwe tekst Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
1. Een paracommercieel rechtspersoon kan onverminderd artikel 2:29 alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 1 uur voor de aanvang en tot uiterlijk 1 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. 2. Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
1. Een paracommercieel rechtspersoon kan onverminderd artikel 2:29 alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 1 uur voor de aanvang en tot uiterlijk 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. 2. Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
Afdeling 9 wordt vernummerd naar Afdeling 6 en het opschrift van deze Afdeling komt te luiden Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Bestaande tekst Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Nieuwe tekst Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Het opschrift van artikel 2:35 komt te luiden: Artikel 2:35 Definitie Bestaande tekst Artikel 2:35 Begripsbepaling
Nieuwe tekst Artikel 2:35 Definitie
Afdeling 10 wordt vernummerd naar Afdeling 7 en het opschrift van deze Afdeling komt te luiden: Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Bestaande tekst Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden