Bijlage 1_Gedragscode Soortenbescherming gemeenten 2025
Tekst van het document
Waterspitsmuis A
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in het leefgebied van de waterspitsmuis. Bepalen beschermingszone door een ecologisch deskundige.
B
Herprofileren van waterlichamen wordt uitgevoerd buiten de kwetsbare perioden. Dit zijn voortplantingsperiode van april tot en met augustus en de winterrustperiode van december tot en met februari. Werkzaamheden ontzien de oeverzone met leefgebied van waterspitsmuis tot een meter in het natte profiel. Werkzaamheden vinden in maximaal 50% van de watergangen met leefgebied van waterspitsmuis plaats per jaar in stroken van maximaal 250m lengte. Er wordt geen materiaal gedeponeerd in het leefgebied van deze soort. Dempen van watergangen in het leefgebied van de waterspitsmuis is niet toegestaan.
Noordse woelmuis A
Essentiele onderdelen van het leefgebied dienen te worden ontzien door het hanteren van een beschermingszone. Geen opslag van materiaal en dergelijke in leefgebied van noordse woelmuis.
Bever en otter A
Bij essentiële onderdelen van het leefgebied van bever en otter (burcht, hol, wissels, looproutes, belangrijke foerageerlocaties) vinden geen werkzaamheden plaats. De beschermingszone(s) op basis van verstoringsvrije afstand en functionaliteit dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige, zie bijlage 5.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
85
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
B
Bij rust- en voortplantingsplaatsen worden geen werkzaamheden uitgevoerd in de kwetsbare periode. De kwetsbare periode van bever is van mei tot en met augustus en die van otter van april tot en met augustus. -
Er wordt alleen bij daglicht gewerkt en niet bij ijsgang. Schade aan de rust- en voortplantingsplaatsen wordt voorkomen. Verstoring wordt voorkomen. Dempen van water in leefgebied van bevers en otters is niet toegestaan. Wissels, zwemroutes en looproutes blijven vrij toegankelijk in de gebruiksperiode en op de gebruikstijdstippen van de soort.
4.7.5 Amfibieën Voor alle amfibieënsoorten is water van belang voor de voortplanting. Eitjes worden afgezet in tal van waterlichamen, elke soort heeft zijn eisen. Diverse soorten overwinteren echter ook in (diepere delen van) waterlichamen en maken jaarrond gebruik van de locatie. Beperkende maatregelen (D-maatregelen) zijn mogelijk voor rugstreeppad en Alpenwatersalamander.
Alle soorten A
Werkzaamheden worden niet uitgevoerd in essentieel leefgebied van amfibieën.
B
Voor soorten die overwinteren op land vinden herprofileringswerkzaamheden en achterstallig onderhoud plaats buiten de soortspecifieke voortplantingsperiode. Globaal is de geschikte werkperiode oktober tot en met februari. De exacte periode dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Na afloop van de werkzaamheden is de locatie weer geschikt voor de soort (behoud functionaliteit). Voor soorten die jaarrond in water leven vinden herprofileringswerkzaamheden buiten de kwetsbare voortplantingsperiode en winterperiode plaats. Globaal is de geschikte werkperiode september tot en met oktober. Bij deze werkzaamheden wordt maximaal 50% van de watergang per jaar bewerkt. De herprofilering mag geen afbreuk doen aan de voortplantingsmogelijkheden van de watergang voor amfibieën. Daarvoor dienen relevante (a)biotische factoren behouden te blijven zoals aanwezigheid van ondiepe zones, afwezigheid van vis, begroeide oevers. Er worden amfibieschermen gebruikt om te voorkomen dat soorten op de werklocatie terecht komen. Na de werkzaamheden is 100% van het leefgebied weer beschikbaar.
86
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Alpenwatersalamander D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk om 1 voortplantingswater per gemeente per jaar aan te tasten, mits dit weer volledig wordt hersteld en aantasting van essentieel leefgebied wordt voorkomen. De werkwijze is als volgt: -
-
-
Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode welke globaal loopt van februari tot en met half september. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een nieuw voortplantingswater aangelegd binnen bestaand leefgebied, op maximaal 400m van het oorspronkelijke voortplantingswater. Dit voortplantingswater is ondiep, maar waterhoudend in de voortplantingsperiode, met flauwe oevers en vrij van vissen. De omvang is minimaal vergelijkbaar met het oorspronkelijke voort-plantingswater. In de omgeving van het voortplantingswater is voldoende dekking aanwezig.
Rugstreeppad D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk om 1 voortplantingswater tot een maximale lengte van 500m per deelpopulatie per jaar aan te tasten, mits dit weer volledig wordt hersteld. De werkwijze is als volgt: -
-
-
-
Werkzaamheden starten buiten de kwetsbare voortplantingsperiode. Bij voorkeur werken in de periode half augustus tot en met september. Indien werkzaamheden plaatsvinden in de gebruiksperiode en dieren aanwezig kunnen zijn: dieren tijdelijk weren met een amfibieënscherm in combinatie met vangen en verplaatsen naar geschikt leefgebied buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een nieuw voortplantingswater aangelegd binnen bestaand leefgebied, op maximaal 400m van het oorspronkelijke voortplantingswater. Dit voortplantingswater is ondiep, maar waterhoudend in de voortplantingsperiode, met flauwe oevers en vrij van vissen. De omvang is minimaal vergelijkbaar met het oorspronkelijke voortplantingswater. De landhabitat rondom het voortplantingswater bestaat uit een onbeschaduwde laagbegroeide vegetatie, met een vergraafbare bodem en andere schuilmogelijkheden. Er dienen locaties boven het grondwaterniveau en vorstvrij aanwezig te zijn om de winter door te brengen.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
87
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
4.7.6 Reptielen Voor adder, gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang zijn oeverzones en vochtige randzones relevant als foerageergebied, rust- en zonlocaties. Voor ringslang is de oever tevens een voortplantingslocatie (bij aanwezigheid van broeilocaties). Negatieve effecten op reptielen dienen te worden voorkomen.
Alle soorten A
Oevers welke worden gebruikt als zon- en rustlocatie of in gebruik zijn als voortplantingsbiotoop worden bepaald door een ecologisch deskundige. Op basis van functionaliteit en verstoringsvrije afstand wordt een beschermingszone gehanteerd. Werkzaamheden alleen buiten deze zone uitvoeren.
B
Werkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd in de winterrustperiode. De winterrustperiode is van oktober tot en met maart. Werkzaamheden in de actieve periode (buiten de winterrust) zijn toegestaan als voortplantingslocaties ontbreken en als er sprake is van niet-essentieel leefgebied. Bodemmateriaal op de niet gemarkeerde oevers deponeren. Reptielen moeten de gelegenheid krijgen uit eigen beweging de werklocatie te verlaten. Materiaal, voertuigen en bodemmateriaal worden niet op oevers waar reptielen voorkomen gedeponeerd.
Ringslang A
Broeihopen van ringslang dienen te worden gespaard. Deze dienen te worden gemarkeerd door een ecologisch deskundige. Ook de directe omgeving van broeihopen niet bewerken, om beschutting, dekking en voedsel voor jonge ringslangen te behouden en de verbinding met overig leefgebied in stand houden.
D
Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk een broeihoop aan te tasten, mits dit wordt hersteld en aantasting van essentieel leefgebied wordt voorkomen. De werkwijze is als volgt: -
-
88
Aantasting van een broeihoop is enkel toegestaan buiten de periode dat deze voor voortplanting of overwintering gebruikt wordt. De beste maanden hiervoor zijn half april tot en met eind mei. Voorafgaand aan de aantasting, dienen per broeihoop minimaal 2 nieuwe broeihopen te worden gerealiseerd binnen 200m, in geschikt leefgebied. Dit onder verantwoordelijkheid van een ecologisch deskundige.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
4.7.7 Libellen Open water is voor libellen cruciaal voor de voortplanting: als ei-afzetplek en als leefgebied voor de larven. Het uitkruipen van de imago’s vindt plaats in de oevervegetatie. Daarnaast zijn met name volwassen waterjuffers gebonden aan het leefgebied boven en rondom open water. De sliblaag is van belang voor overwintering van de larven. Voorbeelden van te beschermen soorten zijn: gevlekte glanslibel, Kempense heidelibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, noordse winterjuffer. Negatieve effecten op libellensoorten dienen te worden voorkomen.
Alle soorten A
Essentiel leefgebied wordt bepaald door een ecologisch deskundige. Op basis van functionaliteit wordt een beschermingszone gehanteerd. Werkzaamheden worden alleen buiten deze zone uitgevoerd. Stromend water mag niet worden gestagneerd. Alle maatregelen moeten gefaseerd worden uitgevoerd voor het bevorderen van de waterkwaliteit en de soorten.
4.7.8 Kevers Het gaat hierbij om de gestreepte waterroofkever. De gestreepte waterroofkever leeft in onbeschaduwde, stilstaande of licht stromende wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie zonder kroos. Volwassen dieren zijn jaarrond in het water aanwezig. Boven het water uitstekende oevervegetatie is van belang voor de ei-afzet. Een goed ontwikkelde oeverzone boven de waterlijn is van belang voor verpopping. Volwassen dieren overwinteren in de sliblaag. Ook de oeverzone is van belang voor de gestreepte waterroofkever in de periode mei – juli. Verpopping vindt plaats in een holletje op het oevertalud. Negatieve effecten op deze soort dienen te worden voorkomen. Dempen is niet toegestaan in essentieel leefgebied van gestreepte waterroofkever.
Gestreepte waterroofkever A
In essentieel leefgebied van de gestreepte waterroofkever worden geen werkzaamheden uitgevoerd.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
89
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING
B
Werkzaamheden in het oevertalud worden niet uitgevoerd in de kwetsbare periode in verband met verpopping. De kwetsbare periode is van mei tot en met juli. Bij aanleg of vervanging van oeverconstructie in het leefgebied van de gestreepte waterroofkever dient het volgende voortplantingsseizoen de oeverzone te zijn hersteld of nieuw zijn aangelegd, inclusief benodigde oevervegetatie. Dit dient te worden begeleid door een ecologisch deskundige.
4.7.9 Vissen Onder de Omgevingswet zijn een aantal soorten beschermd die met name gerelateerd zijn aan snelstromend water of beken: beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver en kwabaal. Kwabaal komt ook in meren voor. Ondiepe warme delen zijn veelal van belang voor de voortplanting. Stenen en grind op de bodem worden benut voor de voortplanting. Aanwezigheid van slib en detritusbanken is van belang voor het opgroeien van de larven van beekprik. De grote modderkruiper komt voor in (deels) verlande sloten met een goed ontwikkelde vegetatie. Negatieve effecten op deze soorten dienen te worden voorkomen.
Alle soorten A
In essentieel leefgebied van beschermde vissoorten worden geen werkzaamheden uitgevoerd.
4.7.10 Weekdieren Het gaat hierbij om de platte schijfhoren. De platte schijfhoren leeft vooral in vrijwel stilstaande of zwak stromende wateren met een rijke onderwatervegetatie in het veenweidegebied. Draadwier lijkt van belang voor de ei-afzetting. Grotere volwassen dieren worden ook vaak op andere waterplanten gevonden. In de winter zakken de schelpdieren samen met de waterplanten naar de bodem. Negatieve effecten op deze soorten dienen te worden voorkomen.
Platte schijfhoren A
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in leefgebied van platte schijfhoren.
C
Voor het gefaseerd vervangen of aanleggen van oevers is het mogelijk om eenmalig maximaal 25% van het leefgebied aan te tasten waarbij essentieel leefgebied behouden blijft. Voorafgaand aan de werkzaamheden worden waterplanten met platte schijfhoren door of op aanwijzing van een ecologisch
90
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
deskundige verplaatst naar geschikt leefgebied buiten de invloedzone van de werkzaamheden. Na de werkzaamheden is weer 100% van het leefgebied beschikbaar.
4.7.11 Planten In het water gaat het om drijvende waterweegbree. Drijvende waterweegbree groeit in uiteenlopende stilstaande of zwak stromende wateren, ondergedoken of op de oever. De soort heeft baat bij locaties met kale bodems en locaties die niet snel dichtgroeien. Ook op oevers kunnen beschermde plantensoorten voorkomen. Voor alle plantensoorten dienen negatieve effecten te worden voorkomen
Drijvende waterweegbree A
Ontzien van groeiplaatsen van beschermde planten. Locaties met beschermde planten markeren en abiotische factoren zoals vocht en schaduw in stand houden.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
91
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
Deel II BESTENDIG BEHEER of ONDERHOUD (BB)
92
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
5.
WERKPROCES Bestendig beheer of onderhoud
5.1
Gehele beheerproces
Bij het voorbereiden en realiseren van bestendig beheer of onderhoud (BB) hebben diverse organisaties en diensten van organisaties een rol. Het werkproces kan worden opgedeeld in een aantal fasen. Deze gedragscode geeft invulling aan het aantoonbaar zorgvuldig handelen gedurende het totale werkproces: van voorbereiding tot en met realisatie van de beheer- of onderhoudswerkzaamheden. Wie, welke stappen uitvoert hangt af van de taakverdeling of het tussen bepaalde partijen opgestelde opdracht of contract. De rode draad in het werkproces is dat er tijdens elke stap aantoonbaar zorgvuldig wordt gehandeld en dat informatie op een juiste en volledige wijze wordt overgedragen. Het betreft de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.
Wel of geen gedragscode? (zie § 5.2). Toetsen aan verbodsbepalingen (zie § 5.3). Uitwerken zorgvuldig handelen (zie § 5.4). Zorgvuldig realiseren (zie § 5.5). Omgang met calamiteiten (zie § 5.6).
In de paragrafen hierna wordt elk onderdeel uitgewerkt.
5.2
Wel of geen gedragscode?
Het doorlopen van checklist I geeft antwoord op de vraag of inzet van de gedragscode mogelijk is. De resultaten van de drie stappen uit checklist I dienen te worden opgenomen in het contractdossier. Voor checklist I is volledige en actuele soortinformatie van de werklocatie noodzakelijk. Dit is inclusief de omgeving van de werklocatie, tot zover de invloed18 van de werkzaamheden op aanwezige soorten merkbaar is. Hiervoor is nodig:
•
Soortinformatie, van minimaal de specifiek beschermde soorten waarvoor de verboden gelden, die niet ouder is dan 3 jaar.
• •
Inzicht in de exacte locaties van rust- en voortplantingsplaatsen. Inzicht in de functionaliteit van de werklocatie als essentieel leefgebied.
18
Inventariseer de omgeving tot zover er geen invloed (bv. geluid, trilling) van de werkzaamheden meer merkbaar is
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
93
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
De werkwijze voor het verzamelen van soortinformatie is als volgt:
•
Informatie over aanwezige beschermde soorten is beschikbaar voor het beheerareaal waar wordt gewerkt. Dit betreft de vaste rust- en voortplantingsplaatsen en essentiële onderdelen van leefgebieden.
•
Informatiebronnen zoals de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) of een eigen databank met soortinformatie kunnen worden gebruikt.
•
Een ecologisch deskundige bepaalt of de soortinformatie actueel en volledig is. Een ecologische check, inventarisatie en/of locatiebezoek door een ecologische deskundige of onder aansturing van hem kan hier maakt hier onderdeel van uitmaken. Het gaat om soorten die gezien het leefgebied op de werklocatie en invloedsfeer (kunnen) voorkomen.
•
Indien soortinformatie niet beschikbaar is of onvolkomenheden bevat, dient er aanvullend te worden geïnventariseerd. Het vaststellen of het uitsluiten van soorten op een werklocatie dient volgens geldende protocollen en BIJ12-kennisdocumenten plaats te vinden indien deze beschikbaar zijn voor de soort. Bijvoorbeeld een (jaarrond) vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol (NGB). Voor soorten waarvoor geen protocol of kennisdocument beschikbaar is, bepaalt een ecologisch deskundige de inventarisatie-methode(n). De gedragscode geeft hiervoor richtlijnen, zie bijlage 4.
•
De resultaten worden geregistreerd in een beheersysteem en/of verwerkt in een rapportage. Daarin staat wie, wat, waar en hoe heeft onderzocht, wat de aanwezige soorten en type rust- en voortplantingsplaatsen zijn.
•
De resultaten vormen de basis voor het ecologisch werkprotocol.
Deze werkzaamheden kunnen bijvoorbeeld ook verwerkt worden in een onderhoudscontract en worden uitgevoerd door een opdrachtnemer. Er moet daarbij altijd aan bovenstaande punten worden voldaan.
94
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
BB-checklist I – Wel of geen gedragscode? Stap 1. Verzamelen van informatie Werkinformatie Wat zijn de kenmerken van het werk? Wat is de werklocatie en de beheergrens inclusief aan- en afvoerroutes, depots e.d.? Wat is de bestaande situatie op de werklocatie? Welke werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd? Waar is de onderhoudscyclus in vastgelegd (bv. in beheersysteem)? Wat is de aanleiding voor het werk? Is er sprake van een wettelijk belang? Wat is de planning en welke vaste data gelden?
Valt het werk onder de reikwijdte: ga verder bij Soortinformatie. Valt het werk niet onder de reikwijdte: inzet van de gedragscode is niet mogelijk. Soortenbescherming kan nog steeds een aandachtspunt zijn.
Soortinformatie -
Zijn er (vaste) rust- en voortplantingsplaatsen en/of essentiële leefgebieden van wettelijk beschermde soorten aanwezig op de werklocatie en/of binnen invloedszone van de werkzaamheden (zie § 5.2 voor de wijze van inventariseren)?
Is het antwoord ja, ga naar stap 2. Is het antwoord nee, dan is soortenbescherming geen randvoorwaarde voor het werk. Inzetten van de gedragscode is niet nodig. De algemene zorgplicht blijft wel van kracht.
Stap 2. Toetsen aan verbodsbepalingen -
Confronteer werkinformatie met soortinformatie: welke verboden worden er (mogelijk) overtreden (zie § 5.3)? Controleer ook of er sprake is van Rijks of provinciaal vrijgestelde soorten.
Wel een (mogelijke) overtreding: ga naar stap 3. Geen overtreding: soortenbescherming is geen randvoorwaarde voor het werk. Inzetten van de gedragscode is niet nodig. De algemene zorgplicht blijft wel van kracht.
Stap 3. Uitwerken zorgvuldig handelen -
Werk het zorgvuldig handelen uit conform § 5.4.
-
Neem de uitkomsten van alle stappen op in het contractdossier.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
95
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
5.3
Toetsen aan verbodsbepalingen
Wanneer worden er (mogelijk) verboden overtreden?
• Er zijn rust- en voortplantingsplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig op de werklocatie en daarmee kans op een overtreding van de verboden: doden van individuen, verstoren en beschadigen rust- en voortplantingsplaatsen.
• Er zijn rust- en voortplantingsplaatsen aanwezig buiten de werklocatie en binnen de invloedszone van de uit te voeren werkzaamheden en daarmee kans op een overtreding van het verbod verstoren.
5.4
Uitwerken zorgvuldig handelen
Het uitgangspunt voor dit onderdeel is dat er (mogelijk) verboden overtreden worden. Hiervoor dient een alternatievenafweging gemaakt te worden volgens de specifieke zorgplicht soortenbescherming, zie checklist II. Checklist II beschrijft het proces van de alternatievenafweging. Dit betreft in eerste instantie maatregelen om overtredingen van de verboden te voorkomen. Indien dit aantoonbaar niet mogelijk is EN er geldt een noodzaak (o.a. wettelijk belang, § 2.4.2) EN in de soortenlijst van bijlage 2 is aangegeven dat beperken mogelijk is dan mag er in tweede instantie in beperkte mate overtreding van de verboden plaatsvinden. Dit wordt uitgewerkt in paragraaf 5.4.1 tot en met 5.4.5. Indien het voorkomen en beperkte overtreden van de verboden niet mogelijk is dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.
96
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
BB-checklist II – Uitwerking zorgvuldig handelen Stap 1. Bepalen gebruik, functionaliteitszones en leefgebied Op basis van de soort, de locatie en de werkzaamheden wordt door een deskundige (zie § 2.4.1) per rust- en voortplantingsplaats en/of leefgebied de verstoringsvrije afstanden, de kwetsbare periode en functionaliteitszone bepaald (zie § 5.4.1, § 5.4.2 en § 5.4.3).
Stap 2. Overtreding voorkomen of beperken 1. Overtreding voorkomen De werkzaamheden zo aanpassen dat er geen verboden worden overtreden: Buiten de verstoringsvrije afstand werken. Buiten de functionaliteitszone werken (o.a. schadevrije afstand). Buiten essentieel leefgebied werken. Buiten de soort specifieke kwetsbare periode werken. De werkwijze uitwerken in het ecologisch werkprotocol op basis van de maatregelencatalogus BB (zie hoofdstuk 6). Indien dit niet mogelijk is, stap 2 uitwerken. Dit kan alleen op basis van noodzaak (o.a. een wettelijk belang, zie § 2.2.3).
2. Beperkt overtreden (uitsluitend mogelijk o.b.v. wettelijk belang) De werkzaamheden zo aanpassen dat er in beperkte mate verboden worden overtreden; bijvoorbeeld diverse alternatieven te onderzoeken door: Binnen de functionaliteitszone werken buiten de gebruiksperiode. Binnen een deel van het essentieel leefgebied werken. Op zorgvuldig wijze binnen de soortspecifieke kwetsbare periode werken. Dit uitwerken in het onderdeel specifiek zorgvuldig handelen in het ecologisch werkprotocol op basis van de maatregelencatalogus BB (zie hoofdstuk 6).
5.4.1 Bepalen verstoringsvrije afstand De verstoringsvrije afstand is de minimale afstand tussen werkzaamheden en een rust- en voortplantingsplaats waarbij er geen verstoring plaatsvindt. De werktechniek is hierbij zeer bepalend (bv. inzet bladblazer of bladhark). Het is alleen noodzakelijk de verstoringsvrije afstand te bepalen wanneer een soort een Europese beschermingsstatus (Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn) heeft en gebruik maakt van de rust- en voortplantingsplaats en/of essentieel leefgebied in de periode dat er werkzaamheden worden uitgevoerd. Bij nationale soorten kan een schadevrije afstand worden bepaald zodat de rust- en voortplantingsplaats niet wordt aangetast.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
97
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
Soorten zijn veelal gewend aan een bepaalde omvang van geluid, licht en trilling. De bestaande situatie, voorafgaand aan de werkzaamheden, is dan ook maatgevend voor de werkmethoden en werkafstanden tot een rust- en voort-plantingsplaats of essentieel leefgebied. Daarom is het noodzakelijk om verstoringsvrije afstand(en) te bepalen door een ecologisch deskundige. Bijlage 5 geeft richtlijnen en criteria voor het bepalen van deze afstand(en). De wijze waarop de verstoringsvrije afstand(en) zijn bepaald met onderbouwing opnemen in het ecologisch werk-protocol. Bij verplaatsende werkzaamheden is er op basis van de verstoringsvrije afstand sprake van een invloedszone. Het zorgvuldig handelen binnen de verstoringsvrije afstand maakt deel uit van de verdere uitwerking.
5.4.2 Bepalen kwetsbare gebruiksperiode Bij veel soorten is er sprake van een duidelijk aanwijsbare rust- en voortplantingsplaats (bv. groeiplaats, nest, hol, hoop of holte). Voor elke rust- en voortplantingsplaats geldt een soortspecifieke gebruiksperiode. Binnen die gebruiksperiode kan nog een kwetsbare periode gelden. Er kunnen drie typen gebruik van rust- en voortplantingsplaatsen worden onderscheiden: 1.
Vaste rust- en voortplantingsplaatsen, jaarrond in gebruik: De soort is jaarrond aanwezig, er geldt dan ook jaarrond zorgvuldig handelen. De kwetsbare perioden zijn de perioden van voortplanting, winterrust, bloei en zaadzetting.
2.
Vaste rust- en voortplantingsplaatsen, tijdelijk in gebruik: De soort keert na een bepaalde afwezigheid weer terug op dezelfde plek en maakt veelal ook gebruik van dezelfde verblijfplaats. De kwetsbare periode geldt indien de soort aanwezig is. Het betreft de voortplantingsperiode of rustperiode.
3.
Tijdelijke rust- en voortplantingsplaatsen: Er geldt alleen een kwetsbare periode als de soort de rust- en voortplantingsplaats in gebruik heeft.
Per soort en type rust- en voortplantingsplaats dient de specifieke kwetsbare periode bepaald te worden door een ecologisch deskundige (zie § 2.4.1). Vogels kunnen ook voor of na de aangegeven periode broeden, een ecologisch deskundige stelt vast of er sprake is van een broedgeval. Een soort kan gebruik maken van de werklocatie zonder dat er sprake is van een aanwijsbare rust- en voortplantingsplaats; dan is het (een deel van het) leefgebied. Binnen dat leefgebied kunnen bepaalde essentiële delen in een bepaalde
98
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
periode kwetsbaar zijn (bv. voedselbiotoop, overwinteringsbiotoop of voortplantingsbiotoop).
5.4.3 Bepalen functionaliteitszones Voor vaste rust- en voortplantingsplaatsen (zowel jaarrond in gebruik als tijdelijk in gebruik) en essentieel leefgebied geldt als uitgangspunt het behouden en functioneel houden daarvan. Het betreft de noodzakelijke behoeften binnen de soortspecifieke actieradius. Dit is de functionaliteitszone. Voor tijdelijke rust- en voortplantingsplaatsen is deze bepaling alleen noodzakelijk indien er binnen de kwetsbare gebruiksperiode van de rust- en voortplantingsplaats wordt gewerkt. Voorbeelden zijn:
•
In- en uitvliegruimte, in- en uitloopruimte of in- en uitzwemruimte. Bijvoorbeeld deel van het water in de watergang met de toegang tot de beverburcht en verbinding met de foerageerlocatie(s).
•
Een constant leefklimaat in en nabij de rust- en voortplantingsplaats. Bijvoorbeeld plek met bezonning van de oever met kikkerdril.
•
Beschikbaarheid van noodzakelijke bouwstoffen voor het maken en onderhouden van de voortplantingsplaats. Bijvoorbeeld natte klei voor zwaluwen nabij de nestlocatie, inclusief vrije vliegroute.
•
Beschikbaarheid van voedsel voor het continue voeden van de jongen. Bijvoorbeeld voor vleermuizen bestaat de zone uit de kraamkamer, de foerageerlocatie en de route tussen beide locaties.
•
Beschikbaarheid van open zand als ei-afzetlocatie voor zandhagedis.
Op basis van de soort en de bestaande situatie wordt door een ecologisch deskundige (zie § 2.4.1) per rust- en voortplantingsplaats of essentieel leefgebied de omvang van de functionaliteitszone bepaald en verwerkt tot beschermings-methoden zoals het markeren van een schadevrije afstand in het ecologisch werkprotocol. Indien er beschermde soorten op of nabij de werklocatie leven, zonder aanwijsbare rust- en voortplantingsplaatsen, is er alleen sprake van een leefgebied (bv. vissen in het grachtenstelsel). Ten behoeve van het behoud van deze soorten dient het essentieel leefgebied op en nabij de werklocatie in kaart te worden gebracht. Dit betreft de begrenzing en eventueel een opdeling in specifieke biotopen per kwetsbare perioden (bv. overwinteringsbiotoop en voortplantingsbiotoop). Binnen het leefgebied kan schade voorkomen of beperkt worden door te faseren en/of te geleiden (met tijdelijke voorzieningen) met behoud van de functionaliteit van de werklocatie als leefgebied. Dit is nader uitgewerkt in de maatregelencatalogus.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
99
BESTENDIG BEHEER OF ONDERHOUD
5.4.4 Opstellen ecologisch werkprotocol Het ecologisch werkprotocol vormt de opdrachtspecifieke uitwerking van de gedragscode. Het ecologisch werkprotocol beschrijft ook het zorgvuldig handelen en handelen volgens de specifieke zorgplicht. Door de uitvoering te laten plaatsvinden volgens het ecologisch werkprotocol worden negatieve gevolgen voor (beschermde) planten en dieren voorkomen dan wel tot een minimum beperkt. Het ecologisch werkprotocol dient altijd op locatie aanwezig te zijn bij de uitvoering van werkzaamheden en eenieder die werkzaam is in het projectgebied dient aantoonbaar van de inhoud op de hoogte te zijn. Het ecologisch werkprotocol wordt opgesteld aan de hand van het format uit checklist III door of in samenspraak met en of op aanwijzing van een ecologisch deskundige. Het format in checklist III is een uitbreiding op de minimaal verplichte onderwerpen uit het format ecologisch werkprotocol van RVO 19 zodat ook de praktische uitvoerbaarheid wordt geborgd. Gedurende de werkvoorbereiding wordt er een ecologisch werkprotocol op hoofdlijnen opgesteld op basis van voorgaande paragrafen. Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden wordt dit ecologisch werkprotocol verder uitgewerkt met technische specificaties voor de realisatie. Hoofdstuk 6 vormt hiervoor de basis.
Let op: bij controle van de activiteiten kunnen altijd onderliggende documenten bij een EWP (zoals logboek, natuurwaardenonderzoek, belangenonderbouwing, alternatievenonderbouwing, etc.) worden opgevraagd. Deze dienen te allen tijde beschikbaar te zijn.
BB-checklist III - Format ecologisch werkprotocol Stadswerk20 1.
Algemene gegevens Omschrijving contract waar dit ecologisch werkprotocol bij hoort. Benoem ook de naam en versie van de gedragscode. Contactgegevens (naam, telefoon en emailadres) ecologische deskundige, opdrachtnemer en opdrachtnemers.
2.
Risicoanalyse Verzamelen en ordenen informatie (werkbeschrijving): • Werklocatie en werkgrens (bestaande situatie in beeld brengen, incl kaart). • Werkzaamheden incl inzet materieel, aan- en afvoerroutes en opslagterreinen. • Wettelijk belang(en).
https://www.rvo.nl/onderwerpen/buiten-werken/gedragscode-regelen#stap-7%3A-u-vraagt-onsom-de-gedragscode-aan-te-laten-wijzen 20 Dit betreft een iets uitgebreidere versie van format van RVO zodat ook uitvoeringskant is geborgd. 19
100
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3