Bijlage 1_Gedragscode Soortenbescherming gemeenten 2025
Tekst van het document
COLOFON
De gedragscode is ontwikkeld in opdracht van: Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland
De gedragscode is tot stand gekomen in samenspraak met een uitgebreide klankbordgroep van ecologen, projectleiders, beleidsmedewerkers, beheerders en uitvoerders van gemeenten en groenbedrijven. Bij deze gedragscode is een HANDBOEK SOORTENBESCHERMING opgesteld bestaande uit de gedragscode, de handleiding voor implementatie en gebruik en een toelichting op het ecologisch werkprotocol met voorbeelduitwerkingen. Het handboek is verkrijgbaar bij Stadswerk, zie www.stadswerk.nl
Dd 2 juni 2025
Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland Postbus 416 6710 BK Ede telefoon (0318) 69 27 21 e-mail: info@stadswerk.nl website www.stadswerk.nl Deze gedragscode is samengesteld op basis van de thans beschikbare expertise en praktijkervaringen bij de samenstellers en klankbordgroep. Stadswerk staat open voor uw ervaringen en eventuele verbeteringen van deze gedragscode. U kunt uw reacties mailen aan info@stadswerk.nl. Alhoewel dit document met uiterste zorg is samengesteld kunnen aan dit document geen rechten worden ontleend. Stadswerk noch de auteurs zijn aansprakelijk voor schade die mogelijk voortvloeit uit het gebruik van dit document.
Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025 voor Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting en Bestendig beheer of onderhoud Geldigheidstermijn: 9 juni 2025 tot en met 31 maart 2030 Versie 2 juni 2025
INTRODUCTIE
VOORWOORD Voor u ligt de ‘Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025’. De eerste gedragscode van Stadswerk aangewezen onder de Omgevingswet. De aanwijzing geldt voor een periode van 5 jaar. Met deze gedragscode beschikt de sector weer over een actuele gedragscode waarmee enerzijds het zorgvuldig handelen ten aanzien van beschermde planten en dieren wordt vormgegeven en geborgd. Daarmee worden nadelige effecten aan beschermde planten en dieren voorkomen en wordt er natuurinclusief gewerkt. Anderzijds is deze gedragscode een vrijstelling voor het beperkt en onder voorwaarden aantasten van rust- en voortplantingsplaatsen en leefgebieden om daarmee werkzaamheden zorgvuldig door te kunnen laten gaan zonder langdurige trajecten voor het aanvragen van een omgevingsvergunning. Deze gedragscode is ten opzichte van de vorige versie uitgebreid en op punten gedetailleerd. Uitgangspunt blijft voor ons dat de gedragscode moet ‘aanzetten’ tot zorgvuldig handelen door de hele keten. Deze gedragscode is bedoeld voor alle Nederlandse gemeenten en voor bedrijven en organisaties die in opdracht en/of onder regie van gemeenten werken. Door een college- of raadsbesluit kan deze van toepassing worden verklaard. In dit besluit kunnen ook aanvullende voorwaarden worden geformuleerd om de gedragscode het gewenste specifiek lokale karakter te geven.
Daarnaast dient altijd een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld om de verbinding met de eigen werkzaamheden te maken. Voor een goed gebruik van de gedragscode bevelen wij gebruik van het begeleidende handboek1 aan. Deze gedragscode is inzetbaar bij onder andere de inrichting en het beheer van groenvoorzieningen maar ook voor het renoveren en na-isoleren van gemeentelijke gebouwen en het aanleggen van kabels en leidingen en bijbehorende trafokasten in het kader van de energietransitie. Het blijft een groot goed dat opdrachtnemers en opdrachtgevers met praktijkkennis samen deze richtlijnen hebben geformuleerd. De uitgebreide klankbordgroep gaf ook deze keer weer feedback op conceptversies en kwam met goede ideeën voor verbetering. Nimmer was daarbij sprake van een lichtvoetige beoordeling of advisering. Zowel de bescherming van ecologische waarden als de praktische uitvoerbaarheid werden steeds kritisch beoordeeld. Verdere uitwerking en toetsing vond plaats in samenspraak met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO, team Vergunningen Natuur en vertegenwoordigers van LVVN) en Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Dank ook aan de auteurs die deze aangepaste versie samenstelden.
Chris van Eunen Directeur Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland.
1
Zie website Stadswerk
4
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
INHOUDSOPGAVE
VOORWOORD .......................................................................................................... 4 INHOUDSOPGAVE .................................................................................................... 5 Leeswijzer
.......................................................................................................... 9
Gehanteerde begrippen ......................................................................................... 11 1.
INLEIDING ............................................................................................... 17
1.1 1.2 1.2.1 1.2.2 1.3 1.4 1.5 1.6 2.
Aanleiding ..............................................................................................................17 Soortenbescherming bij werkzaamheden .................................................17 Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting ........................................................18 Bestendig beheer of onderhoud ....................................................................18 Waarom deze gedragscode? ..........................................................................19 Doelgroepen .........................................................................................................20 Doorgevoerde wijzigingen ...............................................................................20 Geldigheidsduur gedragscode .......................................................................21
INZETBEREIK GEDRAGSCODE ................................................................... 22
2.1 Inleiding .................................................................................................................22 2.2 Wettelijk kader natuurbescherming ............................................................22 2.3 Beperkingen inzet gedragscode ....................................................................23 2.4 Zorgvuldig handelen..........................................................................................24 2.4.1 Inzet deskundigheid ..........................................................................................25 2.4.2 Wettelijke belangen ...........................................................................................26 2.4.3 Belangen versus gemeentelijke taken .......................................................27 2.4.4 Gunstige staat van instandhouding en andere bevredigende oplossing ....................................................................................................................28 Deel I 3.
........................................................................................................ 30 WERKPROCES Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting .............................. 31
3.1 3.2 3.3 3.4 3.4.1 3.4.2 3.4.3 3.4.4 3.4.5 3.5 3.6 4.
Van initiatief tot en met realisatie ...............................................................31 Wel of geen gedragscode? ..............................................................................31 Toetsen aan verbodsbepalingen ...................................................................34 Uitwerken zorgvuldig handelen .....................................................................34 Bepalen verstoringsvrije afstand ..................................................................35 Bepalen kwetsbare gebruiksperiode ...........................................................36 Bepalen functionaliteitszone ..........................................................................37 Opstellen ecologisch werkprotocol ...............................................................38 Informatieplicht (RO-activiteiten) ................................................................38 Zorgvuldig realiseren ........................................................................................40 Omgaan met calamiteiten ...............................................................................41
MAATREGELEN Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting ............................. 44
4.1 4.2 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3
Gebruik maatregelencatalogus .....................................................................44 Type maatregelen in de catalogus ...............................................................45 Gebouwen en werken .......................................................................................47 Vogels ....................................................................................................................48 Vleermuizen ..........................................................................................................53 Overige zoogdieren ............................................................................................56
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
5
INTRODUCTIE
4.3.4 4.3.5 4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.4.4 4.4.5 4.4.6 4.4.7 4.4.8 4.4.9 4.5 4.5.1 4.5.2 4.5.3 4.5.4 4.5.5 4.5.6 4.5.7 4.5.8 4.5.9 4.6 4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.6.4 4.7 4.7.1 4.7.2 4.7.3 4.7.4 4.7.5 4.7.6 4.7.7 4.7.8 4.7.9 4.7.10 4.7.11 Deel II 5.
......................................................................................................... 92 WERKPROCES Bestendig beheer of onderhoud ......................................... 93
5.1 5.2 5.3 5.4 5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.4.4
6
Amfibieën en reptielen ..................................................................................... 57 Planten ................................................................................................................... 58 Houtige begroeiingen ....................................................................................... 59 Algemeen zorgvuldig handelen .................................................................... 59 Vogels .................................................................................................................... 59 Vleermuizen ......................................................................................................... 62 Overige zoogdieren ........................................................................................... 64 Amfibieën en reptielen ..................................................................................... 66 Vlinders .................................................................................................................. 68 Libellen .................................................................................................................. 69 Kevers ....................................................................................................................
70 Planten ................................................................................................................... 70 Kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein ........................................ 71 Algemeen zorgvuldig handelen .................................................................... 71 Vogels .................................................................................................................... 71 Vleermuizen ......................................................................................................... 72 Overige zoogdieren ........................................................................................... 73 Amfibieën .............................................................................................................. 74 Reptielen ............................................................................................................... 76 Vlinders .................................................................................................................. 77 Libellen .................................................................................................................. 77 Planten ...................................................................................................................
78 (Half)verharding en terreinmeubilair ........................................................ 79 Vogels .................................................................................................................... 79 Amfibieën .............................................................................................................. 80 Reptielen ............................................................................................................... 81 Planten ................................................................................................................... 82 Wateren en oevers ............................................................................................ 83 Algemeen zorgvuldig handelen .................................................................... 83 Vogels .................................................................................................................... 83 Vleermuizen ......................................................................................................... 84 Overige zoogdieren ........................................................................................... 85 Amfibieën ..............................................................................................................
86 Reptielen ............................................................................................................... 88 Libellen .................................................................................................................. 89 Kevers .................................................................................................................... 89 Vissen .................................................................................................................... 90 Weekdieren .......................................................................................................... 90 Planten ................................................................................................................... 91
Gehele beheerproces ........................................................................................ 93 Wel of geen gedragscode? ............................................................................. 93 Toetsen aan verbodsbepalingen .................................................................. 96 Uitwerken zorgvuldig handelen .................................................................... 96 Bepalen verstoringsvrije afstand ................................................................. 97 Bepalen kwetsbare gebruiksperiode........................................................... 98 Bepalen functionaliteitszones ........................................................................ 99 Opstellen ecologisch werkprotocol ............................................................ 100
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
5.5 5.6 6.
Zorgvuldig realiseren ......................................................................................102 Omgaan met calamiteiten .............................................................................102
MAATREGELEN Bestendig beheer of onderhoud ..................................... 105
6.1 6.2 6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4 6.3.5 6.4 6.4.1 6.4.2 6.4.3 6.4.4 6.4.5 6.4.6 6.4.7 6.4.8 6.4.9 6.5 6.5.1 6.5.2 6.5.3 6.5.4 6.5.5 6.5.6 6.5.7 6.5.8 6.6 6.6.1 6.6.2 6.6.3 6.7 6.7.1 6.7.2 6.7.3 6.7.4 6.7.5 6.7.6 6.7.7 6.7.8 6.7.9 6.7.10 6.7.11
Gebruik maatregelencatalogus ...................................................................105 Type maatregelen in de catalogus .............................................................106 Gebouwen en werken .....................................................................................108 Vogels ..................................................................................................................108 Vleermuizen ........................................................................................................110 Overige zoogdieren ..........................................................................................111 Amfibieën en reptielen ...................................................................................112 Planten..................................................................................................................112 Houtige begroeiingen ......................................................................................113 Algemeen zorgvuldig handelen ...................................................................113 Vogels ..................................................................................................................113 Vleermuizen ........................................................................................................115 Overige zoogdieren
..........................................................................................116 Amfibieën en reptielen ...................................................................................119 Vlinders ................................................................................................................120 Libellen .................................................................................................................122 Kevers ..................................................................................................................122 Planten..................................................................................................................123 Kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein .......................................124 Algemeen zorgvuldig handelen ...................................................................124 Vogels ..................................................................................................................124 Vleermuizen ........................................................................................................125 Overige zoogdieren ..........................................................................................126 Amfibieën en reptielen ...................................................................................128 Vlinders
................................................................................................................129 Libellen .................................................................................................................130 Planten..................................................................................................................130 (Half)verhardingen en terreinmeubilair ...................................................131 Vogels ..................................................................................................................131 Amfibieën en reptielen ...................................................................................132 Planten..................................................................................................................132 Wateren en oevers ...........................................................................................133 Algemeen zorgvuldig handelen ...................................................................133 Vogels ..................................................................................................................134 Vleermuizen ........................................................................................................135 Overige zoogdieren ..........................................................................................135
Amfibieën.............................................................................................................137 Reptielen ..............................................................................................................138 Libellen .................................................................................................................139 Kevers ..................................................................................................................140 Vissen ..................................................................................................................141 Weekdieren .........................................................................................................142 Planten..................................................................................................................142
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
7
INTRODUCTIE
Afkortingen
....................................................................................................... 143
Literatuur
....................................................................................................... 145
BIJLAGE 1 – Relevante verboden Omgevingswet ................................................. 148 BIJLAGE 2 – Reikwijdte soorten gedragscode ...................................................... 150 BIJLAGE 3 – Reikwijdte inzet gedragscode .......................................................... 166 BIJLAGE 4 – Inventarisatie .................................................................................. 168 BIJLAGE 5 – Minimaliseren verstoring .................................................................. 172 BIJLAGE 6 – Alternatievenafweging per soort ...................................................... 174 BIJLAGE 7 - Gebruik van klepelmaaier ................................................................. 178
8
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Leeswijzer
Hoofdstuk 1 schetst de kaders die worden gevormd door de wettelijke soortenbescherming en de relatie met werkzaamheden. Hoofdstuk 2 beschrijft het inzetbereik van de gedragscode (o.b.v. artikelen 11.45, 11.53 en 11.49 uit het Besluit activiteiten leefomgeving). Daarna volgen er 2 delen:
• Deel 1, Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting (hoofdstuk 3 en 4). • Deel 2, Bestendig beheer of onderhoud (hoofdstuk 5 en 6). Van beide delen is de opzet gelijk. Elk deel begint met het werkproces en de beschrijving van het zorgvuldig handelen van voorbereiding tot en met realisatie. Aansluitend volgt er in elk deel een hoofdstuk met de maatregelen voor het concreet uitwerken van het zorgvuldig handelen. De bijlagen bij deze gedragscode zijn:
• Bijlage 1, Relevante verboden uit de Omgevingswet. • Bijlage 2, Lijst met soorten waarvoor deze gedragscode kan worden ingezet.
• Bijlage 3, Reikwijdte inzet gedragscode (RVO-beleid). • Bijlage 4, Wijze van inventariseren. • Bijlage 5, Minimaliseren van verstoring. • Bijlage 6, Alternatievenafweging per soort. Aan de hand van het door Stadswerk opgestelde ‘Handboek soortenbescherming1’ dat bij deze gedragscode hoort, kunnen gebruikers de implementatie van de gedragscode vormgeven.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
9
INTRODUCTIE
INTRODUCTIE
10
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Gehanteerde begrippen
In deze begrippenlijst zijn vooral begrippen opgenomen waarvan de mogelijk niet vanzelfsprekend is of waarvoor in deze gedragscode specifieke afspraken geleden. Aantasten Activiteiten veroorzaken negatieve effecten op een rust- en voortplantingsplaats of essentieel leefgebied. Deze effecten kunnen van tijdelijke aard zijn of tot gevolg hebben dat een locatie voor soorten ongeschikt wordt. Alternatievenafweging Beschrijving van de werkwijze, planning en locatie van een activiteit die het minst negatieve effect heeft op de beschermde soorten, meestal afgewogen tegen andere werkwijzen, planningen en locaties. Als dat niet mogelijk is, is een goede onderbouwing nodig waarom de activiteit niet uitgevoerd kan worden op een andere locatie, met een andere werkwijze, op een ander moment of met een andere inrichting van de werklocatie. Bal (Besluit activiteiten leefomgeving) In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal, onderdeel van de Omgevingswet) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid. Hoofdstuk 11 bevat de artikelen over de natuur en de soortenbescherming.
Bestendig beheer en onderhoud (BB) Regelmatig terugkerend activiteiten die zijn gericht op het handhaven van de bestaande functionaliteit van het leefgebied of de situatie met inbegrip van de aanwezige soorten. Nieuwe vormen van beheer of onderhoud, intensivering van beheer of onderhoud qua omvang of frequentie en het gebruik van nieuwe technieken voor het beheer of onderhoud vallen niet onder ‘bestendig’ maar onder ‘ruimtelijke ontwikkeling of inrichting'. Biotoop Deel van het leefgebied waar een soort gedurende het jaar of in delen van het jaar voorziet in zijn levensbehoeften zoals voor voortplanting, zomerverblijf, of winterrust. Bijvoorbeeld het water van een poel voor de kamsalamander in de zomer en een deel van een dijk in de winter. Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl, onderdeel van de Omgevingswet) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Het bevat onder meer de wettelijke belangen (zie figuur 1) die als voorwaarden voor vergunningen en de gedragscode kunnen gelden.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
11
INTRODUCTIE
Beschermingszone Fysiek gemarkeerde zone rondom een te beschermen rust- en voortplantingsplaats of essentieel leefgebied om beschadiging en verstoring te voorkomen of te beperken. Ecologisch deskundige Persoon die ecologisch advies geeft, de aanwezigheid van soorten onderzoekt of dit onderzoek aanstuurt (zowel vanuit bronnen als in het veld) en of werkzaamheden begeleidt op het gebied van met (wettelijk beschermde) soorten. RVO heeft criteria opgesteld waaraan een ecologisch deskundige dient te voldoen. Zie de website van RVO voor de actuele criteria en § 2.4.1 voor een toelichting. Een ecologisch deskundige kan zowel vanuit de opdrachtgever, opdrachtnemer als een derde partij worden geleverd; denk hierbij ook lokale soortenwerkgroepen. Ecologisch werkprotocol (EWP) Document waarin maatregelen voor het voorkomen en/of beperken van schade aan flora en fauna zijn uitgewerkt. Tijdens de planvorming en werkvoorbereiding worden hierin effecten van inventarisaties op werkzaamheden, gemaakte keuzes en het zorgvuldig handelen uitgewerkt. Voorafgaand aan de realisatie worden de technische specificaties voor een zorgvuldige uitvoering toegevoegd. Het ecologisch werkprotocol is een onderdeel van het plan van aanpak zoals dat wordt gevraagd in contract systematieken (o.a. de RAW-systematiek).
Essentieel leefgebied Betekenis van de werklocatie voor een soort als essentieel foerageergebied of essentiële migratieroute gekoppeld aan een vaste rust- en voortplantingsplaats binnen en buiten de werklocatie. Flora- en fauna-activiteit In de Omgevingswet genoemd begrip voor een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. In deze gedragscode betreft het activiteiten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting of activiteiten in het kader van bestendig beheer of onderhoud. In deze gedragscode hanteren we in de maatregelencatalogi in hoofdstuk 4 en 6 het begrip ‘werkzaamheden’. Van een flora- en fauna-activiteit is sprake als de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor aanwezige beschermde dier- en plantsoorten. Functionaliteitszone Zone rond een rust- en voortplantingsplaats die voorziet in de noodzakelijke behoeften van de soort zoals in- en uitvliegruimte, in- en uitloopruimte of in- en uitzwemruimte. Bijvoorbeeld water in de watergang met de toegang tot de beverburcht en verbinding met de foerageerlocatie(s) of plek voor bezonning van de oever met kikkerdril of plek waar natte klei voor zwaluwen nabij de nestlocatie, inclusief vrije vliegroute beschikbaar is.
Kleine zomer- en winterverblijfplaatsen vleermuis Een kleine zomer- of winterverblijfplaats bevat tot maximaal 10 dieren van gewone dwergvleermuis en tot maximaal 5 dieren van ruige dwergvleermuis.
12
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Kraamverblijfplaats vleermuis Vleermuisverblijfplaats waar de vrouwtjes vleermuizen hun jongen grootbrengen binnen de kraamperiode. Deze verblijfplaatsen vallen buiten de reikwijdte van gedragscodes. Kwetsbare periode Dit zijn de soortspecifieke perioden waarbij er sprake is van voortplanting of winterrust. De exacte periode dient te worden bepaald door een ecologisch deskundige. Zie de landelijke natuurkalenders voor vogels en overige soortgroepen voor de indicaties hiervan. Leefgebied Zie essentieel leefgebied. Omgevingscheck Onderzoeken en vaststellen of er voor een bepaalde soort voldoende mogelijkheden voor alternatieve rust- en voortplantingsplaatsen en of bijbehorend leefgebied in de directe omgeving van de werklocatie beschikbaar zijn. Dit ter beoordeling door een ecologisch deskundige. Omgevingsregeling De Omgevingsregeling is een ministeriële regeling bij de Omgevingswet. De regeling bouwt voort op de wet en op de 4 algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit, Bkl, Bal en Bbl. Het gaat vooral om technische en administratieve regels. In deze regeling is onder meer de aanwijzing van gedragscodes geregeld (zie artikelen 4.23a, 4.26a en 4.31a). Paarverblijfplaats vleermuis Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren, of komen zwermen.
Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen (zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor). In de praktijk worden paarverblijfplaatsen soms ook gebruikt als een kleine winterverblijfplaats. Planvorming Fase van een project waarin onderzoeken (inventarisaties) plaatsvinden en het ontwerp of de werkopdracht wordt bepaald. Realisatie Fase van een project waarin het plan daadwerkelijk wordt aangelegd c.q. gerealiseerd. Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting (RO) In het kader van de Omgevingswet en bijbehorende besluiten en regelingen (onderdeel soortenbescherming, zie bijlage I) betreft dit een fysieke verandering en/of functieverandering van een terrein, gebouw of voorziening waardoor ook de ecologische functie kan veranderen.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
13
INTRODUCTIE
Rust- en voortplantingsplaats Locatie van een soort om te rusten of zich voort te planten. Elke soort kent zijn eigen type rust- en voortplantingsplaats(en). Ook de onderdelen van de omgeving die onlosmakelijk met het functioneren van de locatie zijn verbonden worden tot rust- en voortplantingsplaats gerekend. Schadevrije afstand Dit is de minimale afstand tussen de werkzaamheden en een rust- en voortplantingsplaats van een aanwezige beschermde soort zodat de rust- en voortplantingsplaats niet wordt aangetast. De ecologisch deskundige bepaalt deze afstand. Soortspecifieke broedperiode Vrijwel jaarrond broeden er vogels. Elke vogelsoort heeft een eigen broedperiode. Hiervoor kan de natuurkalender broedvogels van RVO als richtlijn worden aangehouden, zie website RVO. Verblijfplaats vleermuis Afgebakende en aaneengesloten locatie in een gebouw of boom waar 1 of meerdere vleermuizen verblijven. Het gaat om de gehele ruimte die vanuit de invliegopeningen kan worden bereikt. Soms is dit een deel van een gevel of dak en soms de gehele gevel. Verstoren Het direct of indirect beïnvloeden van het voortplantingssucces en/of de overlevingskansen van vogels en Europees beschermde diersoorten zonder dat daarbij sprake is van fysieke schade aan de soort of rust- of voortplantingsplaatsen.
Verstoringsvrije afstand Dit is de minimale afstand tussen de werkzaamheden en een aanwezige beschermde soort en/of rust- en voortplantingsplaats waarbij er geen verstoring plaatsvindt (zie bijlage 5). De ecologisch deskundige bepaalt de verstoringsvrije afstand. Voedselplanten Planten die aantrekkelijk zijn voor bijen, vlinders en andere insecten als voedselbron, maar niet direct afhankelijk zijn van deze planten. Waardplanten Plantensoorten die noodzakelijk zijn voor de voortplanting en ontwikkeling van een insect. Op deze plant doorloopt de soort meerdere ontwikkelstadia (o.a. ei en larve). Werklocatie Door middel van een werkgrens (inclusief transportroutes en depots) afgebakend gebied waarbinnen werkzaamheden plaatsvinden. Werkvoorbereiding Fase van een project waarin de technische uitwerking van een plan plaatsvindt, ter voorbereiding op de realisatie.
14
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Winterverblijfplaats vleermuis Verblijfplaats waar vleermuizen bij aanhoudende vrieskou in een groep overwinteren, veelal een sociale functie via middernachtzwermen. Er geldt geen minimumaantal, maar wel eisen ten aanzien van klimatologische omstandigheden. Een kleine winterverblijfplaats bevat tot maximaal 10 dieren van gewone dwergvleermuis en tot maximaal 5 dieren van ruige dwergvleermuis. Grotere winterverblijven vallen buiten de reikwijdte van gedragscodes. Zeldzame soorten Het betreft in de Nederland kwetsbare en bedreigde soorten, zoals zijn genoemd op de Rode Lijsten. Zomerverblijfplaats vleermuis Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn en waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Een kleine zomerverblijfplaats bevat tot maximaal 10 dieren van gewone dwergvleermuis en tot maximaal 5 dieren van ruige dwergvleermuis. Grotere verblijfplaatsen vallen buiten de reikwijdte van gedragscodes. Zorgplicht In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal, onderdeel van de Omgevingswet) zijn diverse specifieke zorgplichten uitgewerkt. Ook in het kader van soortenbescherming geldt een specifieke zorgplicht (zie bijlage 1).
Zorgvuldig handelen Zorgvuldig handelen gaat verder: de aanvrager moet actief en aantoonbaar optreden om schade aan een soort te voorkomen, te beperken en/of ongedaan te maken. Wat dat in de praktijk betekent, verschilt van geval tot geval.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
15
INTRODUCTIE
Hoe deze gedragscode te gebruiken in 10 stappen 1.
Bepaal of de voorgenomen werkzaamheid/flora- en fauna-activiteit onder het inzetbereik van deze gedragscode valt, zie § 1.1, § 1.2, § 2.2 en § 2.3.
2.
Zet voor elke stap in het werkproces passende deskundigheid in, zie § 2.4.1.
3.
Bepaal welk onderdeel van de gedragscode gevolgd dient te worden, zie § 2.1.
Vervolg per onderdeel (Ruimtelijk ontwikkeling of inrichting (zie hoofdstuk 3 en 4) OF Bestendig beheer of onderhoud (zie hoofdstuk 5 en 6)): 4.
Bepaal of de gedragscode nodig is, zie § 3.2 of § 5.2.
5.
Bepaal de mate van zorgvuldig handelen: voorkomen of beperken van nadelige effecten op soorten, zie § 3.3 en § 3.4 of § 5.3 en § 5.4.
6.
Werk de aanpak uit tot een ecologisch werkprotocol op hoofdlijnen, zie § 3.4.4 en § 3.5 voor RO en § 5.4.4 en § 5.5 voor BB.
7.
Informeer het bevoegd gezag over ruimtelijke ontwikkelingen (projecten of activiteiten) indien er mogelijk verboden worden overtreden. Dit omdat er dan gebruik wordt gemaakt van de juridische vrijstelling van de gedragscode. Het mogelijk wel/niet overtreden van verboden dient bepaald te worden door een ecologisch deskundige. Informeren houdt in dat 4 weken voorafgaand aan de start van de werkzaamheden (realisatiefase) het ecologisch werkprotocol wordt opgestuurd (zie 3.5).
8.
Werk voor de start van de uitvoering het ecologisch werkprotocol technisch uit, zie § 3.6 en § 5.6.
9.
Realiseer het project aantoonbaar op basis van het ecologisch werkprotocol.
10.
Bewaar het project- of contractdossier met het volledige ecologisch werkprotocol en bijhorende informatie in elk geval 5 jaar.
16
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding
Deze ‘Gedragscode soortenbescherming voor gemeenten 2025’ is de opvolger van de ‘Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2023’ van Koninklijke Vereniging Stadswerk Nederland. De aanwijzing2 geldt voor een periode van 5 jaar. Bij aanwijzing per 1 juni 2025 is dat tot en met 31 maart 2030. Deze gedragscode is van toepassing op voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden voor locaties met wettelijk beschermde soorten. Daarmee zijn de werkzaamheden volgens de Omgevingswet flora- en fauna-activiteiten geworden. De gedragscode geeft invulling aan aantoonbaar zorgvuldig handelen. Het betreft een uitwerking van de soortenbescherming van het onderdeel flora- en fauna-activiteit uit de Omgevingswet. Centraal hierin staat: behoud en herstel van ’dier- en plantensoorten3. Flora- en fauna-activiteiten kunnen tot gevolg hebben dat individuele planten en dieren en bepaalde rust- en voortplantingsplaatsen nadelige effecten ondervinden. Door te handelen volgens deze gedragscode, worden negatieve effecten op (lokale) populaties van beschermde dieren en planten inzichtelijk gemaakt en voorkomen of beperkt. Daarvoor wordt er met deze gedragscode een degelijke procedure doorlopen vanaf de voorbereiding tot en met de realisatie en wordt biodiversiteit aantoonbaar behouden.
Deze gedragscode is toepasbaar in de contract-systematiek en contractvoorwaarden zoals die in Nederland worden gehanteerd bij de uitvoering van werkzaamheden. Het betreffen met name RAW- en STABU-bestekken, RVOI (regeling verhouding opdrachtgever en ingenieursbureaus), DNR (De Nieuwe Regeling, idem voor adviesbureaus), UAV (Uniforme Administratieve Voorwaarden; voorwaarden bij bestekken) en UAV-GC (voorwaarden bij geïntegreerde contracten).
1.2
Soortenbescherming bij werkzaamheden
Deze gedragscode is bedoeld voor het zorgvuldig handelen bij het voorbereiden en uitvoeren van werkzaamheden op plaatsen met wettelijk beschermde soorten. Deze flora- en fauna-activiteiten dienen te vallen onder ruimtelijke ontwikkeling of inrichting (RO) of onder bestendig beheer of onderhoud (BB), zie artikelen 11.45, 11.53
2
Onder de Omgevingswet wordt ‘goedkeuring’ van een gedragscode ‘aanwijzing’ genoemd.
3
Zie artikel 2.18 in de Omgevingswet.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
17
INTRODUCTIE
en 11.59 in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als onderdeel van de Omgevingswet. Deze gedragscode voorziet daarin op 2 niveaus:
• Wettelijke borging: een door de Minister aangewezen gedragscode is een in de wet beschreven juridisch instrument om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit uit te voeren.
• Praktische borging: Deze gedragscode beschrijft hoe het zorgvuldig handelen specifiek en aantoonbaar dient te worden ingevuld. Omdat er bij gemeenten en bedrijven en organisaties die in opdracht en/of onder regie van gemeenten werken meestal een duidelijke organisatorische scheiding is, tussen het werkproces “ruimtelijke ontwikkeling of inrichting” en het werkproces “bestendig beheer of onderhoud”, zijn deze processen in deze gedragscode in twee aparte delen uitgewerkt.
1.2.1
Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting
In het kader van de Omgevingswet en bijbehorende besluiten en regelingen (onderdeel soortenbescherming, zie bijlage I) worden onder ruimtelijke ontwikkeling of inrichting (RO) activiteiten verstaan die een fysieke verandering en/of functieverandering van een terrein, gebouw of voorziening (de werklocatie) tot gevolg hebben4. In de praktijk spreken we dan van (ver)-bouwen, (her-)inrichten, aanleggen, reconstrueren, groot onderhoud, omvormen of een verandering in beheer of gebruik. Meestal worden dergelijke activiteiten gerealiseerd in de vorm van een project. Enkele voorbeelden van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting zijn:
• Verwijderen, aanleggen of aanpassen van een lokaal fiets-/voetpad of een ontsluitingsweg.
• Dempen, aanleggen of aanpassen van een sloot, gracht of vijver. • Renoveren of (uit)bouwen van een kantoor of een fietsbrug. • Verwijderen, aanleggen of verjongen van een haag, een boomgroep of bosplantsoen. In hoofdstuk 4 staan per paragraaf in de maatregelencatalogus de relevante floraen fauna-activiteiten/werkzaamheden vermeld waarvoor deze gedragscode kan worden ingezet.
1.2.2
Bestendig beheer of onderhoud
Bestendig beheer en onderhoud (BB) is regelmatig terugkerend beheer of onderhoud (cyclisch). De activiteiten zijn gericht op het handhaven van de bestaande functionaliteit van de locatie (met inbegrip van de aanwezige soorten). 4
Zie Bal artikelen 11.45 Bal (VR-soorten), 11.53 (VR-soorten); 11.59 (andere soorten).
18
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Intensivering van beheer of onderhoud qua omvang of frequentie en het gebruik van nieuwe technieken voor het beheer of onderhoud vallen niet onder ‘bestendig’ maar onder ‘ruimtelijke ontwikkeling of inrichting'. Enkele voorbeelden van bestendig beheer en onderhoud zijn:
• Eén keer per drie jaar snoeien van een (laan)beplanting. • Twee keer per jaar maaien van een wegberm. • Eén keer per zeven jaar schilderen van een gebouw. In hoofdstuk 6 staan per paragraaf in de maatregelencatalogus de relevante floraen fauna-activiteiten/werkzaamheden vermeld waarvoor deze gedragscode kan worden ingezet.
1.3
Waarom deze gedragscode?
Er gelden vier belangrijke motieven om deze gedragscode toe te passen: Juridische motieven (voldoen aan de wet) a.
Juridische motief met erkend belang: benutten van de wettelijke ruimte die een gedragscode biedt. Bepaalde verbodsbepalingen gelden niet meer, wanneer wordt gewerkt volgens een gedragscode. Er moet dan wel sprake zijn van een wettelijk erkend belang (zie § 2.4.2), en aantoonbaar conform deze gedragscode en het aanwijzingsbesluit worden gewerkt.
b. Juridisch motief zonder erkend belang: door het nemen van bepaalde voorzorgsmaatregelen kan een overtreding van de Omgevingswet worden voorkomen. Middels deze gedragscode kunnen die voorzorgsmaatregelen zorgvuldig worden voorbereid en uitgevoerd. Er is dan sprake van aantoonbaar zorgvuldig handelen. Deze aanpak is o.a. inzetbaar bij flora- en fauna-activiteiten waarvoor geen erkend belang geldt, maar waar wel sprake is van wettelijk beschermde soorten. Overige motieven c.
d.
Maatschappelijk motief: invulling geven aan duurzaam behouden en ontwikkelen (bijvoorbeeld: circulaire economie, Lifecycle Engineering, natuur-inclusief bouwen of Breeam). Deze gedragscode geeft belangrijke handvatten op basis waarvan duurzaamheid (inclusief programma versterken biodiversiteit) een concrete invulling krijgt. Sectoraal motief: in het verleden zijn diverse gedragscodes opgesteld door o.a. individuele gemeenten. De Rijksoverheid en provincies willen vanuit uitvoerings- en handhavingsoogpunt het aantal gedragscodes beperken.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
19
INTRODUCTIE
1.4
Doelgroepen
Deze gedragscode is inzetbaar bij voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden ten behoeve van de realisatie van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting EN bestendig beheer of onderhoud door gemeenten en bedrijven en organisaties die in opdracht van en/of onder regie van gemeenten werken. In het geval er sprake is van gedeeld opdrachtgeverschap waarbij meerdere opdrachtgevers beschikken over een gedragscode (bijvoorbeeld die van de waterschappen of de gedragscode bosbeheer) dient de meest geschikte gedragscode van toepassing te worden verklaard.
1.5
Doorgevoerde wijzigingen
Ten opzichte van de vorige Stadswerk gedragscode – versie 2023 – zijn per 2025 de volgende wijzigingen op hoofdlijnen verwerkt:
• Wijziging van het wettelijk kader (Omgevingswet). • Wijzigingen in het inzetbereik van een gedragscode*. • Wijzigingen in de wijze van zorgvuldig handelen met name in maatregelcatalogus Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting*. * Het inzetbereik van de gedragscode is aangepast aan de soortenlijsten uit het Reikwijdtedocument van RVO (versie november 2023), zie bijlage 3. De omschrijvingen van de maatregelen in de catalogi zijn gesynchroniseerd met die van het Reikwijdtedocument van RVO (versie november 2023). Uitgezonderd enkele D-maatregelen voor huismus, gierzwaluw en vleermuis. De maatregelen voor het werken aan gebouwen zijn gebaseerd op het Handboek Na-isolatie en renovatie voor gebouwbewonende soorten'.
20
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Handboek ‘Na-isolatie en renovatie voor gebouwbewonende soorten’ Het handboek bestaat uit verschillende deeldocumenten en is deels nog in ontwikkeling: • Deel 1: Kennisdocument, versie 1.0, 1 maart 2023. • Deel 2: Leidraad natuurvrij maken, versie 22 maart 2023. • Deel 3: Maatregelencatalogus, versie 22 maart 2023. • Deel 4: Onderzoeksprotocol gierzwaluw (grote gebieden), rapport 2023/105*. • Deel 5: Monitoringsprotocol, in ontwikkeling.
Bron: RVO en SOVON
1.6
Geldigheidsduur gedragscode
Een gedragscode is vanaf het moment van aanwijzing 5 jaar geldig, in dit geval tot en met 31 maart 2030. De gedragscode wordt in jaar 4 na aanwijzing door Stadswerk geëvalueerd. Het gaat om een evaluatie onder de gebruikers van de gedragscode voor zover deze vanuit Stadswerk te benaderen zijn. De evaluatie wordt gebruikt bij het opstellen van een nieuwe gedragscode. Aanpassingen kunnen bijvoorbeeld nodig zijn naar aanleiding van opgedane ervaringen met het werken volgens de gedragscode. De evaluatie wordt ook gedeeld met RVO en waarbij er wordt aangegeven op welke wijze de onderdelen van de evaluatie verwerkt zijn in de nieuwe gedragscode.
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
21
INTRODUCTIE
2.
INZETBEREIK GEDRAGSCODE
2.1
Inleiding
Dit hoofdstuk gaat in op het wettelijk kader, de eisen en beperkingen aan de inzet van de gedragscode en het kader voor zorgvuldig handelen. Na dit hoofdstuk is er sprake van 2 delen in de gedragscode. Bepaal het juiste deel van de gedragscode op basis van onderstaande vragen.
• Betreft de flora- en fauna-activiteit een ruimtelijke ontwikkeling of inrichting (zie § 1.2)? Ga dan verder bij deel I (hoofdstuk 3 en 4).
• Betreft de flora- en fauna-activiteit bestendig beheer of onderhoud (zie § 1.2)? Ga dan verder bij deel II (hoofdstuk 5 en 6).
2.2
Wettelijk kader natuurbescherming
Voor 1 januari 2024 was de bescherming van flora en fauna geregeld in de Wet natuurbescherming. De Rijksoverheid heeft deze wet, samen met 25 andere wetten, geïntegreerd tot één Omgevingswet die per 1 januari 2024 in werking is getreden. De wettelijke natuurbescherming is uitgewerkt in de volgende documenten:
• • • • •
Ow: Omgevingswet. Bal: Besluit activiteiten leefomgeving. Bkl: Besluit kwaliteit leefomgeving. Ob: Omgevingsbesluit. Or: Omgevingsregeling.
Soortenbescherming Deze gedragscode is een uitwerking van soortenbescherming bij een flora- en faunaactiviteit. Bij flora- en fauna-activiteiten geldt de specifieke zorgplicht soortenbescherming, zie bijlage 1. Tevens heeft de minister bepaalde soorten specifiek beschermd. De bescherming van deze soorten is nader uitgewerkt in verbodsbepalingen, zie bijlage 1. Deze beschermde soorten zijn in de eerste plaats ontleend aan Europese afspraken, vastgelegd in verdragen (Bern en Bonn) en richtlijnen (Habitat- en Vogelrichtlijn). In de tweede plaats is een lijst met andere (nationaal) beschermde soorten in de wet opgenomen. Een overzicht van de beschermde soorten is bijgevoegd in bijlage 2.
22
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Vrijgestelde soorten Rijksoverheid en provincies hebben de bevoegdheid om een vrijstelling te verlenen van bepaalde verboden voor bepaalde beschermde soorten bij bepaalde flora- en fauna-activiteiten. De reikwijdte van de vrijstelling is door elke provincie uitgewerkt in haar eigen Omgevingsverordening en het staat de provincies vrij om deze verordening te wijzigen. Aanvullend kunnen provincies programma’s maken met specifieke vrijstellingen voor flora- en fauna-activiteiten. Ondanks dat een soort is vrijgesteld kan deze gedragscode nog steeds worden gehanteerd voor het zorgvuldig omgaan met deze soort. LET OP: de vrijstelling geldt vaak voor slechts een enkel verbod en niet voor alle verboden! Raadpleeg voor actuele vrijstellingen de provincie waarin de werkzaamheden gaan plaatsvinden.
Soortenmanagementplannen Een gemeente kan beschikken over een geldend soortenmanagementplan (SMP) met gebiedsgerichte ontheffing/omgevingsvergunning. De realisatie van maatregelen op basis van een dergelijk soortenmanagementplan kan worden uitgewerkt in het ecologisch werkprotocol van de gedragscode. Daarnaast ligt de focus van een soortenmanagementplan op bestaande gebouwen en gebouwbewonende soorten en is daarmee geen vervanger van een gedragscode. Werkzaamheden aan/bij wegen, water en groenvoorzieningen vallen meestal buiten een soortenmanagementplan en kunnen mogelijk op basis deze gedragscode plaatsvinden. Beide instrumenten kunnen dus naast elkaar worden ingezet.
2.3
Beperkingen inzet gedragscode
De inzet van deze gedragscode is afgebakend door de ‘Beleidsregel aanwijzing gedragscodes soortenbescherming en houtopstanden’ en achterliggende Reikwijdtedocumenten van RVO5.
Reikwijdte Deze gedragscode is gebaseerd op het inzetbereik zoals omschreven in de Reikwijdtedocumenten van RVO. Het betreft de volgende versies: -
Reikwijdtedocument, versie 1.1, november 2023. Bijlage 1 – soortenlijst, versie 1.1, november 2023. Bijlage 2 – maatregelencatalogus, versie 2.1, november 2023.
Activiteiten die plaatsvinden op zee, vallen buiten de reikwijdte van deze gedragscode.
5
https://www.rvo.nl/onderwerpen/buiten-werken/gedragscode-regelen
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
23
INTRODUCTIE
De activiteiten bij ruimtelijke ontwikkeling of inrichting dienen te passen binnen de afgesproken reikwijdte per soort, zie bijlage 2. Daarnaast is de reikwijdte afgebakend door de maatregelen zoals beschreven in de maatregelcatalogus, zie hoofdstuk 4. Voor bestendig beheer of onderhoud geldt in principe dat alle beschermde soorten onder de vrijstelling van de gedragscode kunnen vallen, mits dit beheer ook is gericht op het handhaven van de bestaande functionaliteit van het leefgebied van de aanwezige beschermde soorten.
Uitgezette soorten In het wild levende exemplaren van soorten die zijn uitgezet of uitgezaaid, buiten hun natuurlijk verspreidingsgebied, vallen niet onder de bescherming van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Voor deze exemplaren is geen gedragscode nodig.
2.4
Zorgvuldig handelen
Op locaties met beschermde soorten, dient zorgvuldig te worden gehandeld met als uitgangspunten:
• • • • •
Niet doden en niet vangen van aanwezige beschermde soort(en). Niet verstoren van aanwezige Europees beschermde soort(en). Behoud van aanwezige rust- en voortplantingsplaatsen. Behoud van functionaliteit aanwezige rust- en voortplantingsplaatsen. Behoud van essentieel leefgebied.
In de gedragscode wordt onderscheid gemaakt tussen het voorkomen van nadelige effecten en het beperkt overtreden van verboden.
Voorkomen van nadelige effecten (voorkomen van overtreding van verboden) Met de gedragscode kan worden gewerkt als nadelige effecten aan beschermde soorten, hun rust- en voortplantingsplaatsen en daaraan gekoppeld essentieel leefgebied wordt voorkomen. De essentie hierbij is:
• Op werklocaties met essentieel leefgebied en/of rust- en voort-plantingsplaatsen buiten de kwetsbare perioden werken. Dit in combinatie met behoud van vaste rust- en voortplantingsplaatsen en de daarbij behorende functionaliteit van de werklocatie voor aanwezige soorten.
• Voldoende afstand houden bij rust- en voortplantingsplaatsen om verstoren en beschadigen te voorkomen.
• Voorkomen van nadelige effecten aan (individuen van) soorten.
24
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Beperkte nadelige effecten (beperkt overtreden van verboden) In bepaalde situaties is het op basis van inzet van deze gedragscode in beperkte mate toegestaan verblijfplaatsen en leefgebied te beschadigen, te vernielen of weg te nemen of te verstoren. In bijlage 2 staat dan bij de soort “beperken”. Hiervan kan gebruikt gemaakt worden indien de volgende criteria gelden:
• De flora- en fauna-activiteit valt onder een in de wet genoemd belang (zie § 2.4.2 en § 2.4.3) (belang onderbouwen).
• De flora- en fauna-activiteit moet op die locatie worden uitgevoerd (noodzaak aantonen).
• De flora- en fauna-activiteit moet op dat moment worden uitgevoerd (noodzaak aantonen).
• De flora- en fauna-activiteit moet op die manier worden uitgevoerd (werkwijze onderbouwen). Het onderzoeken van alternatieven voor de voorgenomen flora- en fauna-activiteit dan wel voor de aanwezige soorten kan hier deel van uitmaken. Tevens kunnen ‘mitigerende’ maatregelen noodzakelijk zijn om nadelige effecten te beperken.
Bewezen effectieve maatregelen De in deze gedragscode genoemde maatregelen zijn gebaseerd op bewezen effectieve maatregelen. Een maatregel is bewezen effectief wanneer de maatregel minimaal geen negatief effect en bij voorkeur een positief effect heeft op de aanwezige soort (aantallen) en de functionaliteit van de werklocatie en de directe omgeving voor de soort als leefgebied. Het is daarbij van belang dat voldoende studies deze effectiviteit hebben aangetoond. Wanneer studies ontbreken, kunnen maatregelen wel in de praktijk beproefd zijn en hun effectiviteit op projectniveau bewezen hebben (best practices). Deze maatregelen zijn ook in de deze gedragscode opgenomen. Voor bewezen effectieve maatregelen verwijst de gedragscode naar de landelijke kennisdocumenten (zie websites van BIJ12 en RVO).
2.4.1 Inzet deskundigheid Het invullen en borgen van de wettelijke soortenbescherming en het zorgvuldig handelen vereist een bepaalde deskundigheid van betrokkenen. Tenminste dient 1 ecologisch deskundige te worden betrokken. De Rijksoverheid heeft deze deskundigheid beschreven in de Omgevingsregeling6, de Beleidsregel7 en op de website van RVO. In het tekstkader staat de actuele definitie. Deze eisen gelden in deze gedragscode voor zowel een ruimtelijke ontwikkeling als bestendig beheer en onderhoud. Een Artikel 7.197j, onderdeel 2a Artikel 7 in de Beleidsregel aanwijzing gedragscodes soortenbescherming en houtopstanden en punt 7.6 in de toelichting 6 7
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
25
INTRODUCTIE
ecologisch deskundige kan zowel vanuit de opdrachtgever, opdrachtnemer als een derde partij worden geleverd; denk hierbij ook aan lokale soortenwerkgroepen.
RVO Definitie ecologisch deskundige (2 januari 2025) Wat doet een ecologisch deskundige? Een ecologisch deskundige speelt een rol bij flora- en fauna-activiteiten. Dit geldt voor één of meer stappen, van vooronderzoek tot de aanvraag van een omgevingsvergunning. Soms is hij of zij onderzoeker of adviseur. Een ecologisch deskundige heeft de volgende taken en rollen: de aanwezigheid van beschermde soorten onderzoeken; adviseren over schadebeperkende maatregelen; adviseren over vrijstellingen en beschikbare gedragscodes; adviseren over alternatieven in werkwijzen, locatie of periode; helpen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Soms moet de deskundige aanwezig zijn om te controleren of de werkzaamheden juist worden uitgevoerd. Eisen aan kennis en ervaring Een ecologisch deskundige is een persoon met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring. Hij of zij geeft ecologisch advies en/of begeleidt werkzaamheden op het gebied van habitats (natuurlijke leefgebieden) en soorten. En heeft voldoende kennis en jarenlange ervaring om ecologisch onderzoek te kunnen doen. Hiermee bedoelen we dat de ecologisch deskundige: de functionaliteit van leefgebieden van beschermde soorten (her)kent; kennis heeft van algemeen erkende onderzoeksmethoden; ecologische werkprotocollen kan uitwerken; specifieke maatregelen kan begeleiden.
Bron website RVO en toelichting bij art 7.6 Beleidsregel aanwijzing gedragscode
Het aanbod ecologisch deskundigen is in verhouding tot de hoeveelheid flora- en fauna-activiteiten schaars. Naast de ecologisch deskundige zijn ook diverse andere functies betrokken bij dergelijke activiteiten. Daarom zijn Stadswerk, VNG en branchevereniging VHG sinds 2007 actief bezig met het bevorderen van ecologische kennis en kunde in de sector. Dit om met ecologisch deskundigen te kunnen samenwerken en ook om meer kennis en kunde in de sector te krijgen. Meer informatie hierover is te vinden op de website van Stadswerk (onder Natuurwetgeving).
2.4.2 Wettelijke belangen Door het toepassen van deze gedragscode mogen de verboden ten aanzien van soortenbescherming (in beperkte mate) overtreden worden. Dit mag alleen als er sprake is van één of meerdere in de wet genoemde belangen, er geen andere bevredigende oplossing voor de activiteit bestaat en de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van deze soort. Dit in relatie tot de beschermingsstatus van de aanwezige soorten, zie figuur 1.
26
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025
Vogels
Habitatrichtlijnsoorten
Nationale soorten
8.84j
8.84k
8.84l
1. Volksgezondheid
b1
b3
b3
2. Openbare veiligheid
b1
b3
b3
3. Veiligheid van het luchtverkeer
b2
-
-
4. Bescherming wilde flora en fauna en van de natuurlijke habitats
b4
b1
b1
5. Dwingende redenen van groot openbaar belang (sociaal, economisch, wezenlijk gunstig effect voor milieu)
-
b3
b3
Artikelen waar in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wettelijke belangen staan
Figuur 1, De met RVO afgesproken geldende wettelijk belangen voor BB en RO per categorie soorten.
2.4.3 Belangen versus gemeentelijke taken Flora en fauna-activiteiten die binnen de reikwijdte van het “beperken” binnen deze gedragscode vallen, worden uitgevoerd in het kader opgedragen (wettelijk) taken8. Deze taken zijn nodig om de inwoners van gemeenten gezond, veilig en prettig te kunnen laten wonen, werken en recreëren. Om deze taken uit te kunnen voeren, bezitten gemeenten vastgoed en terreinen. Deze worden beheerd en onderhouden of desgewenst opnieuw (her)ingericht of aangelegd. Voorbeelden zijn gemeentehuizen en andere gebouwen voor ambtenaren en voor publieke functies (o.a. scholen, wijkgebouwen, musea, kantoren, sportzalen etc.), gebouwen voor noodopvang en (semi) openbare wegen, nuts- en groenvoorzieningen en lokale waterpartijen. Deze taken raken daarmee vrijwel alle wettelijke belangen, zie figuur 1. Het betreft de volgende algemene taken:
• Het aanleggen van nutsvoorzieningen, droge en natte infrastructuur met bijbehorende voorzieningen en werken. Hiermee borgen gemeenten de toegankelijkheid en bereikbaarheid van gebouwen, werken en terreinen. Werkzaamheden die bij deze taken horen, kunnen vallen onder de belangen volksgezondheid, openbare veiligheid en/of groot openbaar belang. Bijvoorbeeld het vervangen of repareren van een riool in een houtige begroeiing.
8
Wettelijke taken die voortkomen uit de volgende wetten: Wegenwet, Gemeentewet, Burgerlijk Wetboek en richtlijnen (o.a. CROW), zie ook https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/gemeenten/takengemeente
20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3
27
INTRODUCTIE
• Veilig en functioneel houden van de leefomgeving en de gebouwen, werken en terreinen daarin zodat inwoners en gebruikers geen schade ondervinden en niet worden blootgesteld aan schadelijke stoffen. Werkzaamheden die bij deze taken horen, kunnen vallen onder de belangen openbare veiligheid en volksgezondheid. Bijvoorbeeld het plaatsen van een geluidsscherm langs een straat of buurt.