CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Gedragscode Soortenbescherming gemeenten 2025

Commissie zaal 1 13 oktober 2025, gemeente HeilooBij agendapunt: Gedragscode Soortenbescherming Heiloo 2025 - NIET BESPROKEN27.929 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

• Het realiseren van gezondheid- en onderwijsbeleid, actualiseren van de leefomgeving en effectueren van water-, natuur- en milieubeleid. Hiervoor worden gebouwen, begroeiingen, verhardingen en andere inrichtings-elementen beschermd, gerenoveerd of vervangen. Voor het onderdeel natuur kan het belang flora en fauna gelden, voor het onderdeel milieubeleid kan het belang volksgezondheid gelden en voor het actualiseren van de leefomgeving kan het gaan het om de belangen openbare veiligheid, groot openbaar belang. Bijvoorbeeld het uitbreiden van een schoolgebouw in een groenvoorziening.

• Het duurzaam beheren en onderhouden van de genoemde voorzieningen zodat overheidsgelden zinvol zijn besteed (voorkomen van vroegtijdige vernietiging van kapitaalgoederen). Beheerwerkzaamheden dragen ook bij aan min of meer constante standplaatsfactoren voor soorten zodat beschermde soorten kunnen blijven voortbestaan. Deze werkzaamheden die bij deze taken horen, kunnen vallen onder de belangen volksgezondheid, groot openbaar belang en flora en fauna. Bijvoorbeeld het onderhouden van een ecologische zone. Daarnaast zijn in de Omgevingswet specifieke taken aan gemeenten toegedeeld voor de fysieke leefomgeving (zie artikel 2.16 Ow), die samengevat gaan over:

• Het beheer van watersystemen en waterketenbeheer (opvangen hemelwater, tegengaan van wateroverlast).

• Het behouden van de staat en werking van openbare wegen. Ook hiermee borgen gemeenten de toegankelijkheid en bereikbaarheid van gebouwen, werken en terreinen. De werkzaamheden die bij deze taken horen, kunnen vallen onder de belangen volksgezondheid, openbare veiligheid en/of groot openbaar belang.

2.4.4 Gunstige staat van instandhouding en andere bevredigende oplossing Deze gedragscode heeft als doel dat gemeenten handelingen kunnen uitvoeren in het kader van bestendig beheer en onderhoud en kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting met zo min mogelijk nadelige effecten voor beschermde soorten. Bij een correcte naleving van de gedragscode is gewaarborgd dat de betreffende

28

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

werkzaamheden geen wezenlijke negatieve invloed kunnen hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Voor een aantal werkzaamheden is het mogelijk dat in sommige gevallen de verbodsbepalingen (zie § 2.2) worden overtreden. Dit geldt voor de werkzaamheden aan gebouwen, houtige begroeiingen, kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein, (half) verharding en terreinmeubilair en het werken aan wateren en oevers. Bij de keuze van de toe te passen maatregelen om beschermde soorten te ontzien is nadrukkelijk rekening gehouden met het huidige gedrag en gebruik van soorten op de werklocatie. In eerste instantie ziet de gedragscode erop toe dat zo min mogelijk nadelige effecten worden toegebracht. Negatieve effecten van de opgenomen (A, B en C) maatregelen zijn hooguit van tijdelijke aard doordat enkel wordt gewerkt met maatregelen die hun effectiviteit hebben bewezen of waarvan soortdeskundigen hebben geoordeeld dat deze een hoge potentie hebben op effectiviteit. Het reikwijdtedocument van RVO voor gedragscodes alsmede de kennisdocumenten van BIJ12 en RVO liggen ten grondslag aan de maatregelen in deze gedragscode. Daarnaast zijn er voor een aantal situaties en voor een beperkt aantal soorten wel mogelijkheden opgenomen tot het aantasten van beschermde soorten. Deze worden in gedragscode aangeduid als een beperkende (D) maatregel.

Het gaat om D-maatregelen voor de soorten steenmarter, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, ringslang, Alpenwatersalamander, rugstreeppad, sleedoornpage, huismus, gierzwaluw, ooievaar, havik, buizerd, kerkuil, steenuil en slechtvalk, zie bijlage 6 voor de alternatievenafweging per soort op hoofdlijnen. Voor deze soorten zijn de werkzaamheden en belangen afgewogen tegen de staat van instandhouding van de soorten. De staat van instandhouding van genoemde soorten is opgenomen in de soortenlijst van het Reikwijdtedocument van RVO.

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

29

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

Deel I RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING (RO)

30

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

3.

WERKPROCES Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting

3.1

Van initiatief tot en met realisatie

Bij het voorbereiden en realiseren van een ruimtelijke ontwikkeling of inrichting (RO) hebben diverse organisaties en diensten van organisaties een rol. Een ruimtelijke ontwikkeling kan worden opgedeeld in een aantal fasen of werkprocessen. Deze gedragscode geeft invulling aan het aantoonbaar zorgvuldig handelen gedurende het totale werkproces: van initiatief tot en met realisatie. Wie, welke stappen uitvoert, hangt af van de taakverdeling of het contract tussen betrokken partijen. De rode draad in het werkproces is dat er tijdens elke stap binnen een plan/project aantoonbaar zorgvuldig wordt gehandeld en dat informatie op een juiste en volledige wijze wordt overgedragen. Het betreft de volgende stappen: 1. 2. 3. 4. 5.

Keuze wel of geen gedragscode inzetten (zie § 3.2). Toetsen aan verbodsbepalingen (zie § 3.3). Uitwerken zorgvuldig handelen (zie § 3.4). Zorgvuldig realiseren (zie § 3.5). Omgaan met calamiteiten (§ 3.6).

In de paragrafen hierna wordt elk onderdeel uitgewerkt.

3.2

Wel of geen gedragscode?

Het doorlopen van checklist I geeft antwoord op de vraag of inzet van de gedragscode mogelijk is. De resultaten van de drie stappen uit checklist I dienen te worden opgenomen in het projectdossier. Voor checklist I is volledige en actuele soortinformatie van de werklocatie noodzakelijk. Dit is inclusief de omgeving van de werklocatie, tot zover de invloed9 van de werkzaamheden op aanwezige soorten merkbaar is. Hiervoor is nodig:

•

Soortinformatie die niet ouder is dan 3 jaar van minimaal de specifiek beschermde soorten waarvoor de verboden gelden.

• •

Inzicht in de exacte locaties van rust- en voortplantingsplaatsen. Inzicht in de functionaliteit van de werklocatie als essentieel leefgebied.

9

Inventariseer de omgeving tot zover er geen invloed (bv. geluid, trilling e.d.) van de werkzaamheden meer merkbaar is.

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

31

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

De aan te houden werkwijze voor het verzamelen van soortinformatie is als volgt:

32

•

Informatie over aanwezige beschermde soorten binnen de projectlocatie en directe omgeving is in een zo vroeg mogelijk projectstadium beschikbaar: initiatieffase of ontwerpfase. Dit betreft de vaste rusten voortplantingsplaatsen en essentiële (onderdelen van) leefgebieden. Specifiek voor het gelijktijdig renoveren van een reeks of groter aantal gebouwen dient soortinformatie per CBS-buurt beschikbaar te zijn.

•

Informatiebronnen zoals de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) of een eigen databank met soortinformatie kunnen worden gebruikt.

•

Een ecologisch deskundige bepaalt of de soortinformatie actueel en volledig is. Een ecologische check, inventarisatie en/of een locatiebezoek door een ecologisch deskundige of onder aansturing van hem kan hier onderdeel van uit maken. Het gaat om soorten die gezien het leefgebied op de werklocatie en invloedsfeer of CBS-buurt (kunnen) voorkomen.

•

Indien soortinformatie niet beschikbaar is of onvolkomenheden bevat, dient er in de juiste periode te worden geïnventariseerd. Het vaststellen of het uitsluiten van soorten op een werklocatie dient volgens geldende protocollen en BIJ12-kennisdocumenten plaats te vinden indien deze beschikbaar zijn voor de soort. Bijvoorbeeld een (jaarrond) vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol (NGB). Voor soorten waarvoor geen protocol of kennisdocument beschikbaar is, bepaalt een ecologisch deskundige de inventarisatie-methode(n). De gedragscode geeft hiervoor richtlijnen, zie bijlage 4.

•

De specifieke werkwijze en de resultaten worden vastgelegd in een rapportage, waarin in elk geval staat wie, wat, waar en hoe heeft onderzocht en wat de aanwezige soorten zijn.

•

Een ecologisch deskundige analyseert op welke wijze aangetroffen soorten gebruik maken van de projectlocatie en onderbouwt dit. Bijvoorbeeld de vijver op de projectlocatie is essentieel foerageergebied voor watervleermuizen.

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

RO-checklist I – Wel of geen gedragscode? Stap 1. Verzamelen informatie Projectinformatie Wat zijn de kenmerken van het project? Wat is de werklocatie en de werkgrens inclusief aanvoer/afvoerroutes, depots e.d.? Wat is de bestaande situatie op de werklocatie en wat is nodig om het projectresultaat te bereiken? (bv. vervangen gevel) Aanleiding: gelden er één of meerdere in de wet genoemde belangen en welke is/zijn dit? (zie § 2.3 en § 2.4.2) Wat is de gewenste planning, welke vaste data gelden? Past de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting binnen de reikwijdte van de gedragscode (zie § 1.2 en 2.3)?

 Valt het project onder de reikwijdte: ga verder bij Soortinformatie.  Valt het project niet onder de reikwijdte: inzet van de gedragscode is niet mogelijk. Soortenbescherming kan nog steeds een aandachtspunt zijn.

Soortinformatie -

Zijn er (vaste) rust- en voortplantingsplaatsen en/of essentiële leefgebieden van wettelijk beschermde soorten op de werklocatie en/of binnen de invloedzone van de werkzaamheden (zie § 3.2 voor wijze van inventariseren) aanwezig.

 Is het antwoord ja, ga naar stap 2.  Is het antwoord nee, dan is soortenbescherming geen randvoorwaarde voor het project. Inzetten van de gedragscode is niet nodig. De algemene zorgplicht blijft wel van kracht.

Stap 2. Toetsen aan verbodsbepalingen -

Analyse: confronteer projectinformatie met soortinformatie: welke verboden worden er (mogelijk) overtreden (zie § 3.3)? Controleer ook of er sprake is van nationaal of provinciaal vrijgestelde soorten.

 Wel een (mogelijke) overtreding: ga naar stap 3.  Geen overtreding: soortenbescherming is geen randvoorwaarde voor het werk. Inzetten van de gedragscode is niet nodig. De algemene zorgplicht blijft wel van kracht.

Stap 3. Uitwerken zorgvuldig handelen -

Werk het zorgvuldig handelen uit conform § 3.4. Neem de uitkomsten van alle stappen op in het projectdossier.

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

33

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

3.3

Toetsen aan verbodsbepalingen

Wanneer worden er (mogelijk) verboden overtreden?

3.4

•

Er zijn rust- en voortplantingsplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig op de werklocatie en daarmee kans op een overtreding van de verboden: doden van individuen, verstoren en beschadigen rust- en voortplantingsplaatsen.

•

Er zijn rust- en voortplantingsplaatsen aanwezig buiten de werklocatie en binnen de invloedzone van de uit te voeren werkzaamheden: en daarmee kans op een overtreding van het verbod verstoren.

Uitwerken zorgvuldig handelen

Uitgangspunt voor dit onderdeel is dat er (mogelijk) verboden overtreden worden. Hiervoor dient checklist II doorlopen te worden. Checklist II beschrijft het gedrag of de te nemen maatregelen om in eerste instantie overtredingen van de verboden te voorkomen. Indien dit aantoonbaar niet mogelijk is EN er geldt een noodzaak (o.a. wettelijk belang, zie § 2.4.2) EN in de soortenlijst van bijlage 2 is aangegeven dat beperken mogelijk is, dan mag er in tweede instantie in beperkte mate overtreding van de verboden plaatsvinden. Het zorgvuldig handelen is uitgewerkt in paragraaf 3.4.1 tot en met 3.4.5. Indien het voorkomen of beperkt overtreden van de verboden niet mogelijk is, dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.

34

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

RO-checklist II – Uitwerken zorgvuldig handelen Stap 1. Bepalen gebruik, functionaliteitszone en leefgebied Op basis van de soort, de locatie en de werkzaamheden wordt door een ecologisch deskundige (zie § 2.4.1) per rust- en voortplantingsplaats en/of leefgebied de verstoringsvrije afstand, de kwetsbare gebruiksperiode en functionaliteitszone bepaald (zie § 3.4.1, § 3.4.2 en § 3.4.3).

Stap 2. Overtreding voorkomen of beperken 1. Overtreding voorkomen De werkzaamheden op aanwijzing van een ecologisch deskundige zo aanpassen dat er geen verboden worden overtreden: Buiten verstoringsvrije afstand werken. Buiten functionaliteitszone werken (o.a. schadevrije afstand). Buiten essentieel leefgebied werken. Buiten soortspecifieke kwetsbare periode werken. De werkwijze uitwerken in het ecologisch werkprotocol op basis van de maatregelencatalogus RO (zie § 3.4.4 en hoofdstuk 4). Indien dit niet mogelijk is, stap 2 uitwerken. Dit kan alleen maar voor soorten uit bijlage 2 met categorie beperken en voor projecten met een noodzaak (o.a. erkend belang, zie § 2.4.2).

2. Beperkt overtreden (uitsluitend mogelijk o.b.v. wettelijk belang en bijlage 2) De werkzaamheden zo aanpassen dat er in beperkte mate verboden worden overtreden; bijvoorbeeld diverse alternatieven te onderzoeken door: Binnen de functionaliteitszone werken buiten de gebruiksperiode. Binnen een deel van het essentieel leefgebied werken. Op zorgvuldig wijze binnen de soortspecifieke kwetsbare periode werken. Dit uitwerken in het onderdeel specifiek zorgvuldig handelen van het ecologisch werkprotocol op basis van de maatregelencatalogus RO (zie § 3.5 en hoofdstuk 4).

3.4.1 Bepalen verstoringsvrije afstand De verstoringsvrije afstand is de minimale afstand tussen werkzaamheden en een rust- en voortplantingsplaats waarbij er geen verstoring plaatsvindt. De werktechniek is hierbij zeer bepalend (bv. palen heien of palen pulsen). Het is alleen noodzakelijk de verstoringsvrije afstand te bepalen wanneer een soort een Europese beschermingsstatus (Vogel- of Habitatrichtlijn, artikel 11.37 en 11.46 Bal) heeft en gebruik maakt van de rust- en voortplantingsplaats en/of het essentieel leefgebied in de periode dat er werkzaamheden worden uitgevoerd. Bij de categorie ‘andere’ (nationaal) beschermde soorten (artikel 11.54 Bal) kan eventueel een schadevrije afstand worden bepaald zodat de rust- en voortplantingsplaats niet wordt aangetast, zie § 3.4.3.

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

35

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

Soorten zijn veelal gewend aan een bepaalde omvang van geluid, licht en trilling. De bestaande situatie, voorafgaand aan de werkzaamheden, is dan ook maatgevend voor het bepalen van de werkmethoden en de werkafstanden tot een rusten voortplantingsplaats en of het essentieel leefgebied. Daarom is het noodzakelijk om verstoringsvrije afstand(en) te bepalen door een ecologisch deskundige. Bijlage 5 geeft richtlijnen en criteria voor het bepalen van deze afstand(en). De wijze waarop de verstoringsvrije afstand(en) zijn bepaald met onderbouwing opnemen in het ecologisch werkprotocol. Het zorgvuldig handelen binnen de verstoringsvrije afstand maakt deel uit van de verdere uitwerking.

3.4.2

Bepalen kwetsbare gebruiksperiode

Bij veel soorten is er sprake van een duidelijk aanwijsbare rust- en voortplantingsplaats (bv. groeiplaats, nest, hol, hoop of holte). Voor elke rust- en voortplantingsplaats geldt een soortspecifieke gebruiksperiode. Binnen die gebruiksperiode kan een kwetsbare periode gelden. Er kunnen drie typen gebruik van rust- en voortplantingsplaatsen worden onderscheiden: 1.

Vaste rust- en voortplantingsplaatsen, jaarrond in gebruik: De soort is jaarrond aanwezig, er geldt dan ook jaarrond zorgvuldig handelen. De kwetsbare perioden zijn de voortplantingsperiode, winterrustperiode of bloeiperiode.

2.

Vaste rust- en voortplantingsplaatsen, tijdelijk in gebruik: De soort keert na een bepaalde afwezigheid weer terug op dezelfde plek. De kwetsbare periode geldt indien de soort aanwezig is. Het betreft de voortplantingsperiode of rustperiode.

3.

Tijdelijke rust- en voortplantingsplaatsen: Er geldt alleen een kwetsbare periode als de soort de rust- en voortplantingsplaats in gebruik heeft.

In bijlage 2 zijn per soort deze typen rust- en voortplantingsplaatsen vermeld in de kolom R&V. Per soort en type rust- en voortplantingsplaats dient de specifieke kwetsbare periode te worden bepaald door een ecologisch deskundige (zie § 2.4.1). De broedperiode van vogels kan afwijken van de periodes zoals weergegeven in de RVO-natuurkalender. Een ecologisch deskundige stelt vast of er daadwerkelijk sprake is van een broedgeval of in gebruik zijnde rust- en voortplantingsplaatsen. Een soort kan gebruik maken van de werklocatie zonder dat er sprake is van een aanwijsbare rust- en voortplantingsplaats; dan ligt de werklocatie in (een deel van) het leefgebied. Binnen dat leefgebied kunnen bepaalde essentiële delen in

36

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

een bepaalde periode kwetsbaar zijn. Bijvoorbeeld voedselbiotoop, vaste migratieroute, overwinteringsbiotoop of voortplantingsbiotoop.

3.4.3

Bepalen functionaliteitszone

Voor vaste rust- en voortplantingsplaatsen (zowel jaarrond in gebruik als tijdelijk in gebruik) en het essentieel leefgebied geldt als uitgangspunt het behouden en functioneel houden daarvan. Het betreft de noodzakelijke behoeften binnen de soortspecifieke actieradius, dit noemen we de functionaliteitszone. Een ecologisch deskundige bepaalt deze. Voorbeelden zijn:

•

In- en uitvliegruimte, in- en uitloopruimte of in- en uitzwemruimte. Bijvoorbeeld deel van het water in de watergang met de toegang tot de beverburcht en verbinding met de foerageerlocatie(s).

•

Een constant leefklimaat in en nabij de rust- en voortplantingsplaats. Bijvoorbeeld plek met bezonning van de oever met kikkerdril.

•

Beschikbaarheid van noodzakelijke bouwstoffen voor het maken en onderhouden van de voortplantingsplaats. Bijvoorbeeld natte klei voor zwaluwen nabij de nestlocatie, inclusief vrije vliegroute.

•

Beschikbaarheid van voedsel voor het continue voeden van de jongen. Bijvoorbeeld voor vleermuizen bestaat de zone uit de kraamverblijfplaats, de foerageerlocatie en de route tussen beide locaties.

•

Beschikbaarheid van open zand als ei-afzetlocatie voor zandhagedis.

Voor tijdelijke rust- en voortplantingsplaatsen is deze bepaling alleen noodzakelijk indien er binnen de gebruiksperiode van de rust- en voortplantingsplaats wordt gewerkt. Op basis van de soort en de bestaande situatie wordt door een ecologisch deskundige (zie § 2.4.1) per rust- en voortplantingsplaats of essentieel leefgebied de omvang van de functionaliteitszone bepaald en verwerkt tot beschermingsmethoden zoals het markeren van een schadevrije afstand in het ecologisch werkprotocol. Indien er beschermde soorten op of nabij de project- of werklocatie leven, zonder aanwijsbare rust- en voortplantingsplaatsen, is er alleen sprake van een leefgebied (bv. vissen in het grachtenstelsel). Ten behoeve van het behoud van deze soorten dient het leefgebied op of nabij de werklocatie in kaart te worden gebracht. Dit betreft de begrenzing van het leefgebied, eventueel opgedeeld in biotopen per kwetsbare periode (bv. overwinteringsbiotoop en voortplantingsbiotoop). Binnen het leefgebied kan schade voorkomen of beperkt worden door te faseren en/of te geleiden (met tijdelijke voorzieningen) met behoud van de functionaliteit van de werklocatie als leefgebied. Dit is nader uitgewerkt in de maatregelencatalogus.

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

37

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

3.4.4

Opstellen ecologisch werkprotocol

Het ecologisch werkprotocol vormt de projectspecifieke uitwerking van de gedragscode. Het ecologisch werkprotocol dient altijd op werklocatie aanwezig te zijn bij de werkzaamheden en eenieder die werkzaam is in het projectgebied dient van de inhoud op de hoogte te zijn. Het ecologisch werkprotocol wordt opgesteld aan de hand van het format uit checklist III door of in samenspraak met en of op aanwijzing van een ecologisch deskundige. Gedurende de planvorming en werkvoorbereiding wordt er naar een volledig ecologisch werkprotocol toegewerkt. Het betreft in eerste instantie een ecologisch werkprotocol op hoofdlijnen op basis van voorgaande paragrafen. Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden wordt het ecologisch werk-protocol verder uitgewerkt met technische specificaties voor de realisatie. Hoofdstuk 4 biedt hiervoor de basis. Let op: bij controle door het bevoegd gezag kunnen altijd onderliggende documenten bij een ecologisch werkprotocol (zoals logboek, natuurwaardenonderzoek, belangenonderbouwing, alternatievenonderbouwing, etc.) worden opgevraagd. Deze dienen te allen tijde beschikbaar te zijn.

3.4.5

Informatieplicht (RO-activiteiten)

Om inzicht te krijgen in het gebruik van de gedragscode, is het verplicht om het bevoegd gezag te informeren over aanstaande RO-activiteiten indien er mogelijk verboden worden overtreden tijdens de realisatie van een ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Dit omdat er dan gebruik wordt gemaakt van de juridische vrijstelling van de gedragscode. Het mogelijk wel/niet overtreden van verboden dient bepaald te worden door een ecologisch deskundige. Ten minste 4 weken voor de start van de werkzaamheden (realisatiefase) van het project is het verplicht om het bevoegd gezag te informeren door een kopie van het ecologisch werkprotocol op te sturen 10. Indien de openbare veiligheid in het geding is bij hoogspanningsleidingen, spoorleidingen, portalen, wegverlichtingen, dijk- of wegtalud en waarbij nest- of rustlocaties worden verwijderd en/of verplaatst, geldt dat dit ten minste 1 week voor het begin van de werkzaamheden bij het bevoegd gezag wordt geinformeerd door een kopie van het ecologisch werkprotocol op te sturen.

10

Zie website RVO voor adressen

38

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

RO-checklist III - Format ecologisch werkprotocol Stadswerk11 1. Algemene gegevens Omschrijving van het project waar dit ecologisch werkprotocol bij hoort. Benoem ook de naam en versie van de gedragscode. Contactgegevens (naam, telefoon van e-mailadres) van ecologische deskundige, opdrachtgever en opdrachtnemers.

2. Risicoanalyse Projectinformatie/werkbeschrijving • Werklocatie en werkgrens (bestaande situatie in beeld brengen, incl. kaart). • Werkzaamheden incl. inzet materieel, aan- en afvoerroutes en opslagterreinen. • Wettelijk belang(en). • Planning (incl. start en einde werkzaamheden), ook van voorbereidende en flora- en fauna maatregelen. • Soortinformatie (welke soorten zijn aanwezig, wat is de functie van de locatie voor soorten (incl. kaart), verwijzingen naar bronnen**. Welke flora en fauna-risico’s gelden op basis van te verrichten werkzaamheden, locatie, soortinformatie en planning? • Welke verboden kunnen overtreden worden? • Conclusie: Is het werk uitvoerbaar middels voorkomen of beperken?

3. Risicomanagement Deskundig handelen • Rol en inzet ecologisch deskundige en ander deskundigen (aantoonbaar) voor en tijdens de werkzaamheden. • Wanneer werkinstructies: overdracht informatie en werkwijze. Zorgvuldig handelen • Algemeen zorgvuldig handelen: o Controle informatie in het veld. o Planning (incl. voorbereidende en ‘mitigerende’ maatregelen). o Werkwijze: werkrichting/werktechniek/fasering. o Geluid, trilling en licht. o Vernatting, verdroging. o Menselijke aanwezigheid. o Omgang met vrijkomende materialen en onverwacht aangetroffen soorten. • Soortspecifiek zorgvuldig handelen: o Per soort de specifieke acties en ‘mitigerende’ maatregelen uitwerken op basis van hoofdstuk 4. Geldt ook voor nieuw aangetroffen soorten. Benoem concrete en praktisch uitvoerbare maatregelen specifiek voor activiteiten, locatie, soorten en tijdstip. Bv markeren beschermingszone o.b.v. verstoringsvrije en/of schadevrije afstanden en/of functionaliteitszones. Lees verder op de volgende pagina

11

Dit betreft een uitgebreidere versie van het format van RVO zodat ook uitvoeringskant is geborgd

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

39

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

RO-checklist III - Format ecologisch werkprotocol Stadswerk11

4. Verzamelen en uitwisselen gegevens • • •

Verwijzingen naar beschikbare onderzoeken*. Aanpak controle actualiteit soortgegevens. Format voor overdracht soortgegevens.

• Overdrachtsmomenten. 5. Communicatie •

• • •

Het bevoegd gezag voorafgaand aan de realisatie informeren over RO-activiteiten/-projecten indien gebruik wordt gemaakt van de vrijstellingsruimte van de gedragscode (kopie EWP opsturen). Taakverdeling: wie communiceert over wat aan wie. Overlegmomenten, bijwoonpunten en veldcontroles. (Eind)evaluatie.

* titel, brongegevens van het natuuronderzoek/soortenonderzoek, datum onderzoek en locatiebezoeken.

3.5

Zorgvuldig realiseren

De realisatie dient aantoonbaar conform het ecologisch werkprotocol plaats te vinden. Hiervoor gelden de volgende aandachtspunten:

•

Deze gedragscode en het bijbehorende ecologisch werkprotocol inclusief bijlagen zijn aanwezig op de werklocatie (opnemen in het projectdossier).

•

Er wordt aantoonbaar conform het ecologisch werkprotocol gewerkt, medewerkers krijgen een werkinstructie op basis van het ecologisch werkprotocol. Het ecologisch werkprotocol is actueel: mutaties in de aanpak worden verwerkt in het ecologisch werkprotocol (op basis van overleg tussen betrokken partijen).

•

Na afronding van de werkzaamheden worden tijdelijke voorzieningen zoals markeringen en eventuele tijdelijke rust- en voortplantingsplaatsen verwijderd.

• •

Na afronding wordt het ecologisch werkprotocol geëvalueerd. Het projectdossier wordt minimaal vijf jaar gearchiveerd.

In bepaalde situaties is het noodzakelijk om ruim voor de start van het project eerst maatregelen ter bescherming van flora en fauna uit te voeren. Voorbeelden hiervan zijn:

•

40

Aanbrengen van tijdelijke fauna geleidende voorzieningen om werkzaamheden te zoneren of te faseren (bv. plaatsen van schermen voor hagedissen).

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

•

Plaatsen van tijdelijke vervangende rust- en voorplantingsplaatsen (bv. in het voorjaar ophangen van vleermuiskasten t.b.v. paarverblijfplaatsen voor ruige dwergvleermuis).

Ook dergelijke maatregelen maken deel uit van het ecologisch werkprotocol.

3.6

Omgaan met calamiteiten

Een calamiteit betreft een onvoorziene gebeurtenis die direct actie vereist vanwege een acuut risico voor de volksgezondheid of openbare veiligheid. Voorbeelden van situaties zijn acute of dreigende wateroverlast, overstroming, droogte of waterverontreiniging of de noodzakelijke inzet van een waterberging. Dergelijke calamiteiten vallen buiten de vrijstelling van de gedragscode en dienen afgestemd te worden met het bevoegd gezag. Vervolgens vindt er een afweging plaats van het advies in de context van het incident en wordt op basis daarvan gehandeld. Het advies, de genomen maatregelen en de eventuele effecten op beschermde soorten worden in het projectdossier gedocumenteerd. Voor zover mogelijk wordt de calamiteit, de gevolgen voor rust- en voorplantingsplaatsen en de werkwijze met beelden vastgelegd zodat het zorgvuldig handelen kan worden aangetoond.

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

41

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

VOORBEELD 1, RUIMTELIJKE ONTWIKKELING Vervangen van het brugdek van een houten fietsbrug

42

1.

Werkzaamheden: Het brugdek wordt losgekoppeld van de draagconstructie vanaf een ponton in het water. Het brugdek wordt met een kraan van de draagconstructie getild en met een vrachtwagen afgevoerd. Het plaatsen van het nieuwe brugdek verloopt in omgekeerde volgorde. Het verkeer wordt tijdens de werkzaamheden omgeleid. Er is een werkruimte rondom de brug nodig van 10m. Op basis van deze gegevens is er soortinformatie nodig in een straal van 100m rondom de brug.

2.

Situatie: brug, water, oever met gras en een rietkraag. De fietsbrug is verlicht met 2 lichtmasten.

3.

Planning: Starten in mei-juni met een doorlooptijd van 1 week.

4.

Belang: Het brugdek is verrot en niet meer veilig. De fietsbrug is onderdeel van een fietsnetwerk voor woon-werkverkeer in de openbare ruimte. Het alternatief is 15km omrijden. Er is sprake van het wettelijk belang ‘openbare veiligheid’.

5.

Aangetroffen rust- en voortplantingsplaatsen in een straal van 100m rond de brug zijn: • Onder de brug, in de draagconstructie nestelt een merel (nest tijdelijk in gebruik). • In de rietkraag, langs het water, broedt een meerkoet (nest tijdelijk in gebruik) op 15m afstand van de brug. • In de oever zit een beverburcht (jaarrond in gebruik) op 25m afstand van de brug.

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

VOORBEELD 1, RUIMTELIJKE ONTWIKKELING Vervangen van het brugdek van een houten fietsbrug 6.

Gebruik en functionaliteitszones zijn: • Merel: broedperiode maart tot en met augustus, functionaliteit: brugconstructie + vrije aanvliegroute. • Meerkoet: broedperiode maart tot en met augustus, functionaliteit: rietkraag + voedsel uit water. • Beverburcht: burcht jaarrond in gebruik, de kraamperiode mei tot en met augustus is de kwetsbare periode, functionaliteit: rietkraag + water (ingang) + zwemroute naar nabijgelegen wilgenbos op 30m afstand (onder de brug door).

7.

Er is dus sprake van een flora- en fauna-activiteit volgens de Omgevingswet. Mogelijke risico’s zijn: doden van beschermde soorten, beschadigen rust- en voortplantingsplaats van vogels en bever en verstoren vogels en bever. De alternatievenafweging geeft de volgende mogelijkheden: •

• • •

8.

Door buiten de broedperiode van de merel en meerkoet te werken, is overtreding van de verboden te voorkomen (gebruik nesten monitoren of realisatie verschuiven naar september). Voor de beverburcht zijn jaarrond maatregelen nodig om schade te voorkomen door het hanteren van een beschermingszone. Verstoren wordt voorkomen door te werken buiten de kraamperiode en afstand te houden. De verstoringsvrije afstand rondom de burcht is op basis van bijlage 5 bepaald op 20 m. De afstand is bepaald op basis van de verstoringsgevoeligheid van de bever, het bestaande gebruik van de locatie en de werktechniek bij de vervanging van de brug. Aanwezigheid van mensen onder de brug en de inzet van de kraan met bijbehorende geluiden en trillingen zijn daarin bepalend.

Uitwerking zorgvuldig handelen op hoofdlijnen: • Realisatie in september (dus opschuiven planning). • Werken bij daglicht. • Geen bouwverlichting gebruiken. • Bij burcht beschermingszone hanteren: bouwhek op grens werklocatie (20m van burcht), niet werken buiten de werklocatie. • Voorkomen van trilling en zetting bij burcht: kraan op wielen inzetten en zover als mogelijk van de burcht vandaan opstellen (minimaal 20m). • Werken met elektrisch gereedschap. • De zwemroute van de bever tussen burcht en voedsellocatie is ’s avonds vrij van obstakels (bv. werkponton verplaatsen). • Behoud waterpeil en waterkwaliteit (bv. spoelwater van reinigen van machines niet naar water laten weglopen).

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

43

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

4.

MAATREGELEN Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting

4.1

Gebruik maatregelencatalogus

Per categorie en soortgroep zijn in § 4.3 tot en met § 4.7 maatregelen uitgewerkt om zorgvuldig om te gaan met aanwezige beschermde flora en fauna. Deze maatregelcatalogus is gebaseerd op het 'Reikwijdtedocument' (RVO, versie 1.1, november 2023), de natuurkalenders12en de best practises van gemeenten en ecologisch deskundigen (klankbordgroep Stadswerk). De maatregelencatalogus bestaat uit de volgende categorieën: 1.

Gebouwen en werken, zie § 4.3.

2.

Houtige begroeiingen, § 4.4.

3.

Kruidige begroeiingen en onbegroeid terrein, zie § 4.5.

4.

(Half)verhardingen en terreinmeubilair, zie § 4.6.

5.

Wateren en oevers, zie § 4.7.

De hiervoor getoonde kleuren corresponderen ook met de kleuren van de afbeeldingen in deze paragrafen. Op basis van hoofdstuk 3 is al een groot deel van het zorgvuldig handelen uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol, het betreft de volgende onderdelen: A. B. C. D. E.

Uit te voeren werkzaamheden. Omvang van de werklocatie: werkgrens. Uitvoeringsperiode en planning. Wettelijk belang en mogelijkheden voor andere bevredigende oplossing. Aanwezigheid rust- en voortplantingsplaatsen en essentieel leefgebied op de werklocatie en binnen invloedzone van de werkzaamheden. F. Gebruik en functionaliteitszone per rust- en voorplantingsplaats. G. Verstoringsvrije afstand tussen werkzaamheden en rust- en voortplantingsplaatsen of essentiële leefgebieden, werkwijze en werktechniek.

12

Landelijke natuurkalenders voor vogels en overige soortgroepen.

44

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

H. Voorkomen van mogelijke overtredingen door het aanpassen van de werkwijze en/of planning waardoor buiten de kwetsbare locaties en/of kwetsbare periode(n) wordt gewerkt. Voorafgaand aan de realisatie wordt het ecologisch werkprotocol op technisch detailniveau uitgewerkt: I.

J.

4.2

Bepaal uit welke categorie(en) uit de maatregelencatalogus de werklocatie bestaat. De focus ligt op categorieën met rust- en voortplantingsplaatsen en essentieel leefgebied. LET OP: het kan ook gaan om categorieën die buiten de werklocatie vallen en binnen de invloedzone liggen, zie ook ‘Voorbeeld 1, Ruimtelijke Ontwikkeling’. Vul het ecologisch werkprotocol aan met algemene en specifieke werkwijzen op basis van de bij de categorie en soortgroep beschreven aanpak uit de catalogus.

Type maatregelen in de catalogus

In de maatregelencatalogus (zie § 4.3 tot en met § 4.7) is per categorie en per soortgroep invulling gegeven aan vier typen maatregelen: A, B, C en D. Bij de maatregelen A, B en C is sprake van voorkomen van overtreding. Bij maatregel D is sprake van beperkt overtreden onder de vrijstelling van de gedragscode. Dit beperkt overtreden kan alleen als er geen alternatieven voorhanden zijn, als er sprake is van een in de wet genoemd belang (zie tekst kader bij 2.4.2 en bijlage 1) en kan voor ruimtelijke ontwikkelingen alleen voor een beperkt aantal soorten (zie soorten met status ‘beperken’ in bijlage 2). De maatregelen staan in volgorde van (afnemende) prioriteit. Waar nodig zijn specifieke soorten uitgelicht. A. Markeren van een beschermingszone op basis van de essentiële onderdelen van het leefgebied van de soort, de verstoringsgevoeligheid van de soort en de invloed van de uit te voeren werkzaamheden. Alleen werken buiten deze zone en voorkomen van negatieve effecten binnen deze zone. B. Binnen de beschermingszone buiten de kwetsbare periode van de soort werken. Geen aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied en voorkomen van verstoren door het treffen van maatregelen. C. Binnen de beschermingszone binnen de kwetsbare periode van de soort werken. Voorkomen van aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied en van verstoren door het treffen van maatregelen.

D. Binnen de beschermingszone werken met een geringe (tijdelijke) aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied. Het werk faseren waarbij een deel van het essentiële leefgebied tijdelijk niet beschikbaar is. Er worden maatregelen getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken. In de

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

45

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

laatste plaats kunnen essentiële delen van het leefgebied opgeheven worden indien er (tijdelijke) alternatieven beschikbaar zijn en duurzame alternatieven op termijn beschikbaar komen. De maatregelen zijn ingedeeld in soortgroepen voor zover deze binnen een categorie voorkomen. De kleur geeft weer bij welke categorie de maatregelen horen. Ze komen dus in vijf verschillende kleuren voor.

Vogels

Vleermuizen

Overige zoogdieren

Amfibieën

Reptielen

Vlinders

Libellen

Kevers

Weekdieren

Planten

De maatregelen in de volgende paragrafen staan op volgorde van toenemende mate van zorgvuldig handelen: 1. 2.

Algemeen zorgvuldig handelen in de vorm van maatregelen voor alle soorten. Specifieke maatregelen per soort of soortgroep.

Samen vormen ze het zorgvuldig handelen. De specifieke maatregelen gaan VOOR op de maatregelen voor alle soorten.

46

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

4.3

Gebouwen en werken

De werkzaamheden in deze categorie omvatten: -

-

Het renoveren/verduurzamen en verbouwen van bestaande gebouwen. Voorbeelden zijn gebouwen voor noodopvang, gemeentewerven, scholen, wijkcentra of stadskantoren. Het betreft hier per project 1 of enkele gebouwen. Het aanpassen (verbouwen), verduurzamen of renoveren van bestaande (civieltechnische) werken en bovengrondse nutsvoorzieningen. Voorbeelden zijn: bruggen, stuwen, kade- en grachtenmuren en fietstunnels.

Hierbij is inbegrepen het verwijderen, vervangen en aanbrengen van (groen) voorzieningen aan/op gebouwen en werken. Voorbeelden zijn het (gedeeltelijk) verwijderen van gevelbegroeiing, verlichting, zonnepanelen en bebording. Voor het bouwrijp maken van een terrein, zie de categorieën Kruidige begroeiing en (Half)verharding. Wanneer werkzaamheden vanaf het water worden uitgevoerd met negatieve effecten op watergebonden soorten, zie ook de categorie Water en oevers. Voor gebouwbewonende soorten wordt natuurinclusief gewerkt: elk gebouw dat geschikt was voor bepaalde gebouwbewonende soorten, blijft ook na uitvoering van de werkzaamheden beschikbaar en geschikt voor de betreffende soorten. Daarnaast wordt voorkomen dat dieren worden gedood, door bij aantasting van rust- en voortplantingslocaties het gebouw eerst natuurvrij te maken. Omdat gebleken is dat effectiviteit van maatregelen per werklocatie en situatie kan verschillen, wordt een diversiteit aan maatregelen toegepast (zie uitwerking van de maatregelen bij huismus, gierzwaluw en vleermuizen hierna). In geval er meerdere woningen in dezelfde buurt worden gerenoveerd, wordt een kleinschalige werkwijze gehanteerd. Uitgangspunt is dat er hooguit aan 10% van de voor de betreffende soort(en) geschikte woningen per CBS-buurt per jaar tegelijkertijd gewerkt mag worden.

Op deze manier wordt cumulatie beperkt en zal bij een correcte uitvoering van de gedragscode geen effect op de staat van instandhouding optreden. Bij grotere projecten en hogere aantallen individuen dan aangegeven in de gedragscode of bij kraam- en grote winterverblijfplaatsen is maatwerk vereist en zal een omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden.

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

47

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

4.3.1 Vogels In/aan gebouwen en kunstwerken zal de aanwezigheid van beschermde vogelsoorten vooral de aanwezigheid van nesten betreffen aan gevels (zoals huiszwaluw) onder, in of op dakconstructies (zoals huismus, visdief en scholekster), in de spouw (zoals gierzwaluw) of in (nabijgelegen) schuren (zoals kerkuil).

Alle soorten A

Bij gebouwen en werken met rust- of voortplantingsplaatsen van beschermde vogelsoorten worden geen werkzaamheden uitgevoerd óf worden deze delen gemarkeerd en ontzien tijdens de werkzaamheden. Verstoring van broedgevallen door werkzaamheden in de directe omgeving van deze gebouwen en werken dient te worden voorkomen of er dienen maatregelen getroffen te worden om dat te voorkomen door bijvoorbeeld het aanbrengen van een beschermingszone (zie bijlage 5).

B

Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode, zie landelijke natuurkalender RVO. Voor nesten die jaarrond worden gebruikt of waar elk jaar naar toe wordt teruggekeerd geldt dat deze functies behouden moeten blijven, zie bijlage 2.

Voor de volgende soorten gelden specifieke maatregelen en zijn er onder voorwaarden soms beperkte negatieve effecten (D-maatregelen) mogelijk.

Kerkuil, steenuil en slechtvalk Dit betreft schaarse/territoriale soorten die in gebouwen vooral gebruik maken van kunstmatige rust- en voortplantingsplaatsen en waarvoor een goed leefgebied met voldoende voedselaanbod in de directe omgeving van het gebouw essentieel is. B

Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode, die is voor deze soorten de broedperiode. De broedperiode betreft een indicatieve periode van februari tot en met juli voor steenuil, van februari tot en met augustus voor kerkuil en van februari tot en met april voor slechtvalk. De werkwijze is als volgt: -

D

48

De in- en uitvliegmogelijkheden blijven behouden. De constructie met de rust- en voortplantingsplaats blijft behouden. Er wordt gewerkt zonder apparatuur met grote geluidsbelasting wanneer soorten aanwezig zijn, zie ook bijlage 5.

Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk om per soort 1 nestlocatie per gemeente per jaar op te heffen. Dit mag mits essentieel leefgebied en broedgelegenheid beschikbaar blijft:

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

-

-

-

-

Omdat steenuil en kerkuil ook buiten hun broedperiode van een nestlocatie gebruik maken, dienen 2 vervangende rust- of voort-plantingsplaatsen buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden te worden geplaatst; voor de steenuil binnen het bestaande territorium en voor de kerkuil in de directe omgeving (binnen 500 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats). Dit is niet noodzakelijk indien reeds vervangende locaties aanwezig zijn (uitvoeren omgevingscheck). De vervangende verblijfplaats kan een tijdelijk karakter hebben, tot de originele nestlocatie weer toegankelijk is. Ze kunnen echter ook een permanente vervanging betreffen. De vervangende verblijfplaats bestaat uit een bewezen effectieve nestkast en/of toegang tot een bouwwerk zoals een schuur voor kerkuil en steenuil. Zie voor het geschikte ontwerp en locaties de betreffende kennisdocumenten voor Kerkuil en Steenuil. Deze alternatieven dienen 3 maanden voor uitvoering van de werkzaamheden aanwezig te zijn i.v.m. gewenning. Bij aanvang van de broedperiode van de slechtvalk dient de bestaande broedlocatie weer toegankelijk en verstoringsvrij te zijn, of in de directe omgeving dienen 2 alternatieve nestgelegenheden te zijn gerealiseerd. Zorg dat de nestkast op tientallen meters hoog wordt geplaatst, met plekken waar voldoende beschutte zitplaatsen aanwezig zijn aan alle kanten en voldoende landingsmogelijkheden voor de jongen.

De dieren krijgen de gelegenheid de werklocatie uit eigen beweging te verlaten.

Huismus B

Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare perioden. De kwetsbare periode is van maart tot en met augustus alsook dagen en nachten met (gevoels-)temperaturen beneden het vriespunt (vorst) of bij sneeuw en ijzel. De werkwijze is als volgt: -

D

De in- en uitvliegmogelijkheden blijven behouden. De constructie met de rust- en voortplantingsplaatsen blijft behouden. Er wordt gewerkt zonder apparatuur met grote geluidsbelasting wanneer soorten aanwezig zijn zodat verstoring wordt voorkomen, zie bijlage 5. Aanwezige muurbegroeiing die wordt gebruikt door huismus, dient behouden te blijven.

Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk rust- en voortplantingsplaatsen van huismus aan te tasten, mits de functionaliteit weer volledig worden hersteld: -

De werkzaamheden worden buiten de onder B genoemde kwetsbare perioden uitgevoerd. Hier kan van afgeweken worden bij een lange

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

49

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

-

-

-

-

-

-

50

doorlooptijd van de werkzaamheden, mits de noodzaak hiervoor voldoende kan worden aangetoond. In geval het project meerdere woningen bij elkaar betreft met meerdere rust- en voortplantingsplaatsen van huismus, geldt dat maximaal 10% van geschikte woningen voor deze soort per CBS-buurt per jaar per gemeente mag worden aangetast, zoals na het volgend punt staat omschreven. In geval het een individueel gebouw of (civieltechnisch) werk betreft worden de werkzaamheden gefaseerd uitgevoerd waarbij minimaal 50% van de nestlocaties beschikbaar blijft in het betreffende gebouw. Deze nestlocaties zijn maximaal één broedperiode niet beschikbaar. Indien er sprake is van 1 nestlocatie of concentratie van nesten op 1 locatie en faseren niet mogelijk is, dient er voorafgaand voldoende alternatief in de omgeving te worden aangeboden zoals hierna omschreven. Tijdens uitvoering van werkzaamheden dienen in de directe omgeving (binnen een straal van 100m) van de werklocatie voldoende alternatieve rust- en verblijfplaatsen voor huismus aanwezig te zijn of deze dienen te worden aangebracht, zie hiervoor de ‘Maatregelen-catalogus beschermde soorten bij na-isolatie en renovatie van gebouwen’ en het kennisdocument. De vervangende verblijfplaatsen kunnen een tijdelijk karakter hebben tot de originele locatie weer toegankelijk is.

Vervangende verblijfplaatsen die worden aangebracht dienen minimaal 3 maanden voor het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen beschikbaar te zijn. De tijdelijke verblijfplaatsen verwijderen buiten de broedperiode en pas nadat de duurzame voorzieningen beschikbaar zijn. Minimaal een week voorafgaand aan de werkzaamheden worden gebouwen en werken natuurvrij gemaakt buiten de broedperiode van huismus en buiten de koude periodes in de winter. Zie hiervoor de ‘Leidraad Natuurvrij maken bij na-isolatie en renovatie van gebouwen’ (RVO.nl) en het kennisdocument Huismus. Er wordt te alle tijden voorkomen dat vogels worden ingesloten. Aanwezige muurbegroeiing die van essentieel belang is voor huismus, dient behouden te blijven. Ook het omliggende essentiële leefgebied dient functioneel voor huismus te blijven. De in- en uitvliegmogelijkheden en de constructie met rust- en voortplantingsplaatsen worden zo snel mogelijk hersteld op dezelfde locaties als het oorspronkelijke gebruik. Wanneer andere materialen worden toegepast dan in de oorspronkelijke situatie, dient voldaan te worden aan de materiaalkeuze zoals omschreven in de ‘Maatregelen-catalogus beschermde soorten bij na-isolatie en renovatie van gebouwen’ (RVO.nl) en het kennisdocument Huismus.

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

-

Of er worden permanente duurzame voorzieningen aangebracht zoals hierna omschreven: o Voor elke rust- en voortplantingsplaats die wordt aangetast of verwijderd, worden minimaal 2 nieuwe duurzame voorzieningen in de buitenschil van de bestaande locaties aangeboden, die zoveel mogelijk aansluiten op bestaand gebruik. Dit in de vorm van bijvoorbeeld gierzwaluwstenen, nestkasten, dakvoetsystemen of het verwijderen van aanwezig vogelschroot, zie voor de wijze van toepassen de ‘Maatregelencatalogus beschermde soorten bij na-isolatie en renovatie van gebouwen’ en het kennisdocument Huismus. o

Indien er in een project bij meerdere gebouwen rust- en voortplantingsplaatsen worden aangetast, dienen minimaal 2 verschillende typen duurzame voorzieningen te worden aangebracht. Deze opgave geldt ook voor grote gebouwen (>500m 2 dicht gevel- en dakoppervlak) met meerdere rust- en voortplantingsplaatsen.

Gierzwaluw B

Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de kwetsbare periode, dit is de broedperiode. De broedperiode van de gierzwaluw betreft een indicatieve periode van half april tot en met half augustus. De werkwijze is als volgt: -

D

De in- en uitvliegmogelijkheden blijven behouden. De constructie met de rust- en voortplantingsplaatsen blijft behouden. Wanneer er nog individuen aanwezig zijn wordt gewerkt met apparatuur zonder grote geluidsbelasting (verstoring voorkomen), zie bijlage 5.

Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk rust- en voortplantingsplaatsen van gierzwaluw aan te tasten, mits de functionaliteit weer volledig wordt hersteld: -

-

De werkzaamheden worden buiten de onder B genoemde kwetsbare periode uitgevoerd. De in- en uitvliegmogelijkheden en de constructie met rust- en voortplantingsplaatsen worden zo snel mogelijk hersteld op dezelfde locaties als het oorspronkelijke gebruik. Wanneer andere materialen worden toegepast dan in de oorspronkelijke situatie, dient voldaan te worden aan de materiaalkeuze zoals omschreven in de ‘Maatregelen-catalogus beschermde soorten bij na-isolatie en renovatie van gebouwen’ (RVO.nl) en het kennisdocument Gierzwaluw. Indien het niet mogelijk is om de oorspronkelijke nestlocaties te behouden of te herstellen worden permanente duurzame voorzieningen aangebracht zoals hierna omschreven: o Voor elke rust- en voortplantingsplaats die wordt aangetast of verwijderd, worden minimaal twee nieuwe voorzieningen aangeboden, die zoveel mogelijk aansluiten op bestaand gebruik en waarbij

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

51

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

o

de eigenschappen van de oorspronkelijke nestlocatie en typische kenmerken van de nestingang zoveel mogelijk worden nagebootst. Dit in de vorm van bijvoorbeeld gierzwaluwstenen, nestkasten, voorziening in dakoverstek of gootbekisting. Zie voor geschikte locaties en uitvoering de 'Maatregelencatalogus beschermde soorten bij na-isolatie en renovatie van gebouwen' en het kennisdocument Gierzwaluw. Wanneer er in een project bij meerdere gebouwen rust- en voortplantingsplaatsen worden aangetast, dienen minimaal 2 verschillende typen duurzame voorzieningen te worden aangebracht. Deze opgave geldt ook voor grote gebouwen (>500m2 dicht gevel- en dakoppervlak) met meerdere rust- en voortplantingsplaatsen van gierzwaluw.

Ringmus, boerenzwaluw, huiszwaluw, visdief en zwarte roodstaart Nesten van deze soorten krijgen een jaarrond beschermde status wanneer uit de omgevingscheck blijkt dat alternatieve broedgelegenheid onvoldoende aanwezig is en/of er impact van de werkzaamheid kan zijn op de lokale populatie (gaat om toetsen van impact op de oorzaken van de achteruitgang). A

Bij gebouwen en werken met rust- en/of voortplantingsplaatsen van deze soorten worden geen werkzaamheden uitgevoerd óf worden delen met rustof voortplantingsplaatsen gemarkeerd en ontzien tijdens de werkzaamheden. Verstoring dient voorkomen te worden (zie bijlage 5). Verstoring van broedgevallen door werkzaamheden in de directe omgeving van deze gebouwen dient voorkomen te worden of er dienen maatregelen getroffen worden om dat te voorkomen (zie bijlage 5).

B

Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de soortspecifieke broedperiode De werkwijze is als volgt: -

De in- en uitvliegmogelijkheden, indien relevant, blijven behouden. De constructie met voortplantingsplaatsen blijft behouden. De constructie met rust- en voortplantingsplaatsen is 1 maand voor de broedperiode weer beschikbaar.

Ooievaar A

Bestaande nesten jaarrond behouden. Indien buiten de broedperiode gebruik wordt gemaakt van het nest als rustlocatie, dient geluids- en visuele verstoring door uitvoering van werkzaamheden te worden voorkomen, zie bijlage 5. De broedperiode is van half maart tot en met eind augustus.

D

Nesten in aanbouw (er is nog geen sprake van broeden) op risicolocaties mogen worden verwijderd. Het betreft uitsluitend locaties waar een acute

52

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

noodzaak geldt in het kader van de openbare veiligheid (b.v. gevaar voor spoorwegverkeer, snelwegverkeer en brandgevaar). Als het nest wel (bijna) voltooid is maar er is nog geen sprake van broeden, en er is sprake van bovengenoemde noodzaak (acuut gevaar), geldt dat het nest kan worden verplaatst. De nieuwe locatie voor het nest of het kunstnest is binnen een straal van 200m. Er dienen in deze situaties ook maatregelen te worden getroffen om herhaling te voorkomen. Herhaaldelijk verwijderen/verplaatsen van nesten is niet toegestaan.

4.3.2 Vleermuizen Diverse soorten vleermuizen in Nederland maken gebruik van bouwwerken om overdag te rusten, hun jongen groot te brengen of te overwinteren. In gebouwen kan het gaan om spouwconstructies, zolders, ruimtes onder het dak, boei-borden en allerlei andere nauwe en holle ruimtes in de buitenschil van een gebouw, maar ook schuren, bunkers etc. worden benut. Ook zijn er soorten die onder bruggen, in oude gemetselde riolen, duikers en overkluisde watergangen verblijven. Bruggen en tunnels kunnen voor vleermuizen ook onderdeel uitmaken van een essentiële vliegroute. Voor gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis zijn beperkte negatieve effecten mogelijk ten aanzien van paarverblijfplaatsen en kleine zomer- en winterverblijfplaatsen. Een kleine zomer- of winterverblijfplaats bevat tot maximaal 10 dieren van gewone dwergvleermuis en tot maximaal 5 dieren van ruige dwergvleermuis. Voor overige functies en soorten geldt dat negatieve effecten worden voorkomen. De locaties met kraamverblijfplaatsen en grote zomer- en winterverblijfplaatsen blijven daarmee duurzaam behouden.

Rust- en voortplantingsplaatsen alle soorten A

Werkzaamheden uitvoeren buiten de beschermingszone. Verstoring van vleermuizen door werkzaamheden in de directe omgeving van deze gebouwen voorkomen (zie bijlage 5).

B

Werkzaamheden uitvoeren buiten de kwetsbare periode, binnen de beschermingszone. De werkwijze is als volgt: -

-

Op locaties met kraam- en/of grote zomer- en winterverblijfplaatsen werken buiten de kwetsbare periode. De kwetsbare perioden zijn de kraamperiode van mei tot en met juli en winterrustperiode van november tot en met maart. In- en uitvliegmogelijkheden blijven toegankelijk.

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

53

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

-

De constructie met rust- en voortplantingsplaatsen blijft behouden. Er wordt gewerkt zonder apparatuur met grote geluidsbelasting wanneer vleermuizen aanwezig kunnen zijn, zie ook bijlage 5. Wanneer vleermuizen aanwezig kunnen zijn, alleen werken bij daglicht. Indien donkere ruimtes zoals kunstwerken overdag moeten worden belicht, dient de verlichting voor vleermuizen te worden afgeschermd.

Gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis D

Bij aantoonbare noodzaak (met wettelijk belang en alternatievenafweging) is het mogelijk paarverblijfplaatsen en kleine zomer- en winterverblijfplaatsen aan te tasten, mits deze weer volledig worden hersteld: -

-

-

-

13

54

In geval het project meerdere woningen bij elkaar betreft, met meerdere rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen, geldt dat maximaal 10% van geschikte woningen voor deze soort per CBS-buurt per jaar per gemeente mag worden aangetast zoals na het volgend punt staat omschreven. In geval het een individueel gebouw of (civieltechnisch) werk betreft worden de werkzaamheden gefaseerd uitgevoerd waarbij minimaal 50% van de verblijfplaatsen per gebouw beschikbaar blijft. Indien er sprake is van 1 verblijfplaats en faseren niet mogelijk is, dient er voorafgaand voldoende alternatief in de omgeving te worden aangeboden zoals hierna omschreven. De oorspronkelijke verblijfplaatsen zijn maximaal 1 aaneengesloten kraam- en paarseizoen niet beschikbaar. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dienen in de directe omgeving (binnen 100m) van de werklocatie voldoende alternatieve paar, zomer- en winterverblijfplaatsen beschikbaar te zijn om naar uit te wijken. Of deze dienen te worden aangebracht, zie hiervoor de ‘Maatregelencatalogus beschermde soorten bij na-isolatie en renovatie van gebouwen’. De vervangende verblijfplaats kan een tijdelijk karakter hebben tot de originele locatie weer toegankelijk is. Minimaal een week voorafgaand aan de werkzaamheden wordt het bouwwerk natuurvrij gemaakt buiten de winterrustperiode.

Zie hiervoor de Leidraad Natuurvrij maken voor gebouwbewonende soorten (RVO.nl). Hier kan van afgeweken worden bij een lange doorlooptijd van de werkzaamheden, door voorafgaand aan de winterrustperiode werende voorzieningen aan te brengen. Wanneer werkzaamheden worden uitgevoerd in de kraamperiode bij een bouwwerk dat sterke gelijkenissen vertoond met een bouwwerk waar kraamverblijfplaatsen binnen de werklocatie of directe omgeving zijn vastgesteld 13, is het nodig voorafgaand aan het natuurvrij maken één extra veldbezoek (conform het vleermuisprotocol) op aanwezigheid van kraam-

Blijkt uit het uitgevoerde verkennende of nader onderzoek

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

STADSWERK, Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025

-

-

-

-

-

verblijven uit te voeren. Bij kraamverblijfplaatsen mogen geen werkzaamheden worden uitgevoerd. In- en uitvliegmogelijkheden en de constructie met verblijfplaatsen worden zo snel mogelijk hersteld op dezelfde locaties als het oorspronkelijke gebruik. Wanneer andere materialen worden toegepast dan in de oorspronkelijke situatie, dient voldaan te worden aan de ‘Maatregelencatalogus beschermde soorten bij na-isolatie en renovatie van gebouwen’ (RVO.nl) en het kennisdocument van de betreffende vleermuissoort. Indien het niet mogelijk is om de oorspronkelijke verblijfplaatsen te behouden of te herstellen worden permanente duurzame voorzieningen aangebracht in de buitenschil van het bouwwerk, waarbij de karakteristieken van de oorspronkelijke verblijfplaats en invliegopening zoveel mogelijk worden nagebootst. Zie voor aantallen, maatvoering en uitvoering de 'Maatregelencatalogus beschermde soorten bij na-isolatie en renovatie van gebouwen' en het kennisdocument van de betreffende vleermuis. Aanvullend geldt bij het aanbrengen van voorzieningen aan meerdere gebouwen dat er minimaal 3 verschillende typen voorzieningen binnen de werklocatie of directe omgeving dienen te worden aangebracht. Deze opgave geldt ook voor grote gebouwen (>500m2 dicht gevel- en dakoppervlak).

De voorzieningen hebben verschillende groottes en orientaties, minimale eisen hiervoor zijn: o 30% van de voorzieningen bestaat uit 2 typen middelgrote ruimtes (>50.000 cm3 of 50 liter) die met elkaar verbonden zijn of 1 grote ruimte (>100.000 cm3 of 100 liter). Van belang is dat de beschikbare ruimtes verschillende klimatologische omstandigheden hebben, bijvoorbeeld door een verschil in zonoriëntatie en/of materiaalkeuze. Ook kan ervoor gekozen worden 1 grote voorziening te realiseren (>1.000 liter). o Kleine vleermuiskasten (<5.500 cm3 of 5,5 liter) mogen maximaal bij 30% van het totaal aan voorzieningen worden toegepast. Voor elke verblijfplaats die wordt aangetast dienen minimaal 4 nieuwe voorzieningen te worden aangeboden. Vervangende verblijfplaatsen die worden aangebracht dienen minimaal 3 maanden voor het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen beschikbaar te zijn. De tijdelijke verblijfplaatsen in de paarperiode verwijderen en pas nadat de duurzame voorzieningen beschikbaar zijn. Zie voor meer informatie over de specificaties en duurzaamheid van de voorzieningen, het meest recente kennisdocument gewone dwergvleermuis van BIJ12.

20250602 STADSWERK Gedragscode soortbescherming gemeenten 2025 versie 5.3.3

55

RUIMTELIJKE ONTWIKKELING OF INRICHTING

Vliegroutes alle vleermuissoorten B

Bij aanwezigheid van essentiële vliegroutes van vleermuizen door tunnels of onder bruggen wordt in de periode van november tot en met maart gewerkt. Dit is buiten de gebruiksperiode.

C

Werkzaamheden aan bruggen of tunnels met essentiële vliegroutes van vleermuizen kunnen in de actieve periode van deze soortgroep worden uitgevoerd wanneer: -

-

-

Er overdag wordt gewerkt. In de avond/nacht een obstakelvrije doorgang (omvang door een ecologisch deskundige te bepalen), onder het plafond/brugdek toegankelijk blijft voor vleermuizen. In de avond/nacht wordt gewerkt zonder apparatuur met grote geluidsbelasting wanneer soorten aanwezig zijn om verstoring te voorkomen, zie bijlage 5. Aanwezige begeleidende begroeiing, richting tunnel of brug behouden. Eventuele verlichting mag de functionaliteit van de essentiële vliegroute niet beperken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=1991007a-e47d-4447-b6b6-d3696b8373bc