Verordening Wmo 2026
Tekst van het document
In navolgende situaties wordt ervan gegaan dat geen gebruikelijke hulp kan worden geboden: -De huisgenoot is overbelast of dreigt te worden overbelast; -De huisgenoot heeft beperkingen en mist de kennis/vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren; -De cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; -De huisgenoot is regelmatig niet aanwezig, vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; Ad c: Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te kunnen doen als weigeringsgrond. Ad d: Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken
Pagina 26/40
als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen de volgende criteria een rol spelen: - Is de voorziening gewoon te koop? - Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? - Past de voorziening bij het naar geldende maatschappelijke normen gangbare gebruiks- of bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager? - Is de voorziening niet specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Ad e: Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt.
Ad f: In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking, die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan geen beroep op deze verordening worden gedaan. In het tweede lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zou worden aangeduid met de term 'woonvoorziening'. Het derde lid bevestigt voor vervoer de regel dat een maatwerkvoorziening pas aan de orde is als de voorliggende algemene voorziening niet toereikend is.
Pagina 27/40
Artikel 6 Inhoud beschikking Uitgangspunt van de wet is dat de cliёnt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliёnt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget (pgb). Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Tweede lid, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven. Het vierde lid dient uitsluitend een goede informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.
Artikel 7 Regels voor pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliёnt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b, van de wet). Duidelijk moet zijn dat er eerst een oriëntatie op het Zin-aanbod heeft plaatsgevonden. Met de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). In principe wordt de de begeleiding, die vanaf 2015 tot taak van de gemeente is gaan horen, met uitzondering van beschermd wonen, vanaf 2017 in Heerlen als algemene voorziening aangeboden. Alleen als het college van mening is dat er geen adequaat aanbod als algemene voorziening beschikbaar is kan een maatwerkvoorziening toegekend worden, in de vorm van Zorg in Natura of als pgb. Dit zal slechts bij uitzondering het geval zijn. Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren. Om kwaliteit te garanderen bij Beschermd Wonen is hier opgenomen dat er naast iemand uit het sociaal netwerk (veelal een ouder van een meerderjarig kind) altijd ook een professionele ondersteuner bij de ondersteuning betrokken moet zijn.
Pagina 28/40
Artikel 8 Berekeningswijze pgb Dit artikel berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte, dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Indien het pgb-tarief een uurtarief is, is het maximumtarief voor de SVB gelijk aan het uurtarief van de gemeente.
Van belang is ook dat de beloning van het sociale netwerk beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit tot betere en effectievere ondersteuning leidt en doelmatiger is. Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). Zie voor de concrete berekeningswijze van de diverse tarieven Bijlage I
Artikel 9 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de WMO Dit artikel geeft handvatten voor het bestrijden van fraude. Op basis hiervan kunnen toezichthouders Wmo hun werkzaamheden vervullen.
Artikel 10 Opschorting betaling uit het PGB Dit artikel spreekt voor zich.
Pagina 29/40
Artikel 11 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Deze artikelen zijn opgenomen in verband met artikel 2.1.3, vierde lid van de Wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget, alsmede over misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Hieronder kan ook geschaard worden het moedwillig onzorgvuldig gebruik of wangedragingen die leiden tot verhoogde uitgaven. Artikel 1 t/m 3 hebben betrekking op de gegegevensverstrekking. Cliënt is verplicht zo spoedig mogelijk mededeling te doen van de omstandigheden zoals in dit artikel aangegeven. Alle wijzigingen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op de verstrekte voorziening moeten worden gemeld. Dit betreft ook de bepalingen opgenomen in de verordening, het uitwerkingsbesluit en de beschikking. Verhuizing naar een andere gemeente is een voorbeeld van een situatie die gemeld dient te worden. Het vierde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening financiert. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.
Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Dit komt terug in artikel 5 van de verordening. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het zesde en zevende lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen. Op grond van de in artikel 9 vermelde situaties die leiden tot herziening of intrekking van een beslissing , wordt in artikel 9a uitwerking gegeven aan de opschorting van de betaling van het PGB.
Pagina 30/40
In artikel 10 van deze verordening is geregeld dat het college ook de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens controleert. Dat is in het kader van dit artikel ook van belang. Verder wordt hier ook invulling gegeven aan artikel 6.1 van de wet waarin het toezicht en de handhaving is geregeld. Niet alleen worden in het interne uitvoerend proces controles ingericht ook wordt door de aangewezen toezichthouders toegezien op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. Het college voert een actief fraudepreventiebeleid. Zij maakt hierbij gebruik van alle bij de wet en verordeing toegestane middelen. Zij kan hierbij gebruik maken van algemen en risicogestuurde analyses. De aangewezen toezichthouders voeren dit uit. . Artikel 12 Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen Voor de eigen bijdragen (in de kosten van maatwerkvoorzieningen) geldt landelijk vanaf 2020 op grond van het “Uitvoeringsbesluit 2015”een zogenaamd abonnementstarief. Heerlen hanteert een uitzondering voor minima (inkomen tot 120% van de bijstandsnorm): zij betalen geen eigen bijdrage. Ook voor specialistische begeleiding bij een zintuiglijke beperking (die landelijk is geregeld) geldt geen eigen bijdrage. De bijdragen worden vastgesteld en geïnd door het CAK, met uitzondering van die voor opvang (artikel 2.1.4 lid 7 van de wet).
Die int de gemeente deels zelf (cliënten met een uitkering op grond van de Participatiewet), deels doen de opvangorganisaties dat (cliënten met andere inkomensbronnen). De bijdrage voor maatschappelijke opvang is zo vastgesteld dat mensen een bedrag overhouden dat gelijk is aan de zgn. zak- en kleedgeldnorm. Hiermee is deze bijdrage gelijk aan die voor de maatwerkvoorziening Beschermd Wonen in het kader van de wet en aan de eigen bijdrage die geldt voor Beschermd Wonen via de Wlz. Om de zelfstandigheid van mensen in de opvang te bevorderen wordt ook opvang geboden waar de kosten voor bed, bad en brood voor rekening zijn van de gebruiker. Er wordt dan ook huur betaald. Voor deze plekken wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Voor de opvang van ouders (meestal moeders) met kinderen in een opvangvoorziening zijn om zorginhoudelijke redenen de kosten voor boodschappen (bad en brood) voor rekening van de ouder (lid 8). Daarom is de eigen bijdrage dan lager Artikel 13 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Heerlen vraagt voor de algemene voorzieningen geen eigen bijdrage, met uitzondering (lid 2) van de algemene voorziening was- en strijkservice, met 100% korting (niet innen) voor iedereen met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm én (lid 3 en 4) de algemene voorziening vrouwenopvang. . Artikel 14 Bijdrage in de kosten van het collectief vraagafhankelijk vervoer
Pagina 31/40
Via de door 30 gemeenten in Limburg vastgestelde Gemeenschappelijke Regeling Omnibuzz wordt dit vervoer vorm gegeven. Het is een uitzondering binnen de Wmo als we kijken naar de indeling tussen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Er is wel een beschikking nodig om hiervoor in aanmerking te komen. Voor dit vervoer geldt via dit artikel een uitzondering op het abonnementstarief voor de eigen bijdrage. Vanaf 2024 vindt indexering op gelijke wijze plaats als de indexering van de tarieven van het OV. Omnibuzz publiceert de actuele tarieven van de gemeentes op haar website.
Artikel 15
Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Het is aan de gemeente om te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen, die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
Artikel 16 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de wet door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Bij verordening moeten regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). In het Uitvoeringsbesluit 2015 (AMvB op grond van de wet) is in 2017 een nadere regeling opgenomen over wat er in de verordening opgenomen moet worden. Dit artikel sluit daarbij aan.
Artikel 17 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, onverwijld melding doet van iedere calamiteit, die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden, en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college
Pagina 32/40
personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt de wet dat er door het college een regeling wordt opgesteld voor deze meldingen, dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Heerlen heeft, net als de andere gemeentes in Parkstad, voor dit calamiteitentoezicht de GGD aangewezen. Artikel 18 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.6 van de wet. Dit artikel stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.
Artikel 19 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming kan worden verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Personen, die 35% of meer arbeidsongeschikt zijn krijgen via het UWV een tegemoetkoming in de meerkosten. Zij worden daarom uitgesloten van de tegemoetkoming op grond van dit artikel. Artikel 20 Klachtregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen, die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Heerlen heeft hiervoor een algemene klachtenregeling. In dit artikel is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist.
In dit artikel is geregeld dat de aanbieder verplicht is een klachtregeling op te stellen ten aanzien van alle voorzieningen.
Pagina 33/40
In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat alsnog de weg naar de gemeente open. Artikel 21 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder, die voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder.
Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. Dit is hier uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van alle voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).
Artikel 22 Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmobeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever. In het derde en vierde lid zijn de specifieke vereisten voor medezeggenschap in het kader van de Wmo 2015 opgenomen. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Op dit moment bestaat hiervoor in Heerlen de MO Adviesraad.
Pagina 34/40
Artikel 22 Hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om uiteindelijk toch te beoordelen of in bijzondere gevallen sprake kan zijn van onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal niet vaak voorkomen. Als toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Bovendien kan de aanvrager zelf ook een beroep doen op deze clausule.
Pagina 35/40
BIJLAGE I.
Berekening van de PGB-uurtarieven zoals vermeld in artikel 8 1. Ondersteuning in de vorm van persoonlijke begeleiding Door een professional Het tarief is gebaseerd op het gemiddelde uurloon van schaal 7 van de voor de betreffende periode geldende cao SW en van schaal 45 van de voor de betreffende periode geldende cao GGZ, vermeerderd met een opslag voor de vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren, indirectie als gevolg van scholing en clientgebonden administratie/overleg en kosten verband houdend met het werkgeverschap. In het geval dat de ondersteuning geleverd wordt door een Zelfstandige zonder Personeel (ZZP’er), dient deze ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel (KvK). De inschrijving bij de KvK dient verband te houden met de Wmoondersteuning die geleverd wordt. Op dit moment (15 april 2025) is dit (gemiddelde) tarief inclusief 8% vakantietoeslag en inclusief de tegenwaarde van de (gemiddelde) verlofuren op basis van bovengenoemde cao’s op basis van een fulltime dienstverband € 45,55. Door een persoon uit het sociaal netwerk Het tarief is gebaseerd op de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, vermeerderd een opslag voor de vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.
Op dit moment (15 april 2025) is dit tarief € 19,38 inclusief 8% vakantietoeslag en € 20,99 inclusief 8% vakantietoeslag en de tegenwaarde van 237 verlofuren op basis van een fulltime dienstverband.
2. Ondersteuning in de vorm van Hulp bij het Huishouden Het uurtarief voor een pgb ten behoeve van Hulp bij het Huishouden is gebaseerd op het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), vermeerderd met een opslag voor de vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Afhankelijk van de gemaakte afspraken in de zorgovereenkomst kan een vaste toeslag van toepassing zijn voor kosten die verhand houden met het werkgeverschap. Dit geldt op basis van landelijke jurisprudentie en een daarover uitgebracht advies van de VNG voor zowel begeleiding door een professional als begeleiding door een persoon uit het sociaal netwerk.
Pagina 36/40
In het geval dat de ondersteuning geleverd wordt door een Zelfstandige zonder Personeel (ZZP’er), dient deze ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel (KvK). De inschrijving bij de KvK dient verband te houden met de Wmoondersteuning die geleverd wordt. Op dit moment (15 april 2025) is dit tarief € 22,89 inclusief 8% vakantietoeslag en € 24,79 inclusief 8% vakantietoeslag en de tegenwaarde van 237 verlofuren op basis van een fulltime dienstverband. Indexering De tarieven worden jaarlijks geindexeerd op basis van de OVA/PPC.
3. Tarieven voor kortdurend verblijf/ logeeropvang/ respijtzorg Het tarief per etmaal, voor ondersteuning die wordt geboden door het sociaal netwerk of mensen die niet als zelfstandig ondernemer bij de Kamer van Koophandel geregistreerd zijn, is gebaseerd op basis van de kosten voor bedbad-brood en een dagactiviteit met belanghebbende. Voor het bepalen van deze kosten wordt uitgegaan van informatie van het NIBUD op 24-4-2024 Activiteit
Kosten
Gebruik wasmachine en droger
€
3,00
Baden/ douchen
€
1,50
Voeding
€
8,35
Dagactiviteit
€ 12,00
Totaal
€ 24,85
Voor professionele organisaties (die wel als zelfstandig ondernemer bij de Kamer van Koophandel geregistreerd zijn) geldt een tarief van € 94,00 per etmaal. Dit is berekend op basis van het eerder geldende tarief (van € 75,00) vermeerderd met de vanaf 2021 ook voor de Zorg in natura toegepaste indexering cf. OVA en PPC: Jaar 2025 2024 2023 2022 2021
OVA 4,18 6 6,36 4,42 2,01
PPC 1,82 3,1 7,02 9,25 1,77
90% OVA en 10% PPC 3,94 voorlopig cijfer 5,71 definitief 6,43 definitief 4,90 definitief 1,99 definitief
4. Tarieven dagbesteding Dagbesteding kan alleen op professionele basis met een pgb ingekocht worden. De tarieven hiervoor zijn € 8,15 per uur dienstverlening voor
Pagina 37/40
dagbesteding met laag intensieve ondersteuning en € 13,75 voor gespecialiseerde dagbesteding met hoog intensieve ondersteuning. Deze zijn berekend op basis van de eerder geldende tarieven (van € 6,50 resp. € 11,00) vermeerderd met de vanaf 2021 ook voor de Zorg in natura toegepaste indexering cf. OVA en PPC zoals hierboven bij 3. weergegeven.
5. Tarieven vervoer in verband met dagbesteding Het tarief voor een pgb ten behoeve van vervoer van en naar de Dagbesteding bedraagt per dag € 9,40 in geval van gewoon vervoer en € 18,75 in geval van rolstoelgebonden vervoer. Deze zijn berekend op basis van de eerder geldende tarieven (van € 7,50 resp. € 15,00) vermeerderd met de vanaf 2021 ook voor de Zorg in natura toegepaste indexering cf. OVA en PPC zoals hierboven bij 3. weergegeven.
6. Tarief beschermd wonen in een kleinschalige Woonvoorziening In dit tarief zijn de huisvestingskosten en kosten voor voeding niet inbegrepen, in tegenstelling tot wat geldt voor de zorg in natura. Het tarief bedraagt € 112,50. Het tarief is gebaseerd op het eerder geldende tarief (€ 90,00) vermeerderd met de vanaf 2021 ook voor de Zorg in natura toegepaste indexering cf. OVA en PPC zoals hierboven bij 3. weergegeven.
Pagina 38/40
BIJLAGE II.
Kostenberekening woonvoorzieningen Het aantal m2 dat voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt is per vertrek gemaximeerd (zie tabel). 1.a Aantal m2 waarvoor ten hoogste een maatwerkvoorziening kan worden verleend, aangegeven per vertrek in een zelfstandige woning
soort vertrek woonkamer keuken eenpersoons slaapkamer tweepersoons slaapkamer toiletruimte badkamer doucheruimte entree / gang / hal
Maatwerkvoorziening in geval van aanbouw van een vertrek
Maatwerkvoorziening in geval van uitbreiding van een reeds aanwezig vertrek
30 10 10 18 2 2 3 5
6 4 4 4 1 1 2 2
1.b Kosten padverharding Het aantal m2 verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte, dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort dat bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande paden ten hoogste voor financiële tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt 20 m2.
Pagina 39/40
Bijlage III.
Vergoeding voor kosten van onderhoud, keuring en reparatie Alleen de werkelijk gemaakte kosten van keuring, onderhoud (met een maximum van de in de tabel genoemde bedragen) en reparatie (niet expliciet gebonden aan een maximum) aan de hieronder genoemde voorzieningen komen in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming: a. stoelliften; b. rolstoel- of sta-plateauliften; c. woonhuisliften; d. hefplateauliften; e. de mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte verstelbaar keukenblok, bad of wastafel; f. elektromechanische openings- en sluitingsmechanisme van deuren; g. sanibroyeur en; h. douche-föhninstallatie. De maximale vergoeding van kosten voor onderhoud en/ of onderhoudscontract en keuring van diverse soorten liften in woningen en trappenhuizen bedraagt:
Soorten liften Stoellift Rolstoel-plateaulift Woonhuisliften Hefplateaulift
Keuringen Frequentie Keuring 1x per 4 jaar 1x per 4 jaar 1 x per 1,5 jaar 1x per 1,5 jaar
Kosten excl. BTW € 254,09 € 309,59 € 309,59 € 314,03
Onderhoud Frequentie onderhoud 1x per jaar 1x per jaar 2x per jaar 2x per jaar
Kosten excl. BTW € 521,04 € 521,04 € 1.042,06 € 1.042,06
Maximale toeslagen op bovengenoemde tarieven: 50% voor installaties geplaatst buiten de woning; 50% voor installaties die meer dan 1 verdieping overbruggen; 50% voor installaties, uitgevoerd met elektrisch aangedreven plateaus en/of afrijdbeveiliging resp. elektrisch wegklapbare raildelen.
Pagina 40/40
Formulier algemene informatie Auteur: Miranda Vollema
Vastgesteld door:
Gemeenteraad van Heerlen
Officiële naam van de verordening:
Verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2026
Afdeling: Team Beleid Maatschappij
Citeertitel van de verordening:
Verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2026
Publiceertitel
Verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2026
Onderwerp van de verordening:
Uitvoering Wmo 2015
Wettelijke grondslag:
Wmo 2015
Afdelingscode:
Team Beleid Maatschappij
Registratienummer van de verordening:
604741
Registratienummer collegevoorstel:
604740-604742
Beleidsonderwerp
Zorg en gezondheid
Datum inwerkingtreding:
1 januari 2026
Datum inwerkingtreding:
1 januari 2026
Datum inwerkingtreding:
1 januari 2026
Datum terugwerkende kracht (t/m) (indien
25 februari 2026
van toepassing Datum besluit/ondertekening:
25 februari 2026
Geldig voor bepaalde duur: (ja/nee)
Nee
Algemeen verbindend voorschrift?
Ja
de verordening treedt in de plaats van:
Verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2025
Registratienummer vorige verordening:
345660
Onderstaande gegevens niet zelf invullen. Datum besluit intrekking: Datum publikatie intrekking: Datum inwerkingtreding intrekking