CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

Romeins Museum de Thermen_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 8 Ecologie_ soortenbescherming

Raadsvergadering . (video) 30 oktober 2024, gemeente HeerlenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Romeins Museum de Thermen'10.117 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING ROMEINS MUSEUM DE THERMEN TE HEERLEN

Rapportage ecologisch onderzoek Romeins Museum de Thermen te Heerlen Opdrachtgever

Exaedes Minderbroederssingel 50 6041 KX Roermond

Rapportnummer Versienummer

15388.001 D1

Status

Eindrapportage

Datum

6 april 2021

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

………………………………

Paraaf Kwaliteitscontrole

………………………………

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 11 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................. 11 Vleermuizen .................................................................................................................... 13 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 15 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 16 Ongewervelden............................................................................................................... 18 Vaatplanten..................................................................................................................... 18

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 19 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 9 Houtopstanden ............................................................................................................... 10

Broedvogels .................................................................................................................... 19 Vleermuizen .................................................................................................................... 19 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 20 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 20

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 21 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 21 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 23

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 24

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 25

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 15388.001

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Exaedes opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming ter plaatse van het Romeins Museum de Thermen te Heerlen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de verbouwing en eventuele sloop van het pand en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 1 van 27

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 8.650 m²) ligt aan de Coriovallumstraat 9, in de kern van Heerlen. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 196.498, Y = 321.859. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft een oudheidkundig museum in het centrum van Heerlen. Het museum is rond de opgraving van een Romeins badhuis gerealiseerd. Naast het museum is een tuin met groen gelegen. De onderzoekslocatie is omgeven door woningen en winkelpanden. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 14 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 2 van 27

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 3 van 27

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Ingang museum aan noordzijde met daarbovenop het archief.

Figuur 4. Noordoostzijde pand.

Figuur 5. Zuidzijde pand grenzend aan tuin.

Figuur 6. Zuidwestzijde pand met gemeentelijk groen.

Figuur 7. Zuidoostzijde pand.

Figuur 8. Romeins badhuis aan binnenzijde van het museum.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 4 van 27

Figuur 9. Dak van het archief.

Figuur 12. Opslag in kelder.

2.2

Figuur 10. Dak van het museum.

Figuur 13. Tuin van het museum.

Figuur 11. Binnenzijde archief.

Figuur 14. Tuin van het museum.

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens het Thermen Museum vanaf 2023 volledig te verbouwen, waarbij sloop van (een deel) van het gebouw niet wordt uitgesloten.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 5 van 27

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 29 maart 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Naast de buitenzijde van het pand zijn ook de kelders geïnspecteerd. Daarnaast zijn de daken en de binnenzijde van het archief bekeken. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.

Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 6 van 27

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:   

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 7 van 27

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 8 van 27

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:     

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 9 van 27

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 10 van 27

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom in de omgeving van Heerlen kunnen dit nestlocaties zijn van gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw, ooievaar, roek, ransuil, slechtvalk en torenvalk. Van deze soorten kunnen nestlocaties van roek en torenvalk op voorhand worden uitgesloten. De roek is een koloniebroeder, binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden zijn geen indicaties voor de aanwezigheid van een roekenkolonie aangetroffen. De torenvalk broedt in oude kraaiennesten, maar tegenwoordig vooral in speciale torenvalkkasten, welke beide niet zijn aangetroffen op de onderzoekslocatie. Huismus De huismus is een typische kolonie broedende vogel die zowel binnen als buiten de bebouwde kom wordt aangetroffen. Op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte nestgelegenheden aangetroffen voor de huismus. De panden zijn niet gedekt met een dakpannen dak, er zijn geen dakgoten die toegang bieden tot ruimtes onder het dak of nissen in de gevels welke geschikt zijn voor huismussen. Tijdens het veldbezoek werden daarnaast geen huismussen gezien of gehoord. Overtreding ten aanzien van huismus kan op voorhand worden uitgesloten. Gierzwaluw De gierzwaluw broedt veelal onder dakgoten, boeiboorden, dakkapellen of dakpannen.

Op de onderzoekslocatie werden geen geschikt nestlocaties voor gierzwaluw aangetroffen. Het pand is niet gedekt met een dakpannen dak, er zijn geen ruimtes onder dakgoten, boeiboorden of dakkapellen. Overtreding ten aanzien van de gierzwaluw kan op voorhand worden uitgesloten. Huiszwaluw en boerenzwaluw De boerenzwaluw en huiszwaluw zijn afhankelijk van bebouwing als nestlocatie. De huiszwaluw maakt nesten tegen de witte gevels van bebouwing. De boerenzwaluw broedt in open schuren en brede dak overstekken. Tijdens het veldbezoek zijn geen mogelijkheden voor nestlocaties aangetroffen voor zowel de boerenzwaluw als de huiszwaluw. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van boerenzwaluw en huiszwaluw kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Slechtvalk

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 11 van 27

De slechtvalk broedt op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. De hoogbouw op de onderzoekslocatie is daarmee potentieel geschikt als nestlocatie voor slechtvalk. In de omgeving van de onderzoekslocatie is de slechtvalk echter maar twee keer waargenomen (op dezelfde locatie) in de afgelopen tien jaar (bron: NDFF). Bij aanwezigheid van een nestlocatie op de planlocatie mag ervanuit worden gegaan dat meer waarnemingen van slechtvalk bekend zijn in de directe omgeving. Tijdens het veldbezoek zijn verder geen indicaties in de vorm van uitwerpselen, prooiresten of andere sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van een nestlocatie van slechtvalk. Op basis van de quickscan kan worden uitgesloten dat zich op het perceel een nestlocatie van slechtvalk bevindt. Ransuil De ransuil bewoont verschillende leefgebieden, waaronder open bos, parken, heiden maar soms ook tuinen. De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen, vanwege de hoge dekking. Rond de naaldbomen op de onderzoekslocatie is gezocht op de aanwezigheid van braakballen, krijt- en/of pluksporen. Er zijn geen sporen aangetroffen waardoor de aanwezigheid van de ransuil op de onderzoekslocatie kan worden uitgesloten.

Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Ze nestelen vaak in een nis in een muur of onder een brug of bij boomwortels in oevers. Op en nabij de onderzoekslocatie is geen water aanwezig, waarmee nestlocaties van grote gele kwikstaart kunnen worden uitgesloten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van grote gele kwikstaart kan op voorhand worden uitgesloten. Ooievaar Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF broeden er in omgeving van de onderzoekslocatie ooievaars. Deze waarnemingen van ooievaar zijn gedaan in Welten. Op de onderzoekslocatie zelf zijn echter geen nesten aangetroffen, waardoor het verstoren van een vaste rust- en verblijfplaats van ooievaars uitgesloten kan worden. 5.1.2

Overige broedvogels

De bebouwing en tuinbeplanting, waarvan voornamelijk den, rotsheide, berk, klimop, hulst en esdoorn op de onderzoekslocatie (figuur 15) kunnen nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, zwarte roodstaart, houtduif en winterkoning. Daarnaast is in een boom buiten de onderzoekslocatie een eksternest waargenomen (figuur 16). Het grinddak op het archief biedt daarnaast geschikte nestgelegenheid aan scholekster (figuur 9). De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen door het verwijderen van groen en het verwijderen van het grind op het dak van het archief uit te voeren buiten het broedseizoen (zie hoofdstuk 6).

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 12 van 27

Figuur 15. Groen op onderzoekslocatie.

Figuur 16. Eksternest.

Voor broedvogels als ijsvogel, buizerd en ringmus, waarvan het functioneel leefgebied in Limburg beschermd is, de zogenaamde categorie 4-soorten, is op de onderzoekslocatie geen essentieel leefgebied aanwezig. Overtreding ten aanzien van categorie 4-soorten kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en vleermuis.net is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, tweekleurige vleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen achter regenpijpen, achter beplating en aanwezige open stootvoegen (figuur 17 en 18). De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, en kraamverblijf. De ruige dwergvleermuis en de gewone dwergvleermuis kunnen de bebouwing tevens gebruiken en als baltsverblijf. De gewone dwergvleermuis kan de bebouwing daarnaast gebruiken als massawinterverblijfplaats, door de aanwezigheid van ruimte achter de beplating op het archief die doorloopt naar binnen (figuur 19 en 20) (zie hoofdstuk 6). Rosse vleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis kunnen op de locatie op voorhand worden uitgesloten doordat ze hun verblijfplaatsen in bomen hebben of gebonden zijn aan bosgebieden of kleinschalig landschap.

De bomen op de onderzoekslocatie zijn gecontroleerd op holtes en/of loshangende schors, welke niet werden aangetroffen. De tweekleurige vleermuis komt alleen voor in hoogbouw (gebouwen met minstens 5 verdiepingen) en kan op deze locatie dan ook worden uitgesloten.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 13 van 27

Figuur 17. Ruimte achter regenpijp geschikt voor vleermuizen.

Figuur 18. Open stootvoeg, die toegang geeft tot de gevel.

Figuur 19. Ruimte tussen beplating van archief geschikt voor gewone dwergvleermuis.

Figuur 20. Tekening van beplating die langs boven doorloopt naar binnen.

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Naast de onderzoekslocatie bevinden zich tevens panden die geschikt zijn voor vleermuizen. Door de afstand van de onderzoekslocatie tot nabijgelegen panden kan verstoring echter op voorhand worden uitgesloten. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat incidenteel gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk ruige

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 14 van 27

dwergvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft nabijgelegen tuinen, groenvoorzieningen en parken. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. 5.3.1

Streng beschermde soorten

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de zoogdiervereniging (Zoogdiervereniging, 2018) zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie (bewoningssporen van) de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen: eekhoorn, steenmarter, das en wild zwijn. Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door de geïsoleerde ligging in de kern van Heerlen ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen hebben hun leefgebied in de buiten het standscentrum van Heerlen gelegen groen zoals Terworm en de Brunssummerheide. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt door het ontbreken van geschikte toegangen tot de bebouwing geen geschikt habitat voor de steenmarter. Tijdens het veldbezoek werden daarnaast geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door steenmarter kan dan ook worden uitgesloten.

Eekhoorn De loofbomen op en rond de onderzoeklocatie konden door de afwezigheid van bladeren goed worden gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten, welke niet aanwezig waren. De aanwezige naaldbomen in de tuin konden niet in het geheel worden onderzocht op nesten. Echter, door het ontbreken van nesten in de te inspecteren bomen en delen van bomen, het ontbreken van sporen en de geïsoleerde ligging van de locatie kan een vaste rust- en verblijfplaats van eekhoorn met grote waarschijnlijkheid worden uitgesloten. De bekende waarnemingen van eekhoorn zijn daarnaast niet gedaan in het centrum van Heerlen maar in de omliggende groenzones en buitengebieden.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 15 van 27

Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt (zoals wild zwijn), is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2

Licht beschermde soorten

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en verschillende muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat verblijfplaatsen van deze soorten worden vernietigd of verstoord (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 10 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: levendbarende hagedis, zandhagedis en hazelworm. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis leeft in redelijk dicht begroeide gebieden, zoals (vochtige) heide, veen, schraal grasland, open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden, maar kan ook in wegbermen, dijktaluds, hagen en houtwallen voorkomen. Daarnaast heeft de soort een duidelijke voorkeur voor vochtige terreinen, met name structuurrijke overgangen van vochtige naar droge terreindelen. De hazelworm wordt voornamelijk waargenomen op bos- en heideterreinen, kalkgraslanden, oude steengroeven, bermen en parken. De zandhagedis leeft op droge en zandige terreinen zoals duinen en heidevelden (Stumpel en Strijbosch, 2006; BIJ12, 2017; RAVON, 2018). Doordat de onderzoekslocatie voornamelijk bestaat uit verhardingen, bebouwing en siertuin is er geen geschikt habitat voor de levendbarende hagedis, hazelworm of zandhagedis aanwezig. Verstoring of vernietiging van een vaste rust- en verblijfplaats van reptielen is dan ook uit te sluiten.

Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en RAVON zijn in het deel van Nederland waar de onderzoekslocatie ligt, de volgende streng beschermde soorten te verwachten: Alpenwatersalamander, vroedmeesterpad en rugstreeppad Doordat wateroppervlakten als beken, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. Omdat de vroedmeesterpad en de rugstreeppad pioniersoorten zijn, wordt echter aangeraden om de locatie, ingedien gesloopt wordt, na de sloop vrij te houden van kuilen waarin zich tijdelijke wateren kunnen vormen of om een amfibieënscherm onder aan de bouwhekken te plaatsen. Dit in het kader van toekomstige ontwikkelingen op de locatie. De onderzoekslocatie vormt daarnaast weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander op of rond de onderzoekslocatie beschutting vinden tussen de aanwezige beplanting. Voor deze mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). Vissen

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 16 van 27

Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 17 van 27

5.5

Ongewervelden

Libellen Volgens de NDFF is in de buurt van de onderzoekslocatie de streng beschermde bosbeekjuffer waargenomen. Voor libellen geldt echter dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders Volgens de NDFF zijn in de buurt van de onderzoekslocatie de streng beschermde iepenpage, kleine ijsvogelvlinder, grote weerschijnvlinder, grote vos, sleedoornpage en teunisbloempijlstaart waargenomen. De grote weerschijnvlinder is gebonden aan vochtige boshabitats met wilgensoorten, de grote vos is gebonden aan plekken met grote vrijstaande bomen waaronder iep, zoete kers en verschillende wilgensoorten, de iepenpage is voor zijn voortplanting gebonden aan iepen, de kleine ijsvogelvlinder is voor zijn voortplanting gebonden aan kamperfoelie, de sleedoornpage is gebonden aan sleedoorn en de teunisbloempijlstaart is voor zijn voortplanting gebonden aan de algemene plantensoorten wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Doordat vochtig gebied, open terrein, wilgensoorten, iepen, zoete kers, sleedoorn en kamperfoelie op de onderzoekslocatie ontbreken kan voortplantingshabitat voor zowel de kleine ijsvogelvlinder, grot vos, grote weerschijnvlinder, teunisbloempijlstaart en iepenpage worden uitgesloten.

Verstoring of vernietiging van voortplantingsplaatsen van vlinders is dan ook niet aan de orde. Overige soorten In de buurt van de onderzoekslocatie is het beschermde vliegen hert waargenomen. Door het ontbreken van dood eikenhout op de onderzoekslocatie kunnen voortplantingsmogelijkheden van vliegend hert echter worden uitgesloten. 5.6

Vaatplanten

Volgens de NDFF is in de omgeving van de projectlocatie de streng beschermde grote leeuwenklauw waargenomen. Dit is een soort die voorkomt in akkerland op vochtige en kalkhoudende bodem. Dit habitat is op de onderzoekslocatie, die voornamelijk bestaat uit bebouwing, verharding en tuinbeplanting, niet aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn daarnaast geen beschermde planten waargenomen. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten, waarvoor geen vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling geldt, op de onderzoekslocatie niet te verwachten.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 18 van 27

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien groen verwijderd dient te worden, dit buiten het broedseizoen dient te gebeuren om overtredingen met betrekking tot deze soorten te voorkomen. Ook het verwijderen van het grind op het dak van het archief dient buiten het broedseizoen te gebeuren. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het aanwezige groen of het grind op het dak toch binnen het broedseizoen verwijderd wordt, dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd te worden door een ter zake kundig ecoloog. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen of grind te verwijderen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen.

Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2

Vleermuizen

De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. In onderhavig geval vindt er mogelijk verstoring plaats. Beschadigen, vernielen of wegnemen, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 4 is te voorkomen door te allen tijde de functionaliteit te behouden. Dit kan bijvoorbeeld door het aanbieden van voldoende alternatieve verblijfplaatsen.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 19 van 27

Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen.

Deze maatregelen, omschreven in een projectplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. 6.3

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden of het verwijderen van groen kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden door graafwerkzaamheden of het verwijderen van groen. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 20 van 27

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Geleenbeekdal, bevindt zich op circa 650 meter afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 21).

Figuur 21. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 21 van 27

de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot het gebied “Geleenbeekdal” op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (Aerius-calculator).

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 22 van 27

7.2

Natuurnetwerk Nederland

In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone wordt wel ondersteund. De bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden. Echter, de zilvergroene natuurzones en bronsgroene landschapszones maken wel onderdeel uit van het Provinciaal Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het meest nabijgelegen goudgroene gebied bevindt zich circa 660 meter ten noordwesten, het meest nabijgelegen zilvergroene gebied op 880 meter ten noordwesten en het meest nabijgelegen bronsgroene gebied bevindt zich 400 meter ten westen van de onderzoekslocatie. In figuur 20 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 20. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

De onderzoekslocatie ligt op respectievelijk 660 meter, 880 meter en 400 meter afstand van een onderdeel van de goudgroene en zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone. Door de

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 23 van 27

voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Limburg niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk wordt niet noodzakelijk geacht. 8 HOUTOPSTANDEN De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 24 van 27

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Exaedes een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd ter plaatse van het Romeins Museum de Thermen te Heerlen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de verbouwing en eventuele sloop van het pand en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

ja

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitvoeren of ongeschikt maken

jaarrond beschermd

nee

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

-

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten zoals egel en verschillende muizensoorten

Amfibieën

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten als gewone pad en bruine kikker

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

650 meter

mogelijk

stikstofonderzoek

mogelijk

Natuurnetwerk Nederland

660 meter

nee

nee

nee

-

n.v.t

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

Houtopstanden

aanvullend onderzoek gebouwbewonende vleermuizen

Stikstofonderzoek noodzakelijk

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 25 van 27

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 26 van 27

Conclusie Op basis van onderhavige quickscan flora en fauna dient voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door het verwijderen van groen en het grind op het dak buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Met betrekking tot het Natuurnetwerk Nederland of houtopstanden zijn ten aanzien van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie geen negatieve effecten te verwachten. Ten aanzien van Natura2000 gebieden is een stikstofonderzoek noodzakelijk. Verder wordt aanbevolen om het ontstaan van tijdelijke wateren na eventuele sloop te voorkomen of om het gebied af te schermen met amfibieënschermen zodat een mogelijke vestiging van de vroedmeesterpad of rugstreeppad voorkomen wordt.

Econsultancy Swalmen, 6 april 2021

Rapport 15388.001 versie D1

Pagina 27 van 27

GERAADPLEEGDE BRONNEN Algemene Literatuur BIJ12 (2017). Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivipara, BIJ12, Utrecht Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge 2015. Waarnemingenoverzicht 2014. Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014. Soortenstandaard Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 2.0 december 2014. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Limpens, H.J.G.A., K. Mostert & W. Bongers (red.) 1997. Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.

Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Heerlen, periode 2011-2021 SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Stumpel, T. & Strijbosch, H. 2006. Veldgids Amfibieën en reptielen. KNNV Uitgeverij, Zeist Algemene websites www.floron.nl (soortgegevens planten) www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) www.rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.mijn.rvo.nl (natuurwetgeving) www.rvo.nl (nationale natuurwetgeving en soortenstandaarden) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)

Rapport 15388.001 versie D1

www.vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1. 2.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 15388.001 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

Rapport 15388.001 versie D1

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=3f9a48b2-00a1-4b9b-bcb8-b26f0cc38c74