Romeins Museum de Thermen_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 13 Onderzoek explosieven
Tekst van het document
245-022-RA-01
Pagina 1 van 76
RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN ‘ROMEINS MUSEUM TE HEERLEN’
LOCATIE
RISICO
ACTIVITEIT
245-022-RA-01
Pagina 2 van 76
ONDERZOEKSGEBIED:
Romeins Museum te Heerlen
OPDRACHTGEVER:
Gemeente Heerlen
DATUM:
15-08-2023
SENIOR DESKUNDIGE OOO:
Dhr. Th. Derks Explosive Clearance Group B.V.
………………………………………………...
TER ACCORDERING MANAGEMENT EN EINDVERANTWOORDELIJKE DIRECTIE:
Dhr. Ing. F. Pas – Algemeen Directeur Explosive Clearance Group B.V.
…………………………………………………... DOCUMENTCODE:
245-022-RA-01
VERSIE:
Definitief
DISTRIBUTIELIJST:
Explosive Clearance Group B.V. Gemeente Heerlen
Copyright: Explosive Clearance Group B.V. 2022©. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houders van het auteursrecht. De opdrachtgever mag voor intern gebruik duplicaten maken.
245-022-RA-01
Pagina 3 van 76
Management Samenvatting Het Thermenmuseum te Heerlen zal worden omgebouwd tot Romeins Museum. Het gebouw aan de zijde van de Coriovallumstraat zal worden afgebroken tot op kelderniveau. Vervolgens zal bovengronds nieuwbouw op de bestaande fundering worden gerealiseerd. Aan de achterzijde zal het gebouw worden uitgebreid. Het gedeelte van het gebouw aan de Deken Nicolaijestraat zal worden gesloopt. Dit gedeelte zal niet worden vervangen door nieuwbouw.1 Hierbij zullen zodoende grondroerende werkzaamheden plaatsvinden. Dit brengt onder andere met zich mee dat er vooraf gepaste aandacht dient te worden besteed aan (de informatievoorziening omtrent) de samenstelling van de bodem zoals bijvoorbeeld de mogelijke aanwezigheid en/of afwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten en hoe hiermee eventueel om te gaan. Middels aanvullend onderzoek is vastgesteld dat in de (directe) omgeving van het onderzoeksgebied brandbommen neerkwamen. Er zijn geen inslaglocaties feitelijk naar het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse herleid. Voor wat betreft de granaatinslagen geldt dat deze niet eenduidig te herleiden bleken naar het gebied van de Risicoanalyse. Middels contra-indicatieonderzoek is tevens vastgesteld dat er na de Tweede Wereldoorlog diverse grondroerende werkzaamheden in en bij het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden.
Zo zijn er nadere opgravingen gedaan, is er bestrating aangebracht en is het Thermenmuseum gerealiseerd. Er zijn geen feitelijke gegevens achterhaald dat bij deze werkzaamheden Ontplofbare Oorlogsresten zijn aangetroffen. Op basis van het gestelde wordt geen aanwezigheid en derhalve geen uitwerking van Ontplofbare Oorlogsresten verwacht (Conclusie I). ECG adviseert de werkzaamheden regulier uit te voeren, met hantering van een Protocol Toevalsvondst zoals opgenomen in bijlage 2.
1 Inpijn Blokpoel Ingenieurs, ‘Verbouwing Thermen Museum aan de Coriovallumstraat 9 te Heerlen’ Opdrachtnummer:
22ZP0185, Rapport betreffende resultaten geotechnisch onderzoek Fundering; Documentnummer: 22ZP0185-adv-01 (2022), 2.
245-022-RA-01
Pagina 4 van 76
Inhoudsopgave 1
INLEIDING ................................................................................................................................................... 6
2
ONDERZOEKSGEBIED EN GEPLANDE WERKZAAMHEDEN ........................................................................................ 12
2.1.1 BODEMOPBOUW ............................................................................................................................................ 13 2.1.2 GRONDWATERPEIL .......................................................................................................................................... 15 2.1.3 VASTSTELLEN KWETSBARE OBJECTEN EN PLAATSEN ................................................................................................ 17
3
INPUT EN AANVULLING VOORONDERZOEK CONFLICTPERIODE ................................................................................ 22
3.4.1 3.4.2 3.4.3 3.4.4 3.4.5
UITWERKING INDICATIE: BOMBARDEMENT 05 OKTOBER 1942 ................................................................................ 28 UITWERKING INDICATIE: GRANAATINSLAGEN 17 SEPTEMBER 1944 .......................................................................... 32 AANVULLEND ONDERZOEK: NAOORLOGSE RUIMINGEN - KRANTENARCHIEF DELPHER.................................................... 33 AANVULLEND ONDERZOEK: NAOORLOGSE RUIMINGEN - GEMEENTEARCHIEF .............................................................. 33 AANVULLEND ONDERZOEK: NAOORLOGSE RUIMINGEN - BESCHOUWING MORA REGISTER ............................................. 33
4
AANVULLEND ONDERZOEK NA-CONFLICTPERIODE – CONTRA INDICATIES .................................................................. 37
4.3.1 OPGRAVINGEN JAREN VEERTIG EN VIJFTIG ........................................................................................................... 44 4.3.2 DE BOUW VAN HET THERMENMUSEUM (JAREN 70) ............................................................................................... 46
5 6 7 8 9
RISICOBEOORDELING VOORGENOMEN WERKZAAMHEDEN ..................................................................................... 54 LEEMTEN IN KENNIS ..................................................................................................................................... 57 CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ..................................................................................................................... 58 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN ........................................................................................................ 60 BIJLAGEN .................................................................................................................................................. 68
245-022-RA-01
Pagina 5 van 76
1 INLEIDING Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, is een aantal om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht.2
ALGEMEEN Hoofdrisico van het werkveld van het opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO)3 is het onverhoeds aantreffen van deze Ontplofbare Oorlogsresten bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen OO. Hierdoor bestaat het potentiële gevaar op het ongewenst tot (uit)werking komen van OO en dat kan grote uitwerkingsgevolgen teweegbrengen. De belangrijkste daarvan zijn luchtdruk, schokgolf en scherfwerking, welke een gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van (bij het opsporen van OO betrokken)4 werknemers, omstanders en andere personen. Het voornoemde gevaar kan zich voordoen indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen/onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van OO en/of het opsporen van OO op een onzorgvuldige en/of ondeskundige wijze plaatsvindt.
In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van OO zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart.5 Om spontane vondsten en eventuele daaruit voortvloeiende ongewilde gebeurtenissen te voorkomen, dient de opdrachtgever (de initiatiefnemer van de werkzaamheden – degene voor wiens rekening een bouwwerk/civieltechnisch tot stand wordt gebracht) zich ervan te gewissen dat de betrokken werkgevers en zelfstandigen in staat zijn de verplichtingen voor de arbeidsomstandigheden die gelden in de uitvoeringsfase na te komen (een inspanningsverplichting samenhangende met verantwoord opdrachtgeverschap). Dat wil onder andere zeggen dat de opdrachtgever zekerheid verkrijgt dat de aannemer die het werk uitvoert dat op een veilige en gezonde manier kan doen, onder naleving van wettelijke regels en door toepassing van maatregelen uit de voor dat werk geldende arbocatalogus, brancherichtlijnen, stand der techniek en wetenschap. Kortom: de opdrachtgever dient reeds in het ontwerp er zoveel mogelijk voor te zorgen dat er zekerheid bestaat dat het werk veilig kan worden uitgevoerd.
2 Uit Amerikaans onderzoek in Europa na de Tweede Wereldoorlog (1947) waarbij de uitwerkingen van 26.444 ingezette
bommen (verspreid over 38 doelen) zijn bestudeerd, is gebleken dat hiervan 13% procent om verschillende redenen niet tot ontploffing zijn gekomen (blindgangers). 3 De term Ontplofbare Oorlogsresten (OO) vervangt de term Conventionele Explosieven (CE). Zie: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2019, nr. 471, Besluit 28 november 2019. 4 Het opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten mag alleen plaatsvinden door bedrijven die hiervoor gecertificeerd zijn. Per 1 januari 2021 is het Werkveld Specifieke Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) vervangen door het Certificatieschema voor het Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO). Het vooronderzoek valt buiten het bereik van het CS-OOO. Zie voetnoot 6. 5 Voor nadere info betreffende regelgeving etc. zie: www.explosievenopsporing.nl.
245-022-RA-01
Pagina 6 van 76
Verantwoord opdrachtgeverschap houdt hierbij in dat de aandacht voor de gezondheid en de veiligheid van degenen die het werk uitvoeren in alle fases van een project (van ontwerp tot oplevering) is geborgd en dat de opdrachtgever zich altijd bewust is van zijn verantwoordelijkheid en daarnaar handelt. Door vanaf het begin van een project de gevolgen voor gezond en veilig werken te beoordelen en maatregelen te nemen, kunnen risico’s in de uitvoeringsfase worden voorkomen. Is bij de voorbereiding van een bouwwerk goed nagedacht over de veiligheidsaspecten en de planning, leidt dat tot minder arbeidsrisico’s bij de realisering van het bouwwerk. Ten gevolge van het voorgaande dient de opdrachtgever er vooraf zorg voor te dragen dat er bij grond- en/of waterbodemroerende activiteiten informatie beschikbaar is over de samenstelling van de (water)bodem en hiervoor de juiste onderzoeken te (laten) verrichten.
Zodat de opdrachtnemer/ uitvoerder in zijn hoedanigheid als werkgever een goede beoordeling kan maken of er in de uitvoeringsfase bepaalde risico’s kunnen ontstaan en waarmee er in een Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) en een eventueel Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G plan) rekening mee gehouden dient te worden.6 Het vaststellen of er bijvoorbeeld sprake is van specifieke gevaren in verband met de potentiële aanwezigheid van OO kan plaats vinden middels bureaustudies7 waarin beoordeeld wordt of een onderzoekgebied VERDACHT of ONVERDACHT is op de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten en of er sprake is van daaraan gerelateerde risico’s. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de onderzoekverplichting in artikel 4.10 van het Arbobesluit om het risico van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten voorafgaand aan werkzaamheden in een gebied te inventariseren en te evalueren.8
6 Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 2016, nummer 495, Besluit 6 december 2016: “Artikel 2.26 [van
het Arbeidsomstandighedenbesluit] vormt tevens de basis voor handhaving op het terrein van grond-, weg- en waterbouw. Op grond van dit artikel moet de opdrachtgever in de ontwerpfase zich ervan vergewissen dat de werkgever en de zelfstandige zijn verplichtingen voor de arbeidsomstandigheden in de uitvoeringsfase kan nakomen. Daarbij gaat in het bijzonder over de verplichtingen op grond van de artikelen 3 (de zorgplicht van de werkgever), 5 (inventarisatie en evaluatie van risico’s) en 8 (voorlichting en onderricht) van de wet. en hoofdstuk 4, afdeling 5.” Aanvullend hierop: In verband met het voorkomen van gevaar voor derden (artikel 10 Arbowet: “Indien bij of in rechtstreeks verband met de arbeid die de werkgever door zijn werknemers doet verrichten in een bedrijf of een inrichting of in de onmiddellijke omgeving daarvan gevaar kan ontstaan voor de veiligheid of de gezondheid van andere personen dan die werknemers, neemt de werkgever doeltreffende maatregelen ter voorkoming van dat gevaar) moeten ook zelfstandigen en andere derden op gevaren worden gewezen en dienen deze te worden voorkomen.” Zie eveneens: Artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet: “Het is de werkgever verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de
gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.” 7 Richtlijnen voor een vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten zijn in tegenstelling tot het voormalige Werkveldspecifieke Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) niet meer in het Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO) opgenomen omdat het ministerie van SZW besloten heeft deze uit de wettelijke certificatie rondom het opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten te halen omdat deze werkzaamheden strikt genomen geen veiligheidsrisico dragen zoals bedoeld in arbo-technische zin. Om een handvat voor de kwaliteitsborging van een Vooronderzoek en Risicoanalyse te bieden is op 8 februari 2021 het vrijwillig Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO-01) voor vrijwillige certificatie vrijgegeven. Zie www.vomes.nl. In het CS-VROO-01 zijn eisen opgenomen waaraan een Vooronderzoek of een Risicoanalyse onafhankelijk kunnen worden beoordeeld/getoetst. 8 Staatsblad, jaargang 2019, nummer 471: “Werkgevers, zelfstandigen en opdrachtgevers, als bedoeld in artikel 2.26 Arbobesluit, dienen het risico van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten te en evalueren door oriënterend onderzoek voor aanvang van de werkzaamheden. (…) Vaak stelt de Inspectie SZW vast dat opdrachtgevers en
245-022-RA-01
Pagina 7 van 76
AANLEIDING Het Thermenmuseum te Heerlen zal worden omgebouwd tot Romeins Museum. Het gebouw aan de zijde van de Coriovallumstraat zal worden afgebroken tot op kelderniveau. Vervolgens zal bovengronds nieuwbouw op de bestaande fundering worden gerealiseerd. Aan de achterzijde zal het gebouw worden uitgebreid. Het gedeelte van het gebouw aan de Deken Nicolaijestraat zal worden gesloopt. Dit gedeelte zal niet worden vervangen door nieuwbouw.9 Hierbij zullen zodoende grondroerende werkzaamheden plaatsvinden. Dit brengt onder andere met zich mee dat er vooraf gepaste aandacht dient te worden besteed aan (de informatievoorziening omtrent) de samenstelling van de bodem zoals bijvoorbeeld de mogelijke aanwezigheid en/of afwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten en hoe hiermee eventueel om te gaan. Op de CE-Bodembelastingkaart Gemeente Heerlen is het gebied gelegen in een zone waar de kans op aantreffen van OO als verhoogd is aangemerkt. Als gevolg hiervan is het verzoek gedaan om een Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten op te stellen.
ONDERZOEKSOPDRACHT ECG heeft deze bureaustudie in opdracht van gemeente Heerlen uitgevoerd naar aanleiding van de offerte met kenmerk 245-022-RA-01, daterende van 24 mei 2022. Hierbij dient het volgende expliciet te worden vermeld: een bureaustudie met betrekking tot Ontplofbare Oorlogsresten blijft indicatief van aard; het is geen exacte wetenschap.10 De Risicoanalyse heeft tot doel om de risico’s van de in het onderzoeksgebied mogelijk aanwezige Ontplofbare Oorlogsresten in relatie tot het toekomstige gebruik vast te stellen en te beoordelen. Daartoe worden de risico’s op schade en letsel ten gevolge van een accidentele reactie van Ontplofbare oorlogsresten geïnventariseerd en beoordeeld. Een verkenning omtrent de risiconormen met betrekking tot OO in Nederland wordt in bijlage 3 gegeven.
OPZET EN WERKWIJZE Om de opzet van het voorliggende onderzoek overzichtelijk te kunnen weergeven, heeft ECG ervoor gekozen om, waar mogelijk, een beoordeling te maken op de hierna schematisch weergeven
werkgevers het risico van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten niet onderzoeken terwijl bekend is dat er in de Tweede Wereldoorlog oorlogsactiviteiten hebben plaatsgevonden in de omgeving waar werkzaamheden worden uitgevoerd. De aanwezigheid van mogelijke ontplofbare oorlogsresten met name uit de Tweede Wereldoorlog, maar in de Noordzee ook uit de Eerste Wereldoorlog, is een risico dat onderzocht dient te worden. 9 Inpijn Blokpoel Ingenieurs, ‘Verbouwing Thermen Museum aan de Coriovallumstraat 9 te Heerlen’ Opdrachtnummer: 22ZP0185, Rapport betreffende resultaten geotechnisch onderzoek Fundering; Documentnummer: 22ZP0185-adv-01 (2022), 2. 10 Bijvoorbeeld VERDACHT of ONVERDACHT houdt niet in dat feitelijk vaststaat dat er wel of geen OO liggen, maar geeft antwoord op de vraag of het (op basis van feiten/bronnenmateriaal) aannemelijk is dat in een bepaald gebied OO worden aangetroffen. Pas door middel van opsporing kan de feitelijke aanwezigheid en exacte ligplaats van OO worden vastgesteld.
245-022-RA-01
Pagina 8 van 76
afwegingen. De vertrekpunten worden gevormd door de geplande activiteiten en door hetgeen gesteld is in het gemeentedekkende Vooronderzoek.11 AFWEGINGEN: PROCESGANG
ACTIVITEIT
BODEMROERENDE ACTIVITEIT
GEEN BODEMROERENDE ACTIVITEIT
IS HET GEBIED IN HET HISTORISCH VOORONDERZOEK PRIMAIR ALS VERDACHT AANGEMERKT?
WERKZAAMHEDEN IN CE OPZICHT REGULIER UITVOEREN
ONVERDACHT (Hanteren protocol toevalsvondst)
(SITUATIE 40-45)
VERDACHT
Mogelijkheden verificatie onderzoek indicering verdacht gebied op basis van concreetheid/ plausibiliteit en herleidbaarheid
ONVERDACHT
VERDACHT
ONVERDACHT
CONTRA-INDICATIES
VERDACHT
RISICOANALYSE VEROORZAKEN DE WERKZAAMHEDEN RISICO S in RELATIE TOT DE VERWACHTE CE?
GEEN RISICO S
UITKOMSTEN RISICOBEOORDELING
Worst Case Scenario
(uitwerking)
VERWACHT
Most Likely Scenario
RISICO S (uit werking niet uit te sluiten) BEHEERS EN/OF OPSPORINGSWERK ZAAMHEDEN
Figuur 1: Schematische weergave afwegingen opbouw. 11 ECG, ‘Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van conventionele explosieven in het onderzoeksgebied
‘Gemeente Heerlen’’ Documentcode 323-014-VO-01 definitief (2015).
245-022-RA-01
Pagina 9 van 76
De procesgang mondt uiteindelijk uit in een risicobeoordeling met conclusies. Hieronder is weergegeven welke conclusies er volgens het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofte Oorlogsresten mogelijk zijn: Conclusie I: Er wordt vanwege de grondroerende activiteit in het kader van het voorgenomen toekomstig gebruik geen uitwerking van Ontplofbare Oorlogsresten verwacht. Er hoeven geen passende maatregelen te worden genomen. Conclusie II: Er wordt vanwege de grondroerende activiteiten in het kader van het toekomstig gebruik wel uitwerking van de ontplofbare oorlogsresten verwacht, de uitwerkingsfactoren vormen geen gevaar voor mens en dier. Er hoeven geen passende maatregelen te worden genomen. Conclusie III: Er wordt vanwege de grondroerende activiteiten in het kader van het toekomstig gebruik wel uitwerking van de ontplofbare oorlogsresten verwacht, maar de uitwerkingsfactoren zijn door het treffen van passende maatregelen beheersbaar. Voor conclusie III geldt dat passende maatregelen moeten worden beschreven. Passende maatregelen kunnen worden verdeeld in:
▪ opsporing van ontplofbare oorlogsresten conform het Certificatieschema Opsporen ontplofbare oorlogsresten; ▪ andere passende maatregelen, waaronder alle denkbare maatregelen worden verstaan, zowel binnen als buiten het Onderzoeksgebied Risicoanalyse, waarmee het risico kan worden beperkt of voorkomen - bijvoorbeeld: A. het aanpassen van het ontwerp waardoor bepaalde bodemmingrepen (grondroerende handelingen) niet hoeven te worden uitgevoerd; B. het plaatsen van effect beschermende maatregelen (b.v. scherfwerend materiaal); C. het (tijdelijk) afsluiten van bepaalde gebieden; D. het toepassen van een andere uitvoeringsmethode (b.v. boren i.p.v. heien).
KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM Een Risicoanalyse vereist een multidisciplinaire aanpak, met onderscheid in de volgende expertises: Historisch onderzoek, Deskundigheid Ontplofbare Oorlogsresten, Civiele techniek, Risicoanalyse, Luchtfoto-interpretatie en Geografische Informatiesystemen (GIS). Het onderzoeksteam zal daarom bestaan uit meerdere medewerkers van ECG met diverse opleidingen en vakgebieden. Het onderzoeksteam bestaat uit de volgende personen: ▪
Dhr. drs. H.M.P.J. van der Burgt (Historisch onderzoek, Risicoanalyse, GIS);
245-022-RA-01
Pagina 10 van 76
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Dhr. T. Derks (Senior deskundige OOO - Deskundigheid OO, Risicoanalyse); Mevr. Ö. Keles MA (Historisch onderzoek, Luchtfoto-interpretatie); Dhr. dr. S. Koopmans (GIS-specialist); Dhr. J.M. van Limbeek MA (Historisch onderzoek, Risicoanalyse, Luchtfoto-interpretatie); Dhr. D.H.W. Lodewijk MA (Historisch onderzoek, Risicoanalyse, Luchtfoto-interpretatie); Mevr. H. Noij MA (Historisch onderzoek, Luchtfoto-interpretatie); Dhr. Ing. F. Pas (Civiele techniek).
245-022-RA-01
Pagina 11 van 76
2 ONDERZOEKSGEBIED EN GEPLANDE WERKZAAMHEDEN Ten behoeve van de Risicoanalyse wordt ten eerste het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse vastgesteld. Aanvullend worden een aantal locatiespecifieke omstandigheden vastgesteld, meer specifiek de bodemsoort en de grondwaterstand. Vervolgens wordt een overzicht getoond van kwetsbare objecten en plaatsen bij het onderzoeksgebied. Tot slot worden het huidige gebruik van het onderzoeksgebied, de geplande bodemroerende werkzaamheden en het voorziene toekomstige gebruik van het onderzoeksgebied omschreven.
VASTSTELLEN GEBIED RISICOANALYSE ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse bestaat uit het huidige Thermenmuseum, gelegen in de stad en gemeente Heerlen. Het terrein ligt aan de Coriovallumstraat, de Kruisstraat en de Deken Nicolaijestraat. Het onderzoeksgebied is in onderstaande figuur weergegeven.
Figuur 2: Onderzoeksgebied van de Risicoanalyse.
245-022-RA-01
Pagina 12 van 76
2.1.1 BODEMOPBOUW Aan de hand van het door de opdrachtgever aangeleverde Rapport betreffende resultaten geotechnisch onderzoek Fundering, uitgevoerd door Inpijn Blokpoel Ingenieurs, is onder andere informatie achterhaald aangaande de bodemopbouw van het onderzoeksgebied.12 In dit onderzoek komt de volgende bodemsamenstelling naar voren: onder de geroerde toplaag van 1,0 tot 1,5 meter dik, is op een niveau van 103,7 à 105,0 m NAP een pakket met siltige en zandige siltafzettingen (lössleempakket) aangetroffen. De lagen daaronder bestaan uit zand- en zandgrondafzettingen.13 Om naderde duiding te kunnen geven aan de beschrijving, is er door ECG in het DINOloket informatie achterhaald over de bodemopbouw in de omgeving van het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse.14 De boormonsterprofielen met locatieduidingen zijn in tekening 245-022-TE-01 op de volgende pagina weergegeven.
12 Inpijn Blokpoel Ingenieurs, ‘Verbouwing Thermen Museum aan de Coriovallumstraat 9 te Heerlen’ Opdrachtnummer:
22ZP0185, Rapport betreffende resultaten geotechnisch onderzoek Fundering; Documentnummer: 22ZP0185-adv-01 (2022), 1. 13 Inpijn Blokpoel Ingenieurs, ‘Verbouwing Thermen Museum aan de Coriovallumstraat 9 te Heerlen’ Opdrachtnummer: 22ZP0185, Rapport betreffende resultaten geotechnisch onderzoek Fundering; Documentnummer: 22ZP0185-adv-01 (2022), 8. 14 TNO Geologische Dienst Nederland, ‘DINOloket’ <https://www.dinoloket.nl/> [geraadpleegd juli 2022].
245-022-RA-01
Pagina 13 van 76
2.1.2 GRONDWATERPEIL In het door de opdrachtgever aangeleverde Rapport betreffende resultaten geotechnisch onderzoek Fundering wordt het navolgende vermeld aangaande het grondwater: ‘In de boor- en sondeergaten werd tot op een diepte van 5 m- maaiveld geen vrij grondwater aangetroffen. Er wordt op gewezen dat dit een momentopname is en dat de stand onder invloed van seizoensafhankelijke factoren zal fluctueren. Tevens kan in de aangetroffen grondslag tijdelijk een hogere grondwaterstand optreden als gevolg van stagnerend regenwater op slecht doorlatende siltlagen’15 Aan de hand van het DINOloket is getracht aanvullende informatie te achterhalen. Via het DINOloket is de locatie van een grondwatermonitoringput nabij het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse achterhaald.16 Middels Grondwatertools zijn vervolgens de meetreeks en bijbehorende eigenschappen van de meetreeks over de periode 2009-2019 ingezien.17 De resultaten zijn in tekening 245-022-TE-02 op de volgende pagina weergegeven.
15 Inpijn Blokpoel Ingenieurs, ‘Verbouwing Thermen Museum aan de Coriovallumstraat 9 te Heerlen’ Opdrachtnummer:
22ZP0185, Rapport betreffende resultaten geotechnisch onderzoek Fundering; Documentnummer: 22ZP0185-adv-01 (2022), 8-9. 16 TNO Geologische Dienst Nederland, ‘DINOloket’ <https://www.dinoloket.nl/> [geraadpleegd juli 2022]. 17 TNO Geologische Dienst Nederland, ‘Putlocatie B62B4307’ < https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/ [geraadpleegd juli 2022].
245-022-RA-01
Pagina 15 van 76
2.1.3 VASTSTELLEN KWETSBARE OBJECTEN EN PLAATSEN Middels het raadplegen van de Risicokaart zijn conform het CS-VROO-01 de aanwezigheid van kwetsbare objecten rondom het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse in beeld gebracht.18 De resultaten zijn in tekening 245-022-TE-03 op de volgende pagina weergegeven.
18 Risicokaart.nl, ‘Risicokaart’ <http://www.risicokaart.nl>/ [geraadpleegd juli 2022].
245-022-RA-01
Pagina 17 van 76
VASTSTELLEN HUIDIG GEBRUIK Op 14 juli 2022 is een locatiebezoek afgelegd. Onderstaande foto’s zijn op dat moment gemaakt. Het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse bestaat voornamelijk uit bebouwing, beplanting en parkeerplaatsen. Ook zijn bij het locatiebezoek bomen, verkeersborden en bodemputten in het onderzoeksgebied waargenomen.
Figuur 3: Impressie voorzijde van het Thermenmuseum aan de Coriovallumstraat.
245-022-RA-01
Pagina 19 van 76
Figuur 4: Impressie zijde Thermenmuseum bij de rotonde.
VASTSTELLEN ACTIVITEITEN TEN BEHOEVE VAN TOEKOMSTIG GEBRUIK Zoals reeds in paragraaf 1.2 is vermeld, zal het Thermenmuseum te Heerlen worden omgebouwd tot Romeins Museum. Hierbij wordt het gebouw aan de zijde van de Coriovallumstraat tot op kelderniveau worden afgebroken. Aan de achterzijde van het gebouw zal een aanbouw worden gerealiseerd. De zijde van het gebouw aan de Deken Nicolaijestraat zal worden gesloopt.19
VASTSTELLEN TOEKOMSTIG GEBRUIK Zoals reeds in paragraaf 2.3 is gemeld, zal de nieuwbouw dienen als Romeins Museum, ter vervanging van het huidige Thermenmuseum. Op de navolgende figuur is een plattegrond van het te realiseren museum weergegeven.
19 Mailverkeer ECG, 2021-2022.
245-022-RA-01
Pagina 20 van 76
Figuur 5: Plattegrond van de geplande nieuwbouw Romeins Museum. Bron: Inpijn Blokpoel Ingenieurs, ‘Verbouwing Thermen Museum aan de Coriovallumstraat 9 te Heerlen’ Opdrachtnummer: 22ZP0185, Rapport betreffende resultaten geotechnisch onderzoek Fundering; Documentnummer: 22ZP0185-adv-01 (2022), 3.
245-022-RA-01
Pagina 21 van 76
3 INPUT EN AANVULLING VOORONDERZOEK CONFLICTPERIODE In dit hoofdstuk worden de relevante resultaten van het gemeentedekkende Vooronderzoek voor het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse behandeld en wordt het indicatieonderzoek van het gemeentedekkende Vooronderzoek aangevuld.
INVENTARISATIE REEDS UITGEVOERDE ONDERZOEKEN ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN ECG is bij een aantal potentiële informatiedragers nagegaan of er in het verleden al onderzoek is uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Onder een onderzoek wordt door ECG verstaan: een Vooronderzoek, een Risicoanalyse en/of (opsporings)onderzoek uitgevoerd volgens de regels van: ▪ ▪ ▪
De Beoordelings Richtlijn Opsporen Conventionele Explosieven (BRL-OCE); Het Werkveldspecifieke Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE 2012 en WSCS-OCE 2016); Het huidige Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO) of het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO-01).
BRON VEO Bommenkaart
INFORMATIE 20
VO conform WSCS-OCE door ECG, Projectcode 323-014 (14-05-2015)
Gemeente Heerlen
Vooronderzoek conform WSCS-OCE door ECG, Projectcode 323-014 (14-05-2015)
ProRail
Niet van toepassing (geen beheersgebied)
Rijkswaterstaat
Niet van toepassing (geen beheersgebied)
Waterschap
Niet van toepassing (geen beheersgebied)
Provincie Limburg
Niet van toepassing (geen beheersgebied)
Tabel 1: Toetsing eerder vooronderzoek, Risicoanalyse en opsporingsonderzoek Ontplofbare Oorlogsresten.
Conform de offerte wordt het gemeentedekkende Vooronderzoek van de gemeente Heerlen met projectcode 323-014 als uitgangspunt van de Risicoanalyse gehanteerd. Dit is het meest recente onderzoek dat het hele onderzoeksgebied van de Risicoanalyse afdekt.
INPUT VOORONDERZOEK ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Een Vooronderzoek vormt in de meeste gevallen de basis voor de beoordeling of er sprake is van een (primair) VERDACHT of ONVERDACHT gebied. De input voor deze bureaustudie is: ▪ ECG, ‘Historisch Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘Gemeente Heerlen’’, Documentcode 323-014-VO-01, definitief (2015).
20 Vereniging voor Explosieven Opsporing, ‘VEO Bommenkaart’ <http://explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart>
[geraadpleegd juli 2022].
245-022-RA-01
Pagina 22 van 76
Het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse is in onderstaande figuur 6 weergegeven ten opzichte van de overlappende als verdacht aangemerkte gebieden in het Vooronderzoek. Het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse is als verdacht aangemerkt op afgeworpen OO.
Figuur 6: Verdachte gebieden ten opzichte van het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse. Bron: ECG, Vooronderzoek “Gemeente Heerlen”, CE-Bodembelastingkaart.
In het Vooronderzoek hebben de verdachte gebieden ter plaatse van het onderzoeksgebied bepaalde kenmerken en beschrijvingen aangaande motivatie voor de afbakening van verdacht gebied, de soort en het aantal OO, alsmede de verschijningsvorm van de mogelijk aan te treffen explosieven en een afbakening in horizontaal en verticaal opzicht. Deze zijn in de navolgende tabel weergegeven.
245-022-RA-01
Pagina 23 van 76
UITGANGSPUNT
ANALYSE BRONNENMATERIAAL – VERDACHTE GEBIEDEN (323-014):
VERDACHT GEBIED:
Bombardement 05- Bombardement door Bomber Command met 257 vliegtuigen op Aken. Het overgrote deel van de 10-1942 bommen komt neer in Limburg, waaronder in Heerlen. Om 22.30 uur wordt door de uitkijkpost Schunck de eerste afworp van brandbommen in zuidelijk gedeelte van de gemeente gemeld. Tussen 22.32 en 22.38 volgde de verdere afworp van brand- en brisantbommen. Het eindalarm werd om 2.43 uur gegeven. In het proces-verbaal wordt ten aanzien van dit bombardement het volgende opgetekend: “Naar de uitkijkposten meldden, werden verschillende branden waargenomen, o.a. in de Ambachtsschool, de Hessellestraat, op den Heesberg, in de richting Welten (woninggroep). Te 22.40 uur werd medische hulp gevraagd voor het perceel Benzenraderweg 172, waar een brisantbom was neergekomen. Te 22.55 meldde de uitkijkpost Schunck, dat een vliegtuig was afgeschoten. Vanaf dat oogenblik komen er uit de verschillende gedeelten van de gemeente meldingen binnen omtrent brand met verzoek om hulp te verleenen. In totaal zijn er 33 grootere en kleinere branden gemeld. Hulp voor het blusschen is verleend op de volgende plaatsen, waar min of meer ernstige branden waren ontstaan: a. De Hessellestraat 69, 71, 73, 75, 77. b. Heesbergstraat 4, 5, 6, 7 en 9 c. Ambachtschool, Hamerstraat 5 en Burgemeester Ch. De Hessellepl. 29. d. Valkenburgerweg in een werkloods van de firma A.T.I.B.
De overige branden zijn of wel door de bewoners zelve, dan wel door de blokploeg, in enkele gevallen door de wijkploeg of met behulp van de brandweer gebluscht. (…) De grootste uitwerking is geweest bij perceel Benzenraderweg 158, waar een brisantbom met grootte uitwerking op ongeveer 5 meter van den Zuid-Westelijken hoek der woning is neergekomen en ontploft.” In bijlage 1 van het hierboven aangehaalde proces-verbaal wordt een opgave gegeven van de neergekomen brisant-, fosforrubber- en staafbrandbommen: “A. Brisantbommen. 1. Benzenraderweg 158, een stuks ontploft. 2. Benzenraderweg 277, drie stuks ontploft, vanaf den weg liggende in Westelijke richting op ongeveer 50 meter van elkaar. 3. 400 meter ten Zuiden van de kloosterkerkensweg (verbindingsweg Welten - Benzenrade) drie stuks ontploft, vlak bij elkaar liggend.
(SUB)SOORT, KALIBER EN NATIONALITEIT VAN MOGELIJK AAN TE TREFFEN OO:
AANTAL:
VERSCHIJNINGSVORM:
BESCHRIJVING HORIZONTALE AFBAKENING VERDACHTE GEBIED:
BESCHRIJVING VERTICALE AFBAKENING VERDACHTE GEBIED:
Britse brisant- en brandbommen
Onbekend
Afgeworpen
De uitgangspunten die door ECG worden gehanteerd bij het afbakenen van het verdacht gebied zijn:
Diepte van de Pleistocene bodemlaag ter plaatse. (10mpa-laag)
- De maximale afstand waarbinnen volgens de uitgangspunten opgenomen in het WSCS-OCE (restanten van) afwerpmunitie aangetroffen kunnen worden, bedraagt 181 meter. - Inslaglocaties die binnen een afstand van 181 meter van elkaar verwijderd liggen worden afgebakend op basis van de in het WSCS-OCE gehanteerde afbakeningsmethodiek zoals omschreven voor de indicatie ‘Tapijtbombardement’. Het uitgangspunt voor afbakening van deze indicatie luidt: “Op basis van een analyse van het inslagenpatroon wordt de maximale afstand tussen twee opeenvolgende inslagen binnen een inslagpatroon bepaald. Het verdachte gebied wordt afgebakend door deze afstand te projecteren op de buitenste inslagen van het inslagenpatroon. Dit is exclusief de eventuele horizontale verplaatsing van de buitenste blindganger binnen het inslagenpatroon.” - Aan de afbakening wordt een buffer toegevoegd van 10 meter in verband met de afwijking van de bron tot de huidige topografie en de in het voorgaande punt aangehaalde horizontale verplaatsing.
B. Fosforrubberbommen. Deze zijn alle uitgegraven. 1. Welterlaan 200 meter ten Noorden van hoeve “De Aar”: 1 ontbrande fosforbrandbom.. 2. Welterlaan - hoek Hamerstraat: 1 niet-ontbrande fosforbrandbom. 3. Benzenraderweg no 255: ongeveer 100 meter ten Weste [sic] van den weg: een nietontbrande fosforbrandbom en 14 ontbrande fosforbrandbommen. 4. Benzenraderweg - hoek Tichelbeekstraat: hier lag een ontbrande fosforbrandbom. Deze werd oorspronkelijk aangezien voor een ‘blindganger’, waarom de woningen in de omgeving ontruimd zijn. Achter de woningen van de Tichelbeekstraat lagen 3 ontbrande fosforbrandbommen en een niet ontbrande. 5. Naast de garage van de firma van Well en Goerke aan de Oudemolenweg lagen 7 ontbrande fosforbrandbommen en een niet-ontbrande.
245-022-RA-01
Pagina 24 van 76
6. 400 meter ten Zuiden van de Kloosterkensweg (verbindingsweg Welten - Benzenrade) 8 ontbrande fosforbrandbommen. 7. 500 meter ten Zuiden van de hoeve ‘De Doom’ te Welten 3 niet-ontbrande fosforbrandbommen. 8. Garage Bak-Nefkens, Geleenstraat 66, in de dakgoot aan de straatzijde een niet ontbrande fosforbrandbom.
Granaatinslagen 17-09-1944 POIN221
C. Staafbrandbommen. Deze zijn over de geheele gemeente verspreid. Genoemd worden Terwinselen, Welten, Molenberg, de Hessellestraat, Benzenraderweg, de Kom, Valkenburgerweg, Kempkensweg. Naar schatting zijn er minstens 240 afgeworpen.” In een rapport van de Luchtbeschermingsdienst betreffende gebeurtenissen van 5 september tot 30 oktober 1944 wordt het navolgende gemeld: “Op 17-9-’44 kwamen diverse meldingen binnen van granaatinslagen: 10.24 uur granaatinslag bij Watertoren Heerlerbaan 19.25 [sic] uur granaatinslag bij Kokergats [Eisenhowerstraat] 10.30 uur granaatinslag bij Watertoren Heerlerbaan 10.33 uur granaatinslag bij Kweekschool 11.44 uur granaatinslag in Nieuwhuisstraat (…) 14.44 uur granaatinslag Benzenraderweg 14.46 uur granaatinslag richting Mijnschool 14.52 uur twee granaatinslagen tusschen Kweekschool en M.T.S. 15.00 uur granaatinslag Bekkerveld 16.01 uur meerdere granaatinslagen tusschen Kweekschool en M.T.S. en tusschen Tempsplein en Kruisstraat. 16.04 uur granaatinslag Coriovallumstraat 20.10 uur Granaatinslag Oliemolenstraat”
Geschutmunitie
Onbekend
Verschoten
De uitgangspunten die door ECG worden gehanteerd bij het afbakenen van het verdacht gebied zijn:
230cm-MV
De inslagen van 14.52 uur en 16.01 uur zijn op basis van de geraadpleegde bronnen voldoende feitelijk te herleiden en kunnen daardoor afgebakend worden conform het gestelde in het WSCS-OCE. In het WSCS-OCE zijn twee indicaties opgenomen die als uitgangspunt bij de afbakening kunnen dienen. Deze indicaties zijn: ‘Krater van gedetoneerde incidentele luchtafweergranaat’ en ‘Artillerie-, mortier- of raketbeschieting’. Voor beide indicaties heeft de algemene omschrijving betrekking op een gebied waarbinnen granaten terecht zijn gekomen. Het uitgangspunt voor de afbakening van het verdacht gebied van de eerste indicatie is “Situationeel te bepalen”. Voor de tweede indicatie is geen afbakeningsmethodiek voorgeschreven. Ook voor deze indicatie mag gesteld worden dat deze situationeel dient te worden bepaald. Het voorgaande resulteert in twee verdachte gebieden. Het eerste gebied betreft het plein tussen de kweekschool en de M.T.S. (Bekkerveld). Om dit plein is een buffer geplaatst van 50 meter. Deze buffer is gebaseerd op eerdere ervaring met gelijksoortige omstandigheden waarbij een gelijke buffer is gesteld. Het tweede gebied wordt afgebakend vanuit een punt tussen de Kruisstraat en het Tempsplein. Om dit punt wordt een buffer gezet met een straal van 50 meter.
Advies 323-014: ‘Wanneer er binnen de gemeente plannen zijn om locaties binnen de aangegeven risicogebieden te bewerken middels bodemingrepen is een eerste stap derhalve om na te gaan welke naoorlogse activiteiten er in dit gebied al hebben plaatsgevonden. In zijn algemeenheid kan namelijk gesteld worden dat locaties waar na de oorlog reeds intensieve bodemingrepen hebben plaatsgevonden, geen nader opsporingsonderzoek behoeven. Voorwaarde hierbij is dat niet dieper gegraven wordt dan de in de naoorlogse periode geroerde grond. In de navolgende gevallen wordt u geadviseerd om binnen de als verdacht gekwalificeerd gebieden in overleg met een WSCS-OCE gecertificeerd bedrijf de opsporingswerkzaamheden voort te zetten:
245-022-RA-01
Pagina 25 van 76
-
Bij geplande bodempenetrerende werkzaamheden waarbij de te bewerken bodem dieper zal worden geroerd dan reeds na de oorlog is gebeurd. Bij geplande werkzaamheden die veel bodemtrillingen met zich meebrengen zoals heiwerkzaamheden.
De wijze waarop deze nadere opsporingswerkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, varieert in aard en omvang. Zo kan het voor een gebied met een complexere (ondergrondse) infrastructuur raadzaam zijn om een vervolg te geven middels een nadere bureaustudie naar de wijze waarop naoorlogse activiteiten in de bodem hebben plaatsgevonden.’21
Tabel 2: Overzicht input informatie historisch vooronderzoek.
21
ECG, ‘Historisch Vooronderzoek Gemeente Heerlen’, 160.
245-022-RA-01
Pagina 26 van 76
UITGANGSPUNT VASTSTELLEN SOORTEN ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN VOOR RISICOANALYSE Voor het vaststellen van de soort(en) Ontplofbare Oorlogsresten waarop de Risicoanalyse betrekking heeft, geldt een keuzemogelijkheid van een drietal uitgangspunten met betrekking tot het voortraject: 1. Er is een volledig Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten conform het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO-01) beschikbaar. De Risicoanalyse heeft betrekking op de mogelijk aanwezige hoofdsoorten, subsoorten, verschijningsvorm en aantal Ontplofbare Oorlogsresten binnen het verdachte gebied. 2. Er is geen Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten conform het CS-VROO-01 beschikbaar. De Risicoanalyse heeft betrekking op alle mogelijke hoofdsoorten en subsoorten Ontplofbare Oorlogsresten. 3. Er is een Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten beschikbaar dat niet volledig conform het CSVROO-01 is. In dit geval dient het Vooronderzoek aangevuld te worden of kan uitgangspunt 2 worden toegepast. In paragraaf 3.2 is reeds aangegeven dat er een gemeentedekkend vooronderzoek beschikbaar is: ▪ ECG, ‘Historisch Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘Gemeente Heerlen’’, Documentcode 323-014-VO-01, definitief (2015).
Het onderzoek kan op basis van de gestelde methodiek in de rapportage en onderstaand citaat uit het Vooronderzoek worden geclassificeerd naar uitgangspunt 3: ‘Deze bureaustudie is uitgevoerd conform de offerte van 14 augustus 2014 met kenmerk “323-014” en het vigerende WSCS-OCE.’22 Het Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten is niet volledig conform het CS-VROO-01. In dit geval dient het Vooronderzoek aangevuld te worden of kan uitgangspunt 2 worden toegepast.
AANVULLEND VOORONDERZOEK In deze paragraaf wordt het literatuur- en archiefmateriaal op basis waarvan de verdachte gebieden in het Vooronderzoek tot stand zijn gekomen, beperkt nader uitgewerkt. Vervolgens wordt conform het CS-VROO-01 aanvullend archiefonderzoek naar naoorlogse explosievenruimingen uitgevoerd.
22 ECG, ‘Historisch Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied
‘Gemeente Heerlen’’, Documentcode 323-014-VO-01, definitief (2015), 7.
245-022-RA-01
Pagina 27 van 76
3.4.1 UITWERKING INDICATIE: BOMBARDEMENT 05 OKTOBER 1942 Uit het gemeentedekkende Vooronderzoek van Heerlen blijkt dat in de nacht van 5 op 6 oktober 1942 een bombardement plaats had.23 Voor de Risicoanalyse heeft ECG de bronnen die met betrekking tot de indicatie in het Vooronderzoek zijn gebruikt, opnieuw geraadpleegd. In de nacht van 5 op 6 oktober 1942 werd door de Britse RAF een aanval uitgevoerd op Aken. Door het slechte weer werd de omgeving Geleen – Heerlen echter gebombardeerd: ‘Heerlen wordt in de notitie van de Royal Air Force in het geheel niet genoemd, maar… ‘… vele vliegtuigen boven de stad… brandbommen in het zuiden… Ambachtsschool brandt… 40 lichtkogels in westelijke richting… brisantbom gevallen tussen Molenberg en Terwinselen… kolonie Welten staat in brand… brand hoek Valkenburgerweg (…).’24 Uit de archiefstukken blijkt dat ook enkele huizen in de Coriovallumstraat en de Geleenstraat beschadigd zijn door het bombardement. ‘Woningen die brand vatten tijdens het bombardement: (…) Coriovallumstraat 35 (familie Bouts) Coriovallumstraat 44 (familie Somers) Coriovallumstraat (Werkplaats ATIB) (…) Geleenstraat 67 (familie Al)’25 ‘Bombardement op Heerlen met brisant- en fosforbommen. Getroffen werd den Benzenraderweg, Hamerstraat, Burg.
De Hesselleplein, Heesbergstraat, de Hessellestraat, Valkenburgweg, Corriovallumstraat, Bekkerveld, Kaldenbornweg en de Geleenstraat.’26 ‘Lijst van personen welke bij den bominslag van 5 October 1942 inboedel-schade hebben geleden. (…) H. Bouts – Coriovallumstraat 38; (…) P.M. Pieters - Geleenstraat 36; F. Dhondt – Geleenstraat 67; J.M. Thans – Coriovallumstraat 38; Techn. Bureau Scheepers – Coriovallumstraat 36; J. Al – Geleenstraat 67.’27
23 ECG, ‘Historisch Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied
‘Gemeente Heerlen”, Documentcode 323-014-VO-01, definitief (2015) 87-91. 24 Jan Bardoel, ‘Bommenregen op Heerlen’ in: Land van Herle nummer 3 (2011), 93-106.
Heerlen vertelt, ‘Bommenregen op Heerlen’ (24-11-2011) <https://www.heerlenvertelt.nl/2011/11/bommenregen-op-heerlen/> [geraadpleegd op 18-07-2022]. 25
26 T. Eversteijn, Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 – 5 mei 1945 (z.p., z.j.), 1265. 27 Rijckheyt, 016 Gemeente Heerlen, 1919-1969 (Gedeelte), inv. nr. 1105Z Oorlogsschade. Aantekeningen betreffende
Bominslag op 5.10.1942.
245-022-RA-01
Pagina 28 van 76
‘Wijkploeg Molenbergpark. (…) Verder heeft ze hulp verleend bij de branden aan de Hessellestraat en de Coriovallumsraat (Valkenburgerweg). Hier brandde een groote loods en werkplaats der firma A.T.I.B.. De ploeg heeft geprobeerd den brand te stuiten; er waren echter zuurstofflesschen in de werkplaats, zoodat niet veel kon worden bereikt. Later heeft de brandweer den brand met groot materiaal gebluscht.’28 ‘Blokploeg Valkenburgerweg. Deze ploeg heeft brandbommen gebluscht en assistentie verleend bij den brand A.T.I.B. (Valkenburgerweg). Verder zijn brandbommen uit meerdere woningen gehaald.’29 Uit de verslagen van het bombardement blijkt dat in de dakgoot van het huis aan de Geleenstraat 66 een niet ontplofte fosforbrandbom was achtergebleven. ‘Opgave van de afgeworpen brisantbommen, fosforrubberbommen en staafbrandbommen (…) Fosforrubberbommen (…) Garage Bak-Nefkens, Geleenstraat 66, in de dakgoot aan de straatzijde een niet ontbrande fosforbrandbom.’30 De locatie van deze fosforbrandbom is vermoedelijk ingetekend op de navolgende figuur.
28 Rijckheyt, 070 Archieven van de Luchtbeschermingsdienst der gemeente Heerlen, 1934-1951, inv. nr. 134 22 mei 1940-7
oktober 1942. 29 Rijckheyt, 070 Archieven van de Luchtbeschermingsdienst der gemeente Heerlen, 1934-1951, inv. nr. 134 22 mei 1940-7 oktober 1942. 30 Rijckheyt, 070 Archieven van de Luchtbeschermingsdienst der gemeente Heerlen, 1934-1951, inv. nr. 132 Bombardement, 5 oktober 1942.
245-022-RA-01
Pagina 29 van 76
Figuur 7: Inslaglocatie bombardement 5 oktober 1942 nabij het onderzoeksgebied.
Middels luchtopnamen van voor en na het bombardement, die ook in het Vooronderzoek zijn gebruikt, is nogmaals getracht inslaglocaties van afwerpmunitie in (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied te herleiden. Hiervoor zijn de volgende luchtopnamen gehanteerd: DATUM: 30-01-1941 28-12-1942
SORTIE: B-033 C-774
SCHAAL: 20.000 15.500
FOTONUMMERS: 15; 416 2092; 2093
KWALITEIT: Slecht Matig
Tabel 3: Gehanteerde luchtopnamen analyse bombardement 5 oktober 1942.
245-022-RA-01
Pagina 30 van 76
Op de luchtopnames is binnen het gebied van de risicoanalyse of in de directe omgeving daarvan geen schade waargenomen. Op de onderstaande figuur is een uitsnede van de luchtopname weergegeven.
Figuur 8: Oorlogsschade ten gevolge van het bombardement van 5 oktober 1942. Bron: Sortie C-774, luchtfoto 2092, 28 december 1942.
Er zijn middels de literatuur- en archiefstudie en luchtfotoanalyse inslagen van (brand)bommen naar de directe omgeving van het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse herleidbaar. Er zijn geen feitelijke aanwijzingen dat bommen, of meer specifiek blindgangers, in het onderzoeksgebied neerkwamen.
245-022-RA-01
Pagina 31 van 76
3.4.2 UITWERKING INDICATIE: GRANAATINSLAGEN 17 SEPTEMBER 1944 Uit archiefstukken blijkt dat op 17 september 1944 granaatinslagen in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn gemeld. ‘Op 17-9-’44 kwamen diverse meldingen binnen van granaatinslagen: 10.24 uur granaatinslag bij Watertoren Heerlerbaan 19.25 uur granaatinslag bij Kokergats 10.30 uur granaatinslag bij Watertoren Heerlerbaan 10.33 uur granaatinslag bij Kweekschool 11.44 uur granaatinslag in Nieuwhuisstraat (…) 14.44 uur granaatinslag Benzenraderweg 14.46 uur granaatinslag richting Mijnschool 14.52 uur twee granaatinslagen tusschen Kweekschool en M.T.S. 15.00 uur granaatinslag Bekkerveld 16.01 uur meerdere granaatinslagen tusschen Kweekschool en M.T.S. en tusschen Tempsplein en Kruisstraat. 16.04 uur granaatinslag Coriovallumstraat 20.10 uur granaatinslag Oliemolenstraat’31 In het gemeentedekkende onderzoek is het principe gehanteerd dat slechts de inslagen van 14.52 ‘Tusschen Kweekschool en M.T.S.’ en die van 16.01 ‘Meerdere granaatinslagen tusschen Kweekschool en M.T.S. en tusschen Tempsplein en Kruisstraat.’ Tot een specifieke locatie herleidbaar zijn. Voor de inslag(en) tussen het Tempsplein en Kruisstraat is een punt gekozen tussen beide locaties in. Dit punt is geprikt midden in het Thermencomplex. Voor het voorliggende onderzoek acht ECG de archiefmelding niet specifiek genoeg om deze afbakening te handhaven.
Dit heeft een vijftal redenen. Ten eerste de geprikte locatie zelf. Deze is geprikt tussen beide genoemde straten. De Kruisstraat loopt echter nog bijna 200 meter door in noordelijke richting en nog 250 meter in zuidelijke richting. Ten tweede is de inslag midden in het Thermencomplex. Gezien de uniekheid, de nieuwheid en de ligging van dit complex, acht ECG het zeer onwaarschijnlijk dat eventuele inslagen in het complex en omgeving niet gemeld of opgemerkt zouden zijn. Hetzelfde geldt voor schade en/of eventuele blindgangers. Ten derde is via Delpher (zie hoofdstuk 4) achterhaald dat in de jaren na de oorlog (tot 1960) reeds meerdere opgravingen zijn verricht in het gebied van de risicoanalyse. Ondanks dat eventuele OO
31 Rijckheyt, 070 Archieven van de Luchtbeschermingsdienst der gemeente Heerlen, 1934-1951, inv. nr. 135
9 januari
1943-december 1944.
245-022-RA-01
Pagina 32 van 76
niet in register van de EOD zichtbaar is, kan wel gesteld worden dat de bodem grootschaals geroerd is. Ten vierde zijn er geen naoorlogse ruimingen in het register van de EOD gemeld binnen of in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Dit is van belang omdat het pand welke momenteel binnen het onderzoeksgebied staat, het Thermenmuseum, eind jaren 70 gerealiseerd is. Eventueel aangetroffen OO had gemeld en geruimd moeten worden. Dit houdt overlap met het vijfde en laatste punt. De bouw van het Thermenmuseum (nader uitgewerkt in hoofdstuk 4). In het archief zijn de tekeningen achterhaald van de bouw van dit museum. Een groot gedeelte van het gebied van de risicoanalyse kan daarom reeds beschouwd worden als geroerd. 3.4.3 AANVULLEND ONDERZOEK: NAOORLOGSE RUIMINGEN - KRANTENARCHIEF DELPHER Daar de registratie van munitieruimingen tot 1971 zeer beperkt is, is middels zoekmachine Delpher aanvullend krantenonderzoek gedaan naar berichten over ruimingen van afwerpmunitie welke van 1945 tot en met 1971 hebben plaatsgevonden. Er zijn geen berichten aangetroffen die wijzen op aangetroffen afwerpmunitie in (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied.
3.4.4 AANVULLEND ONDERZOEK: NAOORLOGSE RUIMINGEN - GEMEENTEARCHIEF In Rijckheyt – Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen is aanvullend een archiefmap van de Dienst Publieke Werken met betrekking tot het verwijderen van explosieven over de periodes 1965 en 1969-1973 geraadpleegd.32 Er zijn geen gegevens omtrent ruimingen van OO in (de omgeving van) het onderzoeksgebied aangetroffen. 3.4.5 AANVULLEND ONDERZOEK: NAOORLOGSE RUIMINGEN - BESCHOUWING MORA REGISTER In de archieven van de Explosieven Opruimingsdienst (EOD) bevinden zich gegevens van naoorlogs aangetroffen en geruimde OO vanaf de jaren zeventig. In het Vooronderzoek is een overzicht van ruimingen van OO door de EOD uitgewerkt.33 Aanvullend is middels het door de EOD verstrekte overzicht met kenmerk ‘bestand UO tm 2021 compleet’ het overzicht van ruimingen voor de periode 2010-2021 aangevuld. Hierbij is een buffer van 200 meter rondom het onderzoeksgebied gehanteerd. Het overzicht van de zich in deze buffer bevindende EOD-ruimingen staat hieronder. MORA NR.: 19941395
DATUM: 28-06-1994
LOCATIEOMSCHRIJVING: Nobelstraat 30
AANGETROFFEN/GERUIMD: 1x schroot – brisantgranaat geboekt
Tabel 4: Ruimingen Ontplofbare Oorlogsresten.
32 Rijckheyt, 067 Dienst Openbare Werken (1914) 1915-1929 (1949) en de Dienst Publieke Werken (1917) 1930-1981
(1982), Heerlen, inv. nr. 1464 Stukken betreffende het verwijderen van explosieven, 1965, 1969-1973. 33 ECG, ‘Historisch Vooronderzoek Gemeente Heerlen’, 27-39.
245-022-RA-01
Pagina 33 van 76
Er is een enkele munitieruiming naar de omgeving van het onderzoeksgebied te herleiden. Het betreft hier schroot, waarachter in het EOD-rapport ‘brisant geboekt’ geschreven staat. De ruiming bevindt zich op circa 150 meter ten oosten van het onderzoeksgebied. binnen het onderzoeksgebied bevinden zich geen ruimingen. De ruiming is weergegeven in de figuur op de volgende pagina.
Figuur 9: Ruiming in de omgeving van het onderzoeksgebied.
EVALUATIE INDICATIES DIE LEIDDEN TOT VERDACHTE LOCATIES IN HET GEBIED RISICOANALYSE De indiceringen uit het Vooronderzoek worden in deze paragraaf beoordeeld op relevantie in relatie tot concreetheid en herleidbaarheid.
245-022-RA-01
Pagina 34 van 76
Bombardement 5 oktober 1942 In het Vooronderzoek is verdacht gebied afgebakend voor een bombardement met brisant- en brandbommen op 5 oktober 1942. Deze avond werd door de RAF een aanval uitgevoerd op Aken, maar door slechte weersomstandigheden kwam een deel van de bommenlast terecht in Geleen en Heerlen. Uit archiefstukken blijkt dat een onontplofte fosforbrandbom in de dakgoot van het huis aan de Geleenstraat terecht was gekomen. ECG heeft getracht via archiefstukken, luchtopnames en naoorlogse ruimingen van OO de indicatie nader te duiden. Er zijn echter geen eenduidige aanwijzingen achterhaald dat Ontplofbare Oorlogsresten terecht zijn gekomen in het onderzoeksgebied, dat tijdens de oorlog bestond uit een opgravingsterrein van Romeinse thermen. Er is geen schademelding naar aanleiding van dit bombardement achterhaald dat naar dit adres verwijst. De onontplofte brandbom die gevonden was in de dakgoot van het huis met adres Geleenstraat 66 bevindt zich op circa 140 meter ten noorden van het onderzoeksgebied. Uit het aanvullende onderzoek zijn extra locaties naar voren gekomen waar brandbommen neerkwamen. Zo kwamen in de omgeving van het onderzoeksgebied brandbommen neer op en achter het pand van het Algemeen Technisch Installatie Bureau en op de Ambachtsschool. Het is niet bekend om welk type brandbommen het gaat.
Er zijn geen feitelijke gegevens achterhaald omtrent het neerkomen van brandbommen in het onderzoeksgebied. Er zijn eveneens geen feitelijke aanwijzingen dat in (de omgeving van) het onderzoeksgebied brisantbommen neerkwamen; de dichtstbijzijnde brisantbom zou op meer dan 850 meter afstand van het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse zijn neergekomen. Tot slot zijn er geen naoorlogse ruimingen van OO in en bij het onderzoeksgebied achterhaald. Granaatinslag 17 september 1944 In het vooronderzoek is tevens verdacht gebied afgebakend voor een (mogelijke) inslag van geschutmunitie op 17 september. Uit archiefstukken blijkt dat op 17 september 1944 granaatinslagen in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn gemeld. Het betreft de volgende twee meldingen: 14.52 ‘Tusschen Kweekschool en M.T.S.’ en 16.01 ‘Meerdere granaatinslagen tusschen Kweekschool en M.T.S. en tusschen Tempsplein en Kruisstraat.’34 Voor het voorliggende onderzoek acht ECG de archiefmelding niet specifiek genoeg om deze afbakening te handhaven. Dit heeft een vijftal redenen. Ten eerste de geprikte locatie zelf. Deze is geprikt tussen beide genoemde straten. De Kruisstraat loopt echter nog bijna 200 meter door in noordelijke richting en nog 250 meter in zuidelijke richting. Ten tweede is de inslag midden in het Thermencomplex.
Gezien de uniekheid, de nieuwheid en de ligging van dit complex, acht ECG het zeer onwaarschijnlijk dat eventuele inslagen in het complex en
34
Rijckheyt, 070 Archieven van de Luchtbeschermingsdienst der gemeente Heerlen, 1934-1951, inv. nr. 135 9 januari 1943-december 1944.
245-022-RA-01
Pagina 35 van 76
omgeving niet gemeld of opgemerkt zouden zijn. Hetzelfde geldt voor schade aan het complex en/of eventuele blindgangers. Ten derde is via Delpher (zie hoofdstuk 4) achterhaald dat in de jaren na de oorlog (tot 1960) reeds meerdere opgravingen zijn verricht in het gebied van de risicoanalyse. Ondanks dat eventuele OO niet in register van de EOD zichtbaar is, kan wel gesteld worden dat de bodem grootschaals geroerd is. Ten vierde zijn er geen naoorlogse ruimingen in het register van de EOD gemeld binnen of in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Dit is van belang omdat het pand welke momenteel binnen het onderzoeksgebied staat, het Thermenmuseum, eind jaren 70 gerealiseerd is. Eventueel aangetroffen OO had gemeld en geruimd moeten worden. Dit houdt overlap met het vijfde en laatste punt. De bouw van het Thermenmuseum (nader uitgewerkt in hoofdstuk 4). In het archief zijn de tekeningen achterhaald van de bouw van dit museum. Een groot gedeelte van het gebied van de risicoanalyse kan daarom reeds beschouwd worden als geroerd.
245-022-RA-01
Pagina 36 van 76
4 AANVULLEND ONDERZOEK NA-CONFLICTPERIODE – CONTRA INDICATIES In het gebied van de Risicoanalyse kunnen na de Tweede Wereldoorlog activiteiten hebben plaatsgevonden die de kans op de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten kunnen beïnvloeden. Dit betreft bijvoorbeeld grondroerende werkzaamheden (zoals ontgravingen, de aanleg van wegen en watergangen, agrarische activiteiten, bouw van opstallen en andere grondroerende werkzaamheden) waarbij verondersteld mag worden dat bij deze werkzaamheden eventuele aangetroffen Ontplofbare Oorlogsresten zouden zijn gemeld en geruimd. Er zijn meerdere bronnen geraadpleegd om contra-indicaties te achterhalen voor het gebied van de Risicoanalyse: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Naoorlogse verticale luchtfotografie; Krantenarchief Delpher; Rijckheyt – Centrum voor regionale geschiedenis; Het Kabels- en Leidingen Informatie Centrum (Klic); Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG); Opsporingswerkzaamheden..
NAOORLOGSE VERTICALE LUCHTFOTOGRAFIE ECG heeft middels luchtfotovergelijkingen van luchtfoto’s uit Rijckheyt en de Topografische Dienst getracht een beeld te vormen van de naoorlogse veranderingen in het onderzoeksgebied. Op de navolgende pagina’s volgt een weergave van de beeldvergelijkingen. Hiervoor zijn luchtfoto’s uit de volgende jaartallen gebruikt: NAOORLOGS VERTICAAL BEELDMATERIAAL DATUM: 1944 1957 1967 1968 1973 1981 1990 1999 2007 2011 2016 2022
OMSCHRIJVING: Situatie onderzoeksgebied na indicaties die leidden tot verdacht gebied. Naoorlogse situatie onderzoeksgebied Naoorlogse situatie onderzoeksgebied Naoorlogse situatie onderzoeksgebied Naoorlogse situatie onderzoeksgebied Naoorlogse situatie onderzoeksgebied Naoorlogse situatie onderzoeksgebied Naoorlogse situatie onderzoeksgebied Naoorlogse situatie onderzoeksgebied Naoorlogse situatie onderzoeksgebied Naoorlogse situatie onderzoeksgebied Naoorlogse situatie onderzoeksgebied
Tabel 5: Overzicht gehanteerde naoorlogs beeldmateriaal.
245-022-RA-01
Pagina 37 van 76
Uit de beeldvergelijking blijkt dat (nagenoeg) het gehele gebied van de risicoanalyse geroerd is. Zo bevindt zich in de noordwestzijde in 1949 nog een pand, welke in 1957 is verdwenen. Tevens lijken op de luchtopname van 1957 diverse (op)graafwerkzaamheden plaats te vinden. Ten slotte staat er in de noordoostzijde bebouwing op de luchtopname uit 1957. Op de opnames van 1967 is deze weer verdwenen en ligt er een parkeerterrein in de noordoostelijke hoek van het gebied. Tevens valt op dat er aan de noordzijde sprake is geweest van aanpassingen aan wegen. In het gebied van de risicoanalyse ligt een weg met parkeerplaatsen. Op de op luchtopname van 1973 is duidelijk zichtbaar dat de bebouwing reeds verdwenen is en is er in het zuidelijk gedeelte een parkeerplaats gerealiseerd. De rest van het terrein bestaat uit de thermen, braakliggend land en trottoir. In 1981 is vervolgens het Thermenmuseum gerealiseerd. De rest van het terrein bestaat uit bestrating en asfalt. Vanaf dit moment is er nog slechts één verandering waargenomen. De betreft de aanleg van een rotonde in de noordwestelijke hoek van het onderzoeksgebied.
245-022-RA-01
Pagina 38 van 76
KRANTENARCHIEF DELPHER Op de beeldvergelijking zijn enkele werkzaamheden waargenomen die lijken te duiden op opgravingswerkzaamheden rondom het Thermencomplex, vooral in de jaren na de oorlog. In de database van Delpher zijn enkele krantenartikelen achterhaald die verscheidene verdere opgravingen vermelden. Enkele van deze artikelen staan hieronder weergegeven.
Figuur 10: Uitsnedes van 4 artikelen met betrekking tot de ontdekking en latere opgravingen rondom het Thermencomplex Bron: De Limburger, ‘De Thermae Coriovallenses blootgelegd’ (29 juni 1940); Limburgsch Dagblad, ‘Heerlense Bodem geeft weer geheimen van verleden plaats’ (12 april 1952); Limburgsch Dagblad, ‘Nieuwe thermen-onderzoekingen’(19 april 1956); Limburgsch Dagblad, ‘Opgravingen in Limburg’ (21 augustus 1956).
245-022-RA-01
Pagina 42 van 76
RIJCKHEYT – CENTRUM VOOR REGIONALE GESCHIEDENIS In Rijckheyt te Heerlen zijn archiefstukken opgevraagd inzake naoorlogse werkzaamheden in het onderzoeksgebied van de Risicoanalyse. Hierbij zijn de volgende dossiers geraadpleegd: 016-NT3 BOUWDOSSIERS GEMEENTE HEERLEN, 1919-1981 INV. NR.: 1975286