r_NL.IMRO.0917.BP030300W000010-0401.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Dr. Jaegersstraat’
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Dr. Jaegersstraat’ Regels
Gemeente Heerlen Vastgesteld NL.IMRO.0917.BP030300W000010-0401
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1.
Inleidende bepalingen................................................................................4
Artikel 1.
Begrippen .......................................................................................................... 4
Artikel 2.
Wijze van meten.............................................................................................. 13
Hoofdstuk 2.
Bestemmingsregels .................................................................................. 14
Artikel 3.
Verkeer - Verblijfsgebied ................................................................................. 14
Artikel 4.
Wonen ............................................................................................................. 16
Artikel 5.
Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde) .................................................. 20
Hoofdstuk 3.
Algemene regels ...................................................................................... 24
Artikel 6.
Anti-dubbeltelregel ......................................................................................... 24
Artikel 7.
Algemene bouwregels ..................................................................................... 24
Artikel 8.
Algemene gebruiksregels ................................................................................ 24
Artikel 9.
Algemene afwijkingsregels .............................................................................. 26
Artikel 10.
Algemene wijzigingsregels .............................................................................. 27
Artikel 11.
Overige regels.................................................................................................. 27
Hoofdstuk 4.
Overgangs- en slotregels .......................................................................... 28
Artikel 12.
Overgangsrecht ............................................................................................... 28
Artikel 13.
Slotregel .......................................................................................................... 28
3
Hoofdstuk 1. Artikel 1.
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan ‘Woningbouw Dr. Jaegersstraat’ met NL.IMRO.0917.BP030300W000010-0401 van de gemeente Heerlen;
identificatienummer
1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 aan huis gebonden beroep de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en waarbij de woonfunctie in overwegende mate wordt behouden, waaronder niet begrepen de uitoefening van detailhandel of consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten; 1.4 aanbouw een gebouw dat is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 aanduidingsvlak een vlak begrensd door aanduidingsgrenzen; 1.8 aaneengebouwde woning een woning die deel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit meer dan twee grondgebonden, naast elkaar gelegen, woningen; 1.9 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
4
1.10 bebouwingspercentage een in dit plan aangegeven percentage, dat de omvang van het deel van een bouwperceel, bouwvlak of bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 1.11 bedrijf een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, uitgezonderd detailhandel; 1.12 begane grond een bouwlaag geen verdieping zijnde; 1.13 begane grondvloer een bouwlaag die ter hoogte van het maaiveld ligt; 1.14 beperkt kwetsbare objecten a. woningen: 1. verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal 2 woningen per hectare; 2. dienst- en bedrijfswoningen van derden; b. kantoorgebouwen met een brutovloeroppervlak van maximaal 1.500 m² per object; c. hotels met een brutovloeroppervlak van maximaal 1.500 m² per object; restaurants die niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt; d. winkel/winkelcomplexen die niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt; e. sporthallen, zwembaden en speeltuinen; f. sport- en kampeerterreinen en terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zij niet bestemd zijn voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen; g. bedrijfsgebouwen, voor zover het niet betreft: 1. kantoorgebouwen en hotels met een brutovloeroppervlak van meer dan 1.500 m² per object; 2.
complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk brutovloeroppervlak meer dan 1000 m² bedraagt, en winkels met een totaal brutovloeroppervlak van meer dan 2000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd; h. objecten met een hoge infrastructurele waarde, te weten een telefoon- of elektriciteitscentrale; Objecten die onderdeel uitmaken van een Bevi-inrichting maken hiervan geen onderdeel uit; 1.15 bestaande situatie • bebouwing, zoals aanwezig ten tijde van de inwerkingtreding van het plan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning; • het gebruik van gronden en opstallen, zoals dat werd uitgeoefend ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; 1.16 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak;
5
1.17 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.18 Bevi Besluit externe veiligheid inrichtingen; 1.19 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.20 bijgebouw een vrijstaand gebouw behorende bij en bouwkundig en functioneel ondergeschikt aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; 1.21 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.22 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.23 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijke omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder; 1.24 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.25 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 1.26 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen
gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.27 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.28 bouwwerk geen gebouw zijnde de categorie bouwwerken die niet onder de definitie van "gebouw" valt;
6
1.29 bovenwoning een woning die zich geheel of nagenoeg geheel bevindt boven de begane grondverdieping van een gebouw; 1.30 bruto-vloeroppervlak de som van de horizontale vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende binnenruimte, met inbegrip van de daarbij behorende kantoren, magazijnen, werkplaatsen en overige dienstruimten; 1.31 consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten het beroepsmatig uitoefenen van dienstverlenende of ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentverzorging, geheel of overwegend door middel van handwerk, waarbij de omvang van de activiteiten zodanig is dat, wanneer deze in een woning en daarbij behorende bijgebouwen worden uitgeoefend de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd en de ruimtelijke uitwerking of uitstraling in overeenstemming is met die woonfunctie; 1.32 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.33 dakopbouw een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 60% van de oppervlakte van de bovenste bouwlaag; 1.34 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder mede begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.35 erf- of perceelsafscheiding fysieke begrenzing van een erf of
perceel van een aangrenzend erf, perceel of van de openbare ruimte; 1.36 erker een ondergeschikt uitgebouwd gedeelte (uitbouw) van een woning aan een gevel, in één bouwlaag; 1.37 functieaanduiding een aanduiding waarmee wordt aangegeven dat binnen een bestemming specifieke gebruiksmogelijkheden zijn toegestaan of juist niet; 1.38 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
7
1.39 geluidsafschermende voorziening voorziening ten behoeve van de wering of reducering van geluid(overlast) in de vorm van een gesloten scherm of muur. 1.40 gestapelde woning een al dan niet uit meerdere bouwlagen bestaande woning, deel uitmakend van één gebouw met meerdere bouwlagen waarin meerdere woningen zijn ondergebracht, zodanig dat deze boven dan wel beneden dan wel naast elkaar zijn gesitueerd; 1.41 groepsrisico cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is; 1.42 grondgebonden woning een gebouw, dat een vrijstaande woning of meerdere aaneengebouwde, uitsluitend naast elkaar en niet boven elkaar gelegen, woningen omvat, en dat qua uiterlijke verschijningvorm als een eenheid kan worden beschouwd; 1.43 halfvrijstaande woning een grondgebonden woning die onderdeel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit twee, naast elkaar gelegen, hoofdgebouwen; 1.44 hoofdgebouw een gebouw dat door zijn constructie of afmetingen valt aan te merken als belangrijkste gebouw op een bouwperceel; 1.45 huishouden één persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan,
studenten of alleenstaanden die bij elkaar wonen, vormen geen huishouden, ook kamerverhuur valt hier niet onder; 1.46 kamer een woonruimte waarbij minimaal één van de voor bewoning vereiste voorzieningen zoals keuken, wasgelegenheid (douche-bad) of toilet wordt gedeeld met de medebewoners; 1.47 kamerverhuur het verhuren of het aanbieden van kamers voor bewoning waarbij een kamer door maximaal 1 persoon mag worden bewoond; 1.48 kap de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°;
8
1.49 kwetsbare objecten a. woningen, niet zijnde verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal 2 woningen per hectare of dienst- en bedrijfswoningen van derden; b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, te weten: 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2. scholen; 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen; c. kantoorgebouwen en hotels met een brutovloeroppervlak van meer dan 1.500 m² per object; d. restaurants met een brutovloeroppervlak van meer dan 800 m² per object; e. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk brutovloeroppervlak meer dan 1000 m² bedraagt, en winkels met een totaal brutovloeroppervlak van meer dan 2000 m² per winkel, voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd; en f.
kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 person en gedurende meerdere aaneengesloten dagen; Objecten die onderdeel uitmaken van een Bevi-inrichting maken hiervan geen onderdeel uit; 1.50 legaal gebruik gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en dat niet in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; 1.51 nok het hoogste gedeelte van een dak met hellende vlakken; 1.52 nutsvoorziening een voorziening ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, duikers, gemaalgebouwtjes en bushokjes; 1.53 omgevingsvergunning een vergunning als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo); 1.54 onderbouw het doorlopend gedeelte van een gebouw, begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen, dat maximaal 1,50 meter boven straatpeil is gelegen en niet als ondergrondse bouwlaag wordt aangemerkt; 1.55 ondergeschikte functie een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk en functioneel opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de ingevolge de bestemming toegestane hoofdfunctie;
9
1.56 ondergrondse bouwlaag een volledig onder peil gelegen doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; 1.57 overig bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.58 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak; 1.59 plaatsgebonden risico risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is; 1.60 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.61 prostitué(e) degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; 1.62 prostitutiebedrijf een bedrijf waar prostitutie het hoofdbestanddeel van de activiteiten vormt, waaronder begrepen een seksclub en een erotische massagesalon; 1.63 risicovolle inrichting a.
een inrichting bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) een grenswaarde of een richtwaarde voor het plaatsgebonden risico danwel een vastgestelde risicoafstand moet worden aangehouden bij het in een bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten; of b. een inrichting waarvoor krachtens een artikel 8.40 van de Wet Milieubeheer vastgestelde algemene maatregel van bestuur regels gelden met betrekking tot minimaal aan te houden afstanden bij de opslag en/of het gebruik van gevaarlijke stoffen; of c. inrichtingen welke niet vallen onder het bereik van sub a. en b. en waarvan de plaatsgebonden 10-6 risicocontour is gelegen buiten de inrichtingsgrens; of d. een inrichting waarin uitsluitend of in hoofdzaak consumentenvuurwerk en/of waarin professioneel vuurwerk en/of waarin pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, allen als bedoeld in het Vuurwerkbesluit, worden opgeslagen of bewerkt; 1.64 seksinrichting een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch
10
pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.65 splitsen van een woning het bouwkundig en/of functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer woningen ten behoeve van de vestiging van meer dan één huishouden; 1.66 thuisprostitutie een vorm van prostitutie waarbij de seksuele dienstverlening plaatsvindt op het woonadres van de prostitué(e) en waarbij ook alleen door deze prostitué(e) op dit adres wordt gewerkt als prostitué(e); 1.67 twee-aaneen-woning een grondgebonden woning die onderdeel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit twee, naast elkaar gelegen, hoofdgebouwen; 1.68 veranda een aan de woning gebouwde open overkapping op maaiveldniveau; 1.69 verdieping een bouwlaag niet zijnde de begane grond; 1.70 voorgevel de naar de openbare weg gerichte gevel van een hoofdgebouw, met dien verstande dat bij hoekbebouwing sprake kan zijn van meerdere voorgevels; 1.71 voorgevellijn de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan; 1.72 voorgevelrooilijn a.
de naar de openbare weg gekeerde grens van één of meerdere bouwvlakken, of indien het een bouwvlak betreft met meer dan één naar de weg gekeerde grens, die grenzen die kennelijk als zodanig moeten worden aangemerkt; b. bij het ontbreken van een bouwvlak: de langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; c. bij het ontbreken van een bouwvlak en waar langs de weg geen bebouwing als bedoeld onder b. aanwezig is: 1. bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; 2. bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg;
11
1.73 vrijstaande woning één grondgebonden woning bestaande uit één vrijstaand hoofdgebouw; 1.74 Wabo Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.75 water en waterhuishoudkundige voorzieningen al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.; 1.76 weg alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 1.77 wonen het in een woning gehuisvest zijn; 1.78 woning een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden; 1.79 woonwagen een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden; 1.80 Wro de Wet ruimtelijke ordening.
12
Artikel 2.
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de hoogte van een windturbine vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine; 2.7 ondergeschikte bouwdelen bij de toepassing van het in de regels bepaalde ten aanzien van het bouwen, meer in het bijzonder bouwhoogte en bouwdiepte, worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, lichtkoepels, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken
buiten beschouwing gelaten, mits de aangegeven bouwmogelijkheid met niet meer dan 0,50 meter worden overschreden. Voor luifels, erkers en balkons geldt dat de bouwgrens met niet meer dan 1,50 meter mag worden overschreden; 2.8 maaiveld de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein, zoals dat na de voltooiing van de bouw is afgewerkt; 2.9 peil a. voor bouwwerken op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, plus/minus 0,50 meter.
13
Hoofdstuk 2. Artikel 3.
Bestemmingsregels
Verkeer - Verblijfsgebied
3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1. Doeleinden De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen met hoofdzakelijk een functie voor verblijf, alsmede ter ontsluiting van de aanliggende of nabijgelegen gronden;
3.2 Inrichting Ten behoeve van deze bestemming zijn toegelaten: a. gebouwen, waaronder tunnels; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. geluidsafschermende en veiligheidsvoorzieningen; d. parkeervoorzieningen; e. verhardingen; f. groenvoorzieningen; g. speelplaatsen en speelvoorzieningen; h. in- en uitritten; i. kruisende wegen en water; j. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen; k. overige bijbehorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen.
3.3 Bouwregels Binnen deze bestemming mag worden gebouwd ten dienste van deze bestemming en met inachtneming van de volgende regels. 3.3.1. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende eisen: a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 2,00 meter en van schermen maximaal 2,60 meter; b. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ dient een kierdichte geluidsafschermende voorziening te worden gerealiseerd met een bouwhoogte van maximaal 2,60 meter en een minimale massa van 10 kg/m²; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 10,00 meter.
14
3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1. Voorwaardelijke verplichting geluidsafschermende voorziening Het gebruik van de gronden, zoals bedoeld in artikel 4.1 en 4.2 is alleen toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ een bouwwerk (geluidsscherm) als genoemd in artikel 3.3.1 onder b is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden.
15
Artikel 4.
Wonen
4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1. Doeleinden De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. tuinen. 4.1.2. Inrichting Ten behoeve van deze bestemming zijn toegelaten: a. woningen; b. aanbouwen en bijgebouwen; c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; d. verhardingen; e. groenvoorzieningen; f. water- en waterhuishuishoudkundige voorzieningen; g. overige bijbehorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen.
4.2 Bouwregels Binnen deze bestemming mag worden gebouwd ten dienste van deze bestemming en met inachtneming van de volgende regels. 4.2.1. Bebouwingsoppervlakte a. Maximaal 60% van het bouwperceel mag worden bebouwd, mits de volgende oppervlaktes niet worden overschreden: Oppervlakte bouwperceel kleiner dan 750 m² 750 m² tot en met 1.000 m² groter dan 1.000 m²
Maximaal bebouwbare oppervlakte 200 m² 250 m² 300 m²
4.2.2. Woningen Voor woningen gelden de volgende eisen: a. woningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd; b. per bouwvlak mogen niet meer woningen worden opgericht dan het aantal legale woningen dat bestaat, of op grond van een onherroepelijke omgevingsvergunning kan worden gerealiseerd, op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, tenzij blijkens de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ een afwijkend aantal is weergegeven; c. ter plaatse van de aanduiding ‘aaneengebouwd’ mogen binnen het bouwvlak uitsluitend aaneengebouwde, grondgebonden rijwoningen worden gebouwd; d. goot- en bouwhoogte, 7,00 respectievelijk 12,00 meter tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' een andere hoogte is aangegeven;
16
e. het maximale bebouwingspercentage van het bouwvlak bedraagt 100, met inachtneming van het bepaalde in 4.2.1. 4.2.3. Aanbouwen Voor aanbouwen gelden de volgende eisen: a. aanbouwen moeten tenminste 3,00 meter achter de voorgevellijn zijn gesitueerd; b. de goothoogte bedraagt maximaal 4,00 meter; c. de bouwhoogte bedraagt maximaal de goothoogte van het hoofdgebouw; d. voor de oppervlakte dient het bepaalde in 4.2.1 in acht te worden genomen. 4.2.4. Bijgebouwen Voor bijgebouwen gelden de volgende eisen: a. bijgebouwen moeten tenminste 3,00 meter achter de voorgevellijn zijn gesitueerd; b. de goothoogte bedraagt maximaal 4,00 meter; c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6,00 meter, uitgezonderd indien in of binnen een afstand van 2,00 meter van de perceelsgrens wordt gebouwd, dan bedraagt de bouwhoogte maximaal 4,00 meter; d. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bouwwerken uitgesloten’ zijn geen bijgebouwen toegestaan; e. een en ander met inachtneming van het bepaalde in 4.2.1. 4.2.5. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende eisen: a. de bouwhoogte van erfscheidingen bedraagt voor de voorgevellijn maximaal 1,00 meter en achter de voorgevellijn maximaal 2,00 meter; b. ten aanzien van overkappingen gelden de volgende bepalingen: 1. de bouwhoogte van een overkapping bedraagt maximaal 3,50 meter; 2.
de overkapping dient op een afstand van ten minste 1,00 meter achter de voorgevellijn te worden gebouwd; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3,00 meter; d. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bouwwerken uitgesloten’ zijn geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan; e. een en ander met in achtneming van het bepaalde in 4.2.1;
4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1. Afwijkingsbevoegdheden Burgemeester en wethouders kunnen via een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 4.2 ten behoeve van: a. de sloop en daaropvolgende nieuwbouw van een woning binnen hetzelfde bouwperceel.
17
4.3.2. Voorwaarden sloop en nieuwbouw binnen hetzelfde bouwperceel Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 4.3.1, onder b. kan slechts worden verleend indien wordt voldaan aan de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 12,00 meter; b. de goothoogte bedraagt maximaal 7,00 meter; c. de bouwdiepte van het totale hoofdgebouw bedraagt maximaal: 1. 10,00 meter ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd'; d. de afstand tussen de achtergevel van het hoofdgebouw en de achterste perceelsgrens bedraagt minimaal 5,00 meter; e. het hoofdgebouw wordt in de voorgevelrooilijn gebouwd of: 1. maximaal 2,00 meter achter de voorgevelrooilijn ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd'; f. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van: 1. het straat- en bebouwingsbeeld; 2. de verkeersveiligheid; 3. de sociale veiligheid; 4. de milieusituatie, en 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1. Aan huis gebonden beroep Ten aanzien van de uitoefening van een aan huis gebonden beroep gelden de volgende bepalingen: a. de uitoefening van een aan huis gebonden beroep is toegestaan in de woning en de bijbehorende bouwwerken, met uitzondering van overkappingen; b. degene die de activiteiten uitvoert, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; c. de woonfunctie van het betreffende perceel blijft in overwegende mate behouden. 4.4.2. Gebruik bijgebouw Een bijgebouw wordt niet gebruikt als zelfstandige of niet-zelfstandige woonruimte. 4.4.3. Parkeren Parkeren voor de voorgevel is, voor zover er niet geparkeerd wordt voor een garage of carport, niet toegestaan. 4.4.4. Voorwaardelijke verplichting geluidsafschermende voorziening Het gebruik van de gronden, zoals bedoeld in artikel 4.1 en 4.2 is alleen toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ een bouwwerk (geluidsscherm) als genoemd in artikel 3.3.1 onder b is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden.
18
4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1. Consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten Burgemeester en Wethouders kunnen via een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1 ten behoeve van het gebruik van de woning en de bijbehorende aan en bijgebouwen voor de uitoefening van consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien: a. de dienstverlenende bedrijfsactiviteit het bedrijfsmatig verlenen van diensten betreft; b. de ambachtelijke bedrijfsactiviteit het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van goederen alsook het - als ondergeschikte activiteit - verkopen en/of leveren van goederen die verband houden met het ambacht betreft; c. de woonfunctie van het betreffende pand in overwegende mate behouden blijft, hetgeen onder meer inhoudt dat in totaal maximaal 30% van de grondvloeroppervlakte, maar nooit meer dan 80 m² mag worden gebruikt; d. het een zelfstandige zonder personeel en zonder stagiaires betreft; e. het geen detailhandelsactiviteiten betreft, tenzij deze van ondergeschikte aard zijn; f. er geen onevenredige hinder wordt toegebracht aan het woon- en leefmilieu; g. het geen bedrijfsactiviteit betreft die onder de categorieën B of C van het Activiteitenbesluit valt, tenzij er geen overlast voor de omgeving op zal treden; h.
de bedrijfsactiviteit geen onevenredige hinder voor wat betreft de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden geeft; h. de bedrijfsactiviteit niet zodanig verkeersaantrekkend is, dat er verkeersoverlast ontstaat, of dat verkeersmaatregelen, zoals het creëren van extra parkeervoorzieningen, noodzakelijk worden; i. aan of bij de woning geen grote bedrijfs- of reclameborden (groter dan 0,5 m) worden bevestigd of geplaatst; j. degene die de bedrijfsactiviteit verricht bewoner van de woning in kwestie is.
19
Artikel 5.
Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), tevens bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
5.2 Bouwregels 5.2.1. Bouwverbod Op de voor 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' bestemde grond mag niet worden gebouwd. 5.2.2. Uitzonderingen op verbod Het verbod als bedoeld in artikel 5.2.1 is niet van toepassing indien: a. het een bouwwerk, geen gebouw zijnde, betreft om de archeologische waarde vast te kunnen stellen; b. het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en/of alleen de bestaande fundering wordt benut; c. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m² beslaat óf de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.
5.3 Afwijken van de bouwregels 5.3.1. Afwijkingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.1 ten behoeve van grotere bodemingrepen. 5.3.2. Voorwaarden grotere bodemingrepen Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 5.3.1, kan slechts worden verleend indien: a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld. 5.3.3. Voorschriften aan omgevingsvergunning Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden:
20
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 5.3.4. Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 5.3.3, onder c, van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1. Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, waaronder begrepen het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en het aanleggen van drainage; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; b. het verlagen of verhogen van het waterpeil; c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 5.4.2. Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in 5.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien: a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; c.
schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld. 5.4.3. Uitzonderingen op verbod Het verbod als bedoeld in artikel 5.4.1 is niet van toepassing indien: a. de werkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen (proefsleuven- / booronderzoek); b. de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend;
21
c. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m² beslaat óf de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt; d. de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen. 5.4.4. Voorschriften aan omgevingsvergunning Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve funderingsmethoden, beschermende bodemlagen of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 5.4.5. Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 5.4.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
5.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk 5.5.1. Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk of bouwwerken te slopen. 5.5.2. Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in 5.5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien: a. de aanvrager een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het plangebied naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; c. schade door sloopwerkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, dan wel; d. door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veiliggesteld. 5.5.3. Uitzonderingen op verbod Het verbod als bedoeld in artikel 5.5.1 is niet van toepassing indien: a. de sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd teneinde de archeologische waarde vast te kunnen stellen; b. de grootte van de bodemingreep niet meer dan 100 m² beslaat óf de verstoringsdiepte niet meer dan 40 cm onder maaiveld bedraagt.
22
5.5.4. Voorschriften aan omgevingsvergunning Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5.1 kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieve sloopmethoden of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 5.5.5. Toevalsvondsten Indien het bepaalde in artikel 5.5.4, onder c, van toepassing is, wordt in de voorschriften aan de omgevingsvergunning tevens geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de sloopwerkzaamheden.
5.6 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door: a. de bestemming 'Waarde - Archeologie 2 (zeer hoge waarde)' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. b. aan gronden de bestemming 'Waarde - Archeologie 1, 2, 3, 4 of 5' toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.
23
Hoofdstuk 3. Artikel 6.
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7.
Algemene bouwregels
7.1 Nutsvoorzieningen Voor zover niet anders bepaald in deze planregels gelden voor nutsvoorzieningen de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van een gebouwde nutsvoorziening bedraagt maximaal 3,00 meter; b. de inhoud van een gebouwde nutsvoorziening bedraagt maximaal 50 m³.
7.2 Splitsen van een woning a. Het splitsen van een woning in twee of meer woningen is niet toegestaan. b. Het splitsen van een woning in twee of meer kamers is niet toegestaan.
7.3 Ondergronds bouwen Voor ondergrondse gebouwen gelden de volgende regels: a. ondergrondse gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht waar volgens de ter plaatse geldende bestemming bovengrondse gebouwen zijn toegestaan; b. ondergrondse gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht tot een diepte van maximaal 3,50 meter per ondergrondse bouwlaag, met een maximum van twee ondergrondse bouwlagen; c. ondergrondse gebouwen dienen ondergeschikt aan de hoofdfunctie te zijn; met dien verstande dat geen uitbreiding van de toegestane verkoopvloeroppervlakte of bedrijfsvloeroppervlakte is toegestaan.
Artikel 8.
Algemene gebruiksregels
8.1 Verboden gebruik Onder het verboden gebruik en verboden laten gebruiken van de in dit plan begrepen gronden en daarop voorkomende bouwwerken wordt tenminste verstaan:
24
a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, anders dan als stort- en/of opslagplaats voor normaal onderhoud, gebruik en beheer en met uitzondering van een gebruik als stort- en/of opslagplaats zoals uitdrukkelijk toegestaan ingevolge het bepaalde in deze regels; b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, anders dan als stallings- en/of opslagplaats voor normaal onderhoud, gebruik en beheer; c. een gebruik van gronden voor het beproeven van motorvoertuigen alsmede voor de beoefening van de motorsport en de modelvliegsport en voor het racen of crossen van motorvoertuigen; d. een gebruik van gronden en bouwwerken voor risicovolle inrichtingen, tenzij de bestemming van de gronden dit specifiek toelaat; e. een gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, tenzij de bestemming van de gronden dit specifiek toelaat; f. een gebruik van de gronden voor een zorginstelling, indien de gronden ter plaatse niet zijn voorzien van de aanduiding 'zorginstelling'; g. een gebruik van gebouwen voor kamerverhuur indien de gronden ter plaatse niet voorzien zijn van de aanduiding 'kamerverhuur'; h. een gebruik van gebouwen, niet zijnde een woning of een ander specifiek voor permanente bewoning bestemd gebouw, voor permanente bewoning. i.
een gebruik van gronden voor straatprostitutie; j. een gebruik van bouwwerken als seksinrichtingen; k. een gebruik van bouwwerken als sekswinkels; l. een gebruik van gronden voor evenementen, tenzij de bestemming dit uitdrukkelijk toelaat; m. een gebruik van bouwwerken voor een shishabar of coffeeshop, tenzij de bestemming van de gronden dit specifiek toelaat. 8.2 Parkeren 8.2.1. Parkeren van auto's a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen dient vast te staan dat voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de normen die in de beleidsnota 'Parkeernota Heerlen' (vastgesteld d.d. 02.11.2010) of diens rechtsopvolger, op eigen terrein wordt gerealiseerd en in stand gehouden. b. Voor de maatvoering van de parkeerplaatsen wordt gebruik gemaakt van de eisen en aanbevelingen van het Handboek Openbare Ruimte van de gemeente Heerlen. Voor gevallen waarin het Handboek niet voorziet, wordt verwezen naar de richtlijnen van de CROW, die vastgelegd zijn in het ASVV 2012 of diens rechtsopvolger. Deze maatvoering wordt bij het bepalen van de parkeerbalans als minimale maten aangevoerd. c. Bij het wijzigen van het gebruik dient de parkeerbehoefte behorende bij die nieuwe functie(s) op eigen terrein gerealiseerd te worden conform de beleidsnota 'Parkeernota bestemmingsplan Heerlen' (vastgesteld d.d. 02.11.2010), of diens rechtsopvolger. 8.2.2.
Fietsstallingsgelegenheid bij of in gebouwen a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen of het wijzigen van het gebruik dient ten behoeve van het stallen van fietsen in voldoende mate fietsparkeerplaatsen
25
worden gerealiseerd in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, dan wel in de directe omgeving. b. Aan de eis als bedoeld onder a. wordt geacht te zijn voldaan indien: 1. het aantal fietsparkeerplaatsen op de locatie zoals aangegeven onder lid 1 ten minste overeenkomt met het aantal parkeerplaatsen dat voor de betreffende functie is genoemd in bijlage 1 van de regels 'Overzicht fietsparkeerkencijfers'; én 2. de maatvoering van de fietsparkeerplaatsen voldoet aan het 'Normstellend document enkellaags fietsparkeren' en/of het 'Normstellend document meerlaags fietsparkeren' van de Stichting FietsParKeur. 8.3 Afkoppelen en bergen hemelwater a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen dient vast te staan dat een voorziening voor de opvang en de infiltratie van hemelwater op eigen terrein wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. b. Voor de maatvoering van de hemelwatervoorziening wordt verwezen naar de normen die zijn opgenomen zijn in de 'Uitvoeringsregels Aansluitverordening Riolering 2019' (vastgesteld 03-09-2019) of diens rechtsopvolger.
Artikel 9.
Algemene afwijkingsregels
9.1 Afwijkingsregels voor maten, afmetingen en percentages Burgemeester en wethouders kunnen, behoudens voorzover reeds op grond van enige andere bepaling in dit plan is afgeweken, via een omgevingsvergunning afwijken van het in dit plan bepaalde ten aanzien van de in deze regels gegeven maten, afmetingen en percentages, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10%.
9.2 Algemene voorwaarden voor afwijkingen Bij het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 9.1 dient het onderstaande in acht te worden genomen: a. de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad; b. aan het stedenbouwkundige beeld en aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse mag geen afbreuk worden gedaan; c. er mogen geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; d. de parkeerbalans in de directe omgeving mag niet in negatieve zin onevenredig worden beïnvloed; e. de ruimtelijke ontwikkeling dient in overeenstemming te zijn met een goede ruimtelijke ordening.
26
Artikel 10.
Algemene wijzigingsregels
10.1 Bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders kunnen de bestemmingsgrenzen op perceelsniveau wijzigen, voor zover: a. de afwijking van geringe aard is, en b. de afwijking noodzakelijk is in verband met de terreingesteldheid ter plaatse.
Artikel 11.
Overige regels
11.1 Andere wettelijke bepalingen Voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luidden op het tijdstip van de vaststelling van het bestemmingsplan.
27
Hoofdstuk 4. Artikel 12.
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
12.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 13.
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Woningbouw Dr. Jaegersstraat”.
28