NL.IMRO.0917.BP030400W000003-0401_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 8 Vormvrije m.e.r. beoord.pdf
Tekst van het document
Vormvrije m.e.r. beoordeling bestemmingsplan "Heerlen-West"
1. Inleiding Het vigerende bestemmingsplan 'Heerlen-West' is op 5 juli 2006 vastgesteld, op 27 februari 2007 goedgekeurd en op 9 januari 2008 onherroepelijk geworden. Gelet op de actualiseringsplicht uit de Wet ruimtelijk ordening en het overgangsrecht als opgenomen in de Invoeringswet Wro, dient dit plan binnen 10 jaar na het moment van onherroepelijk worden daarvan te worden herzien. Hierdoor is actualisering van dit bestemmingsplan noodzakelijk. In die actualisering wordt voorzien met het nu in voorbereiding zijnde - nieuwe - bestemmingsplan “Heerlen-West”. Om milieueffecten vroegtijdig en volwaardig te betrekken in de besluitvorming omtrent nieuwe initiatieven vindt milieueffectrapportage plaats. In welke gevallen milieueffectrapportage verplicht is en in welke gevallen moet worden beoordeeld of een dergelijke rapportageprocedure moet plaatsvinden, volgt uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Een milieueffectrapportage kan ook verplicht zijn voor plannen op initiatief van de overheid, zoals een bestemmingsplan. Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r.
lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (C-lijst) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (D-lijst). In die lijst is per categorie een drempelwaarde opgenomen. De drempelwaarden hebben een indicatief karakter, hetgeen inhoudt dat ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden een (vormvrije) beoordeling dient plaats te vinden of het planvoornemen kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen. Deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze notitie wordt allereerst beoordeeld of voor het bestemmingsplan “Heerlen-West” een merplicht of (vormvrije) mer-beoordelingsplicht van toepassing is. Vervolgens wordt beoordeeld of het uitgesloten is dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn.
2. Plangebied Het plangebied 'Heerlen-West' is ten zuidwesten van het centrumgebied gelegen. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Keulseweg (N281) in het oosten, in het zuiden de Tichelbeekstraat en het gebied gelegen in het verlengde daarvan tot aan de A76, de A76 (E314) in het westen en de Valkenburgerweg en Nieuw Eyckholt vormen in het noorden de grens. Op de navolgende afbeelding is de begrenzing van het plangebied (rood omlijnd) indicatief aangeduid.
Het plangebied kenmerkt zich in hoofdzaak als woongebied. Duidelijke uitzonderingen hierop zijn de Open Universiteit, het wijkcentrumgebied, de zorglocatie Douvenrade en de horecafuncties van Hoeve de Aar en de Geleenhof.
Pagina 2/7
3. Planvoornemen Het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Heerlen-West” voorziet in een actualisatie van de vigerende bestemmingsplannen voor het hiervoor beschreven plangebied. Bestaande rechten op basis van de geldende bestemmingsplannen worden daarbij zoveel mogelijk gerespecteerd. Dat houdt in dat de bestemmingen voor de binnen het plangebied gelegen gronden worden afgestemd op de planologische gebruiksmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, tenzij er beleidsmatig of vanwege beperkende wet- en regelgeving aanleiding bestaat daarvan af te zien. De regels voor de betreffende bestemmingen worden daarbij zoveel mogelijk afgestemd op de regels voor deze bestemmingen in andere recente Heerlense bestemmingsplannen. De voornaamste wijzigingen ten opzichte van de geldende bestemmingsplannen is dat de milieuzonering wordt geactualiseerd aan de hand van de milieucategorieën die worden gehanteerd in de uitgave “Bedrijven en milieuzonering van de VNG uit 2009. Het geldende bestemmingsplan gaat nog uit van de indeling uit de uitgave van 2001. De bouwvlakken zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplannen en ook de milieucategorieën zijn niet verhoogd.
Pagina 3/7
4. Mer(beoordelings)plicht? Gezien de bedrijvigheid en andere activiteiten die het bestemmingsplan “Heerlen-West” mogelijk maakt en de activiteiten die worden genoemd in de C-lijst in de bijlage bij het Besluit m.e.r., is geen sprake van een merplicht. Wel is in de D-lijst de volgende categorie opgenomen:
In dit geval is sprake van een wijziging van het bestemmingsplan voor bestaand stedelijk gebied. Er vindt daarbij geen uitbreiding of nieuwe aanleg plaats. Alle gronden zijn bovendien al uitgegeven. Hoewel het plangebied een oppervlakte van 147 hectare heeft en een aaneengesloten gebied met meer dan 1700 woningen bevat, blijft de voorgenomen actualisatie van het bestemmingsplan ons inziens ruimschoots onder de drempelwaarden van de genoemde categorie. De drempelwaarden zien immers op de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject hetgeen hier niet aan de orde is. Het betreft namelijk een bestemmingsplan dat uitsluitend bestaand stedelijk gebied regelt. Het voorgaande betekent dat volstaan kan worden met het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Aangezien in dit geval de gemeente Heerlen de initiatiefnemer is voor het actualiseren van het bestemmingsplan, is er geen aanmeldnotitie van een initiatiefnemer beschikbaar als bedoeld in artikel 7.16 van de Wet milieubeheer. De gemeente dient in dit geval op grond van artikel 7.19 Wet milieubeheer ambtshalve te besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt opgesteld aan de hand van de volgende criteria uit bijlage III bij de EEG-richtlijn (2011/92/EU) milieueffectbeoordeling. 1. kenmerken van het project: a. omvang van het project; b.
cumulatie met andere projecten; c. gebruik van natuurlijke grondstoffen; d. productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën.
Pagina 4/7
2. plaats van het project: a. het bestaande grondgebruik; b. relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit al worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang; 3. kenmerken van het potentiële effect: a. bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); b. grensoverschrijdend karakter van het effect; c. de orde van grootte en de complexiteit van het effect; d. de waarschijnlijkheid van het effect; e. duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect.
Pagina 5/7
5. De beoordeling 5.1 Kenmerken van het project Zoals blijkt uit hoofdstuk 3 van deze notitie en het concept van het bestemmingsplan “Heerlen-West” is sprake van bestaand stedelijk gebied waarvoor een in hoofdzaak beheersmatig bestemmingsplan wordt opgesteld. De op het terrein aanwezige kavels zijn reeds uitgegeven en daar waar bedrijfsmatig gebruik plaatsvindt, is dit reeds op grond van het vigerende bestemmingsplan toegestaan. Er vindt geen uitbreiding van de oppervlakte van het bebouwde gebied plaats. De bouwmogelijkheden komen in overwegende mate overeen met hetgeen het geldende bestemmingsplan reeds toestaat. In die zin is daarom geen sprake van een project. Hierdoor is er tevens geen sprake van cumulatieve effecten met eventuele andere projecten in de omgeving. Wat betreft gebruik van natuurlijke grondstoffen en productie van afvalstoffen vinden geen wijzigingen plaats. Gezien de toegestane en relatief lage milieucategorieën en gezien de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen bedrijfsactiviteiten (bijlage bij de regels van het bestemmingsplan) is geen sprake van activiteiten waarbij sprake is van een aanzienlijk gebruik van natuurlijke grondstoffen.
Bovendien voorziet het nieuwe bestemmingsplan ook niet in zodanige wijzigingen dat daardoor een aanzienlijke toename in het gebruik van natuurlijke grondstoffen mogelijk wordt ten opzichte van de huidige (referentie)situatie. Hetzelfde geldt voor de productie van afvalstoffen en het risico op ongevallen. In het geval van risico’s op ongevallen is het aspect externe veiligheid beschouwd in hoofdstuk 5 van de toelichting en de door bureau Kragten uitgevoerde onderzoeken. In de milieuparagraaf van de toelichting op het bestemmingsplan zijn aspecten zoals verontreiniging en hinder beoordeeld en getoetst aan de geldende wet- en regelgeving. Gezien de conclusies in de milieuparagraaf is er geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. 5.2 Plaats van het project Het bestaand grondgebruik wordt gehandhaafd. Gezien dat gebruik, het overwegend beheersmatig karakter en de zeer beperkte afwijkingen van het geldende bestemmingsplan zijn redelijkerwijs geen dusdanige effecten te verwachten voor het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen of het (opnamevermogen van) omliggende gevoelige (natuur)gebieden dat daardoor belangrijke nadelige gevolgen te verwachten zijn voor het milieu. In hoofdstuk 5 van de toelichting bij het bestemmingsplan worden de onderwerpen water, archeologie & cultuurhistorie en ecologie beoordeeld.
Uit de beoordelingen is gebleken dat er geen nadelige gevolgen zijn voor het natuurlijk milieu door toedoen van dit bestemmingsplan. Dit komt, zoals eerder toegelicht, door het actualiserend karakter van het bestemmingsplan. De huidige geldende gebruiksregels worden voortgezet in een actueel uniform geldend bestemmingsplan. 5.3 Kenmerken van het potentiële effect Gezien het beheersmatige karakter van dit bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen voorzien met een dusdanige invloed dat een nader onderzoek naar de effecten van een potentieel ongeluk vereist is. Binnen het plangebied vinden geen activiteiten plaats die in het kader van externe veiligheid een potentieel effect zouden kunnen hebben op de bevolking. De kenmerken van het potentiële effect zijn daarom nihil. In het bestemmingsplan is, in het kader van het ordenen van functies, rekening gehouden met uitwaarts en inwaarts zoneren, zodat milieubelastende en milieugevoelige functies op een deugdelijke manier zijn gescheiden. Uitwaartse zonering gaat uit van de milieubelastende functie, met als doel milieugevoelige functies in de omgeving te weren. In de zone rondom de belastende functie gelden beperkingen voor milieugevoelige functies en voor milieubelastende activiteiten. Bij inwaartse zonering wordt vanuit de gevoelige functie een beschermende bufferzone gecreëerd.
Deze wijze van zoneren is reeds toegepast in het geldend bestemmingsplan en is met onderhavige actualisatie gehandhaafd en geactualiseerd. Dit is eveneens geconcludeerd in hoofdstuk 5 van de toelichting bij het bestemmingsplan.
Pagina 6/7
6. Conclusie Gezien voorgaande beoordeling zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten als gevolg van het planvoornemen en kan worden afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport en het doorlopen van de formele milieueffectrapportageprocedure.
Pagina 7/7