Herontwikkeling Giesen-Bautsch_Toelichting_1
Tekst van het document
Herontwikkeling Giesen-Bautsch
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Situering plangebied 1.3 Geldende bestemmingsplan 1.4 De toelichting als onderdeel van het bestemmingsplan 1.5 Het bestemmingsplan en de Omgevingswet 1.6 Leeswijzer
3 3 4 4 5 6 7
Hoofdstuk 2 Planologisch beleidskader 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal beleid 2.3 Regionaal beleid
8 8 9 12
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Bestaande situatie 3.2 Nieuwe situatie
18 18 19
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage 4.2 Geluid: wegverkeer 4.3 Water 4.4 Bodem 4.5 Natuurwaarden 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Externe veiligheid 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.9 Archeologie 4.10 Cultuurhistorie 4.11 Verkeer en Parkeren
21 21 21 22 23 24 26 28 31 33 36 36
Hoofdstuk 5 Juridische planopzet 5.1 Inleiding 5.2 Opbouw van de regels
38 38 38
Hoofdstuk 6 Handhaving en uitvoerbaarheid 6.1 Handhavingsbeleid 6.2 Financiële uitvoerbaarheid
44 44 44
Hoofdstuk 7 Procedure en overleg 7.1 Procedurestappen 7.2 Inspraak en overleg 7.3 Zienswijzen 7.4 Algemene verordening gegevensbescherming
45 45 46 46 46
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
2
Toelichting
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Het Winkelcentrum Giesen-Bautsch is een klein, maar levendig en gevarieerd winkelgebied, op de kop van de Corisbergweg, de Bautscherweg en de Vullingsweg, met een 'uitloper' langs de Bautscherweg. Het winkelgebied heeft, exclusief de panden aan de Bautscherweg, ca. 2.840 m2 verhuurde winkeloppervlakte en fungeert als volwaardig wijkcentrum. De gemeente Heerlen heeft het aangewezen als een zogenaamd 'sterk cluster', waar een combinatie van voorzieningen wenselijk is voor met name de dagelijkse boodschappen.
Figuur 1-1 ligging huidige winkelcentrum Een deel van de panden in het winkelcentrum staat leeg. De gemeente Heerlen wil het winkelcentrum gefaseerd herstructureren, boven de nieuwe winkels grotendeels 3 bouwlagen met maximaal 41 woningen toevoegen en de parkeerruimte uitbreiden. Het moet een toekomstbestendig wijkcentrum vormen dat comfortabel, compleet en compact is. Om dit mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
3
1.2
Situering plangebied
Het plangebied ligt in het zuiden van de gemeente Heerlen en wordt begrensd door de Corisbergweg, de Bautscherweg, de Vullingsweg en het plangebied van de nieuwe Brede Maatschappelijke Voorziening Heerlerbaan in het noorden.
Figuur 1-2 Globale ligging plangebied (google.maps)
1.3
Geldende bestemmingsplan
Het plangebied ligt in het vigerende bestemmingsplan 'Heerlerbaan' uit 2007. De vigerende bestemming is 'centrumvoorzieningen C'. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor detailhandel, dienstverlening, kantoor, horeca en wonen, met dien verstande dat vanaf de tweede bouwlaag uitsluitend wonen is toegestaan.
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
4
Figuur 1-3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan Heerlerbaan uit 2007 Het ruimtebeslag van de toekomstige situatie is niet groter dan nu het geval is. De situering van de bebouwing is wel anders dan nu. Verder past de ontwikkeling in het vigerende bestemmingsplan, zowel qua detailhandel als qua wonen, ook al zijn er in de huidige situatie geen woningen boven de winkels aanwezig.
1.4
De toelichting als onderdeel van het bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart), regels en een toelichting. In deze paragraaf worden de onderdelen van het bestemmingsplan en hun juridische status nader toegelicht. In paragraaf wordt hieronder de rol van de toelichting ten aanzien van de regels en verbeelding beschreven. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze worden in paragraaf 1.4.2 en 1.4.3 beschreven. In paragraaf 1.4.4 worden vervolgens de standaarden beschreven op grond waarvan dit bestemmingsplan is ontwikkeld.
1.4.1 Toelichting In deze toelichting wordt de opzet van het bestemmingsplan beschreven. Zo worden het doel van het bestemmingsplan, het relevante beleid, een beschrijving van het plangebied, de relevante omgevingsaspecten en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan besproken. Daarnaast wordt in de juridische planopzet de opbouw van de regels beschreven en wordt de werking van de regels nader toegelicht. Tenslotte wordt verslag gedaan van de resultaten van het met andere overheden en openbare lichamen gevoerde overleg en de (eventueel) ingediende zienswijzen.
1.4.2 Regels Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de gronden, die binnen het plangebied zijn gelegen, bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden of functies. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld. De regels maken duidelijk waarvoor de gronden gebruikt mogen worden en wat onder welke voorwaarden op de gronden gebouwd mag worden. Ook kan aan gronden een dubbelbestemming toegekend worden. De dubbelbestemming ziet op het beschermen van een bepaalde waarde (zoals archeologie, waterstaat) of op een zone (bijvoorbeeld externe veiligheid, molenbiotoop of leiding).
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
5
1.4.3 Verbeelding De verbeelding (de plankaart) geeft een grafische weergave van het plangebied. In de verbeelding zijn de plangrens, bestemmingen en aanduidingen weergegeven op een ondergrond. Voor bestemmingsplannen bestaan in de regel een digitale en een analoge verbeelding. De analoge verbeelding wordt doorgaans gebruikt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan. Beide verbeeldingen zijn in beginsel rechtsgeldig, maar bij interpretatieverschillen is de digitale verbeelding beslissend. De ondergrond is een samenstelling van de Basisregistratie Grootschalige Topografie BGT (landmeetkundig ingemeten topografie), luchtfoto's en kadastrale begrenzingen. Voor de verbeelding op papier wordt ter oriëntatie gebruik gemaakt van topografische en kadastrale ondergronden. Na verloop van tijd kunnen deze ondergronden hun actualiteit verliezen. Daarnaast tonen de ondergronden niet altijd alle bebouwing. De ondergronden (waaronder luchtfoto's) die worden gebruikt op de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl worden beschikbaar gesteld door de website zelf. Ook die ondergronden zijn niet altijd actueel en tonen niet altijd alle bebouwing. De gemeente heeft daar geen invloed op. De ondergronden maken geen deel uit van het bestemmingsplan en dienen in beginsel ter oriëntatie.
1.4.4 Standaarden Om de bestemmingsplannen in heel Nederland te kunnen vergelijken schrijft de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening voor, dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP2012 zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO2012) en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI2012) normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De digitale verbeelding is te raadplegen via www.ruimtelijkeplannen.nl. Door een muisklik op de digitale verbeelding verschijnen de bijbehorende regels voor die locatie in beeld. Vervolgens kan doorgeklikt worden om de gehele inhoud van het bestemmingplan (regels, toelichting en eventuele bijlagen) te raadplegen. Tevens is het mogelijk om te meten op de digitale verbeelding en door middel van coördinaten (ht Rijksdriehoekscoördinatenstelsel) de exacte locatie te bepalen.
1.5
Het bestemmingsplan en de Omgevingswet
In 2023/2024 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. Deze wet vervangt het merendeel van de wet- en regelgeving voor wonen, ruimte, infrastructuur, milieu en water. De invoering van de wet is een behoorlijke omslag, ook voor bewoners, ondernemers en organisaties. Heerlen start binnenkort met de voorbereiding. De gemeente streeft er naar het bestemmingsplan vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet in ontwerp ter inzage te leggen. Op basis van het algemene overgangsrecht onder de Omgevingsrecht wordt een procedure, die vóór inwerkingtreding formeel is gestart, afgehandeld volgens het 'oude' recht, oftewel de huidige wetgeving.
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
6
1.6
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een opsomming van de planologische beleidskaders bestaande uit Europees- en Rijksbeleid, Provinciaal-, regionaal en gemeentelijk beleid. In Hoofdstuk 3 wordt het plangebied beschreven. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het plan waarvoor deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld. Hoofdstuk 5 gaat in op de verschillende relevante omgevingsaspecten. Hoofstuk 6 beschrijft de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Hoofdstuk 7 geeft ten slotte een beeld van de te doorlopen procedure.
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
7
Hoofdstuk 2
Planologisch beleidskader
In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid beschreven. Dit is met name toegespitst op het woonbeleid, vanwege de toevoeging van maximaal 41 woningen. Het bestaande winkelcentrum wordt geherstructureerd, zonder dat er een uitbreiding van het bestaande ruimtebeslag plaatsvindt. De status en het belang van het als wijkwinkelcentrum aangewezen winkelcentrum staan vast en hoeven, beleidsmatig, niet opnieuw te worden onderbouwd.
2.1
Rijksbeleid
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Deze opgaven zijn nodig om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk.
Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt samengewerkt aan de prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Toetsing: De NOVI doet geen specifieke uitspraken met betrekking tot het plangebied.
2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Deze ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro). Per 1 juli 2017 is een gewijzigde versie van de ladder van kracht. Het tweede lid van art. 3.1.6 luidt met de inwerkingtreding van de aangepaste ladder als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." De ladder is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen. Hieronder wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan.
Deze laatste categorie is in de handreiking bij de ladder voor duurzame verstedelijking (ministerie van Infrastructuur en Milieu) nader gespecificeerd in accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure. Voorliggende ontwikkeling betreft een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening: het gaat om de herstructurering van een bestaande winkelcentrum en de toevoeging van woningen daarboven. Het ruimtebeslag blijft gelijk. Toetsing:
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
8
Het vigerende planologische plan staat de ontwikkeling eigenlijk al toe. Het ruimtebeslag verandert niet in omvang maar enigszins in situering en de parkeerruimte wordt uitgebreid. Al met al is geen sprake van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Daarnaast staat de behoefte aan het winkelcentrum en de woningen vast.
2.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: rijksvaarwegen; mainportontwikkeling Rotterdam; kustfundament; grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; defensie; hoofdwegen en landelijke spoorwegen; elektriciteitsvoorziening; buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; ecologische hoofdstructuur; primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones volgend uit het Barro dan wel de ministeriële uitwerking hiervan in het Rarro (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening). De ontwikkeling binnen het plangebied is dan ook in lijn met het gestelde in het Barro/Rarro.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg De Provincie Limburg zet zich samen met gemeenten, woningcorporaties en andere partijen in om ervoor te zorgen dat het woningaanbod aansluit bij de behoeften van de samenleving. Het provinciaal beleid is op hoofdlijnen vastgelegd in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg. Het onderdeel 'wonen' is door de 16 Zuid-Limburgse gemeenten op regionaal niveau uitgewerkt in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. De provinciale aandachtspunten op het gebied van wonen zijn vastgelegd in de Limburgse Agenda wonen (juni 2020 door PS vastgesteld) . Hierin zijn 5 actielijnen vastgelegd: De basis op orde: regionale samenwerking organiseren, beleidscyclus inrichten, verbinding met andere thema's. Verschuiving van koop naar huur: Limburgs Maatwerk, Platform woonconsument, Verruiming (sociale) huurwoningvoorraad. Kwantitatieve afstemming binnen de regio Limburgs Maatwerk, inzet Omgevingsverordening, grensoverschrijdende samenwerking. Meer kwaliteit en diversiteit: Limburgs Maatwerk, wonen met zorg, kwaliteit woningvoorraad verbeteren. Betere doorstroming: Limburgs Maatwerk, hefboomprojecten, betere doorstroming, starterslening. Het plangebied ligt binnen het (bestaand) stedelijk gebied. Hierbinnen is detailhandel en wonen toegestaan.
Toetsing: Het aantal en het type woningen passen binnen de uitgangspunten van het provinciale woonbeleid (zie ook paragraaf 3.2 en verder).
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
9
2.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg 2014 bevat regels om de doorwerking van het provinciale beleid mogelijk te maken. Voor dit document is gebruik gemaakt van de geconsolideerde versie van de verordening van 22 november 2019 en de laatste (ontwerp-)wijziging van 29 maart 2022 (over o.a. het onderwerp wonen). Andere partiële wijzigingen zijn voor het plangebied niet relevant. Het plangebied ligt binnen bestaande bebouwd gebied, binnen de Regio Zuid-Limburg. Van belang zijn met name de bepalingen over de woningvoorraad, die verder zijn uitgewerkt in regionale afspraken. Hieraan wordt in de volgende paragraaf aandacht besteed.
Afbeelding 2-1 uitsnede verbeelding bij Omgevingsverordening (algemene kaart) Op 29 maart 2022 is (in ontwerp) een wijziging van de Omgevingsverordening Limburg 2014 gepubliceerd. De wijziging ziet op Artikel 2.4.2 Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefte onderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio's bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het ruimtelijk plan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring. e. realisatie van de woningen beoogd is binnen vijf jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Op dit onderwerp wordt in paragraaf 2.3 en verder nader ingegaan.
Toetsing: Het aantal en het type woningen passen binnen de uitgangspunten van het provinciale woonbeleid (zie ook paragraaf 3.2 en verder).
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
10
2.2.3 Doorkijk Omgevingsverordening 2022 (Omgevingswet) Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. De inwerkingtreding is voorzien op het moment van inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, klimaatadaptatie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Na-ijleffecten steenkoolwinning In artikel 12.12. is het volgende geregeld: de motivering van een omgevingsplan dat het bouwen van een nieuw bouwwerk in de gemeenten Brunssum, Beekdaelen, Heerlen, Landgraaf, Voerendaal, Kerkrade, Simpelveld, Beek, Sittard-Geleen en Stein mogelijk maakt, beschrijft op welke wijze rekening is gehouden met de na-ijlende effecten van de voormalige steenkoolwinning. In de vorm van bodembewegingen blijft de regio geconfronteerd met na-ijleffecten van de voormalige steenkoolwinning.
Dit leidt mogelijk tot belemmeringen in het gebruik van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld in geval van verzakkingen. Het is van belang dat deze risico's bekend zijn en hiermee rekening wordt gehouden. Ook de mogelijke risico's die verbonden zijn aan het gebruik of de aanwezigheid van onderaardse kalksteengroeves vragen blijvende aandacht, bijvoorbeeld instortingsgevaar. In deze paragraaf wordt ingegaan op de mogelijke risico's zoals beschreven in het rapport “naijlende gevolgen van de steenkolenwinning in Zuid-Limburg” van 14-12-2016 door het Ministerie van Economische Zaken, met betrekking tot ondiepe winning en/of protectie zone industriële schachten en/of risico`s door mijngas. Uit informatie blijkt dat het plangebied een lage kans op na-ijleffecten heeft, omdat in het gebied alleen ondiepe winning heeft plaatsgevonden.
Afbeelding 2-2 kaart met ondiepe winningen
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
11
Klimaatadaptatie De motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van: a. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering; en b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Dit onderdeel is verwerkt en onderbouwd in paragraaf 4.3 Water. In het plangebied is rekening gehouden met de vereiste maatregelen.
2.3
Regionaal beleid
2.3.1 Structuurvisie Parkstad Limburg De regio Parkstad Limburg heeft een eigen intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad' (2009). Deze is op 2 november 2009 vastgesteld De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken. Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren: Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land; Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op onder andere een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfsrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten; Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad-centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen; Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via de Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft.
De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling. Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's: Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur Natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren. Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht Hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte. Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking Herstructurering gaat voor uitbreiding: het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour. Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid De ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal.
De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding. De vier hoofdthema's uit de structuurvisie zijn concreet uitgewerkt in diverse beleidsnota's, op zowel regionaal als gemeentelijk niveau. Deze komen in de volgende paragrafen aan bod,
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
12
waarbij tevens wordt aangegeven hoe deze hun uitwerking hebben op plangebied en omgeving.
Figuur 2-3 uitsnede ontwikkelingskaart Structuurvisie Parkstad Limburg
2.3.2 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg De gemeenteraad heeft op 23 november 2016 de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (hierna: SWZL) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting voor het beleidsveld 'Wonen' in de zestien gemeenten in de regio Zuid-Limburg (Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Beekdaelen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal) vastgelegd. In de SVWZL zijn afspraken vastgelegd over een gezamenlijke aanpak om de kwalitatieve en kwantitatieve disbalans (er zijn te veel woningen en het aanbod sluit niet meer aan op de toekomstige vraag als gevolg van vergrijzing) op de woningmarkt in Zuid-Limburg aan te pakken. De structuurvisie geeft richting aan de kwalitatieve en kwantitatieve opgave voor het thema wonen en volkshuisvesting en aan de wijze waarop het aantal woningbouwplannen wordt afgestemd op de (toekomstige) woningbehoefte. Dit betekent onder meer dat beleidsmatig is vastgelegd hoe de planvoorraad voor woningen in de gemeenten in de regio Zuid-Limburg in overeenstemming wordt gebracht met de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Kansrijke doelgroepen zijn onder meer jongeren, ouderen en zorgbehoevenden.
Het belangrijkste uitgangspunt is dat de woningvoorraad in omvang niet meer mag groeien, om te voorkomen dat de leegstand toeneemt. Leegstand leidt tot verloedering en ook tot waardedaling. Dit basisprincipe leidt ertoe dat nieuwe toevoegingen aan de woningvoorraad zullen moeten worden gecompenseerd.
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
13
Voor iedere gemeente wordt daarom aan de hand van actuele demografische gegevens en leegstandscijfers een 'transformatieopgave' afgesproken, de kwantitatieve koers die de gemeente dient te varen. Die kwantitatieve koers moet worden beschouwd als richtinggevend wat betreft het maken van beleidsmatige keuzes en niet als een harde slooptaakstelling. Deze 'transformatieopgave' wordt tweejaarlijks herijkt. Gemeenten worden verplicht een woningbouw-programmering op te stellen die is geënt op zowel de kwalitatieve en kwantitatieve woonopgaven.
2.3.3 Structuurvisiebesluit Wonen en Retail Op 31 oktober 2011 heeft het Parkstadbestuur een structuurvisiebesluit genomen, dat ingaat op het thema wonen en retail. Wonen Zoals geschetst in het regionale woonbeleid (o.a. Herstructureringsvisie voor de woningvoorraad, Parkstad Limburg) is het, mede uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gezien de voorziene ontwikkelingen van het aantal huishoudens in Parkstad Limburg, niet gewenst om de regionale woningvoorraad verder te laten toenemen om het (toekomstige) overschot aan woningen niet nog verder te laten toenemen. Wel blijft de noodzaak aanwezig om de samenstelling van de woningvoorraad aan te passen aan de veranderende woonwensen. Daarvoor zullen nieuwe woningen moeten worden gerealiseerd die dienen als vervanging van bestaande voorraad. De appartementen die in het plangebied worden gerealiseerd komen tegemoet aan de kwalitatieve vraag binnen de regio en hierover heeft regionale afstemming plaatsgevonden. Op 13 april 2023 heeft de gemeente een schriftelijk bevestiging ontvangen dat de 41 appartementen zijn toegevoegd aan de woningbouwprogrammering (zie bijlage 12). Retail Voor het regionale retailbeleid geldt hetzelfde: het is niet gewenst om de regionale retailvoorraad verder te laten toenemen om het (toekomstige) overschot aan winkelvloeroppervlak niet nog verder te laten toenemen.
Echter, ondanks het teruglopen van het omzetpotentieel dient er wel ruimte geboden te worden aan uitbreiding van winkelaanbod op bepaalde locaties. Door deze structuurbepalende gebieden als uitgangspunt te nemen, wordt uitval aan de onderkant van de markt in werking gezet en ontstaat er zodoende schaarste die noodzakelijk is om wenselijke ontwikkelingen ook op wenselijke locaties te laten plaatsvinden. In lijn met het regionaal retailbeleid wordt in bestemmingsplan Heerlerbaan en omgeving de mogelijkheid van vestiging van detailhandel uitgesloten in panden, gelegen buiten het gebied van buurtcentrum Giesen-Bautsch en waar ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan géén detailhandel was gevestigd. Het winkelcentrum Giesen-Bautsch is een structuurbepalend gebied en blijft als wijkwinkelcentrum (aangewezen als sterk cluster, zie ook paragraaf 2.4.1), met supermarktfunctie en verschillende kleinere soorten detailhandelsvestigingen in stand.
2.3.4 Regionale woningmarktprogrammering 2019-2022 De Bestuurscommissie Wonen Parkstad heeft op 21 maart 2019 de geactualiseerde Regionale Woningmarktprogrammering 2019-2022 vastgesteld. Met deze programmering wordt kwalitatief en kwantitatief gestuurd op de ontwikkeling van de woningvoorraad in Parkstad Limburg. De kwantitatieve opgave bestaat uit het terugdringen van de leegstand ten gevolge van de bevolkingsdaling tot 2% frictieleegstand. De huidige leegstand (ca. 4,1% in de envelop 2017-2020), de bevolkingsdaling en de omvang van de planvoorraad zorgen in Heerlen, bij ongewijzigd beleid, dat er in 2028 ca. 3700 woningen te veel zijn. De kwalitatieve opgave bestaat uit het wegwerken van mismatches. Ondanks het overaanbod aan woningen en het ruime planaanbod, vindt niet iedereen die dat wil een passende woning in Heerlen. Met passend wordt bedoeld dat de woning aan de woonwensen moet voldoen én in financieel opzicht bereikbaar is voor de woningzoekende. Om die kwalitatieve woonbehoefte beter in beeld te krijgen, is gekeken naar de ontwikkeling van de omvang van diverse doelgroepen, hun kwalitatieve woonwensen en financiële mogelijkheden. Ook is gekeken naar de kracht van woonbuurten. De combinatie van het type woning, de prijsklasse en de woonomgeving, bepaalt de PMC (productmarktcombinatie).
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
14
Uit deze gegevens is de indicatieve behoefte afgeleid. Deze is vervolgens afgezet tegen de bestaande plannen op de programmering. Aan de hand hiervan kan worden ingeschat of een plan op de programmering in voldoende mate in een kwalitatieve behoefte voorziet. Dat geldt zeker ook voor nieuwe plannen die nog niet op de programmering staan. Aan de hand van diverse indicatoren (volkshuisvestelijk, sociaal-maatschappelijk, ruimtelijk) kan de planscore van een project worden berekend. En daarmee een inschatting worden gemaakt of een plan in voldoende mate tegemoet komt aan de kwalitatieve behoefte. Het toevoegen aan of wijzigen van plannen op de programmering is een bevoegdheid van de Bestuurscommissie Wonen Parkstad. De Regionale Woningmarktprogrammering 2019-2022 biedt zo een kwalitatief kader over hoe om te gaan met bestaande plannen en met nieuwe initiatieven.
2.3.5 Regionale woonvisie Parkstad, onderdeel Heerlen Eind juni 2017 zijn de Regionale Woonvisies van alle acht Parkstadgemeenten vastgesteld. Elke gemeente heeft deze regionale visie vertaald naar de lokale situatie. De woonvisie Parkstad/Heerlen is opgebouwd rondom een aantal kwalitatieve opgaven binnen het woonbeleid in de regio Parkstad. De voorspelde huishoudensdaling blijft van grote invloed op het beleid en de te volgen koers. Maar ook de kwalitatieve disbalans moet worden aangepakt. De huidige voorraad is niet geschikt om te voldoen aan de toekomstige kwalitatieve vraag. Particuliere voorraad Ten gevolge van de huidige marktomstandigheden ligt er een belangrijke opgave in de particuliere voorraad. Economische omstandigheden leiden tot een aanhoudende vraag naar sociale huurwoningen in de regio. De leegstand ten gevolge van de bevolkingsdaling concentreert zich met name in de incourante delen van de particuliere woningvoorraad. Als gevolg hiervan zetten we in op het weg bestemmen van onbenutte plancapaciteit. Samen met woningcorporaties proberen we in te zetten op het aankopen van particuliere woningen ten behoeve van de (sociale) verhuur. Heerlen zet met name in op het versterken van het woonmilieu in het centrum van Heerlen. Dat gaat hand in hand met het versterken van andere sectoren zoals het cultureel aanbod, voorzieningen en de openbare ruimte.
Met deze aanpak willen we de ontwikkeling van de campussen ondersteunen en de werkgelegenheid verbeteren. De verdunningsopgave vindt in de omliggende stadsdelen plaats. Betaalbaarheid en beschikbaarheid De komende 5 jaar wordt samen met de woningcorporaties gewerkt aan het verruimen van het aanbod aan betaalbare sociale huurwoningen. Heerlen wilt die opgave verdelen over de stad, zodat in alle stadsdelen een min of meer gelijke spreiding is van sociale huurwoningen in diverse huurprijsklassen en diverse huishoudenstypen. Wonen en zorg Vanwege de vergrijzing en het langer zelfstandig wonen, verandert ook de opgave op het gebied van wonen en zorg. De woonomgeving en zeker ook de woningvoorraad zal meer toegerust moeten worden op het verlenen van zorg aan huis. Heerlen zet in op het organiseren van zorg op wijkniveau met aandacht voor voldoende zorggeschikte woningen, buurtsteunpunten en een toegankelijke woonomgeving. Een van de belangrijkste problemen is echter, dat veel mensen met een zorgbehoefte vanwege betaalbaarheidsproblemen niet kunnen verhuizen naar een zorggeschikte woning. Urgente doelgroepen Enerzijds is er een huisvestingsvraagstuk voor diverse kwetsbare doelgroepen zoals mensen in scheiding, slachtoffers van huiselijk geweld, statushouders of mensen met een handicap. Heerlen vervult een centrumfunctie voor huisvesting van GGZ-cliënten.
Housing Parkstad en Housing First worden hiertoe voortgezet. Voor statushouders heeft iedere gemeente een afzonderlijke taakstelling. Anderzijds is er een huisvestingsvraagstuk voor kenniswerkers en arbeidsmigranten. Deze groepen vragen om tijdelijke huisvesting, bij voorkeur in of in de nabijheid van de binnenstad. Heerlen wil daarnaast werken aan het verbeteren van het woon- en leefklimaat bij kamerverhuur. Verduurzamen woningvoorraad De ambities op het gebied van duurzaamheid zijn in regioverband vastgelegd in het beleidsstuk Parkstad Limburg Energietransitie (PALET). De ambitie is om als regio in 2040
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
15
energieneutraal te zijn. Om dat te halen ligt er een forse opgave in het verbeteren van de woningvoorraad, zowel in de particuliere als in de (sociale) huursector. Bestaande woningen moeten energiezuinig worden gemaakt en er moet een plan van aanpak komen om de stap naar gasloze woningen te kunnen zetten. Heerlen investeert daarbij onder meer in de toepassing van Mijnwater voor ruimteverwarming. Vrije sectorhuur en koopwoningen Voor een evenwichtige woningmarkt in parkstad Limburg is het beschikken over voldoende aantrekkelijke woningen in de vrije huursector van belang. Qua prijs vormen goedkope koopwoningen een alternatief. Heerlen wil met name in het centrum inzetten op het verruimen van het aanbod in de vrije sectorhuur omdat dit voor kenniswerkers en expats, vanwege de flexibiliteit, een veel aantrekkelijker optie is dan een koopwoning. Leefbaarheid Veel buurten en wijken in Heerlen hebben te maken met leefbaarheidsproblemen. Mensen ervaren overlast door lawaai, stank of rommel en voelen zich onveilig. Dat heeft een negatieve invloed op het wonen in de wijk. Heerlen zet samen met corporaties en andere partners in op het verbeteren van de leefbaarheid in buurten en wijken met als vertrekpunt dat wijken schoon, heel en veilig moeten zijn.
2.3.6 Structuurvisiebesluit 'Beleidsregel Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' Het Structuurvisiebesluit Ruim baan vervangt het Structuurvisiebesluit 'Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg' (verder te noemen Structuurvisiebesluit Tijdelijke versoepeling). Doel van de beleidsregel is dat goede (ver-)bouwplannen niet meer hoeven te worden gecompenseerd. Hiertoe zijn in de beleidsregel 3 criteria opgenomen. 1. Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde: Inbreiding gaat voor uitbreiding. (Inbreiding = een ontwikkeling op een locatie binnen bestaand stedelijk gebied, ofwel tussen bestaande geconcentreerde bebouwing. Inbreiding kan betrekking hebben op een kleine onbebouwde kavel, maar ook op een stuk grond dat al bebouwd is, waarbij bijvoorbeeld bestaande bebouwing gesloopt wordt en het terrein daarna weer herbebouwd wordt. Uitbreiding = een ontwikkeling op een onbebouwde locatie buiten bestaand stedelijk gebied of aan de grenzen van bestaande bebouwing). Het gaat om plannen voor o.a. verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen; herstructurering en vervangingsbouw; hergebruik winkels of (ander) waardevol vastgoed met passende woningbouw; of aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad (en). 2.
Het plan is planologisch aanvaardbaar: Volgens vigerend wettelijk Rijksbeleid, moet een plan voldoen aan de 'Ladder van Duurzame verstedelijking' zoals vastgelegd in de Bro artikel 3.1.6 lid 2. Dit houdt in dat voor ieder plan de behoefte aan de ontwikkeling zowel kwantitatief als kwalitatief vaststaat. Deze vraag komt ingegeven vanuit de wetgeving (en los van het gestelde in de SVWZL), bij elk plan op tafel dat planologisch in procedure wordt gebracht. 3. Het plan is sub-regionaal afgestemd: Er zijn binnen Parkstad afspraken gemaakt over de wijze waarop een plan kan worden toegevoegd aan de regionale woningbouwprogrammering. Deze beleidsregel is opgesteld door de Zuid-Limburgse gemeenten in afstemming met de Provincie en is – in de vorm van een structuurvisiebesluit – als addendum toegevoegd aan de al door de raad vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. De bestaande SVWZL blijft vigerend. Mocht een plan niet voldoen aan bovenstaande criteria, dan kan dat plan nog steeds mogelijk worden gemaakt, maar dan onder toepassing van beleidsafspraak VI uit de SVWZL, dus met compensatie. Dat betekent onder meer dat de financiële compensatieregeling blijft bestaan voor plannen van maximaal 5 woningen welke niet aan de in het structuurvisiebesluit genoemde criteria voldoen.
Met de voorgestelde versoepeling, wordt nadrukkelijk invulling gegeven aan de wens vanuit de samenleving om met name voor de doelgroep sociale huur en middenhuur alsmede voor
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
16
starters snel goede en betaalbare woningen te kunnen realiseren. Dit is noodzakelijk om te voldoen aan de veranderde behoefte bij de woningzoekenden en biedt een kans om gelijktijdig ook leefbaarheidsopgaven op te pakken. Toetsing: Het voorgenomen plan heeft een maatschappelijke meerwaarde: er is sprake van inbreiding (wonen boven winkels) binnen bestaand stedelijk gebied. Het plan, dat bestaat uit de herstructurering van een bestaand wijkwinkelcentrum en het toevoegen van maximaal 41 woningen in een gewenste prijsklasse, zorgt voor de verbetering van de leefbaarheid in het stedelijk gebied. Het plan is planologisch aanvaardbaar, wat blijkt uit deze ruimtelijke onderbouwing en de onderbouwende onderzoeken die hiervoor zijn uitgevoerd. Het is, gezien de huidige woningmarkt, duidelijk dat er behoefte is aan de voorgestelde woningen. Uitgangspunt is dat dit ook binnen de regio wordt geaccepteerd en dit kan worden toegevoegd aan de woningbouwprogrammering. Het plan wordt nog aangemeld.
2.3.7 Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg (detailhandel) Samen met de andere Zuid-Limburgse gemeenten is eind 2017 de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg (afgekort: SVREZL) vastgesteld. Deze visie heeft aangewezen welke de meest levensvatbare winkelvoorzieningen zijn, die samen de hoofdwinkelstructuur vormen. Ook doet deze visie uitspraken over de kantorenlocaties en de bedrijventerreinen in Zuid-Limburg, maar die zijn voor deze ontwikkeling niet relevant. Voor de winkels is ook in Heerlen gekozen voor een netwerkstructuur op basis van de sterkste clusters; een cluster staat namelijk sterker dan een solitaire winkel en is als collectief aantrekkelijker voor de consument. Daarbij is natuurlijk ook rekening gehouden met een goede spreiding van winkelclusters over de stad. Daarnaast is een verschil gemaakt tussen de verschillende soorten bezoekmotief van klanten: winkelen als uitje (dagje shoppen), doelgericht winkelen of de dagelijkse boodschappen doen. Voor dit laatste zijn wijkwinkelclusters aangewezen, waarvan het winkelcentrum Giesen-Bautsch er één is. Het winkelcentrum De Bautsch, waarvan Giesen Bautsch een groot onderdeel vormt, is in de SVREZL aangewezen als 'boodschappencentrum in een wijk'. Als zodanig moet het behouden blijven. Met de herontwikkeling van Giesen Bautsch wordt dit winkelcentrum aan de moderne tijd aangepast.
Het totale winkelmetrage blijft gelijk, conform de afspraken en kaders in de SVREZL. De herontwikkeling is dus een stevige kwaliteitsimpuls die prima past in de randvoorwaarden en doelstelling van de SVREZL. De herontwikkeling van de winkelfunctie in Giesen Bautsch door het veranderen van de footprint paste al binnen de regels van het oude bestemmingsplan. Bovendien blijft het winkelmetrage gelijk aan het bestaande metrage. Samen met het feit dat het hier een aangewezen winkelcluster betreft dat behouden moet blijven voor de hoofdstructuur, bestaat er geen meldingsplicht in SVREZL-verband. In dit geval is de bestemmingsplanwijziging namelijk alleen nodig om de bouwhoogte te verhogen zodat het mogelijk wordt om de appartementen toe te voegen.
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
17
Hoofdstuk 3
3.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Het winkelcentrum is een klein, maar levendig en gevarieerd winkelcentrum met een uitloper langs de Bautscherweg. Het functioneert als volwaardig winkelcentrum voor de wijk en is als 'sterk cluster' aangewezen.
Figuur 3-1 huidige invulling winkelcentrum (in oranje: de leegstaande panden) Op dit moment staat ca. een vijfde van het winkelcentrum leeg. De functies rondom het parkeerplein functioneren het beste. Er zijn op dit moment 152 parkeerplaatsen.
Het winkelcentrum ligt aan de kop van een dalvormige laagte die zich in noordelijke richting uitstrekt. De Corisbergweg vormt de begrenzing aan de westzijde, de Vullingsweg aan de oostzijde. De Bautscherweg aan de zuidzijde. Het maaiveldniveau daalt in noordelijke richting en ligt ook 'scheluw , het daalt ook oost naar west. Er zijn stevige hoogteverschillen, variërend van 142 tot 147 m +NAP. Het winkelcentrum kent meerdere (3) vloerniveaus. In de overgang naar het maaiveld zijn op verschillende plekken trappen aanwezig. Dit beperkt de toegankelijkheid voor minder validen.
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
18
3.2
Nieuwe situatie
Het winkelcentrum wordt herontwikkeld tot een toekomstbestendig en duurzaam wijkcentrum. In fases worden de bestaande winkels gesloopt en nieuwe vervangende winkelruimte gebouwd. De bestaande supermarkt wordt verplaatst in noordelijke richting, waardoor er aan het parkeerplein meer ruimte is voor kleinere winkels. Bovenop de supermarkt komen deels twee en deels drie bouwlagen met maximaal 41 appartementen. De parkeerplaatsen voor deze appartementen komen, door gebruik te maken van het reliëf in het gebied, ondergronds te liggen. Hier ontstaat ook ruimte voor extra parkeren, bij voorbeeld voor winkelpersoneel. Het totale ruimtebeslag verandert niet in omvang, maar wel in situering. Het laden en lossen voor de supermarkt vindt aan de westzijde van de supermarkt: verkeer rijdt vooruit in én vooruit uit, zodat geen achteruitrijbewegingen en bijbehorend alarm nodig zijn. De laad- en loslocatie is overdekt en de zijkant (de westzijde) wordt dicht, zodat eventuele geluidoverlast wordt voorkomen. De inen uitgang worden afgesloten met poorten (open), zodat deze niet voor publiek toegankelijk is.
Figuur 3-2 schets nieuwe situatie, indeling oostelijk deel is indicatief. Het nieuwe winkelcentrum wordt beter toegankelijk gemaakt voor minder validen, door het realiseren van hellingbanen. De appartementen worden in een carré gebouwd, waardoor ruimte ontstaat voor een kwalitatief hoogwaardig ingerichte daktuin. Door het toevoegen van woningen wordt de sociale veiligheid in het gebied vergroot.
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
19
Figuur 3-3 schets situering nieuwe appartementen Tussen het nieuwe winkelcentrum en de noordelijk gelegen Brede Maatschappelijke Voorziening wordt een groene verbinding aangelegd. Ook op het nieuwe parkeerterrein wordt veel groen aangelegd, om hittestress te verminderen.
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
20
Hoofdstuk 4
4.1
Omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
In de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn activiteiten met drempelwaarden opgenomen op basis waarvan de noodzaak van het wel of niet opstellen van een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) of meteen een milieueffectrapportage (onderdeel C) wordt bepaald. In onderdeel C is aangegeven bij welke activiteiten waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor geldt een directe verplichting voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure (onderdeel C). Onderdeel D bevat activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig. De opgenomen drempelwaarden zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.
De ontwikkeling is een stedelijke ontwikkeling in de zin van categorie 11.2 bijlage D bij het Besluit milieueffectrapportage. De omvang van de nieuwe ontwikkeling blijft onder de drempelwaarde die bij deze activiteit wordt aangehouden, zodat een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Aan de hand van de criteria uit de Europese m.e.r.-richtlijn wordt bepaald of de activiteit leidt of kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De criteria zijn: - de kenmerken van het project; - de plaats van het project; - de kenmerken van de mogelijke effecten. De bevindingen zijn in een aanmeldnotitie verwerkt, op grond waarvan de gemeente een besluit kan nemen of voor de activiteit al of niet een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. De aanmeldnotitie is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.
4.2
Geluid: wegverkeer
De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen. De normen uit de Wet geluidhinder hebben tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient dan ook rekening te worden gehouden met het aspect 'geluid'. In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. Het plangebied ligt niet binnen een geluidzone van weg, spoorweg of industrieterrein. De omliggende wegen hebben en maximale snelheid van 30 km/uur en dat betekent dat een formele toets aan de Wet geluidhinder niet aan de orde is. In het kader van een ruimtelijke procedure moet wel worden aangetoond dat ter plaatse van het plangebied, meer specifiek de geluidgevoelige objecten zoals woningen, een goed woon- en leefklimaat kan worden geboden. Op basis van verkeersgegevens van de gemeente (prognosejaar 2030) zijn berekeningen uitgevoerd naar de gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer in de omgeving van het plangebied (zie bijlage 10.
Uit de rekenresultaten blijkt dat deze
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
21
geluidbelasting ten hoogste 45 dB (exclusief aftrek art. 110 Wet geluidhinder) bedraagt. Bij een dergelijke geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het wegverkeer.
4.3
Water
In het kader van een ruimtelijke ontwikkeling moet het aspect 'water' worden betrokken. Voor dit plan is een zogenaamde 'Waterparagraaf' gemaakt (zie bijlage 8). Bij het opstellen van deze waterparagraaf is deels gebruik gemaakt van de waterparagraaf voor het (recent vastgestelde) bestemmingsplan BMV Heerlerbaan, direct ten noorden van het plangebied van het winkelcentrum. In het plangebied verandert er voor wat betreft de omvang van de verharding, fysiek, weinig. Wel wordt de buitenruimte opnieuw ingericht en de parkeervoorziening aangelegd/gerenoveerd. De gemeente heeft, net als bij het de BMV Heerlerbaan, aangegeven dat in het kader van de transformatie van het winkelcentrum kansen aanwezig zijn om te voorzien in de (tijdelijke) berging van hemelwater, bijvoorbeeld in de vorm van kratten onder de toekomstige parkeerplaatsen. De kratten worden 'gevoed' vanaf de daken van de bebouwing (via regenpijpen) en de bestrating (verzameld via goten). Een bladvanger en zandvang beperken de kans op verstopping van de kratten. In situaties waarin nieuwbouw wordt gerealiseerd gaat de gemeente uit van voorzieningen voor de opvang van hemelwater met een capaciteit van minimaal 3,5 m3 per 100 m2 bebouwd/verhard. Het totale bebouwde/bestrate oppervlak in de nieuwe situatie wordt ca. 9.500 m2. De 'wateropgave' wordt dan 332,5 m3 hemelwater.
In december 2020 is een funderingsadvies gegeven en is een hemelwaterinfiltratiestudie uitgevoerd (zie bijlage 9). In dit kader zijn sonderingen en boringen uitgevoerd. De hoogte van het maaiveld varieert van NAP+141,9 tot NAP+146,7 m. Naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat: De toplaag van ca. 2,5 m dik bestaat uit een slap tot matig vaste löss-leemlaag waarin plaatselijk tot 1 m-mv een funderingspakket wordt aangetroffen. Het bovenste deel van de toplaag is door menselijke ingrepen verstoord geraakt. Hieronder wordt een vast gepakt zand- en zand/grindpakket aangetroffen tot een diepte van NAP + 134 m. De zandlaag heeft een dikte van 3,50 m, daaronder bevindt zich grind. Vanaf een diepte van NAP + 134 m tot NAP + 131 m wordt een leempakket aangetroffen. In 2022 zijn ten behoeve van voorliggend plan boringen uitgevoerd in een milieuhygiënisch onderzoek. Daaruit blijkt dat in de bovenste 1,50 tot 3,50 m van de bodem voornamelijk leem aanwezig is, met aan het maaiveld een gemiddeld 0,5 m dikke zandlaag. In een van de 23 boringen is een 1 m dikke grindlaag aanwezig waarvan de contouren in horizontale zin onbekend zijn. vermoedelijk is dit een antropogene opvulling van beperkte omvang. In dit onderzoek zijn ter plaatse van de parkeerplaats 6 boringen uitgevoerd, waarvan 5 slechts tot 0,5 m-mv.
In boring 14 is vanaf 0,8 m -mv tot 1,20 m-mv leem aangetroffen. Uit de andere in het plangebied uitgevoerde boringen blijkt dat de bodemsamenstelling vanaf 0,5 m-mv gevarieerd is en zowel grond als leem kan worden aangetroffen. Uit de laatste kolom van tabel 2 blijkt dat met de infiltratiemetingen op het naastgelegen perceel 'worst case' (dus ongunstige) doorlatendheden zijn gemeten die variëren van 0,2 tot 65 m/dag. Op 5 van de 6 plaatsen is die 'leeglooptijd' voldoende. De grondwaterstand in natte omstandigheden (de GHG) zit voldoende diep en er is onder de toplaag sprake van een voldoende dikke onverzadigde zone (zie hoofdstukken 3.2 en 3.3). Voor de uiteindelijke wateropgave zijn verschillende scenario's/oplossingsrichtingen denkbaar. Als de wateropgave moet worden verwerkt op 'eigen terrein', dan is daar 'bruto' 1.200 m2 voor beschikbaar, het niet bebouwde deel tussen de bebouwing. Omdat het niet wenselijk is om waterbergende voorzieningen langs gevels en dichtbij kabels en leidingen te positioneren zal daar 'netto' slechts orde-grootte 800 m2 van over blijven. De wateropgave van 332,5 m3 leidt dan tot een ca. 0,42 m dikke waterlaag, op te vangen in infiltratiekratten. Als deze moet worden geborgen onder de parkeervoorzieningen dan betekent dit een netto waterlaag van 0,07 m (332,50 : oppervlak).
Dat is met een constructie bestaande uit één laag kratten onder de bestrating van een deel van de parkeergelegenheid dus
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
22
goed realiseerbaar. Er zijn verschillende typen kratten verkrijgbaar, met verschillend dimensies. De kratten kunnen in overleg met de gemeente worden aangesloten op een overstort naar het riool. Ook kan worden afgestemd met de gemeente of de inhoud van de kratten niet vertraagd kan worden afgevoerd op het riool. Het realiseren van de benodigde waterberging is in dit plan haalbaar (zowel op eigen terrein als op dat van de gemeente onder de parkeerplaatsen) maar vereist natuurlijk inpassing in het plan. Dat is een stedenbouwkundige opgave. De voorkeur gaat uit naar afvoer van hemelwater uit de kratten naar de bodem. Daarmee kan droogte in andere jaargetijden worden beperkt. Ook kan het water uit de kratten nog te planten bomen voeden zodat deze droge tijden beter doorstaan. De gemeente stelt de eis dat in beeld wordt gebracht wat de gevolgen zijn van een bui die zwaarder is (45 mm in 2 uur) dan de ontwerpbui waarop de hemelwatervoorziening wordt gedimensioneerd (35 mm in 2 uur). In figuur 5 zijn enkele uitsnedes uit de klimaateffectatlas opgenomen. Daaruit concluderen wij dat in de huidige situatie bij zware neerslag hemelwater zijn weg zoekt naar de randen van het gebied, naar de openbare weg. Bij gelijkblijvende maaiveld-hoogtes zal dat ook het geval zijn bij buien die niet meer door de voorgestelde infiltratie-voorzieningen kunnen worden opgevangen.
Figuur 4-1 beelden uit klimaateffectatlas Verder zijn de volgende zaken van belang: Hemelwater dat wordt afgevoerd naar de bodem mag niet verontreinigd zijn. Daarom moet het gebruik van uitlogende bouwmaterialen worden vermeden; Het realiseren van de gewenste ontwatering en drooglegging zijn bij de hier aanwezige grondwaterstanden geen probleem; Huishoudelijk afvalwater kan op het gemeentelijk riool worden geloosd; Het is noodzakelijk om in het bestemmingsplan regels op te nemen waarmee de in stand houding en goede werking van voorzieningen voor de berging van hemelwater wordt geborgd. Conclusie: Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Bodem
Om te beoordelen of de bodemkwaliteit past bij de beoogde ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). Uit het onderzoek blijkt het volgende: In de bovengrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten koper, molybdeen, zink en PAK
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
23
aangetoond; In het mengmonster van de ondergrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten zink en PAK aangetoond; Indicatief getoetst aan het Besluit Bodemkwaliteit valt de bodem op de locatie in de klasse AW2000 of 'Wonen'; In het monster MP02 wordt de grenswaarden van 1,4 µg/kg voor PFOS overschreden. Getoetst aan het handelingskader voor PFAS valt deze grond in de klasse Wonen/Industrie; Het grondwater bevond zich dieper dan 5 m -mv, en is daarom niet onderzocht; dit geldt ook voor het asfalt dat deels aan het maaiveld aanwezig is, ook dit is niet onderzocht; In de puinhoudende grond ter plaatse van boring B02 en B22 (monsters ASB1 en ASB2) is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen; In de puin verharding ter plaatse van boring B04 en B19 (monsters MM1-puin en MM2-puin) is ook geen asbest aangetroffen. Voor de ruimtelijke procedure is de bodemkwaliteit voldoende in beeld gebracht. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Als bij de ontwikkeling grond vrij komt, kan deze over het algemeen betrekkelijk makkelijk elders worden hergebruikt zonder relevante kosten. Conclusie: De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling.
4.5
Natuurwaarden
De Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in de bescherming van Europese Natura 2000-gebieden en planten- en diersoorten (bijlage 1). De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11), waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
4.5.1 Gebiedsbescherming In een zogenaamde voortoets wordt bepaald of al dan niet op voorhand kan worden uitgesloten of een plan of project significante gevolgen kan hebben op beschermde gebieden. Als dit niet op voorhand kan worden uitgesloten, kan, conform art. 2.8 lid 1 Wnb, over het plan of project pas worden besloten nadat een passende beoordeling is opgesteld waarin rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied. Deze passende beoordeling moet de zekerheid geven dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Gezien de grote afstand ten opzichte van beschermde gebieden, zijn effecten van bijvoorbeeld geluid of licht, niet aan de orde. Stikstofdepositie kan zich echter ook vanaf grotere afstand nog manifesteren. Daarom is naar dit aspect gekeken.
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
24
Figuur 4-2 ligging plangebied (in groen) ten opzichte van beschermde gebieden Er zijn berekeningen uitgevoerd om te bepalen of het plan in de gebruiksfase, als gevolg van de verkeersaantrekkende werking, leidt tot een toename van stikstofdepositie op een daarvoor gevoelig Natura 2000-gebied (zie bijlage 4). Uit de berekeningen blijkt dat dit niet het geval is. Dit betekent dat significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase op voorhand kunnen worden uitgesloten. De berekening zal vóór de vaststelling worden geactuliseerd met behulp van de nieuwe Aerius rekentool 2022 en worden aangevuld met een berekening van de eventuele stikstofdepositie als gevolg van de bouwfase. Conclusie: Het aspect 'gebiedsbescherming' vormt vooralsnog geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5.2 Soortenbescherming Om te beoordelen of het plan effecten heeft op beschermde soorten dieren en/of planten is een quick scan uitgevoerd (zie bijlage 3). De quickscan bestaat uit een eenmalig veldbezoek in combinatie met een bureaustudie. Als basis voor de bureaustudie is gebruik gemaakt van archiefgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF 2021, opgevraagd op 16 maart 2022) en een eerder uitgevoerde quickscan voor het gebied ten noorden van het plangebied (BMV Heerlerbaan). Van de afgelopen vijf jaar zijn de beschikbare gegevens over het voorkomen van beschermde natuurwaarden in en binnen de invloedsfeer (binnen een straal van maximaal 5 kilometer van het plangebied) voorafgaand aan het veldbezoek geanalyseerd en in het veld geverifieerd. Ook is een inschatting gemaakt op basis van bestudering van kaartmateriaal. Het plangebied is op 7 maart 2022 bezocht door een ecoloog. De bevindingen van de quickscan zijn in de onderstaande tabel samengevat. Hierbij is gebruik gemaakt van de volgende kleurcodering:
bestemmingsplan Herontwikkeling Giesen-Bautsch
25
Uit de quickscan blijkt dat er geen effecten op beschermde soorten dieren en planten te verwachten zijn, met dien verstande dat voor wat betreft het mogelijk voorkomen van bepaalde soorten vleermuizen (gewone- en ruige dwergvleermuis) in het uiterste noordelijke deel van het plangebied nader onderzoek nodig is. Dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd in combinatie met het vleermuizenonderzoek in het plangebied van de BMV Heerlerbaan, ten noorden van het winkelcentrum. Uit het nader onderzoek blijkt dat er geen vleermuizen in de bestaande gebouwen in het gebied aanwezig zijn. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in de rapportage van de quickscan in bijlage 3. Conclusie: De Wet natuurbescherming vormt, voor wat betreft de soortenbescherming, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1 Niet in betekenende mate Bij de besluitvorming in het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteitsaspecten die samenhangen met het plan in acht te nemen. Dit betekent dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit die samenhangen met de nieuwe functies getoetst dienen te worden aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Ingevolge de systematiek van deze wet vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor een ontwikkeling indien deze niet in betekenende mate (hierna NIBM) bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Dit is het geval indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;