CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

Cityplan Heerlen_vastgesteld_1_Toelichting.pdf

Raadsvergadering . (video) 15 december 2021, gemeente HeerlenBij agendapunt: Bestemmingsplan Cityplan Heerlen34.692 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

4.6.1

Besluit gevoelige bestemmingen

Conform artikel 5.16a van de 'Wet luchtkwaliteit' kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarden projecten doorgang vinden die er toe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. In dit kader is het Besluit gevoelige bestemmingen opgesteld. Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde 'gevoelige bestemmingen'. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. In het Besluit is aangegeven dat moet worden onderzocht of op een locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden, indien de locatie is gelegen binnen 300 meter vanaf Rijkswegen of binnen 50 meter vanaf provinciale wegen.

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

71

4.6.2

Niet in betekenende mate (NIBM)

In de Algemene Maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM1 0. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Onderhavig bestemmingsplan is overwegend conserverend van aard. Er worden in ieder geval geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die noodzaken tot een toetsing aan de regeling NIBM.

4.6.3

Plangebied

In onderhavig plan zijn geen ontwikkelingen voorzien die een luchtkwaliteitsonderzoek vereisen. De Wet luchtkwaliteit en bijbehorende besluiten en regelingen zijn derhalve op dit plan niet van toepassing. Indien op basis van dit bestemmingsplan een functiewijziging van een bestaande bestemming in een meer gevoelige bestemming zal plaatsvinden zal ten tijde van de vergunningverlening van deze functieverandering nader onderzoek dienen plaats te vinden.

Bestaande situatie luchtkwaliteit plangebied In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de actuele jaargemiddelde concentraties NO2 , PM1 0 en PM2,5 in en nabij het plangebied middels bestudering van de NSL-monitoringstool beschouwd (peiljaren 2015, 2020 en 2030). Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in en nabij het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2 , PM1 0 en PM2,5 niet worden overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie (maximum van 35 dagen) wordt niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst en emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen. Hieruit blijkt dat in het plangebied de normen voor luchtkwaliteit worden gerespecteerd.

4.7

Trillingen

Door trillingen kan hinder of schade ontstaan. Personen kunnen last hebben van trillingen, maar ook activiteiten in bijvoorbeeld een laboratorium of een computercentrum, kunnen verstoord worden door trillingen. Trillingen kunnen veroorzaakt worden door verkeer over de weg of het spoor, of door machines bij industrie. Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan kan het belangrijk om rekening te houden met trillingsbronnen en mogelijke overlast daarvan. Hierbij worden de volgende stappen doorlopen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

vaststellen van eventuele trillingsbronnen (wegverkeer, railverkeer, industriële activiteiten); vaststellen van trillingsgevoelige functies (volgens de richtlijn B van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR); vaststellen of wordt voldaan aan de beoordelingskaders (grens- en streefwaarden van de SBR-richtlijn); vaststellen of maatregelen technisch mogelijk zijn, bij overschrijding van de streefwaarde; afwegen of de maatregelen betaalbaar/maatschappelijk haalbaar zijn; borgen van de maatregelen, indien noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

In het plangebied ligt het doorgaande spoor en het spoorwegemplacement. Bij gebouwen, die op korte afstand van het spoor liggen, bestaat de kans dat passerende treinen zorgen voor trillingen. Omdat het Cityplan Heerlen een actualiserend bestemmingsplan is en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is ten behoeve van het opstellen van dit bestemmingsplan een trillingsonderzoek niet noodzakelijk. Bij een omgevingsvergunning voor een her- of verbouw van een pand in de nabijheid van het spoor is het aante bevelen om een trillingsonderzoek uit te voeren.

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

72

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Landelijk beleidskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens tegenwoordig ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Afhankelijk van de ruimtelijke ontwikkeling en beschikbare gegevens is deze beperkt of ruim van opzet. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het PR kan op de kaart van een gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Via het PR wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Bij het GR wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het GR geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Verantwoordingsplicht groepsrisico Voor het bevoegd gezag geldt een verantwoordingsplicht, wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten via het bestemmingsplan worden toegelaten. Dit betreft ook de al bestaande (beperkt) kwetsbare objecten, zoals al gebouwde woningen.

Een risicobron is bijvoorbeeld een buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met het invloedsgebied wordt gedoeld op het gebied waarbinnen minimaal 1% van de aanwezige personen overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de risicobron. Het invloedsgebied van een risicobron is soms vastgelegd in de wet. In de andere gevallen kan het worden berekend aan de hand van vastgelegde rekenregels. De verantwoording van het groepsrisico is één van de onderdelen van een goede ruimtelijke ordening. De omvang en diepgang van de verantwoording is daarbij afhankelijk van de gevolgen voor het groepsrisico. Dit wordt per ruimtelijk plan beoordeeld.

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

73

Externe veiligheid inrichtingen Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is opgenomen in het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi). Ter uitvoering van het Bevi geldt de 'Regeling externe veiligheid inrichtingen' (Revi). Hierin zijn aan te houden afstanden opgenomen voor zogenaamde categoriale inrichtingen. Daarnaast zijn in het Revi regels opgenomen voor de berekening van de aan te houden afstanden voor de niet-categoriale inrichtingen. Externe veiligheid buisleidingen Voor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). De aanwijzing van buisleidingen, de risicoafstanden en de aanwijzing van de rekenmethodiek zijn opgenomen in de 'Regeling externe veiligheid buisleidingen' (Revi). De toetsingssystematiek uit het Bevi wordt ook toegepast bij buisleidingen. Externe veiligheid transport Het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen beoogt voor de lange termijn duidelijkheid te bieden over de maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Die maximaal toelaatbare risico's worden met bijbehorende risicozones voor alle relevante spoor-, weg- en vaarwegtrajecten in tabellen vastgelegd. Het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is op 1 april 2015 in werking getreden.

Voor de wettelijke verankering van het Basisnet is de bestaande wetgeving aangepast en is nieuwe wetgeving ontwikkeld: 1.

2.

3.

de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) is herzien. In de Wvgs is de regelgeving inzake het Basisnet vanuit de vervoerskant opgenomen. De wetswijziging heeft de minister de bevoegdheid gegeven tot het aanwijzen van infrastructuur en verplicht de minister tot het instellen van risicoplafonds; in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn regels opgenomen op het gebied van externe veiligheid voor de ruimtelijke inrichting nabij wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Zo mogen er geen nieuwe kwetsbare objecten meer gebouwd worden binnen de zogenaamde basisnetafstanden. In het verlengde hiervan is het Bouwbesluit gewijzigd in verband met het opnemen van regels ten aanzien van het bouwen in plasbrandaandachtsgebieden; in de Regeling Basisnet zijn de risicoplafonds langs de verschillende transportroutes aangegeven alsmede zijn hierin regels opgenomen inzake de monitoring van de risicoplafonds.

4.8.2

Gemeentelijk beleidskader

In de nota 'Beleid externe veiligheid 2011-2015' heeft de gemeente Heerlen het beleid voor externe veiligheid geformuleerd. Dit beleid is op 1 november 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het doel van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Heerlen is het behouden van een verantwoord en aanvaardbaar veiligheidsniveau. Het beleid in deze nota leidt tot een gebiedsgerichte aanpak van externe veiligheid en het beperken van de risico's van de bronnen waar dat nodig is. Dit beleid kan worden doorgevoerd in de gemeentelijke structuurvisie en bestemmingsplannen. Het gevolg van dit beleid is dat bepaalde bedrijven, die zijn gevestigd op locaties waar dat op grond van dit beleid ongewenst is, zullen worden beperkt in hun mogelijkheden. Ook zal de ontwikkeling van bepaalde gebieden anders moet worden beoordeeld vanwege de aanwezige risico's. Dit beleid zal ertoe leiden dat op de langere termijn in Heerlen de risico's door het gebruik en de toepassing van gevaarlijke stoffen binnen aanvaardbare grenzen kunnen blijven. Het beleid is niet bedoeld als een keurslijf. Het biedt een afwegingskader om optimaal met externe veiligheid in samenspel met andere belangen en andere instanties rekening te houden.

4.8.3

Beoordelingplaatsgebonden risico

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl), het geldende bestemmingsplan, de studie 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening' (AVIV, projectnummer 142686 d.d. 26.11.2014) en de Regeling Basisnet zijn de plaatsgebonden externe veiligheidsrisico's beoordeeld. Deze toets heeft uitgewezen dat binnen het plangebied en/of de omgeving de volgende risicobronnen aanwezig zijn: 1.

in of nabij het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen waarvan de bijbehorende plaatsgebonden risicocontouren tot in het plangebied reiken. Een nadere beoordeling is derhalve niet aan de orde;

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

74

2.

3.

4.

in of nabij het plangebied zijn geen leidingen met vervoer van gevaarlijke stoffen gelegen waarvan de bijbehorende plaatsgebonden risicocontouren tot in het plangebied reiken. Een nadere beoordeling is derhalve niet aan de orde; het plangebied omvat de N281 (gedeelte tracé Keulseweg - knooppunt Bocholtz). Dit tracé vormt geen onderdeel van de basisnetroute voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit informatie van de risicokaart blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour van dit tracé op het tracé zelf ligt. Een nadere beoordeling is dan ook niet aan de orde; het plangebied omvat een gedeelte van de spoorlijn Sittard-Herzogenrath. Over dit traject worden brandbare gassen vervoerd. Het plaatsgebonden risico ligt op de spoorlijn zelf. In het Basisnet is vastgelegd dat de plaatsgebonden risicocontour van dit spoortraject niet hoger mag zijn dan 10- 6 zodat er geen aanleiding bestaat deze constatering aan te passen.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid in relatie tot het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan. Het plaatsgebonden risico staat dan ook niet in de weg aan de vaststelling van het bestemmingsplan Cityplan Heerlen.

4.8.4

Beoordelinggroepsrisico

Aan de hand van de risicokaart (zie: www.risicokaart.nl), het geldende bestemmingsplan, de studie 'Externe veiligheid: invloedsgebiedenkaart gemeente Heerlen voor de ruimtelijke ordening' (AVIV, projectnummer 142686 d.d. 26.11.2014) en de Regeling Basisnet is het groepsrisico in beeld gebracht. Hieruit kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1. 2.

3.

het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van inrichtingen dan wel leidingen met vervoer gevaarlijke stofffen; het invloedsgebied van de in het plangebied gelegen N281 bedraagt 355 meter (1%-letaliteitsgrens). Tevens is het plangebied binnen 200 meter van de N281 gelegen. Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico van de N281 ter plaatse tussen 0,1 en 0,3 maal de oriënterende waarde bedraagt. Deze gegevens noodzaken tot een verantwoording van het groepsrisico; het invloedsgebied van de in het plangebied gelegen spoorlijn Sittard-Herzogenrath bedraagt 460 meter (1%-letaliteitsgrens) en reikt daarmee tot het in het plangebied. De GR10- 8 bedraagt ter plaatse 153 meter. Het groepsrisico is lager dan de oriënterende waarde en in het Basisnet is het vervoer begrensd. Deze gegevens noodzaken tot een verantwoording van het groepsrisico.

Indien nader onderzoek aanleiding geeft tot de verantwoording van het groepsrisico moet deze verantwoording worden uitgevoerd voor de transportroutes, met in achtneming van de spelregels uit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Samengevat luiden deze spelregels als volgt: 1.

2.

3.

Voor zover het gebied ligt binnen het invloedsgebied van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd wordt in de toelichting van het bestemmingsplan ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of binnenwater; b. voor zover het plan betrekking heeft op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of binnenwater een ramp voordoet. Indien het bestemmingsplan is gelegen binnen 200 meter van een transportroute, wordt in de toelichting tevens ingegaan op: a. de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute rekening houdende met de reeds aanwezige personen en de op basis van het geldende bestemmingsplan te verwachten personen alsmede de als gevolg van het bestemmingsplan te verwachten verandering van de dichtheid van personen; b. het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan toegelaten (beperkt) kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; c. de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan zijn overwogen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen m.b.t. de inrichting van de openbare ruimte; d.

de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico;. Het gestelde onder 2 kan buiten toepassing blijven indien bij de vaststelling van het bestemmingsplan kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of;

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

75

b.

het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.

Onderhavig bestemmingsplan vormt een in hoofdzaak conserverend bestemmingsplan. In het plan zal enige flexibiliteit worden geboden m.b.t. de uitwisseling van gevoelige functies maar dit zal niet leiden tot een programmatische uitbreiding, hooguit een verschuiving van gevoelige functies. De verwachting is derhalve te rechtvaardigen dat de dichtheid van personen met niet meer dan 10% zal toenemen en dat, gezien de huidige bekende oriëntatiewaarden, de oriëntatiewaarde niet zal worden overschreden. Gezien het vorenstaande kan derhalve worden geconstateerd dat de aanwezigheid van de N281 en de spoorlijn Sittard-Herzogenrath aanleiding geeft tot het verantwoorden van het groepsrisico maar dat hierbij kan worden volstaan met een beperkte verantwoording.

4.8.5

Verantwoordinggroepsrisico

Zoals aangegeven in paragraaf 4.8.4 dient in verband met de ligging binnen het invloedsgebied van transportroutes voor gevaarlijke stoffen op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient ingegaan te worden op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg of het spoor, en De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet. De verantwoording van het groepsrisico is uitgewerkt in de Notitie 'Verantwoording groepsrisico Actualisatie Cityplan te Heerlen' d.d. 25 juli 2018. Deze verantwoording is bijgevoegd als Bijlage 4 Verantwoording groepsrisico. In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect

Verantwoording

De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

Voor wat betreft de transportroutes per spoor zijn gelet op de tussenliggende afstand en de vervoerde stoffen, uitsluitend risico's in verband met brandbare gassen relevant. Bij de transportroute over de weg is daarnaast een risico in verband met toxische stoffen relevant. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen op het spoortraject is, mede als gevolg van de tussenliggende afstand en de tussenliggende bebouwing, zeer klein. De bestrijding bij alle scenario's vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen vanuit meerdere richtingen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

76

De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de transportroute een ramp voordoet (zelfredzaamheid).

Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE is vluchten in principe het uitgangspunt, waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. De functies binnen het plangebied zijn goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Voor blootstelling aan brandbare gassen biedt gelet op de tussenliggende afstand en tussenliggende bebouwing 'schuilen' in combinatie met het sluiten van ramen en deuren andere vorm van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. Bij het vrijkomen van een toxische wolk ten gevolge van een incident op de weg is het advies om te schuilen en ramen, deuren en ventilatie te sluiten. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering daarom van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de Veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

Conclusie Gelet op het feit dat het plangebied op afstand van omliggende risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen ligt en er invulling is gegeven aan de verantwoording van het groepsrisico, bestaan er vanuit het kader van externe veiligheid geen directe belemmeringen.

4.8.6

Advies Veiligheidsregio

Als onderdeel van de Veiligheidsregio beoordeelt de brandweer de bereikbaarheid van het plangebied en de daaraan verbonden objecten of inrichtingen. Dit doet de brandweer aan de hand van de 'Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid'. Er wordt specifieke aandacht gevraagd voor de hoofdaanrijroutes en de wijkontsluitingswegen van de brandweer. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kunnen planregels opgenomen worden die aanvullende eisen stellen aan de bluswatervoorziening en/of bereikbaarheid. Ook maakt de brandweer een inschatting van de risico's binnen het zogenaamde effectgebied. Het effectgebied wijkt af van het invloedsgebied. Het effectgebied is het gebied waar de effecten van de calamiteit merkbaar zijn, exclusief het gebied van de risicobron (brongebied). Het effectgebied is in de regel groter dan het invloedsgebied. Echter, bij de verantwoording van het groepsrisico speelt het effectgebied, in tegenstelling tot het invloedsgebied, formeel geen rol. Niettemin worden door de brandweer wel maatregelen voorgesteld om de effecten van een calamiteit binnen het effectgebied te beperken. Het is aan de gemeente om te bepalen in hoeverre hiermee redelijkerwijs rekening kan worden gehouden bij de ruimtelijke planvorming. in het nadere proces wordt hier invulling aan gegeven.

4.8.7

Plasbrandaandachtsgebieden

In de Regeling basisnet worden gebieden langs en boven basisnetroutes aangewezen ter beperking van mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen: de zogenaamde plasbrandaandachtsgebieden. De gevolgen hiervan worden in het plan verwerkt door bebouwingsvrije zones aan te geven.

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

77

4.8.8

Conclusie

Het aspect externe veiligheid zal naar verwachting geen onoverkomelijke problemen of wezenlijke afwegingen voor dit bestemmingsplan vergen.

4.9

Technischeinfrastructuur

Hoogspanningsverbindingenen straalpaden In en nabij het plangebied bevinden zich geen hoogspanningsverbindingen. Ook zijn in het plangebied geen straalpaden gelegen die noodzaken tot opname in het bestemmingsplan.

Kabels en leidingen Er zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied gelegen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd dient in het kader van een omgevingsvergunningaanvraag een KLIC-melding te worden uitgevoerd.

4.10

Bedrijvigheid

In het bestemmingsplan worden regels gesteld met betrekking tot bestaande bedrijvigheid en nieuwe bedrijvigheid die zich, ter plaatse van bestaande bedrijvigheid, mogen vestigen. In beide gevallen moet bekeken worden of deze bedrijvigheid geen belemmerende werking heeft op zowel de bestaande als mogelijk nieuw te bouwen milieugevoelige functies. Om te bepalen of nieuwe bedrijven in het plangebied vanuit het oogpunt van milieuhinder toelaatbaar zijn, wordt voor de eerste toetsing in het bestemmingsplan gebruik gemaakt van een zogenaamde Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze Staat is gebaseerd op de “lijst van bedrijfstypen” uit de herziene uitgave 2009 van de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG. Naast een omschrijving van de bedrijfstypen is in de Staat aangegeven tot welke milieucategorie het betreffende bedrijfstype wordt gerekend alsmede welke zogenaamde grootste afstand in meters daarvoor geldt. Dit is de indicatie van de minimale afstand die in beginsel van een dergelijk bedrijf tot een rustige woonwijk aangehouden dient te worden. Al naar gelang de aard van de bedrijvigheid, varieert de aan te houden grootste afstand, bijvoorbeeld van 10 meter bij milieucategorie 1, tot 30 meter bij milieucategorie 2. De bij dit bestemmingsplan gevoegde Bedrijvenlijst betreft een selectie uit de volledige opsomming.

Om te komen tot een lijst die is afgestemd op deze specifieke situatie zijn bepaalde bedrijven niet opgenomen. Het betreft bedrijfstypen die in het algemeen vanwege de aard van de activiteiten in een woongebied niet toelaatbaar worden geacht. De in de bedrijvenlijst genoemde afstanden dienen niet als vaststaande normen maar als indicaties te worden gehanteerd. Het vormt een eerste toets of vestiging van een bedrijf van een bepaald bedrijfstype op grond van de bestemmingsplanregels toelaatbaar is. De daadwerkelijke optredende hinder van een bepaald bedrijf kan worden beïnvloed door de ruimtelijke opzet van het bedrijf in combinatie met de concrete bedrijfsvoering.

4.10.1 Bestaande bedrijven De Staat van Bedrijfsactiviteiten kan niet zonder meer worden toegepast bij de vraag of bedrijven die al in het plangebied gevestigd zijn, wegbestemd moeten worden of niet. Uiteraard geeft de categorie-indeling van deze bedrijven wel een indicatie van de aanvaardbaarheid. In bestaande situaties moet met name gekeken worden of het bedrijf beschikt over de benodigde milieuvergunning(en) en of de milieubelasting binnen de huidige normen blijft. Alleen indien een bedrijf onaanvaardbare hinder veroorzaakt, waaraan redelijkerwijs door het treffen van voorzieningen niet tegemoet kan worden gekomen, kan een bedrijf worden wegbestemd. Voorwaarde hierbij is dat de gemeente de benodigde financiële middelen ter beschikking heeft.

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

78

Het beleid is erop gericht de in het plangebied voorkomende bedrijvigheid positief te bestemmen. Het gaat daarbij om bedrijven die vallen onder de milieucategorieën 1, 2 en 3.1, zoals weergegeven in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering, geheel herziene uitgave 2009. Dergelijke bedrijvigheid is in het algemeen in milieuhygiënische zin aanvaardbaar in een gemengd gebied. Binnen de genoemde milieucategorieën kunnen bestaande bedrijven tevens vrij uitwisselen met andere qua milieucategorie gelijksoortige bedrijven. In de nadere fase wordt onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van bedrijven en naar de mogelijkheden en onmogelijkheden ten aanzien van bestaande situaties. Ook zal worden gewerkt met de systematiek van Functiemenging als bedoeld in VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering, geheel herziene uitgave 2009.

4.10.2 Spoorwegemplacement Aan het Stationsplein 1 te Heerlen ligt een spoorwegemplacement. Dit emplacement ligt deels in het plangebied. Voor dit emplacement zijn de volgende vergunningen verleend: op 18 juni 2013 is een revisievergunning verleend voor de inrichting; op 15 december 2015 is een veranderingsvergunning verleend voor het bouwen van een geluidwerende voorziening; op 12 oktober 2018 is een veranderingsvergunning verleend voor het aanpassen aan de representatieve bedrijfssituatie; op 4 februari 2021 een omgevingsvergunning verleend, voor het milieuneutraal veranderen of veranderen van de inrichting ter voorbereiding op de spoorverdubbeling Heerlen-Landgraaf. Externe veiligheid Uit de omgevingsvergunningen blijkt dat er geen emplacementshandelingen worden verricht aan treinen met gevaarlijke stoffen. Hier mogen enkel emplacementswerkzaamheden worden uitgevoerd aan reizigerstreinen. Binnen het emplacement zijn ook spoorwegen aanwezig die deel uitmaken van het doorgaande spoor. Dit betekent dat treinpaden t.b.v. personentreinen en/of goederentreinen via het emplacement kunnen rijden. Dit wordt niet gezien als een emplacementshandeling. Alle spoorwegemplacementen waar wel handelingen worden verricht aan treinen met gevaarlijke stoffen, genoemd in bijlage 3 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI).

Het emplacement te Heerlen wordt in deze regeling niet genoemd. Daarmee is duidelijk dat het besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) niet aan de orde is. Gevolgen voor het milieu Bij de vergunning van 2021 is beoordeeld of de aangevraagde wijzigingen geen andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu heeft. De aangevraagde wijzigingen zijn niet van invloed op afvalstoffen, afvalwater, bodem, energieverbruik, externe veiligheid en emissies naar de lucht. De wijzigingen zijn wel van invloed op het thema geluid. Echter uit het bij de omgevingsvergunning behorende akoestisch rapport blijkt dat het lantijdgemiddelde geluidniveau blijft voldoen. Zodoende is geen sprake van andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu. De geluidnormen en andere voorschriften uit de milieuvergunning van 2018 blijven overigens ongewijzigd van kracht. Gevolgen bestemmingsplan-actualisatie voor de vergunde rechten Naast het bovenstaande is nagegaan of het bestemmingsplan past binnen de kaders van de vigerende omgevingsvergunning voor het spoorwegemplacement. Het bestemmingsplan Cityplan Heerlen maakt geen ontwikkelingen mogelijk. Gezien het actualiserend karakter van het bestemmingsplan, leidt dit niet tot knelpunten met de bestaande rechten (de vergunde geluidssituatie).

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

79

4.11

Archeologie

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valetta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta' van de Raad voor Europa. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sedert september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988, die vanaf 1 juli 2016 deels is overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2021 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. De Monumentenwet geeft een vrijstelling van onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m2 , maar geeft de gemeente de vrijheid deze aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar onder.

Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens.

4.11.1 Gemeentelijk beleid Voor geheel Parkstad Limburg is een archeologische waarden- en verwachtingenkaart opgesteld, de archeologische beleidskaart. Deze kaart is gebaseerd op uitgevoerd inventariserend archeologisch onderzoek. Voor de gemeente Heerlen en de overige Parkstadgemeenten is door archeologisch adviesbureau RAAP een uitgebreid onderzoek uitgevoerd. Het RAAP-rapport betreft een bureauonderzoek naar de archeologische verwachtingen waarbij een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de bekende archeologische vindplaatsen binnen de Parkstadgemeenten en van landschappelijke (geologische en geomorfologische) en bodemkundige gegevens van het grondgebied. Daarnaast zijn de uitgevoerde archeologische onderzoeken geïnventariseerd, waarbij rekening is gehouden met vergraven of ontgronde gebieden, en heeft een literatuuronderzoek plaatsgevonden. In dit verband is onder andere ook het Actueel Hoogtebestand Nederland bestudeerd. Op basis van de genoemde inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, dat haar neerslag heeft gevonden in een geactualiseerde archeologische verwachtingenkaart die door de gemeenteraad van Heerlen is vastgesteld op 1 oktober 2013. Het doel van de archeologische verwachtingenkaart is het zichtbaar maken waar archeologische waarden aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en het daaraan koppelen van een onderzoeksplicht.

Hiermee wordt tevens duidelijk bij welke werkzaamheden wel en bij welke geen archeologisch onderzoek noodzakelijk zal zijn. In de kaart worden de volgende zes categorieën onderscheiden. Categorie 1: beschermde Rijksmonumenten Voor werkzaamheden is hier altijd een vergunning volgens de Monumentenwet 1988 vereist. Categorie 2: gebieden van zeer hoge waarde en de historische dorpskernen Voor deze gebieden is voor de oppervlakte het wettelijk minimum van 100 m2 genomen. Projecten die over een groter oppervlak de bodem verstoren zijn onderzoeksplichtig. De monumentenwet geeft geen minimum voor de diepte van verstoring. Voor de gemeente Heerlen is voorgesteld geen onderzoeksplicht op te leggen voor werkzaamheden minder dan 40 cm diep. Categorie 3 en 4: gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde Voor deze gebieden zijn de ondergrenzen nog verder verruimd (respectievelijk 250 m2 en 2500 m2 oppervlakte, bij meer dan 40 cm diepte). Hierdoor zijn alleen de grotere projecten onderzoeksplichtig en geldt voor de meeste kleinere (particuliere) vergunningaanvragen geen onderzoeksplicht. Categorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde In gebieden met een lage trefkans, geldt alleen voor grotere projecten (10.000 m2 en meer dan 40 cm diepte) een onderzoeksplicht.

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

80

Categorie 6: gebieden zonder verwachtingswaarde In deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht. In het algemeen geldt dat een ontheffing van de onderzoeksplicht mogelijk is wanneer blijkt (na archeologisch advies van een gekwalificeerde archeoloog) dat het project een gering risico vormt voor het "bodemarchief".

4.11.2 Plangebied Op basis van de archeologische verwachtings- en advieskaart blijkt dat vrijwel het gehele plangebied is aangeduid als gebied met een zeer hoge archeologische waarde. In de meest noordelijke zone van het gebied geldt een lage archeologische verwachtingswaarde en in het noordoosten van het plangebied zijn gedeeltes aangeduid als gebieden met een middelhoge- en hoge archeologische verwachtingswaarde. Alhier is ook een gebied gelegen waar geen verwachtingswaarde geldt.

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

81

Uitsnede en legenda van de archeologische verwachtings- en advieskaart

Bij eventueel te verlenen omgevingsvergunningen dient aangetoond te worden of de archeologische waarden al dan niet worden aangetast. Hiertoe wordt op de verbeelding van het dit bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Wanneer bij de bodemingreep, in het kader van een ontwikkeling, de grenswaarde van de verstoringsdiepte en het oppervlak worden overschreden is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Deze grenswaarden zijn afhankelijk van de archeologische waarden in het gebied. Voor het onderhavige bestemmingsplan gelden de volgende waarden: Categorie 2: Terreinen van zeer hoge waarde. Wanneer de bodemingreep de verstoringsdiepte van 40 cm overschrijdt én sprake is van een bodemingreep over een oppervlak van 100 m2 is een archeologisch onderzoek verplicht. Categorie 3: Terreinen met een hoge waarde. Wanneer de bodemingreep de verstoringsdiepte van 40 cm overschrijdt én sprake is van een bodemingreep over een oppervlak van 250 m2 is een archeologisch onderzoek verplicht. Categorie 4: Terreinen met een middelhoge waarde. Wanneer de bodemingreep de verstoringsdiepte van 40 cm overschrijdt én sprake is van een bodemingreep over een oppervlak van 2.500 m2 is een archeologisch onderzoek verplicht. Categorie 5: Terreinen met een lage waarde.

Wanneer de bodemingreep de verstoringsdiepte van 40 cm overschrijdt én sprake is van een bodemingreep over een oppervlak van 10.000 m2 is een archeologisch onderzoek verplicht. Categorie 6: Terreinen zonder waarde. Hier geldt geen onderzoeksplicht. Mochten tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet terstond melding worden gemaakt bij de gemeente Heerlen of de regioarcheoloog.

4.12

Cultuurhistorie

4.12.1 Beleidskader Erfgoedwet: Integrale wet voor het cultureelerfgoed Sinds 1 juli 2016 is er met de Erfgoedwet één integrale wet die betrekking heeft op museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen, te weten de: Monumentenwet 1988; Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten; Wet tot behoud van cultuurbezit; Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied; Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 over onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; Regeling materieel beheer museale voorwerpen. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden, blijven gehandhaafd. In de Erfgoedwet staat: wat cultureel erfgoed is; hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed; wie welke verantwoordelijkheden heeft; hoe Nederland daar toezicht op houdt. Erfgoedverordening De monumentenzorg maakt een verbreding van haar werkterrein door. De zorg voor op zichzelf

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

82

staande bouwwerken is verschoven naar de zorg voor de historisch gegroeide omgeving en als zodanig voor het cultuurhistorisch erfgoed als geheel. Deze verbreding heeft niet alleen gevolgen voor de monumentenzorg maar ook voor de ruimtelijke planvorming. Het cultuurhistorisch erfgoed (archeologie, gebouwde monumenten, historische bebouwingstructuren en cultuurlandschap) gaat steeds meer integraal onderdeel uitmaken van de ruimtelijke ordening en bouwprocessen. De benutting van bestaande cultuurhistorische waarden in ruimtelijke processen kan in belangrijke mate bijdragen aan het behoud en de versterking van de identiteit van de gemeente. De Erfgoedverordening voorziet in deze nieuwe ontwikkelingen. De verordening geeft de mogelijkheid om naast gemeentelijke monumenten ook gemeentelijke stadsgezichten, groen- en landschapsmonumenten en archeologische verwachtingszones aan te wijzen. In de verordening is, mede in het kader van de deregulering, waar mogelijk een koppeling gelegd tussen de verordening en de bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed in bestemmingsplannen. De verordening voorziet in een voorbescherming, die door het bestemmingsplan wordt overgenomen zodra een beschermend bestemmingsplan is vastgesteld. Op 23 juni 2021 heeft de gemeenteraad van Heerlen de Erfgoedverordening Heerlen 2021 vastgesteld. In 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden.

De Erfgoedwet vervangt o.a. de Monumentenwet 1988, waarop de Erfgoedverordening 2012 van de gemeente Heerlen was gebaseerd. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen. De Erfgoedwet stimuleert zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. In de nieuwe Erfgoedverordening wordt ook de mogelijkheid geboden tot aanwijzing en bescherming van roerend cultuurgoed. Daarnaast is een vangnetbepaling opgenomen voor gebieden waar nog geen bestemmingsplan geldt, waarin de bescherming van het archeologisch bodemarchief is opgenomen. De vangnetbepaling is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. een van de andere zaken die in deze verordening is aangepast is de instandhouding van monumenten. Dit is geregeld in de vorm van een verbod om aan monumenten onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Hierdoor heeft de gemeente meer ruimte om de verwaarlozing van monumenten tegen te gaan. Cultuurhistorischewaardenkaart Limburg (CHW) Limburg hecht veel waarde aan haar grote schat aan cultuurhistorie. Daarom heeft de provincie het initiatief genomen om het archeologisch, bouwhistorisch, en de historische geografie te inventariseren, en voor de hele provincie Limburg te presenteren.

Het resultaat van deze inventarisatie is de Cultuur Historische Waardenkaart (CHW) Limburg. De inventarisatiegegevens van de Cultuur Historische Waardenkaart hebben een informatieve en signaleringsfunctie, en maken de informatie zichtbaar die momenteel voorhanden is over de Limburgse cultuurhistorie. Ze vormen zo de startdocumenten om te komen tot een integrale cultuurhistorische waardenkaart voor de provincie Limburg. Zij kunnen er toe bijdragen om de cultuurhistorische dimensie te betrekken bij ruimtelijke, toeristische en culturele ontwikkelingen en voornemens.

Beleidskader Cultureel Erfgoed Heerlen 2012 – 2020 De aanleiding voor het Beleidskader Cultureel Erfgoed Heerlen 2012 – 2020 is de wens van de gemeente om een samenhangend beleidskader cultureel erfgoed te ontwikkelen, dat het Romeinse verleden, het Middeleeuwse verleden en het Mijnverleden verbindt en de identiteit van Heerlen versterkt. Behoud en beheer van erfgoed is van groot belang. De gemeente voelt zich hiervoor mede verantwoordelijk en ziet erfgoed als een verbindende kracht in de samenleving en wil ervoor zorgen dat de bijdrage van erfgoed aan de samenleving optimaal is. Dit beleidskader heeft als doel om vanuit een verbindende visie op cultureel erfgoed integrale beleidsdoelstellingen vast te leggen. In deze nota zal daarom vooral ingegaan worden op hoe het erfgoed van Heerlen nog beter ontsloten en benut kan worden. Dat resulteert in een aantal actiepunten voor de komende jaren.

4.12.2 Onderzoek Rijksbeschermde stads- en of dorpsgezichten Binnen het plangebied Cityplan Heerlen zijn geen Rijksbeschermde stads- of dorpsgezichten

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

83

aanwezig. In het zuiden grenst het plangebied wel aan het 'beschermd Stadsgezicht Tempsplein'. Dit gebied wordt gekenmerkt door de twee rechthoekige pleinen met aansluitende straten: het Tempsplein en het Burgemeester De Hesselleplein (voorheen Lindeplein)en een derde 'rechthoekige verbreding in de Laan van Hovell tot Westerflier. De twee grootste pleinen liggen op een van west naar oost lopende as, die begint bij de ingang van de voormalige ambachtschool en eindigt op de Nobelstraat.

Rijksmonumenten Binnen het plangebied Cityplan Heerlen zijn diverse Rijksbeschermde monumenten aanwezig:

Rijksbeschermde monumenten Valkenburgerweg 22

gebouwen, woonhuizen / woonhuis

Geleenstraat 7

gebouwen, woonhuizen / woonhuis

Geleenstraat 27

openbare gebouwen / stadhuis

Geleenstraat 55

gebouwen, woonhuizen / woonhuis

Gasthuisstraat 2

gebouwen, woonhuizen

Gasthuisstraat 2A

kerkelijke gebouwen / kapel

Bongerd 2

openbare gebouwen / apotheek

Bongerd 18

gebouwen, woonhuizen / winkel

Pancratiusstraat ong.

verdedigingswerken

Pancratiusplein 44

verdedigingswerken

Pancratiusplein 45

kerkelijke gebouwen / kerk

Wilhelminaplein 16

horeca-instellingen / hotel-café

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

84

Wilhelminaplein 24

gebouwen, woonhuizen

Dr. Poelsstraat 8

gebouwen, woonhuizen / winkel

Dr. Poelsstraat 23

gebouwen, woonhuizen / winkel

Honigmannstraat 59

gebouwen, woonhuizen / woonhuis

Stationsplein 5

openbare gebouwen / bioscoop

Laanderstraat 33

kerkelijke gebouwen / kerk

De aanwezige Rijksmonumenten zijn in het bestemmingsplan voorzien van een 'strak' bouwvlak en hoogteaanduidingen conform de bestaande situatie. In dit bestemmingsplan is ter verwezenlijking van de bescherming gekozen voor het opnemen van een omgevingsvergunningplicht voor het wijzigen en slopen van bouwwerken, en het uitvoeren van werken en werkzaamheden, anders dan bouwen. Verdere bescherming van de Rijksmonumenten is geregeld in de Erfgoedwet.

Gemeentelijke monumenten De panden aan de Schinkelstraat 2 , Honigmannstraat 51 en 53 zijn bij het besluit van het college (BWV-14000683) van 18 februari 2014 aangewezen als gemeentelijk monument. Bij dit besluit zijn deze gemeentelijke monumenten op grond van de gemeentelijke monumentenverordening beschermd. In dit bestemmingsplan is ter verwezenlijking van de bescherming gekozen voor het opnemen van een omgevingsvergunningplicht voor het wijzigen en slopen van bouwwerken en het uitvoeren van werken en werkzaamheden anders dan bouwen.

Gemeentelijke monumenten Schinkelstraat 2

Kantoorfunctie, Niet-woning

Honigmannstraat 51 en 53

Woonhuizen

Promenade 14-26

Centrumfunctie en appartementen

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

85

Hoofdstuk 5

Juridische planopzet

Dit hoofdstuk beschrijft de juridische opzet van het bestemmingsplan Cityplan Heerlen.

5.1

Inleiding

Bestemmingsplan Cityplan Heerlen bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van voorliggende toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. De verbeelding is getekend op een actuele digitale ondergrond, samengesteld uit de Grootschalige Basiskaart Nederland (landmeetkundig ingemeten topografie; GBKN) en kadastrale begrenzingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geformuleerde uitgangspunten. Het bestemmingsplan voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Voor de opzet en inhoud van de regels is aansluiting gezocht bij het sjabloon regels dat onderdeel uit maakt van het Handboek ruimtelijke plannen van de gemeente Heerlen.

5.2

Opbouw van de regels

De regels van dit bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.2.1

Hoofdstuk 1 Inleidenderegels

In de begrippen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels én die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven over hoe gemeten moet worden.

5.2.2

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verleend die dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: bestemmingsomschrijving; bouwregels;

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

86

afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden. Hierna volgt per bestemmingsonderdeel een korte toelichting. Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals wonen, bedrijven, detailhandel, recreatie, horeca etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. De hoofdfuncties worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfuncties ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. Tevens wordt aangegeven welke functies bij de bestemming behoren door middel van de zin 'met daarbij behorende'. Het betreft hier meestal functies als paden, groen, erven, etc. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel, maar bevat ook inrichtingsaspecten. Bouwregels In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Afwijken van de bouwregels Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvan afgeweken wordt, de maximale afwijking die met de afwijking kan worden toegestaan en eventueel de situaties of voorwaarden waaronder vrijstelling wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Als afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3, de algemene regels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Hierin worden niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de bestemmingsomschrijving. Afwijken van de gebruiksregels Een afwijking van een gebruiksregel mag niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel afwijking kan worden verleend ten behoeve van functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via afwijking kunnen geen 'nieuwe' functies worden toegestaan.

Met andere woorden: de afwijkingsregeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen. Omgevingsvergunningvoor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen, dienen soms aan een omgevingsvergunning gebonden te worden.

5.2.3

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat wanneer bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Met de algemene bouwregels wordt de bouw van bepaalde bouwwerken geregeld, die zijn toegestaan (of uitgesloten) binnen alle bestemmingen, voor zover daar per bestemming geen specifieke bouwregels voor zijn opgesteld. Ook is de aanvullende werking van de bouwverordening aangegeven.

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

87

Algemene gebruiksregels In deze bepaling wordt aangegeven wat in ieder geval onder strijdig gebruik wordt verstaan. De specifieke gebruiksregel, zoals deze kan worden opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen, is aanvullend op de algemene gebruiksregel van het bestemmingsplan. Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn gebiedsaanduidingen opgenomen. Deze vallen samen met diverse bestemmingen, maar zijn niet aan te merken als dubbelbestemming. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om met een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde in het bestemmingsplan geregelde onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsbepalingen die gelden voor meerdere dan wel alle bestemmingen in het plan. Specifieke, op de bestemmingen gerichte, afwijkingen zijn reeds opgenomen onder de betreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, worden aangegeven. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om een gedeelte van het plan te wijzigen ten behoeve van (geringe) wijziging van bestemmingsgrenzen op perceelsniveau of de vestiging van een seksinrichting. Per wijziging zijn voorwaarden opgenomen waaraan de wijziging moet voldoen.

Omgevingsvergunningvoor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan van rijkswege beschermde monumenten en gemeentelijke monumenten. In deze bepaling wordt ter waarborging van de cultuurhistorische waarden van Rijks- en gemeentelijke monumenten en omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een gebouwd rijks-/gemeentelijk monument, of voor het zodanig herstellen of (laten) gebruiken van het monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Omgevingsvergunningvoor het slopen van van rijkswege beschermde monumenten en gemeentelijke monumenten. In deze bepaling wordt ter waarborging van de cultuurhistorische waarden van Rijks- en gemeentelijke monumenten en omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het slopen, van een gebouwd rijks-/gemeentelijk monument. Overige regels Dit sublid geeft aan hoe andere wettelijke bepalingen, waarnaar is verwezen in de regels, dienen te worden geïnterpreteerd

5.2.4

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsbepalingen In deze bepalingen wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste wordt de slotregel opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

88

5.3

Bijzondere regelingen

5.3.1

Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving

Het komt regelmatig voor dat mensen bij de gemeente een verzoek indienen om een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit te mogen uitoefenen in hun woning. De gemeente staat hier niet onwelwillend tegenover, mits dit binnen bepaalde kaders plaatsvindt. Een belangrijk criterium is dat de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft. Voor een eenduidige beoordeling van dergelijke verzoeken is de beleidsregel 'beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving' op 25 februari 2014 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. In de beleidsregel wordt bedrijvigheid in de woonomgeving in een tweetal subcategorieën onderverdeeld: a. b.

de vrije beroepen, beroepen aan huis, ofwel aan huis gebonden beroepen (deze begrippen worden synoniem gebruikt); de consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten.

Aan huis gebonden beroepen Onder de aan huis gebonden beroepen worden in ieder geval begrepen: architect, advocaat, acupuncturist, beeldhouwer, belastingadviseur, fysiotherapeut, grafisch ontwerper / desktop publisher, huisarts, hypotheekadviseur, juridisch adviseur, kunstschilder, makelaar, notaris, psycholoog, tandarts, verloskundige, dierenarts (kleine huisdieren), zakelijke dienstverlener, logopedist. Aan huis gebonden beroepen worden van oudsher geacht binnen de woonbestemming te passen. In de regels van dit bestemmingsplan zijn aan huis gebonden beroepen binnen de bestemming Wonen dan ook rechtstreeks toegestaan. Consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten Onder consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten wordt dienstverlenende of ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentverzorging verstaan. Dergelijke activiteiten wijken qua aard, karakter en hinder niet wezenlijk af van aan huis gebonden beroepen en kunnen dus eveneens plaatsvinden in de woonomgeving. Wel gelden hiervoor specifieke randvoorwaarden, die zijn vastgelegd in de beleidsregel.

Tot consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten worden onder meer de volgende activiteiten/beroepen gerekend: fotograaf/videograaf, autorijschool (geen theorielessen aan huis), bloemschikker, decorateur, fietsenreparateur, goud- en zilversmid, hoedenmaker, hondentrimmer, pottenbakker, instrumentenmaker, kaarsenmaker, klompenmaker, lijstenmaker, loodgieter, meubelmaker, computerservice (o.a. systeembouw/-analyse), schoonheidsspecialist, kapsalon, traiteur, muziekinstrumentenmaker, zadelmaker, nagelstudio, reisorganisatie (kleinschalig), koeriersdienst (zonder afhalen aan huis), prothesemaker, reparatie van kleine consumentenartikelen (smartphones, radio's, tv's, horloges, antiek, etc.), glazenwasser, webshop (administratie, opslag, logistiek, zonder afhalen aan huis). In de bestemming Wonen van dit bestemmingsplan is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, waarmee de uitoefening van consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten mogelijk wordt gemaakt. Wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden, zoals die ook in de beleidsregel zijn opgenomen, kan de omgevingsvergunning worden verleend.

5.3.2

Prostitutie- en seksinrichtingen

Door het verdwijnen van het algemeen bordeelverbod uit het Wetboek van Strafrecht kan de vestiging van een bordeel niet meer verboden worden. Het is derhalve noodzakelijk om middels beleid en een adequate planologische regeling de vestiging van prostitutiebedrijven te reguleren. De planologische regeling heeft betrekking op de bestemmingen die - volgens de jurisprudentie - het gebruik ten behoeve van prostitutie niet geheel uitsluiten. Gedoeld wordt op de bestemmingen die wonen, horeca, dienstverlening en bedrijven toelaten. De gemeenten in Parkstad Limburg hebben een gezamenlijk regionale visie met betrekking tot het prostitutiebeleid ontwikkeld. Het opstellen van de “Parkstadnota regionale visie prostitutiebeleid” werd noodzakelijk geacht omdat een zeer stringent lokaal beleid kan leiden tot verplaatsing van de

bestemmingsplan Cityplan Heerlen

89

in de gemeenten aanwezige prostitutiebedrijven naar omringende gemeenten, die een minder stringent beleid voeren. Door regionaal beleid wordt voorkomen dat ongewenste bewegingen ontstaan in de vestiging van prostitutiebedrijven en kunnen gemeenten beargumenteerd bepaalde vormen van prostitutiebedrijven uitsluiten. In de “Beleidsnota Seksinrichtingen, sekswinkels en escortbedrijven Heerlen” (oktober 2000) is het gemeentelijk beleid neergelegd. In deze nota is ruimtelijk beleid geïntegreerd in het totale beleid. Eén van de zes hoofddoelstellingen die ten grondslag lagen bij de opheffing van het algemeen bordeelverbod was: de beheersing en regulering van exploitatie van prostitutie. In de huidige situatie liggen er 9 locaties voor seksinrichtingen verspreid over het gemeentelijk grondgebied. Voor deze locaties is een parapluplan opgesteld, bestemmingsplan prostitutie (onherroepelijk per 24 april 2007). De in het plangebied voorkomende seksinrichting, die voorkomt in het parapluplan wordt in het nieuwe bestemmingsplan geïntegreerd].

5.3.3

Staat van Bedrijfsactiviteiten

De bij dit bestemmingsplan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de categorale indeling van bedrijfstypen uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Bij deze indeling is de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek gevolgd en kent elk bedrijfstype een eigen SBI-code. Naast een omschrijving van de bedrijfstypen is per type aangegeven welke richtafstanden gelden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Dit is een indicatie van de minimale afstand die in beginsel, vanuit een bedrijf tot een rustige woonwijk, aangehouden dient te worden. De grootste afstand is bepalend voor de indeling van een bedrijfstype in een milieucategorie. Zo gelden voor de lichtere milieucategorieën 1, 2 en 3 de volgende afstanden: Milieucategorie 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=1fdbd0d1-9a6a-4321-8578-7ced2a6df501