Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen_vastgesteld_1_Toelichting.pdf
Tekst van het document
2.4.4
Gemeentelijk Groenbeleidsplan
Het gemeentelijk Groenbeleidsplan is op 14 mei 2013 vastgesteld en vormt sindsdien het gemeentelijk groenbeleid. In dit plan is het vorige groenstructuurplan geïntegreerd. Het Groenbeleidsplan geeft een middellange termijnvisie (2010-2025) op de gewenste ontwikkeling van het (semi-)openbare groen van de gemeente Heerlen. Behalve een visie op de gemeentelijke groenstructuur bevat het Groenbeleidsplan ook een kader voor het groenbeheer en is er tevens een
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
22
uitvoeringsprogramma aan gekoppeld. Het Groenbeleidsplan heeft als hoofddoelstelling een integrale, samenhangende en tevens duurzame groenstructuur te realiseren, die recht doet aan de identiteit en eigenheid van Heerlen als onderdeel van Parkstad Limburg en voldoende robuust van karakter is waar het gaat om behoud en verbetering van leefbaarheid en groene kwaliteit. In de visie op de groenstructuur van de gemeente Heerlen is uitgegaan van de volgende integraal samenhangende componenten: Het landschappelijk kader van Heerlen; De hoofdgroenstructuur van Heerlen; Steenbergen als symbool voor een grenzeloze regio; Schakels tussen Heerlen en het omliggende Euregionale landschap; De hoofdinfrastructuur als uithangbord voor 'park' en 'stad'; De historische structuur als (groene) parels in het stedelijke weefsel; Stadsombouw Heerlen: robuust groen met nieuwe functies. De hoofdgroenstructuur van Heerlen kadert de ligging van de verschillende stadsdelen in. Om een goede aansluiting te vormen op de gemeentelijke hoofdgroenstructuur is per stadsdeel de gewenste ontwikkeling van de hoofdgroenstructuur verder uitgewerkt. Vervolgens is nog verder ingezoomd en is de gewenste groenstructuur in de buurten en buurtschappen beschreven. Hierbij is onderscheid gemaakt in verschillende buurttypen.
De visies voor de verschillende buurttypen zijn vertaald in een gereedschapskist voor de groenstructuur per buurttype, waarin de karakteristieken en functies van de hoofd- en subgroenstructuur van een buurttype zijn vastgelegd. Onderscheid wordt gemaakt in structuurgroen en snippergroen, waarbij het uitgangspunt geldt dat snippergroen kan worden afgestoten zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Conclusie De planlocatie is in het Groenbeleidsplan ingedeeld bij het stadsdeel Heerlen-centrum. Het stadsdeel centrum heeft een zeer divers karakter met enerzijds het centrum en de uitwaaierende lintbebouwing en anderzijds de verspreid gelegen mijnkoloniën en grootschalige woonbuurten die naadloos in elkaar overgaan. Het stadsdeel heeft een duidelijke relatie met zowel het Caumerbeekdal als het Geleenbeekdal. Ondanks dat heeft het centrum zelf een vrij stenig karakter. Verspreid over het stadsdeel liggen verschillende groengebieden die dienst doen als verblijfsgroen zoals het nabijgelegen Bekkerveld en historische bebouwing met bijbehorende groenstructuren die bepalend zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van het stadsdeel. Het plangebied wordt omringd door vooroorlogse buurten. De vooroorlogse woonbuurten vormen een belangrijk onderdeel van historie van Heerlen en liggen aan de basis van de verstedelijking van de Parkstad.
Deze voor Nederland veelal unieke woonbuurten vormen het grootste deel van de nalatenschap van de steenkolenmijnbouw en nemen in dat opzicht een bijzonder plaats in, in de identiteit van Heerlen. Doelstelling is om deze parels van Heerlen duurzaam voor de toekomst in stand te houden, waarbij de stedenbouwkundige opzet zoveel mogelijk in stand wordt gehouden in combinatie met de bijbehorende groenstructuur. De Burgemeester Gijzelslaan is aangewezen als een secundaire structuur in het gemeentelijke bomenbeleidsplan, waar een passende boom- en groenstructuur gewenst is als onderdeel van de belangrijke ontsluitingsfunctie voor de buurt. De tuin- en woonbestemming biedt ruimte voor de groeninrichting van het terrein. Het bestemmingsplan biedt hierdoor voldoende mogelijkheden om het plangebied in te richten in lijn met het groenbeleidsplan.
2.4.5
DuurzaamheidsvisieHeerlen 2017
In de duurzaamheidsvisie van Heerlen 2017 kiest de gemeente voor drie pijlers binnen duurzaamheid: Energietransitie, Gezonde Stad (leefomgeving) en Circulaire Economie. Deze pijlers bevatten de belangrijkste gemeenschappelijke doelstellingen van zowel de gemeente als de bedrijven en instellingen in de stad: We werken aan beperking van klimaatverandering d.m.v. energiebesparing en inzet hernieuwbare energie. We bewaken en verbeteren de kwaliteit van leefomgeving t.b.v. een gezonde en aantrekkelijke stad om in te wonen, werken en leven. We stimuleren de ontwikkeling van duurzame producten en processen waar dit een bijdrage levert aan een betere leefomgeving of aan energietransitie. Er zijn geen normen vastgelegd voor het begrip duurzaamheid. Op enkele thema's binnen
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
23
duurzaamheid, zoals leefomgeving, water en groen, is sectorale wet- en regelgeving van toepassing. De toetsing aan deze kaders komt elders in de toelichting aan de orde. Voor energietransitie is een regionaal beleidskader geformuleerd (zie hieronder), voor klimaatadaptatie en circulaire economie is het in ontwikkeling. Waar mogelijk en nodig wordt aangesloten bij de landelijke akkoorden klimaatakkoord, deltaplan ruimtelijke adaptatie en grondstoffenakkoord.
2.4.6
Energietransitie
Het Parkstad Limburg Energietransitie ambitiedocument (PALET) geeft een vooruitblik op de kansen en mogelijkheden voor een energieneutrale regio in 2040. Vanuit ruimtelijk oogpunt worden er gebieden benoemd die potentieel geschikt zouden kunnen zijn voor de opwekking van zonne- en windenergie en gebruik van bodemenergie. In 2015-2016 is de lange termijn doelstelling om in 2040 als regio energieneutraal te zijn, vertaald in een uitvoeringsprogramma voor de korte termijn (2016 - 2020). In dit programma zijn concrete acties, maatregelen en projecten benoemd die er toe moeten leiden dat in 2020 ten minste 8% van de totaalopgave tot 2020 wat betreft energiebesparing en duurzame energieopwekking is gerealiseerd. Eén van de thematafels van PALET 3.0 is het 'regionaal afwegingskader grootschalige duurzame energieopwekking'. De Bestuurscommissie Ruimte incl. Duurzaamheid heeft hiertoe op 14 juli 2016 besloten incl. financiële middelen toegekend. Aanleiding voor dit afwegingskader was de constatering dat de ruimtelijke component weliswaar stevig is verankerd in het PALET-beleid, maar te grofmazig en globaal is om op project- en locatieniveau invulling te geven aan een zorgvuldige ruimtelijke afwegingen landschappelijke inpassing.
Het afwegingskader, zijnde een beleidsregel, fungeert als: Inhoudelijke uitwerking van het kaderstellende PALET-beleid, met als inzet dat de Parkstad-gemeenten samen (meer) in staat zijn om initiatieven ten aanzien van zone-energie en windenergie af te wegen; Procesmatige uitwerking van het kaderstellende PALET-beleid, met als inzet dat de Parkstad-gemeenten samen (meer) in staat zijn om processen in het kader van initiatieven voor zonne-energie en windenergie vorm te geven; Aanjager voor de vertaling van regionale en gemeentelijke onderdelen uit het uitvoeringsprogramma PALET 3.0 in concrete projecten voor zonne-energie en windenergie; Groeimodel waaraan in de toekomst evt. bouwstenen worden toegevoegd; Kader voor samenwerking tussen de acht Parkstad-gemeenten. Het 'PALET Regionaal Afwegingskader Grootschalige Duurzame Energieopwekking' bestaat uit: Bouwsteen 1: Windenergie Bouwsteen 2: Zonne-energie Bouwsteen 3: PALET 3D-tool grootschalige duurzame energieopwekking Voorbeeldboek windenergie- en zonne-energieprojecten De Parkstad-gemeenten kunnen individueel besluiten om de bouwstenen van het regionaal afwegingskader op lokaal niveau aan te vullen, zij het in nauwe afstemming met de andere gemeenten via de PALET-Broedkamer.
Conclusie Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een appartementencomplex met 24 woningen mogelijk. De gemeente wil bij de verlening van omgevingsvergunningen voor deze woningen zo veel mogelijk anticiperen op de toekomstige eisen aan energieneutraliteit. Zo wordt het appartementencomplex aardgasvrij uitgevoerd. Waar mogelijk zullen meer duurzaamheidsmaatregelen worden getroffen om aan te anticiperen op de toekomstige eisen aan energieneutraliteit.
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
24
Hoofdstuk 3
Gebiedsbeschrijving
Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, de bestaande situatie in het plangebied, goed in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van het plangebied en zijn directe omgeving.
3.1
Ruimtelijke en functionelestructuur
De planlocatie is gelegen op circa 600 meter ten zuiden het centrum van Heerlen. Het plangebied grenst ten noorden en ten westen aan respectievelijk de Burgemeester Gijzelslaan en de Benzenraderweg. Ten zuiden van het plangebied zijn woningen gelegen. Tot slot grenst het plangebied ten oosten aan de brandweerkazerne. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende functies gelegen. Dit varieert van woonfuncties tot dienstverlenende-, maatschappelijke en kantoorfucties. In de omgeving zijn bijvoorbeeld basischolen gelegen aan de Bekkerveld 30, de Aarweg 26 en de Ruys de Beerenbroucklaan 29. Ten noorden van het plangebied zijn kantoren gelegen en ten noordoosten van het plangebied, aan de Bekkerweg 29, een huisartspraktijk. Voor het overige zijn er voornamelijk woningen aanwezig in de omgeving van het plangebied. Op het plangebied bevond zich bijna 20 jaar geleden het voormalige politiebureau. De bebouwing is geamoveerd en sinds deze sloop is het plangebied een braakliggend perceel. Er staan uitsluitend enkele bomen en struikgewas grenzend aan de percelen van de ten zuiden gelegen woningen en de ten oosten gelegen brandweerkazerne.
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
25
Luchtfoto plangebied (rood omlijnd) en directe omgeving
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
26
Hoofdstuk 4
4.1
Planbeschrijving
Het programmatisch kader
Algemeen Het voornemen bestaat tot de realisering van een appartementencomplex met 24 woningen aan de Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen. De appartementen zullen worden verhuurd en vallen in het middeldure segment. De gemeente Heerlen zal de percelen binnen het plangebied bouwrijp opleveren (en mede voorzien van een bruikbaar bestemmingsplan). Ten oosten van de toekomstige bebouwing zullen 28 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Het appartementencomplex krijgt deels vier bouwlagen en deels drie bouwlagen. De vier bouwlagen worden gerealiseerd op de hoek van de Burgemeester Gijzelslaan en de Benzenraderweg en heeft een maximale bouwhoogte van 13 meter. Het overige deel van het gebouw krijgt drie bouwlagen en heeft een maximale bouwhoogte van 10,5 meter. De bestaande wegen rondom het plangebied worden gehandhaafd.
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
27
Plattegrond toekomstige situatie
4.2
De bebouwingsmogelijkheden
Voor wat betreft de nieuwbouw binnen het plangebied is op de onderstaande afbeelding weergegeven binnen welke vlakken (zwart omlijnd) bebouwing is toegestaan. Tevens is aangegeven wat de maximaal toegestane hoogte is van de beoogde nieuwbouw.
Verbeelding toekomstige situatie
In onderstaande afbeelding is een impressie opgenomen van de toekomstige situatie vanuit het kruispunt Welterlaan - Benzenraderweg en Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen.
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
28
Impressie appartementencomplex
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
29
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt aangegeven hoe deze in het bestemmingsplan zijn ingepast.
5.1
Milieueffectrapportage
5.1.1
M.e.r.-plicht
Beoordeling directe m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport (Besluit m.e.r.) het volgende opgenomen: "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen." De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht.
Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 5.5 Natuurwaarden blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht.
5.1.2
worden
uitgevoerd en vanuit de Wet
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Indien het bevoegd gezag degene is die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
30
7.2, eerste lid, onder b (besluiten waarvoor het bevoegd gezag een beslissing dient te nemen inzake de noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapport), dient zij in een zo vroeg mogelijk stadium en uiterlijk voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-besluit deze beslissing te nemen (artikel 7.19, lid 1 en 2 Wm). De achterliggende gedachte bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: noodzakelijk; Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.
er niet
is
geen
m.e.r.(-beoordeling)
uitgesloten:
er
moet
een
In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): De kenmerken van het project; De plaats van het project; De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project - Omvang van het project - Cumulatie met andere projecten - Gebruik van natuurlijke grondstoffen - Productie van afvalstoffen - Verontreiniging en hinder - Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project - Bestaand grondgebruik - Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied - Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect - Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) - Grensoverschrijdende karakter van het effect - Waarschijnlijkheid van het effect
- Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Omdat het plan voorziet in de bouw van woningen, maar ruimschoots onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D.11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het project heeft betrekking op de realisatie van maximaal 24 woningen. De totale oppervlakte van het plangebied is circa 3.555 m2 .
Cumulatie met andere projecten
Nee, er is geen sprake van cumulatie met andere projecten.
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
31
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Dit zal geen permanente nadelige gevolgen hebben aangezien het slechts om een tijdelijke situatie gaat. Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot onevenredige verontreiniging of hinder voor het milieu. Zie hiervoor mede paragraaf 5.2 Akoestiek tot en met paragraaf in 5.12 Cultuurhistorie deze toelichting.
Risico van ongevallen
Vanuit externe veiligheid vormt de voorgenomen ontwikkeling van in totaal 24 woningen geen belemmering. Voor het groepsrisico kan worden volstaan worden met een beperkte verantwoording en ook moet de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen.
Conclusie: Vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het object Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
In de huidige situatie zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als 'Maatschappelijk'. Het plangebied is een braakliggend terrein.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
n.v.t.
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: - gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 5.5 Natuurwaarden. Uit de stikstofdepositie berekeningen voor de gebruiksfase van onderhavig plan blijkt dat de rekenresultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat de ontwikkeling in het kader van de aanleg- en gebruiksfase aanvaardbaar wordt geacht.
- gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
Nee.
gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
Nee
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
32
landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Archeologie In 2016 heeft een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de archeologische verwachtingswaarde laag is. Het gebied is derhalve vrijgegeven. Voor een verdere uitwerking zie paragraaf 5.11 Archeologie. Cultuurhistorie In de directe omgeving van het plangebied zijn geen panden of objecten gelegen met een hoge cultuurhistorische waarde. Ook binnen het plangebied zijn geen panden of objecten gelegen met een hoge cultuurhistorische waarde. Voor een verdere uitwerking zie paragraaf 5.12 Cultuurhistorie.
Conclusie: Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Nee
Watergebied van internationale betekenis
Nee
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 550 meter ten oosten van het plangebied
Landschappelijk waardevol gebied
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied. Het gaat reeds om een bestaand bebouwd gebied.
Waterwinlocaties, waterwingebieden, en grondwaterbeschermingsgebieden
Nee
Beschermd monument
Nee
Belvédère-gebied
Nee
Conclusie: Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in geografische zone en/of grootte van de getroffen bevolking.
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Nee
Waarschijnlijkheid van het effect
Geen effecten te verwachten.
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
33
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
5.1.3
Er is sprake van een braakliggend terrein. Er wordt voorzien in de realisatie van een appartementencomplex met 24 woningen. Het bouwvlak binnen het plangebied mag volledig bebouwd worden, maar omvat niet het gehele plangebied. De effecten zijn blijvend. Zoals echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.
Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling
De beoogde ontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij categorie D11.2 genoemde 'drempelwaarden' bij lange na niet worden overschreden. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in één van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, is voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1.
De kenmerken van het project;
2.
De plaats van het project; en
3.
De kenmerken van het potentiële effect;
sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. Bij m.e.r.-beoordelingsbesluit van 13 juni 2022 is uitgesproken dat de potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
5.2
Akoestiek
De Wet geluidhinder, als ook een goede ruimtelijke ordening, bepaalt dat bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek moet plaatsvinden naar de geluidsbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen vanwege de invloed van wegverkeerslawaai. Tevens dient daarbij onderzoek te worden gedaan naar de doeltreffendheid van verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat eventueel optredende geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai de wettelijke waarden te boven gaat. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moeten immers de ten hoogst toelaatbare waarden voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen vanwege het wegverkeerslawaai in acht worden genomen (artikel 76, eerste lid, Wet geluidhinder).
5.2.1
Onderzoek
Door K+ Adviesgroep is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In deze paragraaf wordt een samenvatting en de conclusie van het onderzoek weergegeven. Het volledige rapport is als Bijlage 2 aan onderhavige toelichting toegevoegd.
Burgemeester Gijzelslaan De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Burgemeester Gijzelslaan is maximaal 62 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Heerlen kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde.
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
34
In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter plaatse van een open terrein naast en achter bestaande woningen. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €90.000,- (200 m * 9m * €50,-) daarnaast is deze weg recent van nieuw asfalt voorzien en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Omdat op dit deel kort op elkaar gelegen kruispunten zijn gelegen, is het toepassen van stil wegdek niet duurzaam, omdat dit asfalt lijdt onder het afremmende en optrekkende verkeer. Het aanbrengen van een stiller wegdek om de geluidbelasting ten gevolge van de Burgemeester Gijzelslaan terug te dringen is uit het oogpunt van praktische uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud niet wenselijk. Het toepassen van een overdrachtsmaatregel in de vorm van een geluidscherm/wal om de geluidbelasting van het wegverkeer van de Burgemeester Gijzelslaan te verlagen stuit op bezwaren van financiële- en stedenbouwkundige aard. Een dergelijk scherm dient tussen de bron en de ontvanger te worden geplaatst.
Een geluidscherm gesitueerd op de kavel van de woningen is moeilijk realiseerbaar, door de beperkte ruimte tussen de woningen en de weg. De nieuwe situatie ligt ter hoogte van een kruispunt uit het oogpunt van veiligheid is het niet wenselijk om ter hoogte van een kruispunt een geluidscherm te realiseren. Het is praktisch niet toepasbaar behoudens gebouwgebonden voorhangschermen. Daarmee stuiten overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Het gebouw beschikt over tenminste één geluidluwe gevel, de achtergevel is een geluidluwe gevel. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB.
Welterlaan De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Welterlaan is maximaal 56 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Heerlen kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter plaatse van een open terrein naast en achter bestaande woningen. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €45.000,- (100 m * 9m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Het toepassen van een overdrachtsmaatregel in de vorm van een geluidscherm/wal om de geluidbelasting van het wegverkeer van de Welterlaan te verlagen stuit op bezwaren van financiële- en stedenbouwkundige aard. Een dergelijk scherm dient tussen de bron en de ontvanger te worden geplaatst. Een geluidscherm gesitueerd op de kavel van de woningen is moeilijk realiseerbaar, door de beperkte ruimte tussen de woningen en de weg.
De nieuwe situatie ligt ter hoogte van een kruispunt uit het oogpunt van veiligheid is het niet wenselijk om ter hoogte van een kruispunt een geluidscherm te realiseren. Het is praktisch niet toepasbaar behoudens gebouwgebonden voorhangschermen. Daarmee stuiten overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen.Het gebouw beschikt over tenminste één geluidluwe gevel, de achtergevel is een geluidluwe gevel. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
35
welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. Benzenraderweg De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Benzenraderweg is maximaal 57 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Heerlen kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter plaatse van een open terrein naast en achter bestaande woningen. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet op alle punten worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €70.000,- (200 m * 7m * €50,-) daarnaast is deze weg recent van nieuw asfalt voorzien en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Omdat op dit deel ook een kruising is gelegen, is het toepassen van stil wegdek niet duurzaam, omdat dit asfalt lijdt onder het afremmende en optrekkende verkeer.
Het aanbrengen van een stiller wegdek om de geluidbelasting ten gevolge van de Benzenrader terug te dringen is uit het oogpunt van praktische uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud niet wenselijk. Het toepassen van een overdrachtsmaatregel in de vorm van een geluidscherm/wal om de geluidbelasting van het wegverkeer van de Benzenraderweg te verlagen stuit op bezwaren van financiële- en stedenbouwkundige aard. Een dergelijk scherm dient tussen de bron en de ontvanger te worden geplaatst. Een geluidscherm gesitueerd op de kavel van de woningen is moeilijk realiseerbaar, door de beperkte ruimte tussen de woningen en de weg. De nieuwe situatie ligt ter hoogte van een kruispunt uit het oogpunt van veiligheid is het niet wenselijk om ter hoogte van een kruispunt een geluidscherm te realiseren. Het is praktisch niet toepasbaar behoudens gebouwgebonden voorhangschermen. Daarmee stuiten overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen.
Het gebouw beschikt over tenminste één geluidluwe gevel, de achtergevel is een geluidluwe gevel. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. Bekkerweg De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 42 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.
Ruys de Beerenbroucklaan De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 47 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.
Door K+ is eveneens een aanvullende berekening opgesteld van het effect als langs de Burgemeester Gijzelslaan langs de bestaande stoep een geluidscherm wordt opgericht. Deze notitie is als Bijlage 3 aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder zijn de rekenresultaten weergegeven.
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
36
Burgemeester Gijzelslaan Uit de berekeningen blijkt dat met een 3 meter hoge afscherming de gevelbelasting op bouwlaag 1 kan worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB of lager. De totale kosten van het scherm worden geraamd op circa € 222.500,-- (103 x 3 x € 720,--/m2). Daarnaast blijkt dat zelfs met een 6 meter hoge afscherming de gevelbelasting op met name de hoger gelegen verdiepingen nog steeds niet zullen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De totale kosten van een 6m hoog scherm worden geraamd op circa € 250.000,--.
Welterlaan Uit de berekeningen blijkt dat met een 3 meter hoge afscherming de gevelbelasting op bouwlaag 1 kan worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB of lager. De totale kosten van het scherm worden geraamd op circa € 222.500,-- (103 x 3 x € 720,--/m2). Daarnaast blijkt dat zelfs met een 6 meter hoge afscherming de gevelbelasting op met name de hoger gelegen verdiepingen nog steeds niet zullen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De totale kosten van een 6m hoog scherm worden geraamd op circa € 250.000,--.
Benzenraderweg Uit de berekeningen blijkt dat met een 3 meter hoge afscherming de gevelbelasting op bouwlaag 1 kan worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB of lager. De totale kosten van het scherm worden geraamd op circa € 222.500,-- (103 x 3 x € 720,--/m2). Daarnaast blijkt dat ter plaatse van waarneempunt 1 en 20 (hoekgebouw) zelfs met een 6 meter hoge afscherming de gevelbelasting op met name de hoger gelegen verdiepingen nog steeds niet zullen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De totale kosten van een 6m hoog scherm worden geraamd op circa € 250.000,--.
5.2.2
Conclusie
In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag zal een geluidweringsonderzoek plaats moeten vinden om aan te tonen dat aan de minimale vereiste van 33 dB wordt voldaan.
5.3
Water
Het klimaat is aan het veranderen en leidt tot meer extremere buien. Het (hemel) watersysteem en de afvalwaterketen moet deze neerslag zo goed als mogelijk kunnen verwerken. Het besef groeit dat dit niet meer uitsluitend met grotere rioolbuizen op te vangen is. Om de waterbelangen (hemelwater en grondwater) bij ruimtelijke ontwikkelingen te borgen dient bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de Watertoetsprocedure doorlopen te worden. In het kader van deze toets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatie specifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat en worden vervolgens de beleidsregels (eisen) aangehaald waarmee in de watertoets gerekend moet worden.
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
37
5.3.1 5.3.1.1
Europees en Rijksbeleid KaderrichtlijnWater
De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Heerlen in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Stroomgebiedbeheersplan Maas is vervangen door het Stroomgebied-beheerplan 2016-2021 (14-12-2015). Dit plan beschrijft de doelen en maatregelen in het stroomgebied van de Maas voor schoon en ecologisch gezond water voor duurzaam gebruik. Het stroomgebiedbeheerplan 2015 is een actualisatie van het stroomgebiedbeheerplan 2009. Bepaalde niet-variabele informatie, zoals de bodemopbouw en -gebruik van het stroomgebied, wordt dan ook niet herhaald. Het stroomgebiedbeheerplan 2015 gaat uit van de vereisten van artikel 13 en bijlage VII KRW, de evaluaties van de stroomgebiedbeheerplannen 2010 - 2015 door de Europese Commissie (3e [4] en 4e [5]) en hetgeen al bekend is van de elektronische rapportage volgens artikel 15 KRW.
5.3.1.2
Waterwet
De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden.
5.3.1.3
Wet ruimtelijke ordening en watertoets
De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder.
5.3.1.4
Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water
Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkómen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
38
5.3.1.5
Nationaal Bestuursakkoord Water
Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit.
5.3.1.6
Het Nationaal Waterplan 2016-2021
Het Nationaal Waterplan vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen, maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zo maar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan. In het Nationaal Waterplan zijn verwerkt: Hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid; Gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van de watersystemen in Nederland; Benodigde maatregelen en ontwikkelingen; Beheerplannen voor de stroomgebieden; Beheerplannen voor de gebieden met overstromingsrisico; Mariene Strategie; Beleidsnota Noordzee; Functies van de rijkswateren;
5.3.1.7
Nationaal Waterpogramma 2022 - 2027
Voor het beheer van rijkswateren is er het Nationaal Waterprogramma 2022-2027. Dit is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 In maart 2022 wordt het definitieve Nationaal Water Programma 2022-2027, inclusief alle onderdelen gepubliceerd.
5.3.2 5.3.2.1
Regionaal en gemeentelijk beleid ProvinciaalWaterplan Limburg 2016 - 2021
Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid.
5.3.2.2
Waterbeheerplan2016 - 2021 Waterschap Limburg
Het Waterbeheersplan 2016-2021 is het centrale beleidsplan van het waterschap. Het bevat de beleidsvoornemens voor de periode 2016-2021. Daarnaast wordt een globale doorkijk geboden naar de verdere toekomst. Het Waterbeheerplan zet de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg. Het beschrijft: hoe ze het watersysteem en waterkeringen op orde willen brengen; voor welke thema's ze aan de lat staan en hun strategie hiervoor; welke maatregelen ze gaan uitvoeren, wie de partners daarin zijn en hoe ze dit monitoren en bijsturen. Ook staat beschreven welke bijdrage de waterschappen leveren aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
39
overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het optimaliseren van de rioolwaterzuiveringsinstallaties.
5.3.2.3
Waterbeheersplanperiode 2022-2027 Waterschap Limburg
Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met het waterbeheerprogramma (WBP) geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2019-2023 is uitgezet. Het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg heeft het ontwerp Waterbeheerprogramma 2022-2027 op 15 december 2020 heeft vastgesteld. De laatste stap om te komen tot het definitieve Waterbeheerprogramma 2022-2027 is de terinzagelegging. De ter inzagelegging zal medio maart plaatsvinden.
5.3.2.4
Keur en beleidsregelsKeur Waterschap Limburg 2019
Vanaf 1 april 2019 is de nieuwe Keur van Waterschap Limburg officieel in werking getreden. De Keur is een document met regels die het waterschap hanteert om beken, dijken, waterwerken en grondwater in Limburg te beschermen. Het is een belangrijk document voor iedereen die bij, of met water, activiteiten onderneemt. In de keur zijn o.a. de normen opgenomen waaraan de verwerking van (hemel)water aandient te voldoen. Deze normen heeft de gemeente Heerlen overgenomen en verwerkt in het Watertakenplan Heerlen 2020-2024.
5.3.3 5.3.3.1
Gemeentelijk beleid Integraal Waterplan
Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast in onze gemeente. Aanleg en beheer van de riolering is een gemeentelijke taak, die zijn wettelijke basis vindt in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Al sinds 2011 wordt in de regio Parkstad met onze waterpartners samengewerkt aan het verbeteren van de waterketen (riolering en afvalwaterzuivering) en het watersysteem (beken). Het Integraal Waterplan is het eerste gezamenlijke visiedocument. In het plan is de regionale ambitie en visie beschreven van de samenwerkingsregio Parkstad. De speerpunten zijn: "Een klimaatbestendige stad", "Gezond, schoon en voldoende water", "Werken aan waterbewustzijn", "Anticiperen op de Omgevingswet" en "Samenwerken inde waterketen".
5.3.3.2
Watertakenplan 2020 - 2024
Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast en droogte in onze gemeente. Aanleg en beheer van de riolering is een gemeentelijke taak, die zijn wettelijke basis vindt in de Wet Milieubeheer en de Waterwet. Het Watertakenplan 2020-2024 omvat de volgende items: evaluatie verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020; invulling van de zorgplichten afvalwater, hemelwater en grondwater; beleid, speerpunten en maatregelen; samenwerking Parkstad; personele en financiële middelen. 5.3.4
Plangebied
Door Aeres Milieu is een infiltratieonderzoek uitgevoerd en een waterparagraaf opgesteld. Het volledige rapport is als Bijlage 4 opgenomen. In deze paragraaf wordt volstaan met een samenvatting.
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
40
Het plangebied heeft een hoogteligging tussen de 115 en 116 m +NAP. Het grondwaterniveau bevindt zich naar verwachting op ca. 7 meter onder maaiveld, waardoor er geen grondwateroverlast te verwachten is bij het planvoornemen. Voor het bouwpeil van de nieuwbouw dient en wordt rekening gehouden te worden met de kruin van de weg en bestaande afstroming zodat geen instroom kan plaatsvinden gezien de in westelijke richting aflopende straat (van 116,4 naar 114,8 m +NAP). Hiervoor is momenteel westelijk een ophoging noodzakelijk geacht. Met het maaiveldprofiel dient rekening gehouden te worden bij de uitwerking van het bouwplan. Binnen of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor het planvoornemen geen directe impact heeft op het oppervlaktewatersysteem. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd. Ter plaatse was in het verleden een politiekantoor aanwezig. Hiervoor loopt centraal door het plangebied een rioolleiding (rond 300 mm). Door de realisatie van de woningen zal de toestroom van vuilwater naar het gemeentelijk rioolstelsel ca. 6,6 m3/dag of ca. 0,18 l/s bedragen. Deze afvalwaterhoeveelheid kan door het huidige stelsel verwerkt worden. Voor de aansluiting van het afvalwater van de nieuwbouw op het gemeentelijk stelsel dient te zijner tijd bij de gemeente Heerlen een aansluiting aangevraagd te worden.
Momenteel is het plangebied onverhard en afgezien van een zandpad bijna geheel begroeid met gras. Door het bouwplan zal er verharding worden aangebracht. Vanuit het beleid van de gemeente en waterschap Limburg is een compensatieplicht ingesteld, waarbij minimaal 80 mm hemelwater op eigen terrein verwerkt dient te worden. Vanuit deze voorziening is dan een maximale leegloop van 10 l/s/ha toegestaan. Op basis van de concept plantekeningen is het toekomstig verhard oppervlak binnen het planvoornemen vastgesteld.
Overzicht toekomstig verhard oppervlak binnen het plangebied
Op basis van de verwachte toename in verhard oppervlak is de verplichte compensatie vastgesteld op circa 190 m3. Om het hemelwater te verwerken gaat de voorkeur uit naar infiltratie of hergebruik. Echter uit het infiltratieonderzoek blijkt dat er een slecht tot matig infiltrerende leembodem met plaatselijk een dunne zandigere lagen aanwezig zijn binnen het plangebied tot ca. 5 m-mv. Deze bodemopbouw heeft invloed op de ledigingstijd. Dit kan verbeterd worden door de aanleg van grindpalen doorheen het leempakket. Andere mogelijkheid is de aanleg van een vertraagde leegloopvoorziening naar het nabijgelegen gemeentelijk stelsel. De gemeente acht het mogelijk om hemelwater ter plaatse in de diepere ondergrond te verwerken. Dit dient derhalve toegepast te worden en een vertraagde afvoer naar het gemeentelijk stelsel wordt niet akkoord bevonden. Een bovengrondse voorziening is ter plaatse niet toepasbaar door de beperkte beschikbare ruimte. Mogelijkheden zijn een diepere ondergrondse voorziening met eventueel bovengronds nog aanvullende berging. Gezien de diepere grondwaterstanden op ca. 7 m-mv. is de aanleg van een ondergrondse voorziening toepasbaar. Er zijn verschillende soorten en type ondergrondse bergingsvoorzieningen toepasbaar, denk hierbij aan IT-kratten, rockflow of een grindkoffer (ca. 40% open ruimte).
Een combinatie van een wadi met een ondergelegen berging is ook toepasbaar. De uiteindelijke type voorziening is afhankelijk van de eigen voorkeur en inpassingsmogelijkheden. Aanvullende watervertragende mogelijkheden zijn de toepassing van halfverharding of een groen- of blauw dak. Dit is natuurlijk afhankelijk van het gebruik en de beschikbare ruimte. Gezien de verplichting tot infiltratie en de benodigde leegloopsnelheid binnen 24 uur wordt geadvsieerd om de infiltratievoorziening doorheen de aanwezige leemlaag (ca. 5,0 m-mv) aangelegd te worden. Derhalve dient een diepe voorziening aangelegd te worden of zijn grindpalen ter plaatse van de hoger gelegen voorziening geadviseerd voor een snellere infiltratie naar de onderliggende goed doorlatende zandbodem. Door middel van deze grondverbetering zal de berging binnen 24 uur weer beschikbaar zijn voor een volgende bui.
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
41
Bij de verdere planuitwerking zal een keuze en concretere dimensionering van de uiteindelijke hemelen afvalwaterstelsels opgemaakt worden op basis van de uiteindelijk aanwezige oppervlakken. Ter plaatse is ondergronds afdoende ruimte aanwezig om de benodigde 190 m3 hemelwater te verwerken. Voor een betere bepaling van de diepteligging van het goed doorlatend pakket kan aanvullend gebruik gemaakt worden van boor- en sondeergegevens uit een nog benodigd funderingsonderzoek. Verder dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met de maaiveldprofilering zodat neerslag bij voorkeur oppervlakkig in de voorziening terecht komt en op het perceel of bij derden geen overlast ontstaat vanuit de planontwikkeling. Verder dient bij de aanleg van een ondergrondse voorziening ook rekening gehouden te worden met voldoende gronddekking en de benodigde ontluchtingspunten. Daarnaast is het noodzakelijk om een bovengrondse noodoverloop naar het openbaar gebied te realiseren voor boven normatieve neerslaghoeveelheden. Door rekening te houden met de genoemde aandachtspunten en de aanleg van een ruime hemelwatervoorziening voor de toekomstige verharding wordt hydrologisch gezien neutraal ontwikkeld en is geen wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling.
Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden (zoals onder andere het omgevingsloket).
Overige aandachtspuntenen randvoorwaarden Afkoppelen/niet aankoppelen staat voor het scheiden van hemelwater- en afvalwaterafvoer, op een afgewogen manier zodat een duurzaam watersysteem ontstaat. Daarbij moet men rekening houden met de waterhuishouding, de inrichting van de openbare ruimte, de milieuhygiënische gevolgen en de zorg voor de volksgezondheid en welzijn. Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal naar een aan te leggen voorziening stromen om in de bodem te infiltreren. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven ten behoeve van het reinigen en het onderhoud. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren. Ook moet de (nood)overloop regelmatig worden onderhouden. Ondergrondse voorzieningen dienen altijd voorzien te zijn van een goed bereikbare bladen zandvanger en/of ontluchtingspunt/overloop. Toe te passen duurzame materialen: Hellende daken: dakpannen van natuurlijk, beton of keramisch materiaal of bekleed met (EPDM) rubber.
Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium, bij voorkeur geen gecoate materialen i.v.m. verwering. Ontsluitingspaden / wegen / terrassen; voorzien van natuurlijk of niet-uitloogbare materialen zoals keramische of betonproducten. Indien onvoldoende aandacht wordt gegeven aan het ontwerp en dimensionering, kan wateroverlast ontstaan. Het moet te allen tijde worden voorkomen dat wateroverlast bij bebouwing en bij derden ontstaat. Het gebruik en het overlopen van de hemelwatervoorziening mag niet leiden tot schade aan in de nabijheid liggende percelen, gewassen en opstallen. Schade, direct en/ of indirect, die eventueel ontstaat is en blijft voor rekening van de ontwikkelaar/eigenaar van het plangebied. In geen geval mag de afvalwaterriolering op een infiltratie- en/of bergingsvoorziening worden aangesloten. Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat b.v. het reinigen van voertuigen of het schoonmaken van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien worden van de juiste bodembeschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming).
Dit betekent dat het vrijkomende afvalwater al dan niet via een olie/benzine-afscheider of andere noodzakelijke (reiniging)voorziening naar het afvalwaterriool moet worden getransporteerd of geloosd, en niet in de bodem mag worden geïnfiltreerd of op oppervlaktewater worden geloosd. Het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Daarnaast is toepassing van gladheidsbestrijding middels
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
42
zout minder wenselijk geacht. Bij toepassing kunnen deze stoffen met het hemelwater afstromen naar de bodem of het oppervlaktewater en deze nadelig beïnvloeden. Indien toepassing noodzakelijk blijkt, wordt geadviseerd dit zo effectief mogelijk te doen.
5.4
Bodem
Algemeen Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegde gezag voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie. Daarvoor dient een bodemonderzoek. Een bodemonderzoek hoeft echter niet te worden uitgevoerd als de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan dienen voor een bestemmingsplanwijziging. Een belangrijke voorwaarde daarbij is de vaststelling van het niet verdacht zijn van de locatie voor puntbronnen op basis van een uitgevoerd NEN 5725 vooronderzoek. Blijkt hieruit dat er geen verdachte locaties/situaties zijn, ofwel er zijn geen knelpunten, dan kan volstaan worden met dit vooronderzoek aangevuld met een veldinspectie. Uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 kan ook blijken dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende zou kunnen zijn ofwel een verdachte situatie bestaat. In die gevallen moet altijd een vooronderzoek gevolgd door een verkennend onderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd, aangevuld met een bodemonderzoek asbest conform NEN5707. Onderzoeken die niet volgens de geldende normen zijn opgesteld en uitgevoerd zijn of verouderde onderzoeken gelden niet als representatief en onvoldoende.
Beleidskader Bodembeleidsplan Voor de gemeente Heerlen is sinds 28 september 2016 het bodembeleidsplan Heerlen van toepassing. In dit bodembeleidsplan wordt het gemeentelijk bodembeleid beschreven en het beleidsplan is derhalve het richtinggevend kader (uiteraard naast de wettelijke regelingen) voor zowel bodembescherming als bodemsanering.
Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft invulling aan het op duurzaamheid gerichte bodembeleid. De nota bodembeheer beschrijft hoe de gemeente Heerlen invulling geeft aan het Bbk. In het bodembeleidsplan is de nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart gemeente Heerlen opgenomen (met aanvulling voor de stof PFAS). De bodem in de gemeente Heerlen is beschreven in een bodemkwaliteitskaart die conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is vervaardigd. Er kan worden geconcludeerd dat de lokale bodemkwaliteit over het algemeen voldoende wordt beschreven door de bodemkwaliteitskaart voor alle zones.
Homogene deelgebiedenkaart
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
43
Deelgebied
bestemmingsplan Burgemeester Gijzelslaan te Heerlen
Bovengrond
Ondergrond
44
1 Agrarisch en natuur
< AW
< AW
2 Woonwijken
< AW
Industrie
3 Industrie
< AW
< AW
4 Mijnsteengebieden
Wonen
Wonen
AW
= Achtergrondwaarde
Wonen
= Maximale waarde klasse Wonen
Industrie
= Maximale waarde klasse Industrie