Bijlage Bestuursakkoord mijnbouwschaderegeling Limburg 25 mei 2023
Tekst van het document
Gedeelde inrichtingsprincipes schadeafhandeling mijnbouwschade Limburg De afgelopen maanden heeft een vertegenwoordiging van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en regionale actoren uit Limburg gewerkt aan de inrichtingsprincipes voor een regeling voor de afhandeling van mijnbouwschade als gevolg van de voormalige steenkoolwinning in Zuid-Limburg. De gedeelde uitgangspunten die op 25 mei in Heerlen overeen zijn gekomen tijdens een bijeenkomst tussen de staatssecretaris van EZK en vertegenwoordigers van de regio, vormden hiervoor de basis. Dit document is tot stand gekomen op basis van een serie bijeenkomsten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) de gemeente Heerlen (namens alle 10 gemeenten uit de voormalige Mijnstreek), de provincie Limburg en de Stichting Calamiteitenfonds Mijn(water)schade Limburg. Dit proces is begeleid door adviesbureau AEF. Dit document biedt een overzicht van de inrichtingsprincipes voor de schaderegeling en de uitvoering daarvan. De inrichtingsprincipes zijn onderverdeeld in drie thema’s. Het eerste thema betreft de inhoud van de schaderegeling. Dat gaat in op het besluit garantieregeling, dat de wettelijke grondslag biedt voor de afhandeling van mijnbouwschade, en op hoofdlijnen richting geeft aan hoe die afhandeling vorm gaat krijgen.
Het tweede thema is de rolverdeling tussen de betrokken organisaties in de uitvoering van de schaderegeling. In het derde thema beschrijven we de ambities voor het op te zetten Instituut Mens, Milieu en Mijnbouw (I3ML). In de bijlage is een nadere toelichting op deze thema’s te vinden. In de komende periode zal op basis van dit document de inwerkingtreding van de regeling worden voorbereid, onder meer door het besluit garantieregeling op te stellen, I3ML op te starten en een Limburg Kamer in te richten bij de Commissie Mijnbouwschade.
Thema 1: Besluit Garantieregeling en aanpassingen instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade De gemaakte afspraken landen in twee juridische producten: 1) het besluit garantieregeling en 2) aanpassingen in het instellingsbesluit van de Commissie Mijnbouwschade. Met het besluit garantieregeling wordt in een beleidsregel vastgelegd hoe de schadeafhandeling van de mijnbouwschade in Limburg zal verlopen. De beleidsregel geeft invulling aan de manier waarop de staatssecretaris zijn bevoegdheid om een onverplichte tegemoetkoming uit te keren in zal zetten voor de afhandeling van schade als gevolg van steenkoolwinning in Limburg. Daarnaast stelt de staatssecretaris een schadeprotocol op, specifiek voor de afhandeling van schade als gevolg van steenkoolwinning, waarin wordt vastgelegd hoe de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade invulling gaat geven aan haar adviestaak op grond van de beleidsregel. Dit protocol voor de afhandeling van mijnbouwschade in Limburg (hierna: steenkolenprotocol) wordt als bijlage aan het instellingsbesluit van de Commissie Mijnbouwschade toegevoegd. Er is een tiental inrichtingsprincipes opgesteld met betrekking tot het besluit garantieregeling en het steenkolenprotocol. 1.
Schademodaliteiten Er wordt gewerkt met drie schadecategorieën: o Kleine schades tot €5.000; o Reguliere schades: schades tussen €5.000 en €20.000*; o Zware schades: schades groter dan €20.000* of acuut onveilige situaties. Gedupeerden met kleine schades ontvangen een financiële uitkering van de werkelijke schade. Het streven is dat zij hiervoor gebruik kunnen maken van een eenvoudige aanvraagprocedure (met een ‘lichte toets’ door de Commissie Mijnbouwschade), die gepaard gaat met zo laag mogelijke uitvoeringskosten. Reguliere schades worden hersteld via een aannemersvariant. Dit houdt in dat de schade aan een woning hersteld wordt door een kundige en betrouwbare aannemer, die door het regionale instituut I3ML is geselecteerd. Dit zorgt ervoor dat het probleem van de burger wordt opgelost, en de woning daadwerkelijk wordt hersteld, waardoor toekomstige problemen worden voorkomen. De aannemersvariant wordt in bijlage 2 nader toegelicht. o Wel is het wenselijk om een ‘ventiel’ in te bouwen voor gevallen waarin de aannemersvariant onredelijk of niet passend is voor het herstel van schade.
De Limburg Kamer krijgt de mogelijkheid om voor deze gevallen de staatssecretaris te adviseren om een zogenaamd bouwdepot toe te kennen, waardoor gedupeerden de mogelijkheid krijgen om een door hen zelf geselecteerde aannemer opdracht te geven voor het herstel, en die te betalen vanuit dit bouwdepot. De gedupeerde kan zijn of haar wens bij de indiening van de aanvraag duidelijk maken. o Na een jaar wordt geëvalueerd of er aanleiding is om deze werkwijze om te zetten in een meer structurele voorziening. Zware schades worden altijd via de aannemersvariant hersteld, om te borgen dat het herstel goed wordt uitgevoerd. Hierbij is er ook een mogelijkheid voor een noodvoorziening wanneer de veiligheid acuut in het geding is.1 In dit geval wordt bij een melding direct bouwtechnische voorzieningen getroffen (bijv. plaatsen van stutten) om verdere schade te voorkomen. Deze kosten worden in het kader van ontzorging altijd vergoed door de staatssecretaris, ook wanneer het schadeverzoek uiteindelijk wordt afgewezen. Waardedaling van woningen is geen onderdeel van de schaderegeling. Wel staat het gedupeerden altijd vrij om een civielrechtelijke procedure te starten jegens een rechtsopvolger, voor bijvoorbeeld het verhalen van schade als gevolg van waardedaling of immateriële schade. 2.
Gedupeerden De volgende groepen komen in aanmerking voor de regeling: o Eigenaren van (hoofd)woningen die geconfronteerd zijn (of worden) met schade als gevolg van de voormalige steenkolenwinning in (delen van) Limburg. Er zal nog worden bezien hoe kan worden omgegaan met het herstel van huizenblokken die deels in bezit zijn van woningcoöperaties. Soms bestaat er een technische noodzaak om deze woningen gelijktijdig te herstellen met aangrenzende woningen in particulier bezit. Er wordt gestreefd naar een oplossing voor situaties waarin het herstel van een huizenblok op het zelfde fundament niet door kan gaan door het feit dat een minderheid van de woningen
1
Deze noodvoorziening kan ook worden toegepast bij schades in de andere categorieën, al zal dit naar verwachting minder vaak voorkomen
-
in bezit is van een corporatie. Hiervoor wordt een oplossing gevonden binnen de kaders van de regels voor staatssteun. Daarbij dient te worden voorkomen dat de regeling gaat gelden voor die blokken die geheel in bezit zijn van woningcoöperaties. Zij worden geacht zelfstandig een claim voor vergoeding van mijnbouwschade in te dienen bij de rechtsopvolgers van de voormalige mijnbouwondernemingen. o De omgang met woningen van woningcoöperaties in de schaderegeling wordt meegenomen in de periodieke evaluaties om te onderzoeken of er aanleiding is om deze werkwijze te wijzigen. Tot slot zal ook worden verkend of in een latere fase eigenaren van micro-ondernemingen in staat worden gesteld een aanvraag in te dienen. Ook hier vormt de staatssteunregelgeving een complicerende factor.
3. Bewijsbeleid Uitgangspunt is dat het criterium voor het beoordelen van het verband tussen de voormalige steenkolenwinning en de schade gebaseerd is op voldoende aannemelijkheid en niet op strikte causaliteit. Het is niet de verwachting dat veel schades aan een strikte causaliteitseis voldoen. Daarvoor is de volgende formulering afgestemd: ‘De Minister kent op aanvraag aan een natuurlijke persoon die eigenaar is van een gebouw gelegen in een gebied als opgenomen in bijlage 1 waar schade is opgetreden en waarvan voldoende aannemelijk is dat deze het gevolg is van bodembeweging als gevolg van steenkolenwinning een voorziening voor deze schade toe.’ De toelichting bij de regeling zal verduidelijken hoe dit bewijsbeleid vorm krijgt in de uitvoering. Het is van groot belang om te voorkomen dat de formulering ‘voldoende aannemelijk’ uiteindelijk toch wordt gebruikt om het aantonen van een strikt causaal verband te vragen. Bijlage 1 bevat een nadere toelichting op de uitgangspunten voor de invulling van de toelichting. Ook wordt in de toelichting op de regeling nader omschreven wat er onder de in de laatste zin genoemde ‘voorziening’ wordt verstaan. Deze term is gekozen om ruimte te bieden voor zowel schadeherstel in natura (via de aannemersvariant of een bouwdepot) als een financiële tegemoetkoming voor kleinere schades. 4.
Commissie Mijnbouwschade, Limburg Kamer a) De Commissie Mijnbouwschade (CM) wordt uitgebreid met een Limburg Kamer. Deze wordt voorgezeten door de voorzitter van de Limburg Kamer, die tevens vicevoorzitter van de hele CM is. De Limburg Kamer is een onderdeel van de CM. Leden zijn in eerste plaats lid van de Commissie Mijnbouwschade en in tweede plaats lid van de Algemene Kamer of van de Limburg Kamer. Het is belangrijk om kennis en ervaring te delen binnen de CM, zodat er gezorgd kan worden voor een uniforme afhandeling van mijnbouwschade. Op deze wijze wordt geborgd dat er in het handelen en de werkwijze van de CM sprake is van voldoende uniformiteit bij de uitvoering van het landelijk beleid inzake mijnbouwschade. b) De Limburg Kamer heeft als taak de staatssecretaris op zijn verzoek namens de Commissie Mijnbouwschade te adviseren over schade door bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten ten behoeve van steenkolenwinning in Limburg. De CM/LK is onafhankelijk en bepaalt haar eigen werkwijze.
De Limburg Kamer maakt daarbij gebruik van het, met nauwe betrokkenheid van een deskundige namens de provincie en een deskundige namens de mijnbouwgemeenten, te ontwikkelen schadeprotocol voor de afhandeling van schade als gevolg van steenkoolwinning in Limburg.2 c) Met inachtneming van het advies van de Limburg Kamer neemt de staatssecretaris een besluit op de aanvraag voor de toekenning van een schadevergoeding. Het advies van de Limburg Kamer wordt meegenomen in het besluit van de staatssecretaris en maakt onderdeel uit van de stukken. De inhoud van dat advies maakt onderdeel uit van de motivering van het besluit en daarmee van een eventuele bezwaar- of beroepsprocedure. d) De Limburg Kamer heeft een eigen voorzitter die tevens vicevoorzitter is van de CM. De voorzitter van de Limburg Kamer is een andere persoon dan de voorzitter van de CM en kan de voorzitter vervangen bij ziekte of afwezigheid en vice versa. Vanwege deze vervangende rol is het van belang dat de profielen vergelijkbaar zijn.
2
Dit schadeprotocol wordt opgesteld in nauwe samenspraak met de regio, in lijn met de inhoud van dit document. Een (juridisch) deskundige zal daartoe namens de provincie Limburg meeschrijven aan het protocol evenals een deskundige namens de mijnbouwgemeenten met kennis van de bodem in de voormalige mijnstreek. Als sluitstuk van dit proces toetsen de ondertekenaars van dit document of het protocol in overeenstemming is met de in dit document beschreven inrichtingsprincipes.
e) Met het oog op de inrichting van de Limburg Kamer worden er drie nieuwe leden geworven bij de CM. Eén van hen is voorzitter van de Limburg Kamer, en vicevoorzitter van de CM. De vicevoorzitter van de CM is net als de voorzitter van de CM een (voormalig) rechter en beschikt over uitgebreide juridische expertise op het gebied van in elk geval bestuursrecht en bij voorkeur op het terrein van aansprakelijkheidsrecht. Ook heeft diegene affiniteit met bouwkundige zaken. Voor de overige twee leden geldt dat zij gezamenlijk in elk geval over kennis en ervaring beschikken op het gebied van bouwkundige kwesties en constructief herstel, over de gesteldheid van de bodem in het voormalige steenkoolwinningsgebied en de na-ijlende effecten van de steenkoolwinning hierin, en over geohydrologie. f) Naast de drie nieuwe leden worden zodra noodzakelijk twee plaatsvervangende leden aangesteld, die de onder e bedoelde leden (niet zijnde de voorzitter) kunnen vervangen bij ziekte of afwezigheid. De plaatsvervangende leden moeten over hetzelfde profiel beschikken als de vaste leden van de Limburg Kamer.
Om bij ziekte of afwezigheid van de onder e bedoelde leden (niet zijnde de voorzitter) snel over te kunnen gaan tot aanstelling van deze plaatsvervangende leden, wordt bij de werving van de permanente leden van de Limburg Kamer een shortlist samengesteld met geschikte kandidaten op wie wanneer nodig een beroep kan worden gedaan om plaatsvervangend aan te treden. g) De leden van de CM worden voor een bepaalde periode benoemd door de staatssecretaris. Voor de werving en benoeming wordt gebruik gemaakt van de bestaande EZK-procedure voor aanstelling van de leden van de CM. Er zal een rooster van aftreden worden opgesteld zodat niet alle leden tegelijk wisselen. 5. Geografische afbakening In de regeling wordt een geografische afbakening opgenomen van het gebied waarbinnen woningen moeten liggen om in aanmerking te komen voor toekenning van een voorziening. Woningen waarvoor een aanvraag wordt ingediend moeten zich binnen deze contouren bevinden om de aanvraag in behandeling te laten nemen. De afbakening van het schadegebied in de regeling volgt in algemene zin de contouren van het concessiegebied. In de uitwerking van het schadeprotocol wordt deze afbakening nader aangescherpt, op basis van beschikbare kennis over naijlende effecten van steenkoolwinning, onder andere in samenwerking met het Informatiecentrum Nazorg Steenkoolwinning.
Daarbij wordt nu gedacht aan een verfijnde afbakening op grond van bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, de aanwezigheid van drempels, mijnschachten en stijgend mijnwater. De staatsecretaris kan in het geval van goed onderbouwde bijzondere omstandigheden afwijken van de bepalingen in een beleidsregel (inherente afwijkingsbevoegdheid). De Limburg Kamer kan deze bevoegdheid van de staatssecretaris betrekken bij het adviseren over aanvragen, zodat evident onredelijke uitkomsten vermeden kunnen worden. Dit betekent dat in het geval dat de Limburg Kamer van oordeel is dat de toepassing van het schadegebied tot onmiskenbaar onredelijke uitkomsten zou leiden, ook woningen buiten de geografische contouren in aanmerking kunnen komen voor een voorziening op grond van de regeling. 6. Bezwaar en beroep Besluiten van de staatssecretaris staan open voor bezwaar en beroep. Aanvragers zijn verzekerd van laagdrempelige rechtsbescherming zoals geregeld in de Algemene wet bestuursrecht. Besluiten die open staan voor bezwaar en beroep zijn: besluit niet-ontvankelijkheid; inhoudelijk besluit op de aanvraag om schadevergoeding. 7. Duur van de regeling De regeling loopt in beginsel tot 2035, omdat volgens de huidige beschikbare kennis de naijleffecten van de steenkoolwinning zich nog (zeker) 10 jaar zullen blijven voordoen. De regeling wordt periodiek geëvalueerd.
Daarbij moet in ieder geval aandacht zijn voor de hoeveelheden aanvragen die tot op dat moment zijn ingediend en afgehandeld, voor de ontwikkelingen die zich voordoen in de bodem en de betekenis daarvan voor de regeling. Na 2030 wordt in de evaluatie ook expliciet de vraag gesteld of continuering van de regeling nodig is. 8. Fasering van de inwerkingtreding van de regeling Het streven is om de regeling in het voorjaar van 2024 open te stellen voor aanvragen. Tot die tijd zijn de reeds verleende subsidies beschikbaar om lopende zaken af te ronden via de kanalen die daar nu al voor bestaan. De regeling wordt als eerste opengesteld voor zware gevallen. Dit betekent dat in de eerste periode bij de ontvankelijkheidstoets gekeken wordt naar de verwachte zwaarte van de
-
-
-
schades. Alleen wanneer deze (vermoedelijk) in de zware categorie valt, wordt de aanvraag in behandeling genomen. o Om te voorkomen dat bij de openstelling van de regeling veel aanvragen voor lichte schades worden ingediend bij de Staatssecretaris, zal het I3ML aanvragers ondersteunen bij het inschatten van de zwaarte van hun schade. Indien dit een lichte schade betreft, zal het I3ML mensen adviseren om hun aanvraag nog niet te versturen (ofwel: een melding te doen bij het I3ML, die nog niet formeel wordt omgezet in een aanvraag bij de staatssecretaris). Wanneer toch een aanvraag wordt ingediend waarbij er geen sprake is van zware schade, neemt de staatssecretaris deze niet in behandeling (omdat de regeling nog niet is opengesteld voor andere schades dan zware schades). Er wordt een proces ingericht waarin de aanvrager wordt duidelijk gemaakt dat deze de aanvraag later nogmaals kan insturen als de regeling is opengesteld voor niet-zware schades. Daarnaast wordt de regeling ook direct opengesteld voor burgers die die op dit moment een aanvraag hebben ingediend voor een uitkering uit het Waarborgfonds en gedupeerden die in dit kader al een advies hebben ontvangen van de Tijdelijke Commissie Bodembeweging (TCBb).
Ook wordt de regeling direct opengesteld voor burgers wier aanvraag bij de stichting Calamiteitenfonds Mijn(water)schade Limburg is afgewezen omdat er geen sprake was van een situatie waarbij de veiligheid acuut in het geding is. Nota bene: de stichting Calamiteitenfonds handelt de komende periode reeds bij haar ingediende aanvragen nog af. Voor overige schades (regulier en licht) wordt de schaderegeling gefaseerd opengesteld per postcodegebied. Dit gebeurt bij de openstelling van de regeling voor een klein aantal postcodegebieden, in principe in iedere mijngemeente één. De regio werkt, zoveel mogelijk in samenspraak met de Limburg Kamer van de CM, een voorstel uit voor de volgorde van overige postcodegebieden. Dit voorstel zal in het eerste kwartaal van 2024 gereed zijn. Het tempo van de openstelling hangt af van het aantal aanvragen dat binnenkomt en wordt afgehandeld in de eerste periode. In alle gevallen is het belangrijk om te werken met een voorzichtig schema van openstelling. Zo wordt voorkomen dat er valse verwachtingen worden gewekt bij burgers. Op basis van ervaringen kan het schema eventueel versneld worden (in plaats van een te ambitieus schema dat moet worden teruggeschaald).
9. Evaluatiemomenten De regeling wordt periodiek in het geheel geëvalueerd. Na één jaar vanaf de eerste schadebeslissing wordt een eerste evaluatie uitgevoerd die zich richt op de ervaringen met de gekozen schadecategorieën en -modaliteiten. Daarin is uitdrukkelijk aandacht voor het perspectief van gedupeerden. Aan de hand van deze evaluatie wordt gekeken is of er aanleiding is om aanpassingen te maken. 10. Financiering en kostenverhaal De staatssecretaris is voornemens om de kosten die worden gemaakt bij het herstel van schade daar waar mogelijk te verhalen op alle nog bestaande rechtsopvolgers van de voormalige mijnbouwondernemingen. Thema 2: Betrokken partijen en taakverdeling in de uitvoering van de regeling In de uitvoering van de schaderegeling hebben verschillende partijen een rol: de Staatssecretaris, de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade (LK/CM), een regionaal instituut (I3ML). Hieronder beschrijven we de rol en verantwoordelijkheid van elke actor. Bij het nader uitwerken van de regeling worden afspraken gemaakt over de invulling van de samenwerking tussen de staatssecretaris, Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade en het I3ML, zowel in het contact met aanvragers als in administratieve zin. 1.
Staatssecretaris van EZK De publieke taken in de uitvoering van de schaderegeling (voorbereiden en nemen van besluiten tot toekenning van een voorziening) liggen bij de staatssecretaris. Met het oog op een uniforme afhandeling van mijnbouwschade, vraagt de staatssecretaris advies aan de (op te richten) Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade. Met inachtneming daarvan neemt hij een besluit. De staatssecretaris handelt bezwaar en beroep tegen deze besluiten af. De staatssecretaris belegt de taakuitvoering van de verschillende taken in het proces aan door hem aan te wijzen onderde(e)l(en) van het ministerie van EZK. 2. Limburg Kamer, Commissie Mijnbouwschade
De Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade adviseert de staatssecretaris over de aannemelijkheid dat de door gedupeerden gemelde schade is veroorzaakt door de voormalige steenkolenwinning en de omvang van de schade. 3. I3ML Als uitvloeisel van de afspraken in dit document wordt het I3ML opgezet (zie ook thema 3). Dit instituut heeft tot taak gedupeerden te ontzorgen bij de afhandeling en herstel van mijnschade, bestaande kennis te bundelen en nieuwe kennis te ontwikkelen over (de afhandeling van) mijnschade, en op basis hiervan belanghebbenden in de regio en overige geïnteresseerden te informeren. Er is een aantal afspraken gemaakt over hoe uitvoering gegeven moet worden aan de verschillende taken door deze partijen. Er is een proces op hoofdlijnen ontworpen, dat aan het eind van dit hoofdstuk is weergegeven. We lichten de processtappen hieronder toe. Informatievoorziening Uitvoering door: I3ML Houdt in: Het informeren van gedupeerden over de mogelijkheden, procedure en voorwaarden voor de afhandeling van schade als gevolg van steenkoolwinning: online en fysiek. Daarbij ook aandacht voor bredere voorlichting over het mijnbouwverleden van de regio en de naijlende effecten. I3ML vraagt akkoord aan de LK/CM alvorens te informeren zodat er geen dubbele of onjuiste informatie wordt verstrekt. LK/CM en I3ML maken afspraken over wie over wat communiceert, b.v. op de websites.
Ondersteunen gedupeerde bij indienen aanvraag Uitvoering door: I3ML Houdt in: Voor die gedupeerden die ondersteuning nodig hebben bij het indienen van een aanvraag, bemant I3ML een fysieke laagdrempelige locatie, waar I3ML-medewerkers aanwezig zijn om vragen van gedupeerden te beantwoorden en hen te ondersteunen bij het invullen van het aanvraagformulier. Ook het maken van foto’s op locatie hoort daarbij als de gedupeerde daar niet toe in staat is. Verder probeert I3ML niet prioritaire aanvragen aan te houden en alleen prioritaire aanvragen te laten indienen bij de Staatssecretaris. Aannemen formulier en aanleveren informatie Uitvoering door: I3ML Houdt in: Gedupeerden vullen een aanvraagformulier in en dienen dit in bij I3ML (fysiek of digitaal). I3ML krijgt de mogelijkheid om het formulier aan te vullen met voor de beoordeling door de Limburg Kamer relevante feitelijke (context)informatie, bijvoorbeeld over de ligging van een woning ten opzichte van voormalige mijnschachten of -drempels. Vervolgens verstuurt I3ML dit formulier naar de Staatssecretaris. Ontvangen formulier Uitvoering door: staatssecretaris Houdt in: De staatssecretaris neemt de aanvraag formeel in ontvangst, start de behandeling (aanmaken dossier, ontvankelijkheidstoets), en leidt deze door naar de Limburg Kamer voor advisering.
Vanaf dit moment van formele ontvangst van de aanvraag door de staatssecretaris treden de termijnen voor het nemen van een besluit in werking. Voor de ontvankelijkheidstoets kan de Staatssecretaris een beroep doen op kennis en informatie van I3ML, het Informatiecentrum, of op de LK/CM. De staatssecretaris neemt een besluit over ontvankelijkheid. De staatssecretaris informeert de zaakbegeleider dat het besluit (niet)ontvankelijkheid of termijnverdaging wordt verstuurd, zodat I3ML waar nodig communicatie kan verzorgen. Toewijzen zaakbegeleider Uitvoering door: I3ML in overleg met LK/CM Houdt in: LK/CM informeert I3ML dat er een aanvraag is binnengekomen. LK/CM vraagt I3ML om zaakbegeleider aan te wijzen en om – voor zover niet gedaan – de procedure aan aanvrager toe te lichten. Aanvragers krijgen een zaakbegeleider toegewezen, die gedurende het volledige proces van aanvraag tot herstel door de aannemer beschikbaar is om hen te begeleiden in het doorlopen van dit proces en hun vragen hierover te beantwoorden. Zaakbegeleider en LK/CM informeren elkaar regelmatig over signalen en benodigde communicatie.
Triage Uitvoering door: Limburg Kamer Commissie Mijnbouwschade Houdt in: De staatssecretaris zet ontvankelijke aanvragen door ter advisering naar de LK/CM. De LK/CM beoordeelt op basis van bureaustudie of onderzoek ter plaatse, in welke schadecategorie aanvragen vallen en welke route voor afhandeling wordt gevolgd. Beoordeling schadedossier en opstellen concept-advies Uitvoering door: LK/CM Commissie Mijnbouwschade Houdt in: De LK/CM van de Commissie Mijnbouwschade beoordeelt een schadedossier op basis van de inhoud van het op te zetten schadeprotocol voor de afhandeling van schade als gevolg van steenkoolwinning. Bij de boordeling staat het uitgangspunt van aannemelijkheid centraal. Het protocol geeft nadere invulling in de wijze waarop de Limburg Kamer verschillende schadecategorieën afhandelt (zie ook elders in dit document). Voor de beoordeling van een aanvraag kan de Limburg Kamer nader onderzoek (laten) uitvoeren in een woning. Ook kan de Limburg Kamer zich met informatieverzoeken wenden tot I3ML, het Informatiecentrum of andere externe deskundigen. Deze laatste worden door de staatssecretaris geselecteerd via een aanbestedingsprocedure, met betrokkenheid van c.q. in overleg met de Limburg Kamer. De Limburg Kamer stelt een concept-advies op.
Zienswijze aanvrager en opstellen definitief advies Uitvoering door: Limburg Kamer Commissie Mijnbouwschade Houdt in: De Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade stelt een concept-advies op. Dit advies wordt toegestuurd aan de aanvrager. Deze kan een zienswijze formuleren op dit concept-advies. De Limburg Kamer betrekt deze zienswijze in de formulering van zijn definitieve advies, dat wordt uitgebracht aan de staatssecretaris. Deze neemt zijn besluit tot toekenning dan wel afwijzing met inachtneming van dit advies. De staatssecretaris informeert I3ML dat het verzoek om zienswijze wordt verstuurd, zodat I3ML waar nodig communicatie kan verzorgen. Besluit en communicatie Uitvoering door: staatssecretaris en I3ML Houdt in: Na advisering door de Limburg Kamer neemt de staatssecretaris een besluit over toekenning van een voorziening voor de afhandeling van schade (schadevergoeding of herstel in natura). De gedupeerde wordt over dit besluit geïnformeerd door de staatssecretaris. Dit gaat gepaard met communicatie vanuit I3ML over het vervolg op dit besluit (in veel gevallen: de uitvoering van herstel in natura via I3ML). Uitkeren kleine schadevergoeding Uitvoering door: staatssecretaris Houdt in: Voor lichte schades ontvangen gedupeerden een vergoeding op basis van een calculatie van de werkelijke schade.
Begeleiden bij herstel in natura: Uitvoering door: I3ML Houdt in: I3ML begeleidt aanvragers die een positief besluit van de staatssecretaris hebben ontvangen bij het door een door henzelf of door I3ML geselecteerde aannemer laten uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan hun woning. I3ML doet een aanbesteding voor de aannemers en houdt toezicht daarop. Dit gebeurt conform de in bijlage 2 beschreven werkwijze. I3ML betaalt aannemers, en ontvangt de middelen hiervoor van EZK. Bezwaar en beroep Uitvoering door: staatssecretaris Houdt in: De staatssecretaris handelt na een hoorzitting bezwaren die tegen besluiten op grond van de schaderegeling worden ingediend af. (hoger) Beroep: de staatssecretaris stelt een verweerschrift op en is aanwezig bij de zitting. De wens is om bezwaar dichtbij aanvragers in Limburg te organiseren, idealiter door eventuele bezwaarzittingen op locatie in de regio te organiseren, met als terugvaloptie het in de regio organiseren van een faciliteit voor het bijwonen van een online zitting. Archivering Uitvoering door: staatssecretaris Houdt in: De staatssecretaris stuurt een kopie van het schadedossier naar het Informatiecentrum nazorg steenkoolwinning zodat de geconstateerde schade kan worden
verwerkt in de kaartlagen. Het betreft hier gegevens die nodig zijn voor toekomstige aanvragen of die eigenaren van woningen moeten verstrekken aan een toekomstige koper. Ook worden de gegevens gebruikt om de toekomstige besluiten te versnellen. Als er al meerdere positieve besluiten in de straat zijn geweest, is het niet nodig om die onderzoeken te herhalen.
Thema 3: I3ML Als onderdeel van de in dit akkoord gemaakte afspraken, wordt een instituut I3ML opgericht, dat tot taak heeft gedupeerden te ontzorgen bij de afhandeling en herstel van mijnschade, bestaande kennis te bundelen en nieuwe kennis te ontwikkelen over (de afhandeling van) mijnschade, en op basis hiervan belanghebbenden in de regio en overige geïnteresseerden te informeren. Vanaf januari 2024 gaat namens het ministerie van EZK een kwartiermaker aan de slag in de regio om een tijdelijke werkorganisatie op te zetten zodat inwoners zich aan het einde van het voorjaar van 2024 kunnen melden bij I3ML. 1. Kernwaarden I3ML I3ML kent de volgende kernwaarden: Ontzorgend – De gedupeerde wordt zo veel mogelijk ontzorgd bij de afhandeling van mijnschade. Lokaal geworteld – Het instituut is lokaal verankerd, en begrijpt de lokale context. Hierdoor staat het dichtbij gedupeerden. Laagdrempelig – Het is makkelijk voor gedupeerden om het instituut te benaderen. Het instituut is toegankelijk - de locatie en dienstverlening zijn hierop ingericht. Burgers met twijfels en vragen moeten ook buiten een directe aanvraag voor schadeherstel om informatie kunnen opvragen. Zichtbaar – Het instituut is gevestigd op een fysieke locatie, wat bijdraagt aan het zichtbaar maken van het mijnbouwverleden van de regio.
Slagvaardig: Mensen hoeven niet langer dan nodig te wachten op hulp van het instituut. Deskundig: I3ML is dé expert op het gebied van de effecten van steenkoolwinning in de regio; en met behulp van I3ML wordt schade deskundig hersteld Betrouwbaar: Inwoners kunnen vertrouwen op het instituut, dat handelt volgens het principe van de menselijke maat. 2. Functies I3ML Er zijn drie primaire functies voor I3ML gedefinieerd: Het ontzorgen van gedupeerden rondom de regeling: Dit gaat over het begeleiden van gedupeerden bij het doorlopen van een aanvraag voor tegemoetkoming bij of herstel van mijnschade. Hieronder valt onder meer het informeren van gedupeerden (zowel door het publiek toegankelijk maken van informatie over mijnschade als door het inzichtelijk maken van de procesgang rondom de regeling), zaakbegeleiding bij het doorlopen van de gehele procedure en het begeleiden bij uitvoeren van herstel in natura via de aannemersvariant. Informeren over combinaties (en verduurzaming) bij herstel: Als een aannemer aan de slag gaat bij een gedupeerde, kan de gedupeerde direct geïnformeerd worden over (financieringsmogelijkheden voor) andere ingrepen in het huis (veelal in het kader van verduurzaming): dit zijn meekoppelkansen.
Ontwikkelen en ontsluiten van kennis: In samenwerking met kennisinstituten waaronder in ieder geval de Open Universiteit, heeft de regio de ambitie I3ML ook uit te laten groeien tot een kenniscentrum voor (nieuwe) kennis over de impact van mijnbouw(schade) op milieu en mens, met relevantie voor niet alleen de Limburgse mijnstreek, maar ook andere mijnbouwregio's in binnen- en buitenland. Deze kennis zal in ieder geval juridische aspecten beslaan, maar zal waar mogelijk uitgebreid worden naar andere disciplines. Te denken valt hierbij aan de sociologische en economische impact van mijnbouw(schade). 3. Rechtsvorm en financiering -
De rechtsvorm van het I3ML wordt nader onderzocht. Aangezien het I3ML publieke taken uitvoert, moet het instituut een publiekrechtelijke vorm krijgen. De voorkeursoptie is om het I3ML onderdeel van het Rijk te maken (c.q. onder te brengen bij het ministerie van EZK). Het I3ML wordt opgestart in de vorm van een zelfstandig opererende, in Heerlen gevestigde TWO (Tijdelijke Werkorganisatie). De passendheid en haalbaarheid van deze rechtsvorm wordt nader onderzocht door een onafhankelijke partij. Voor een volledig beeld en goede onderbouwing van de meest passende en haalbare rechtsvorm, worden in dit onderzoek ook andere varianten voor positionering onderzocht. Daarbij worden ook alternatieven voor een regionale positionering betrokken. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt een besluit genomen over de rechtsvorm.
-
-
-
Het onderzoek besteedt aandacht aan in ieder geval de volgende onderwerpen: rechtspersoonlijkheid, governance, financiering, benodigdheden en termijn opstart, en overige aandachtspunten. In het onderzoek worden de voor- en nadelen van de varianten onderzocht aan de hand van zes criteria: o Doorlooptijd o Politieke verantwoordelijkheid o Verankering in de regio o Consistentie o Kosten o Sturingsmogelijkheden staatssecretaris Mocht worden gekozen voor een Rijksinstituut, dan zal het instituut zich primair richten op de eerste functie: het ontzorgen van gedupeerden rondom de regeling. Voor de overige twee functies (informatie over combinaties bij herstel en het ontwikkelen, toepassen en ontsluiten van kennis) wordt nader onderzocht hoe dit in samenwerking met de regio vorm kan krijgen binnen I3ML. De regio draagt verantwoordelijkheid voor de organisatie en, indien van toepassing, financiering van deze functies. De door I3ML gemaakte (apparaats)kosten voor uitvoering van de schadeafhandeling en de ontzorging daaromtrent komen voor rekening van de staatssecretaris. 4. Formatie en capaciteit
-
De uitvoeringscapaciteit en -kosten van I3ML zijn in sterke mate afhankelijk van de verdere uitwerking van de organisatie- en procesinrichting en het aantal aanmeldingen. Zeker gezien de onvoorspelbaarheid van het aantal aanmeldingen, wordt gekozen voor een groeimodel met een relatief beperkte personele bezetting bij de opening van de regeling, die kan worden uitgebreid naarmate het aantal aanvragen toeneemt. Een eerste inschatting gaat uit van een minimaal benodigde formatie van ongeveer 12 FTE. Op basis van de ervaringen kan dit later worden bijgesteld.
Bijlage 1: bewijsbeleid Op 25 mei 2023 is als uitgangspunt afgesproken dat voor de schadeafhandeling in de garantieregeling een criterium voor het beoordelen van het verband tussen de voormalige steenkolenwinning en de schade wordt aangelegd dat gebaseerd is op voldoende aannemelijkheid. Hierin wordt goed gekeken naar voldoende aannemelijkheid versus (bewezen) causaliteit. Dat het niet een systeem wordt van strikte causaliteit, met het verplicht inschakelen van (meerdere) deskundigen en juridische vervolgstappen. Tegelijkertijd is van belang dat de aannemelijkheid stevig genoeg is om, enerzijds als Rijk de kosten te kunnen verhalen op alle rechtsopvolgers, daar waar die er nog zijn, en anderzijds de uitgave van publieke middelen te kunnen verantwoorden in de Tweede Kamer. Er wordt voorgesteld om de volgende formulering in de regeling op te nemen: ‘De Minister kent op aanvraag aan een natuurlijke persoon die eigenaar is van een gebouw gelegen in een gebied als opgenomen in bijlage PM waar schade is opgetreden en waarvan voldoende aannemelijk is dat deze het gevolg is van bodembeweging als gevolg van steenkolenwinning een voorziening voor deze schade toe.’ Daarbij wordt opgemerkt dat de toelichting bij de regeling van groot belang is om te verduidelijken hoe dit bewijsbeleid vorm moet krijgen in de uitvoering.
Het is belangrijk om te voorkomen dat de formulering ‘voldoende aannemelijk’ uiteindelijk toch wordt gebruikt om het aantonen van een strikt causaal verband te vragen. Voor de uitwerking van deze toelichting zijn de volgende uitgangspunten genoemd: In de toelichting wordt duidelijk gemaakt dat een significant ander criterium dan causaal verband gehanteerd wordt. De kernvoorwaarden voor het toekennen van een voorziening zijn: 1) Is uit de gegevens van het Gegevenshuis, al dan niet in combinatie met andere beschikbare informatie, over bijvoorbeeld drempels, mijnschachten en mijnwater voldoende aannemelijk dat er op of in de nabijheid van de locatie waar de woning waar de aanvraag op ziet sprake is (geweest) van bodembeweging als gevolg van steenkolenwinning? 2) de schade waar de aanvraag op ziet naar zijn aard en/of omvang schade is die veroorzaakt kan zijn door de betreffende vorm van bodembeweging als gevolg van steenkolenwinning? 3) Is er sprake van evidente contra-indicaties die kunnen wijzen op mogelijke andere schade oorzaken, zoals de situering in de nabijheid van een drukke weg of evidente bouwkundige gebreken? Voor schades onder de 5.000 euro wordt in principe een oordeel geveld op basis van bureauonderzoek door de Limburg Kamer van de Commissie Mijnbouwschade aan de hand van de gegevens in de aanvraag (o.a.
fotomateriaal van de aanvrager), de gegevens van het Gegevenshuis, satellietfoto’s en andere openbaar toegankelijke informatie (o.a. verleende vergunningen voor verbouwing van de woning, informatie over bouwwerkzaamheden in de nabije omgeving). Indien dit vragen oproept over de aard van de schade of wijst op het bestaan van contra-indicaties, kan gekozen worden om nader onderzoek te verrichten of laten verrichten, zoals bijvoorbeeld informatie van de gemeentelijke dienst bouw- en woningtoezicht te vragen en/of een bouwkundige opname te laten uitvoeren. Voor schades boven de 5.000 euro wordt voornoemde informatie ook gebruikt, maar wordt altijd nader onderzoek verricht (vb. bouwkundige opname). De CM stelt hiervoor een werkwijze op.
Bijlage 2: Beschrijving werkwijze herstel in natura (‘aannemersvariant’) Deze bijlage is gebaseerd op de notitie over de opzet schadevergoeding in natura in het steenkolenprotocol van de Stichting Calamiteitenfonds en de Provincie Limburg. De werkwijze voor de uitvoering van herstel in natura ziet er op hoofdlijnen als volgt uit. Dit werkproces is gebaseerd op het geldende werkproces van de Stichting Calamiteitenfonds. Dit werkproces zal op onderdelen moeten worden herzien om het in lijn te brengen met de afspraken gemaakt in dit document (bijvoorbeeld: het I3ML zal geen besluiten nemen in de zin van de Awb, terwijl de huidige stichting dat wel doet). Het uitvoeringsproces voor herstel in natura ziet er op hoofdlijnen als volgt uit: 1. De staatsecretaris besluit op de aanvraag. In dat besluit staat de mijnbouwschade die voor vergoeding in aanmerking komt, met daarin de bouwtechnische voorzieningen en de termijn voor het herstel in natura. De regeling wordt zo vormgegeven dat er voor meerwerk geen nieuw besluit nodig is, bijvoorbeeld te bepalen dat de minister een voorziening toekent. 2. Naar aanleiding van dit besluit legt het I3ML op basis van rotatie en beschikbaarheid de aanvrager twee aannemers voor uit de lijst van de door I3ML geselecteerde aannemers, die het herstel in natura kunnen realiseren. 3. De aanvrager maakt een keuze uit de twee genomineerde aannemers.
De gekozen aannemer legt vervolgens een offerte voor aan I3ML. Op basis van een kostentechnische en bouwtechnische analyse brengt het I3ML richting aanvrager een advies uit over deze offerte, waarna de aanvrager over kan gaan tot opdrachtverstrekking. Het advies van I3ML kan er ook uit bestaan de in eerste instantie afgevallen genomineerde aannemer een alternatieve offerte uit te laten brengen, om vervolgens de opdracht te verstrekken. Het I3ML neemt hierbij geen op rechtsgevolg gerichte beslissingen. 4. De aanvrager verleent de opdracht, waarna de aannemer deze uitvoert. 5. Na oplevering van de (tranches van) werkzaamheden doet I3ML een oplevercontrole. Vervolgens worden door de aanvrager de facturen van de aannemer in handen gesteld van I3ML, dat deze namens de aanvrager rechtstreeks aan de aannemer voldoet. I3ML werkt met zogenaamde geselecteerde aannemers. Daaronder wordt verstaan: “de aannemer waarmee een intentieverklaring is gesloten en die in opdracht van de eigenaar-bewoner resp. –in geval van huur van de woning- van de eigenaar de noodzakelijk geoordeelde bouwtechnische voorzieningen uitvoert.” Om tot een selectie van gekwalificeerde aannemers te komen houdt I3ML een openbare aanbesteding die voldoet aan de Europese aanbestedingsrichtlijnen.
Daarbij worden de volgende selectiecriteria toegepast: De kerncompetenties: inmeten en opmeten van woningen, sonderen en opgraven bestaande fundatie, overleggen t.b.v. cocreatie, oplossingsgerichtheid voor constructief versterken, specialistisch onderzoek, engineeren van de ontworpen oplossing, Technische bekwaamheid blijkende uit (ISO)certificaten, Verzekeringen, zoals CAR, bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeringen, construct- en designverzekeringen, Inschrijving in beroeps- of handelsregister Te hanteren voorschriften, zoals UVA, VGWMS-reglement, Gedragsregels integriteit. I3Ml sluit met de geselecteerde aannemers een samenwerkingsovereenkomst (hierna te noemen SOK) gesloten. De overeenkomst is het formele kader waarbinnen partijen, i.c. aanvrager, aannemer, staatssecretaris en het I3ML, opereren. Uitgangspunt is dat de aanvrager de opdrachtgever is en I3ML de gunningsprocedure controleert en de financiering voor haar rekening neemt.
Om te garanderen dat dit proces met voldoende waarborgen verloopt worden in de SOK onder meer de volgende afspraken vastgelegd: Verklaring van de aannemers dat zij de nakoming garanderen van reglementen en codes (UVA, VGWMS en Integriteitscode); De aannemer draagt zorg voor de benodigde gemeentelijke vergunningen en ontheffingen en voor betaling van leges- en overige kosten (die deel uitmaken van de offerte); Een schema met te hanteren uurtarieven per functie; Regeling omtrent wijziging van de werkbeschrijving door meer- of minderwerk;
-
-
-
Wijze van facturering en afspraken over betalingstermijnen; Controle van (de voortgang van de) werkzaamheden; Garantiebepalingen; Procedure van oplevering; Aansprakelijkheid van de aannemer voor eventuele claims en aanspraken van aanvrager en derden; aannemers sluiten hiertoe de nodige verzekeringen af (CAR, ontwerp- en bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering). Aannemers moeten kunnen aantonen dat zij de vereiste verzekeringen daadwerkelijk hebben afgesloten. Bepaling omtrent looptijd en regeling bij tussentijds opzeggen of beëindiging. Een model-overeenkomst van aanneming tussen aannemer en opdrachtgever Bij opdrachten aan deskundigen, zoals constructeurs, grondonderzoekers, architecten werken deze onder verantwoording van de aannemer. Bijkomende kosten (incl. uit de opdracht voortvloeiende schades) komen voor rekening van de aannemer. Onderaannemers vallen volledig onder verantwoording van de aannemer en diens verzekeringen. Constructeurs die werken in opdracht van de aannemer worden ook als onderaannemer gedefinieerd.
I3ML draagt zorg voor begeleiding bij de uitvoering van herstel in natura. Een medewerker van I3ML heeft regelmatig contact met zowel de aanvrager als de aannemer over de voortgang van de bouwwerkzaamheden. Met name als zich tijdens het werkproces wijzigingen voordoen, houdt I3ML de vinger aan de pols over aanpak en prijsstelling. Pas nadat daarover met de aannemer en de aanvrager overeenstemming is bereikt, kan de aannemer starten met de uitvoering van meer- of minderwerk. Aanvrager tekent dan een gewijzigde overeenkomst van aanneming dan wel een verklaring dat hij als opdrachtgever instemt met de wijziging.