Bijlage 8 Quickscan Ecologie.pdf
Tekst van het document
GEMEENTE HEERLEN
QUICKSCAN ECOLOGIE BMV HEERLERBAAN IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
25 MAART 2021
WSP NEDERLAND B.V. RINGWADE 41 3439 LM NIEUWEGEIN +31 (0)88 910 20 00 wsp.com
PROJECTNUMMER SLM06206 DOCUMENTNUMMER SLM06206.QS, versie 1
COLOFON RAPPORTHISTORIE 1
25 maart 2021
Oplevering concept
CONTACTGEGEVENS Tom Zeegers +031 (0)612 227 207 tom.zeegers@wsp.com
AUTORISATIE PROJECTNUMMER
DOCUMENTNUMMER
VERSIE
STATUS
SLM06206
SLM06206.QS
1
Concept
OPGESTELD DOOR
FUNCTIE
DATUM
T. Zeegers
Adviseur Ecologie
23 maart 2021
GEVERIFIEERD DOOR
FUNCTIE
DATUM
M. Gehem
Senior ecoloog
23 maart 2021
GOEDGEKEURD DOOR
FUNCTIE
DATUM
T. Zeegers
Adviseur Ecologie
25 maart 2021
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
PARAAF
PARAAF
PARAAF
WSP 25 maart 2021 pagina 2/26
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
4
2
WETTELIJK KADER
5
2.1
Soortbescherming
5
2.2
Gebiedsbescherming
6
3
PLANGEBIED
7
3.1
Huidige situatie
7
3.2
Planontwikkeling
9
4
ONDERZOEKSOPZET
10
4.1
Beschikbare gegevens en veldbezoek
10
4.2
Effectenbeoordeling
10
5
BESCHERMDE SOORTEN
11
5.1
Planten
11
5.2
Grondgebonden zoogdieren
11
5.3
Vleermuizen
12
5.4
Amfibieen
13
5.5
Reptielen
13
5.6
Vissen
13
5.7
Ongewervelden
13
5.8
Vogels
14
6
BESCHERMDE GEBIEDEN
15
6.1
Natura2000
15
6.2
Nationaal natuurnetwerk
16
7
EFFECTBEOORDELING
17
7.1
Vogelrichtlijnsoorten
17
7.2
Habitatrichtlijnsoorten
17
7.3
Nationaal beschermde soorten
18
7.4
Beschermde gebieden
19
8
SAMENVATTING BEVINDINGEN
20
LITERATUURLIJST
21
BIJLAGE 1: WETGEVING EN BELEID
22
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 3/26
1
INLEIDING
In opdracht van gemeente Heerlen heeft WSP Nederland een quickscan ecologie uitgevoerd voor het plangebied gelegen tussen de Corisbergweg en de Vullingsweg. De gemeente is voornemens een Brede Maatschappelijke Voorziening ‘Heerlerbaan’ te ontwikkelen. De ontwikkeling past niet geheel in het vigerende bestemmingsplan en hiertoe is het nodig een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. De quickscan vormt de eerste fase in het kader van toetsing van plannen in de buitenruimte aan de Wet natuurbescherming (hierna Wnb; bijlage 1) met betrekking tot soortbescherming en gebiedsbescherming (inclusief Natuurnetwerk Nederland, hierna NNN en Natura 2000). De voorliggende quickscan leent zich niet direct voor een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag voor de geplande planontwikkeling.
Het doel van de quickscan is, om op basis van een literatuuronderzoek en een veldonderzoek, een inschatting te maken of: Beschermde planten- en diersoorten in het plangebied of directe omgeving van het plangebied kunnen voorkomen; De planontwikkeling mogelijk effect heeft op (potentieel) aanwezige beschermde planten- en diersoorten of functies voor deze soorten; en daarmee mogelijk strijdig is (zijn) met de soortenbescherming conform de Wnb; Algemene soorten in het plangebied te verwachten zijn waar op basis van de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) rekening mee gehouden moet worden; Een noodzaak aanwezig is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de in potentie voorkomende beschermde planten- en diersoorten, door een gerichte veldinventarisatie volgens de geldende protocollen; De planontwikkeling plaatsvindt in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000-gebied) of het NNN (natuurzones Limburg)/ Weidevogelkerngebied en of daarbij sprake is van de noodzaak voor nadere toetsing (Voortoets) en vergunning in het kader van gebiedsbescherming conform de Wnb inclusief externe werking en/of het provinciale beleid omtrent het NNN. Zowel bij mogelijke effecten als bij onvoldoende gegevens over de mogelijke aanwezige beschermde soorten of gebieden, volgt doorgaans het advies voor het uitvoeren van een nader onderzoek en/of toetsing.
Op basis daarvan kan een vergunning en/of ontheffing bij het bevoegd gezag aangevraagd worden. Als in het plangebied geen beschermde soorten of functies (onder andere verblijfplaatsen) aanwezig zijn, en het plangebied geen functie heeft voor deze soorten is het aanvragen van een ontheffing en het nemen van soortgerichte maatregelen niet noodzakelijk. Bij het voorkomen van alle (algemene én strikt beschermde) soorten geldt in alle gevallen de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb). WSP Nederland is door Kiwa gecertificeerd voor de ISO 9001- en de 14001-normen en heeft een eigen kwaliteitssysteem. De medewerkers van WSP Nederland, ingezet voor ecologische onderzoeken, zijn allen VCA gecertificeerd. WSP Nederland is actief lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Dit betekent dat medewerkers van WSP Nederland zich conformeren aan gedragscodes uitgevaardigd door het NGB. Rapporten voldoen aan de richtlijnen en standaarden die zijn opgesteld door het NGB. WSP Nederland is niet aansprakelijk voor (vervolg)schade welke kan voorkomen op basis van de inhoud en resultaten van deze quickscan. Dit rapport is opgesteld op verzoek van gemeente Heerlen en is haar eigendom.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 4/26
2 WETTELIJK KADER De Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in de bescherming van Europese Natura 2000-gebieden en planten- en diersoorten (bijlage 1). De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11), waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. In geval van overtreding van verboden zoals het opzettelijk doden van beschermde individuen, vernielen jaarrond beschermde nesten, eieren of andere beschermde leefgebieden bestaat er voor het bevoegd gezag een beginselplicht tot handhaving. Dat kan leiden tot bestuursrechtelijke maatregelen in de vorm van een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom of een BSBm (Bestuurlijke strafbeschikking milieu). Overtreding van deze verboden is bovendien een economisch delict en kan leiden tot strafrechtelijke vervolging.
2.1
SOORTBESCHERMING
In de Wnb onderdeel soortenbescherming zijn, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten (tabel 2.1). Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Binnen de categorie andere beschermde soorten (ook wel nationaal beschermde soorten) hebben provincies de bevoegdheid om eigen beleid te voeren, bijvoorbeeld het opnemen van vrijstellingen van specifieke soorten. Tabel 2.1: Op hoofdlijn verboden per beschermingsregime Soorten
Artikel Wnb
Vogelrichtlijn
3.1
Habitatrichtlijn soorten uit bijlage I en II van de Bern conventie en bijlage I van de Bonn conventie
3.5
Andere beschermde soorten
3.10
Verboden Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk vernielen, wegnemen of beschadigen van nesten/eieren Lid 3. Eieren rapen/onder zich hebben Lid 4 & 5. Opzettelijk verstoren (indien van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding) Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk verstoren Lid 3. Eieren te rapen of vernielen Lid 4. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen Lid 5. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten Lid 1 a. Opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden (vernoemd in bijlage van de wet onderdeel A) Lid 1 b. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van soorten (als bedoeld in bijlage van de wet onderdeel A) Lid 1 c. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten (als bedoeld in bijlage van de wet onderdeel B)
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 5/26
2.2 GEBIEDSBESCHERMING Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. Provincies hebben de bevoegdheid om eigen beleid te voeren met betrekking tot de NNN-gebieden binnen de provinciegrens.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 6/26
3 PLANGEBIED 3.1
HUIDIGE SITUATIE
Het plangebied bevindt zich in het bebouwde gebied van Heerlen, globaal tussen de Corisbergweg en de Vullingsweg, zie ook figuur 3.1. Het terrein omvat bebouwing, grotendeels laagbouw (sommige delen ook een tweede verdieping), met bijbehorende verhardingen en infrastructuur. Zo is er basisschoolgebouw (figuur 3.2) aanwezig met gymzaal en speelterrein, en een buurtgebouw (figuur 3.3). Alle gebouwen zijn opgetrokken uit metselwerk en bezitten een plat dak en boeiboorden. Rondom de gebouwen bevindt zich straatverlichting, daarnaast bevinden zich aan de gebouwen zelf ook verspreid diverse lichtbronnen. Naast verharding zijn ook enkele groene structuren aanwezig, het gaat om de volgende: ▪ Enkele grasstroken die worden beheerd als gazon. Deze bezitten een weinig gevarieerde soortensamenstelling met onder andere straatgras, madeliefje, kleine veldkers, paardenbloem en langs de randen ook kleine brandnetel. ▪ Enkele kort gehouden hagen, bestaande uit taxus en haagbeuk. ▪ Plantsoen met bodembedekkers en struwelen als klimop, kornoelje, buxus, roos en hulst. ▪ Verspreid staande bomen als plataan, haagbeuk, tamme kastanje, populier en zomereik (in zuilvorm).
Figuur 3.1: Topografische ligging plangebied (rood omkaderd).
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 7/26
Figuur 3.2: Impressie schoolgebouw met daaromheen beplanting in de vorm van bomen en bodembedekkers.
Figuur 3.3: Impressie buurtgebouw met daarvoor een strook gazon.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 8/26
3.2 PLANONTWIKKELING De gemeente is voornemens om een Brede Maatschappelijke Voorziening ‘Heerlerbaan’ met bijbehorende verhardingen te ontwikkelen. Dit in de vorm van een groot aaneengesloten gebouw, bestaande uit meerdere verdiepingen, zie ook figuur 3.4 voor een impressie. Hiertoe is het nodig om de aanwezige panden te slopen en een deel van het plantsoen en bomen te verwijderen. Ten behoeve van de realisatie van dit voornemen is het nodig om een nieuw bestemmingsplan op te stellen. Het plan past niet in het vigerende bestemminsplan.
Figuur 3.4. Impressie toekomstige situatie.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 9/26
4 ONDERZOEKSOPZET 4.1
BESCHIKBARE GEGEVENS EN VELDBEZOEK
De quickscan bestaat uit een eenmalig veldbezoek in combinatie met een bureaustudie. Als basis voor de bureaustudie is gebruik gemaakt van archiefgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF 2021, opgevraagd op 17 maart 2021). Van de afgelopen vijf jaar zijn de beschikbare gegevens over het voorkomen van beschermde natuurwaarden in en binnen de invloedsfeer (binnen een straal van maximaal 5 kilometer van het plangebied) voorafgaand aan het veldbezoek geanalyseerd en in het veld geverifieerd. Tevens is een inschatting gemaakt op basis van bestudering van kaartmateriaal. Het plangebied is op 18 maart 2021 bezocht door Tom Zeegers, ecoloog bij WSP Nederland. Ten tijde van de inspectie was het droog, licht bewolkt, zonnig en windstil. Tijdens het veldbezoek is gezocht naar beschermde natuurwaarden en is een inschatting gemaakt van de potenties van het plangebied voor beschermde soorten op basis van een habitatbeoordeling.
4.2 EFFECTENBEOORDELING De omvang van de ontwikkeling en de veranderingen die worden aangebracht in het plangebied vormen de basis voor de effectenbeoordeling. Op basis van de effectenbeoordeling is beoordeeld of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. De effectenbeoordeling houdt rekening met tijdelijke effecten (tijdens de uitvoering van de werkzaamheden) en permanente effecten (na de uitvoering). In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en volledigheid van de uit te voeren werkzaamheden en planning daarvan. Wanneer aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, is dat beschreven.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 10/26
5 BESCHERMDE SOORTEN In dit hoofdstuk zijn per soortgroep de bevindingen beschreven van zowel de bureaustudie alsook het uitgevoerde veldbezoek.
5.1
PLANTEN
Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van enkele beschermde planten soorten in de omgeving van het plangebied. Het overgrote deel van de meldingen is afkomstig van buitengebied, waaronder de kalkgraslanden bij de Kunderberg. Het gaat om soorten als bergnachtorchis, franjegentiaan, kalkboterbloem en wilde weit. De enige soort die binnen de komgrens is waargenomen en dichter bij het plangebied betreft de grote leeuwenklauw. Deze soort is tot op enkele honderden meters ten westen van het plangebied waargenomen. Veldbezoek Gedurende het veldbezoek (buiten het bloeiseizoen) zijn geen groeiplaatsen van beschermde soorten planten aangetroffen. Zowel het plantsoen alsook het gazongras bieden geen geschikte groeiplaatsen voor beschermde soorten. Op de bebouwing is daarnaast specifiek gelet op de aanwezigheid van groeiplaatsen van muurflora, ook deze zijn niet aangetroffen. De aanwezigheid van beschermde plantensoorten is uitgesloten binnen het plangebied.
5.2 GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van de verschillende soorten in de omgeving: ▪ Diverse algemene soorten zoogdieren, zoals bosmuis, egel, haas, veldwoelmuis en vos. ▪ Das; verschillende waarnemingen buiten de stad Heerlen, maar geen binnen de komgrens. ▪ Eekhoorn; van deze soort zijn verspreid binnen de komgrens van Heerlen waarnemingen bekend, waarvan ook diverse meldingen in de directe omgeving van het plangebied. ▪ Steenmarter; van deze soort zijn diverse meldingen bekend binnen de stad Heerlen, waarvan ook één op de Heerlerbaan in de directe nabijheid van het plangebied. ▪ Wild zwijn. van deze soort zijn twee meldingen bekend ten zuidwesten van Heerlen, nabij Ubachsberg. Veldbezoek Gedurende het veldbezoek zijn verspreid in de bomen rondom het plangebied nesten waargenomen van de eekhoorn. In totaal zijn twee nesten waargenomen aan de zuid- en zuidwestzijde en drie nesten aan de noordoostzijde van het plangebied. Naar verwachting gaat het om twee territoria van de eekhoorn. Binnen een territorium van een eekhoorn zijn vaak meerdere nesten aanwezig. De eekhoorn zelf is niet gezien, maar mogelijk waren de dieren elders aan het foerageren of nog in winterrust. Andere soorten zoogdieren of sporen van deze soorten zijn niet waargenomen.
Gezien het beschikbare habitat kan het plantsoen dienst als leefgebied van algemene soorten als egel en bosmuis. De gebouwen binnen het plangebied zelf vormen geen geschikt leefgebied voor de steenmarter, vanwege het ontbreken van rustige en geschikte tussenruimtes om er te verblijven. Het is echter wel goed mogelijk dat steenmarters voorkomen in de directe omgeving en zodoende het plangebied passeren.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 11/26
Op basis van het beschikbare habitat is het voorkomen van andere beschermde soorten (zoals das en wild zwijn) uit te sluiten.
5.3 VLEERMUIZEN Bureaustudie Uit de NDFF blijkt het voorkomen van gewone dwergvleermuis (verreweg het meest frequentst gemeld), ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Gezien de stedelijke leefomgeving, afgewisseld met groene structuren, lijkt deze data (ondanks 189 records) niet volledig compleet. Het voorkomen van andere soorten van het bebouwde gebied als laatvlieger en gewone grootoorvleermuis lijkt logisch op basis van het bestuderen van kaartmateriaal en expert judgement. Veldbezoek De bebouwing in het plangebied is beperkt geschikt voor soorten als gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis om te verblijven, en dan alleen verblijfplaatsen van enkele mannelijke individuen (zomer- en paarverblijf). Voor andere, meer kritischere soorten ontbreken voldoende verblijfsmogelijkheden, evenals geschikte mogelijkheden voor kraamen massawinterverblijven van de eerder genoemde dwergvleermuissoorten. Als eerste indruk is de bebouwing overwegend laag (één verdieping) en is er veel verlichting aanwezig. Qua verlichting zijn niet alleen lantaarns aanwezig, maar ook op diverse plekken lampen aan gebouwen. Hierdoor is er weinig donkerte beschikbaar. Waar dit voor veel soorten vleermuizen limiterend is, storen de gewone- en ruige dwergvleermuis zich hier wat minder aan. Aan veel wanden van de gebouwen bevinden zich grote raamoppervlakten en muren zonder open stootvoegen.
Over het algemeen gezien zijn de strippen aan de metalen dakranden en houten boeiboorden redelijk goed aangesloten. Waar dit niet is, zorgt dit voor toegang tot ondiepe beschutte tussenruimten. Enkele wanden bezitten wel een beperkt aantal stootvoegen, waarvan deze zich deels vlak boven het maaiveld bevinden (ca. 1 meter). Bij inspectie met een zaklamp van de lage stootvoegen bleek in de spouw na-isolatie aanwezig te zijn, die mogelijk niet de gehele spouw in de breedte vult. De hoge stootvoegen kunnen hierdoor in beperkte vorm benut worden om toegang te verkrijgen tot de spouwruimte achter het metselwerk, voor zover deze beschikbaar is in verband met het aanwezige isolatiemateriaal. Samengevat ontbreekt het aan geschikte tussenruimten met een stabiel microklimaat (goed warm voor kraamverblijven en vorstvrij voor massa winterverblijven). Omdat incidentele mannetje minder kritisch zijn ten aanzien van verblijfmogelijkheden, is de aanwezigheid hiervan op basis van het bovenstaande niet uit te sluiten. De aanwezige bomen bevinden zich niet te dicht op de bebouwing, waardoor er geen sprake is van barrière werking, en dit zorgt tevens voor beschutting tijdens het uit- en invliegen voor de dieren. In enkele bomen bevinden zich dichtgegroeide knoesten, maar holtes om in te verblijven ontbreken.
Deze bomen en andere groene structuren vormen voor vleermuizen mogelijk een functie als foerageergebied of onderdeel van een zogenaamde diffuse vliegroute. Voor beide functies geldt echter dat deze niet van essentieel belang zijn voor het in stand houden van verblijfplaatsen in de omgeving.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 12/26
5.4 AMFIBIEEN Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van de verschillende soorten in de omgeving: ▪ Diverse algemene soorten, zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. ▪ Alpenwatersalamander. Verspreid waargenomen, ook binnen komgrens Heerlen. ▪ Geelbuikvuurpad, vroedmeesterpad en vinpootsalamander buiten de bebouwde kom van Heerlen. Veldbezoek Binnen het plangebied ontbreekt enige vorm van oppervlaktewater, waardoor de aanwezigheid van geschikt voortplantingswater voor amfibieën is uitgesloten. Het aanwezige plantsoen met struwelen en bodembedekkers biedt geschikt landhabitat voor algemene soorten, als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Een incidenteel passerende alpenwatersalamander kan niet worden uitgesloten. Omdat geschikt voortplantingswater in de directe omgeving ontbreekt en de plantsoenen ecologisch gezien geïsoleerd zijn door verhardingen en infrastructuur, is het uitgesloten dat dit landhabitat van grote betekenis is voor deze soort.
5.5 REPTIELEN Uit de gegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van hazelworm en levendbarende hagedis in de omgeving van Heerlen. Deze soorten komen niet voor binnen de komgrens. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het plangebied en in de omgeving, is dat aanwezigheid van reptielen uitgesloten.
5.6 VISSEN Vanwege het ontbreken van enige vorm van oppervlaktewater binnen het plangebied, is het voorkomen van vissen uitgesloten.
5.7 ONGEWERVELDEN Bureaustudie Uit de gegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van de verschillende soorten in de omgeving: ▪ Vermiljoenkever, vliegend hert, teunisbloempijlstaart, grote vos, iepenpage, sleedoornpage ▪ Waarnemingen van de meeste van deze soorten hebben betrekking op de omgeving buiten de komgrens of grotere parkzones. ▪ Teunisbloempijlstaart en iepenpage zijn wel waargenomen binnen de komgrens. Veldbezoek Geschikt leefgebied voor beschermde soorten ongewervelden ontbreekt ter plaatse van het plangebied. Beschermde soorten komen enkel voor in zeer specifieke habitats of moeten er specifieke elementen (kwijnende bomen, oude inheemse eiken, etc.) aanwezig zijn, en deze zijn afwezig in het plangebied. Ook voor de soorten die binnen het stedelijke gebied zijn aan te treffen ontbreekt geschikt habitat. De teunisbloempijlstaart kan ondermeer voorkomen op braakliggende terreinen met teunisbloemen, terwijl de iepenpage specifiek is gebonden aan iepen. De genoemde plantensoorten en habitats zijn afwezig binnen het plangebied.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 13/26
De grote vos is een dagvlinder die kan overwinteren in gebouwen, waaronder zolders, schuren, kelders, etc. De aanwezige bebouwing bieden voor de grote vos geen geschikte tussenruimten om er te kunnen overwinteren. In de aanwezige bomen bevinden zich dichtgegroeide knoesten, maar ontbreken holten om in te verblijven.
5.8 VOGELS ALGEMENE BROEDVOGELS Bureaustudie Vanuit de verspreidingsgegevens van de NDFF wordt een groot scale vogelsoorten vermeld voor het plangebied en omgeving. Zo is het voorkomen bekend van broedvogels als winterkoning, merel en houtduif. Veldbezoek Gedurende het veldbezoek zijn individuen waargenomen van vink, koolmees, ekster, houtduif en roodborst. Van de houtduif is een nest waargenomen in één van de aanwezige bomen. Van de ekster bevinden zich nesten in de bomen in de directe omgeving. Soorten als vink en roodborst kunnen tot broeden komen in de aanwezige bomen en plantsoenvakken. VOGELS MET EEN JAARROND BESCHERMDE NESTPLAATS OF WAARVOOR VOLDOENDE FUNCTIONEEL LEEFGEBIED AANWEZIG MOET BLIJVEN Bureaustudie Vanuit de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn diverse meldingen bekend van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest of waarvoor voldoende functioneel leefgebied aanwezig moet blijven: ▪ Diverse soorten die niet voorkomen binnen het stedelijk gebied, of waarvan de waarnemingen enkel betrekking hebben op overwinterende of overvliegende individuen, zoals rode wouw, zwarte wouw, wespendief, paapje, spotvogel en grauwe klauwier. ▪ Meerdere soorten die wel binnen de komgrens voorkomen, maar broeden in parkzones en bosschages of andere robuuste groene structuren, zoals roek, sperwer, bosuil en blauwe reiger.
▪ Vogelsoorten die broeden in gebouwen, maar niet (of minder) in het stedelijke gebied. Het betreft soorten als steenuil, kerkuil en boerenzwaluw. ▪ Vogelsoorten die broeden in gebouwen in het stedelijke gebied, zoals huismus, gierzwaluw, slechtvalk en huiszwaluw. Veldbezoek Gedurende het veldbezoek zijn met regelmaat overvliegende roeken waargenomen over en nabij het plangebied. Nesten van deze soort zijn niet aangetroffen in de aanwezige bomen in en rondom het plangebied. Gezien het gedrag en vrijwel continue aanwezigheid is het waarschijnlijk dat zich in de directe nabijheid van het plangebied ergens een roekenkolonie bevindt. Nesten van andere in boom broedende soorten zijn eveneens niet waargenomen. Andere vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest zijn niet waargenomen. De aanwezige bebouwing in het plangebied is ongeschikt voor slechtvalk, huiszwaluw en gierzwaluw. Beide soorten broeden niet in laagbouw en in een met bomen omsloten omgeving. Daarnaast ontbreekt het aan voldoende geschikte tussenruimten om een nest te kunnen maken. Het ontbreken van geschikte tussenruimten voor nestgelegenheid geldt eveneens voor de huismus. Deze soort kan wel broeden in laagbouw, mits er nestgelegenheid beschikbaar is. Gedurende het veldbezoek zijn geen huismussen waargenomen in en rondom het plangebied.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 14/26
6 BESCHERMDE GEBIEDEN De bescherming van gebieden is in dit hoofdstuk uitgesplitst in Natura2000 en in Nationaal Natuurnetwerk. Beide zijn hieronder nader toegelicht.
6.1
NATURA2000
Het plangebied zelf vormt geen onderdeel van een Natura2000-gebied (zie figuur 6.1). De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden bevinden zich aan de zuidwestzijde van Heerlen, het Geleenbeekdal en de Kunderberg. Het Geleenbeekdal bevindt zich hemelsbreed het dichts nabij het plangebied, namelijk op iets meer dan 1 kilometer afstand.
Figuur 6.1: Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura2000-gebieden (groene vlakken).
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 15/26
6.2 NATIONAAL NATUURNETWERK In de Provincie Limburg is het Nationaal Natuurnetwerk opgedeeld in zogenaamde Goud-, Zilver- en Bronsgroene Zones. Waarbij Goudgroen het meest waardevol is en de andere twee minder. Figuur 6.2 geeft de ligging weer van het plangebied ten opzichte van deze zones. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van deze zones.
Figuur 6.2: Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van de Goud-, Zilver- en Bronsgroene Zone (gekleurde vlakken, licht groen = Goudgroen en donkerblauw = Bronsgroen, Zilvergroene zone ontbreekt op de kaart).
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 16/26
7 EFFECTBEOORDELING In dit hoofdstuk zijn de effecten op de verwachte natuurwaarden besproken op basis van de planontwikkeling. De effectenbeoordeling richt zich op de wijziging in bestemming. Een effectenbeoordeling op uitvoeringsniveau is in dit stadium van de planvorming nog niet mogelijk. In dit hoofdstuk zijn per beschermingsregime de verbodsartikelen genoemd die mogelijk overtreden kunnen worden. Voor een uitgebreidere omschrijving wordt verwezen naar tabel 2.1 in hoofdstuk 2 (wettelijk kader).
7.1
VOGELRICHTLIJNSOORTEN
Bij de effectenbeoordeling op broedvogels is onderscheid gemaakt in nesten die eenmalig in gebruik zijn en nesten die vast in gebruik zijn en daarmee ook permanent zijn beschermd. ALGEMENE BROEDVOGELS Nesten van de meeste soorten vogels zijn beschermd tijdens het gebruik ervan, overtreding van artikel 3.1, lid 2 (beschadigen/ vernielen van nesten) is buiten het broedseizoen niet aan de orde. Voor deze vogelsoorten volstaat om rekening te houden met het broedseizoen (globaal de periode maart tot en met augustus). In het geval het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken, moet in overleg met een ecoloog bepaald worden hoe overtreding van het eerder genoemde verbodsartikel voorkomen kan worden. Dit kan bijvoorbeeld door de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of door uitvoering van broedvogelcontroles door de ecoloog. VOGELS MET EEN JAAR ROND BESCHERMDE NESTPLAATS Naast algemene broedvogels zijn er ook vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is. Deze vogelsoorten keren jaarlijks terug naar hetzelfde nest, of nestplek. Dit betekent dat het verwijderen of aantasten van deze nesten leidt tot overtreding van verbodsartikel 3.1, lid 2, ook al worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd. Tevens is de functionele leefomgeving rondom de nestlocatie van deze broedvogels beschermd.
Het plangebied vormt voor vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest geen broedgebied of essentieel onderdeel van de functionele leefomgeving van soorten die broeden in de nabijheid.
7.2 HABITATRICHTLIJNSOORTEN Ten aanzien van Habitatrichtlijn soorten kan sprake zijn van overtreding van de artikelen 3.5, lid 4 (aantasten en vernietigen van rustplaatsen) en 3.5, lid 2 (opzettelijk verstoren). Onder dit beschermingsregime vallen meerdere soortgroepen, waaronder alle soorten vleermuizen. Soorten uit andere soortgroepen die beschermd zijn onder dit beschermingsregime zijn niet aanwezig in en rondom het plangebied. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling zijn er alleen raakvlakken met het voorkomen van gewone- en ruige dwergvleermuis, in het geval vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn in de bebouwing. Onderzoek naar het voorkomen van verblijfplaatsen is nodig om de aanwezigheid aan te tonen, dan wel uit te kunnen sluiten. In het geval verblijfplaatsen aanwezig zijn, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Dit omdat het overtreden van de eerder genoemde verbodsartikelen niet voorkomen kunnen worden.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 17/26
7.3 NATIONAAL BESCHERMDE SOORTEN Ten aanzien van Nationaal beschermde soorten kan sprake zijn van overtreding van de artikelen 3.10, lid 1b (aantasten en vernietigen van rustplaatsen). Verstoring is ten aanzien van deze soorten niet benoemd als verbodsartikel. Onder dit beschermingsregime vallen meerdere soortgroepen, waaronder diverse grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Soorten uit andere soortgroepen die beschermd zijn onder dit beschermingsregime zijn niet aanwezig in en rondom het plangebied. Vrijstelling en zorgplicht Ten aanzien van een aantal algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt een vrijstelling voor het uitvoeren van onder andere ruimtelijke ontwikkelingen. De soorten die zijn vrijgesteld verschillen per bevoegd gezag. In deze situatie geldt de vrijstelling ten aanzien van de meeste voorkomen algemene grondgebonden zoogdieren (egel, rosse woelmuis, etc.) en amfibieën (gewone pad, bruine kikker, etc.) De zorgplicht blijft echter van kracht, ook al zijn soorten vrijgesteld of niet opgenomen in de lijsten van de verschillende beschermingsregimes. De zorgplicht houdt in dat met de voorkomende soorten rekening wordt gehouden in zoverre dit redelijkerwijs mogelijk is. Om te voldoen aan de zorgplicht is het niet nodig om te werken conform een goedgekeurde gedragscode of een verleende ontheffing.
Voldoen aan de zorgplicht kan als volgt: ▪ ▪ ▪
Biedt de voorkomende soorten de gelegenheid te kunnen vluchten bij het aantreffen ervan. Minder mobiele soorten als egel of gewone pad te verplaatsen tot buiten de invloedssfeer van het werk. Bovenstaande maatregelen zijn in het bijzonder relevant tijdens het verwijderen van het aanwezige groen (struwelen, grondbedekkers en bomen).
Niet vrijgestelde soorten of soorten die periodiek in het jaar zijn vrijgesteld Voor de eekhoorn geldt een periodieke vrijstelling ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soort geldt de vrijstelling in de periode maart t/m april en juli t/m november. Een ontheffing of werken met een gedragscode is voor deze soort daarom niet nodig indien in de genoemde periodes: ▪ ▪
▪
de werkzaamheden volledig uitgevoerd kunnen worden; de werkzaamheden zijn opgestart, waarbij de verwijdering van de groene structuren (struwelen, plantsoen en bomen) is uitgevoerd in de genoemde periodes. o Aandacht hierbij is ook vereist met de overlap van het broedseizoen van vogels (zie onder paragraaf 7.1), waardoor de periode september t/m november overblijft als meest gunstige periode voor het verwijderen van groen. Ook in de periode van vrijstelling geldt de zorgplicht voor de eekhoorn, zie hiervoor eerder in deze paragraaf. Hier aan te voldoen door: o Nesten van de eekhoorn onder begeleiding van een ecoloog vlak voorafgaand aan de kap van de bomen te verwijderen (met bijvoorbeeld inzet van een hoogwerker en dan handmatig eruit halen) en eventueel te verplaatsen naar een te behouden boom. o Aanwezige dieren in de te kappen boom de gelegenheid bieden te kunnen vluchten.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 18/26
7.4 BESCHERMDE GEBIEDEN Het plangebied heeft geen status als Natura 2000-gebied, maar bevindt zich wel in een regio met Natura 2000-gebieden tot op minimaal een kilometer afstand hemelsbreed. Veel externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten rijken doorgaans tot enkele honderden meters en zijn hierdoor uit te sluiten. In tegenstelling tot de eerder genoemde externe effecten, kan het effect van neerslag van stikstof wel tot verder rijken dan enkele honderden meters. Een beoordeling over de noodzaak tot vervolgstappen ten behoeve van stikstofemissie wordt separaat uitgevoerd. Het plangebied maakt geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), van externe werking van effecten is evenmin sprake. Een nadere toetsing (‘nee, tenzij’-toets) is daarom niet noodzakelijk.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 19/26
8 SAMENVATTING BEVINDINGEN De bevindingen van natuurtoets zijn in de onderstaande tabel samengevat. Hierbij is gebruik gemaakt van de volgende kleurcodering:
Geen vervolgonderzoek/ acties noodzakelijk voor de geplande werkzaamheden De geplande werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits het gegeven advies wordt opgevolgd. Vervolgonderzoek: er is onvoldoende inzicht verkregen om de effecten van de werkzaamheden te bepalen Ontheffing is noodzakelijk. De werkzaamheden zullen leiden tot een negatief effect.
BESCHERMINGSREGIME (relevante soortgroepen)
(NEGATIEVE) EFFECTEN VAN VOORGENOMEN ONTWIKKELING
ADVIES
VERVOLGSTAPPEN NOODZAKELIJK?
Mogelijk aantasten verblijfplaatsen
Rekening houden met broedseizoen, zie verder onder paragraaf 7.1.
Nee
Mogelijk aantasten/ vernietigen verblijfplaatsen
Onderzoek aanwezigheid zomeren paarverblijfplaatsen van gewone- en ruige dwergvleermuis, zie verder onder paragraaf 7.2.
Ja, nader onderzoek
Aantasten verblijfplaatsen
Voldoen aan zorgplicht, zie verder onder paragraaf 7.3.
Nee
Aantasten verblijfplaatsen
Werken in periodes waarin vrijstelling geldt en voldoen aan zorgplicht. Zie verder onder paragaaf 7.3. Indien dit niet mogelijk is kan het nodig zijn om te werken middels een gedragscode of ontheffing aan te vragen.
Ja, zie advies en onder paragraaf 7.3.
Soortenbescherming (Wet Natuurbescherming) Vogelrichtlijn (algemene broedvogels)
Habitatrichtlijn (vleermuizen)
Vrijgestelde Nationaal beschermde soorten (algemene soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën)
Niet of deels vrijgestelde Nationaal beschermde soorten (eekhoorn)
Gebiedsbescherming (Wet Natuurbescherming en NNN) Natura 2000-gebieden
Geen (stikstofemissie wordt separaat beoordeeld)
Geen
Nee
NNN-gebieden
Geen
Geen
Nee
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 20/26
LITERATUURLIJST NDFF, 2021. Bekende verspreiding van soorten ten opzichte van het plangebied – levering uit de NDFF, NDFF – ndffecogrid.nl Netwerk Groene Bureaus (NGB), werkgroep Standaarden en protocollen (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie juli 2017, www.netwerkgroenebureaus.nl Provincie Limburg (2017). Omgevingsverordening Limburg 2014. Provincie Limburg, PB no. 31-2017. Websites: https://www.natura2000.nl/gebieden/limburg www.NDFF.nl
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 21/26
BIJLAGE 1: WETGEVING EN BELEID WET NATUURBESCHERMING De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) vervangt sinds 1 januari 2017 de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet en voorziet hiermee in een gemoderniseerd wettelijk kader voor de bescherming van natuurgebieden, dier- en plantensoorten. Een belangrijk deel van de in de wet opgenomen regels bestaat uit de omzetting van de internationale verplichtingen op het vlak van bescherming van de biologische diversiteit, in het bijzonder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wnb richt zich in basis op: ▪ het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, ▪ het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en ▪ het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De wet geeft ook invulling aan de in het bestuursakkoord natuur gemaakte afspraken over decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden van het Rijk naar de provincies.
De instrumenten en begrippenkaders van de Wnb zijn zo goed mogelijk afgestemd op andere onderdelen van het omgevingsrecht, in het bijzonder de toekomstige Omgevingswet. In de Wnb zijn, behalve meer algemene bepalingen over bevoegdheden, natuur- en landschapsbeleid, beleidsmonitoring en instrumenten ter bescherming van natuur en landschap ook specifieke regels opgenomen ter bescherming van bijzonder natuurwaarden. Het gaat dan in het bijzonder om de bescherming van natuurgebieden van Europees belang (Natura 2000-gebieden) en de bescherming van soorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen die een specifieke bescherming behoeven. Deze onderwerpen zullen hieronder worden toegelicht. ZORGPLICHT Een belangrijk overkoepelend instrument is de zorgplicht (artikel 1.11) waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: ▪ dergelijke handelingen achterwege laat dan wel ▪ indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of ▪ voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt (mitigatie).
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 22/26
GEBIEDSBESCHERMING In de Wnb zijn regels opgenomen die de bescherming van natuurgebieden van Europees belang die behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Voor plannen of projecten met mogelijke schadelijke handelingen is in de Wnb een vergunningensysteem opgenomen. Hier aan gekoppeld kan het bevoegd gezag preventieve dwingende maatregelen opleggen om schadelijke effecten te voorkomen. Op basis van de Wnb wordt alleen nog bescherming geboden aan de zogenaamde Natura 2000-gebieden, welke onderdeel zijn van het Europese netwerk van natuurgebieden. De eerder nationaal beschermde natuurmonumenten worden niet meer beschermd op grond van nationale wetgeving. Wel kunnen provincies ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’ en bijzondere provinciale landschappen’ aanwijzen. Provincies kunnen eventueel zelf regelgeving opstellen voor deze gebieden. De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van aangewezen habitats en soorten binnen de gebieden. Significant negatieve effecten op het beschermde gebied zijn niet toegestaan, tenzij sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang, er geen alternatieven voorhanden zijn en alle schade wordt gecompenseerd.
De wet voorziet eveneens in het beschermen van het gebied tegen handelingen buiten het Natura 2000-gebied met een mogelijk negatief effect op de beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten. Dit is geregeld op basis van de zogenaamde externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden komen de uitvoeringsbevoegdheden voor het overgrote deel bij de provincies te liggen, met uitzondering van het aanwijzen van Natura 2000-gebieden en het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen. Ten aanzien van de uitvoering is de provincie waarin een ingreep plaatsvindt, bevoegd. Voor rijkswateren blijft de rijksoverheid bevoegd. SOORTENBESCHERMING De in de Wnb gestelde regels ter bescherming van soorten voorzien in voorschriften ter bescherming van de van nature in het wild levende planten- en diersoorten. In dit deel staan de verplichte instrumenten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern, Bonn en het biodiversiteitsverdrag centraal. Het is er op gericht om voor de beschermde soorten een gunstige staat van instandhouding te bereiken of te herstellen. Verbodsbepalingen De verboden, afwijkingsmogelijkheden en andere beschermingsmiddelen zijn direct overgenomen uit deze richtlijnen en verdragen en worden in de Wnb opgedeeld in drie beschermingsregimes.
Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Vogelrichtlijnsoorten: De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (artikel 3.1; zie bijlage 1). Voor deze soorten gelden de volgende verboden: lid 1: Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoelt in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. lid 3: Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. lid 4: Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
lid 5: Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 23/26
Habitatrichtlijnsoorten: De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU (zie bijlage 1) op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV en V) en soorten van de Conventie van Bern Appendix II en de Conventie van Bonn Appendix I (art. 3.5; zie bijlage 1). Voor deze soorten zijn in de Wnb de volgende verboden opgenomen: lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. lid 2: Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. lid 3: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. lid 4: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. lid 5: Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Andere soorten: De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wnb (art. 3.10; zie bijlage 2). Voor deze soorten is onverminderd artikel 3.5 eerste, vierde en vijfde lid het verboden om: lid 1a: lid 1b: lid 1c: lid 1d:
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor de zoogdier-, amfibie- en reptielsoorten opgenomen in de bijlage van artikel 3.10 geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege ecologische redenen of de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen.
NESTEN De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen van vogels. Het gaat erom of er een broedgeval is. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb. U heeft voor deze soorten geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. En ook niet als u maatregelen treft die voorkomen dat deze soorten zich op de bouwplaats vestigen tijdens het broedseizoen. U mag dus buiten het broedseizoen nesten verplaatsen of verwijderen, maar daar zijn uitzonderingen op. NESTEN DIE HET HELE JAAR DOOR ZIJN BESCHERMD Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb het gehele seizoen: 1.
nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 24/26
2.
nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). 3. nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). 4. vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Deze categorieën zijn terug te vinden in de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’. NESTEN DIE NIET HET HELE JAAR DOOR ZIJN BESCHERMD In de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. 5.
nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
AANGEPASTE LIJST JAARROND BESCHERMDE VOGELNESTEN De aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten is indicatief en niet uitputtend. Als aanvulling op de vorige lijst zijn ook vogelsoorten opgenomen met niet jaarrond beschermde nesten. De soorten uit bovenstaande categorie 5 vragen extra onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. NATUURNETWERK NEDERLAND Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voormalige ecologische hoofdstructuur, EHS) is een netwerk van beschermde natuurgebieden, dat in de basis gevormd wordt door de al bestaande natuur, zoals duinen, heiden, bossen, meren en landgoederen. Aanvullend hierop worden nieuwe natuurgebieden ontwikkeld, bijvoorbeeld op gronden die eerst voor landbouw gebruikt werden. Ecologische natuurverbindingen verbinden deze gebieden met elkaar. In het NNN liggen: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.
Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten panEuropees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling (spelregels EHS) van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in deze gebieden het ‘nee, tenzij’-regime. Indien een voorgenomen ingreep de ‘nee, tenzij’-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien de voorgenomen planontwikkeling met bijbehorende ingreep/ingrepen niet voldoet aan de voorwaarden uit het ‘nee, tenzij’-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden, tenzij het onderstaande van toepassing is. SALDOBENADERING In die gevallen waarbij het instrument saldobenadering van toepassing is hoeft het ’nee, tenzij’-afwegingskader niet doorlopen te worden en is ook geen sprake van compensatie, zoals bij ingrepen onder het ’nee, tenzij’-regime.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 25/26
Harde eis hierbij is wel dat aan alle voorwaarden voor het toepassen van de saldobenadering wordt voldaan. Alleen dan is immers per saldo winst voor het NNN gegarandeerd. Is dit niet het geval dan geldt onverkort het ‘nee, tenzij’regime. BEOORDELING VAN EFFECTEN VAN EEN INGREEP OP HET NNN Voor de beoordeling van de effecten van een ingreep en bij het nader invullen van de begrippen: ‘geen netto verlies’, ‘behoud van ambitie’, ’versterking van het NNN’ en ’kwaliteitsslag’ zijn de volgende aandachtspunten ten aanzien van natuurkwaliteit belangrijk: ▪ ▪
zowel de actuele natuurwaarden als het vastgelegde natuurdoel zijn relevant; natuurwaarden worden primair afgemeten aan doelsoorten en natuurlijkheid (de kwaliteitscriteria van natuurdoeltypen); ▪ behoud en ontwikkeling van natuurwaarden zijn afhankelijk van het voldoen aan een reeks van randvoorwaarden (met name bodemgesteldheid, waterkwaliteit, processen in de omgeving, minimumoppervlakte en beheer). ▪ significant negatieve effecten betreffen zowel natuur- als hun randvoorwaarden. lokale ingrepen kunnen (negatieve) effecten hebben op drie schaalniveaus: lokaal, regionaal (kerngebied van het NNN) en landelijk (hele NNN). De vervangbaarheid van natuur hangt af van meerdere ecologische aspecten alsmede relevante nationale beleidsambities.
SLM06206 – Quickscan Ecologie BMV Heerlerbaan SLM06206.QS, versie 1 Gemeente Heerlen
WSP 25 maart 2021 pagina 26/26