Bijlage 4- ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing ‘Fishfarm Terworm’ te Heerlen
CA200031.026.R01.v2.0 6 mei 2021
Bron: schetsontwerp ARCHITECTENBOUWMEESTERS
Ruimtelijke onderbouwing ‘Fishfarm Terworm’ te Heerlen
Identificatienummer:
NL.IMRO.0917.OV030600W000004-0301
Definitief:
6 mei 2021
Inhoud 1.
Inleiding............................................................................ 6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Situering projectlocatie
6
1.3
Geldend bestemmingsplan
6
1.4
Planvorm
7
1.5
Leeswijzer
7
2 2.1
Planologisch beleidskader ......................................... 8 Rijksbeleid
8
2.1.1
Nationale Omgevingsvisie ........................................................................................................................8
2.1.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte............................................................................................. 9
2.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................................ 9
2.1.4
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................................. 10
2.2
Provinciaal beleid
11
2.2.1
Provinciaal omgevingsplan 2014 (POL 2014) ..................................................................................... 11
2.2.2
Omgevingsverordening Limburg 2014 ................................................................................................ 15
2.3 2.3.1 2.4
Regionaal beleid
18
Structuurvisie Parkstad Limburg ......................................................................................................... 18 Gemeentelijk
19
2.4.1
Structuurvisie Heerlen 2035 ................................................................................................................... 19
2.4.2
Groenbeleidsplan ....................................................................................................................................... 21
2.4.3
Inrichtingsvisie beken ............................................................................................................................. 23
2.4.4
Parkeernota Heerlen - Deel 1 Visie- en Ambitiedocument.......................................................... 24
2.4.5
Duurzaamheidsvisie Heerlen 2017 ...................................................................................................... 26
2.4.6
Energietransitie ......................................................................................................................................... 26
3
Gebiedsbeschrijving ................................................... 28
3.1
Historie
28
3.2
Ruimtelijke en functionele structuur
28
4
Planbeschrijving .......................................................... 30
4.1
Beoogde ontwikkeling
30
4.2
Viskwekerij
31
4.3
Natuurontwikkeling
33
4.4
Ruimtelijke effecten
35
5
Omgevingsaspecten ................................................... 36
5.1
Milieueffectrapportage
36
5.2
Akoestiek
36
5.3
Water
37
5.3.1
Europees en Rijksbeleid .......................................................................................................................... 37
5.3.2
Regionaal en gemeentelijk beleid ........................................................................................................ 38
5.3.3
Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 39
5.3.4
Projectgebied .............................................................................................................................................. 40
5.4
Bodem
41
5.5
Natuurwaarden
43
5.5.1
Natura 2000-gebieden.............................................................................................................................. 43
5.5.2
Wet natuurbescherming (Wnb) ............................................................................................................. 43
5.5.3
Beoordeling gebiedsbescherming ....................................................................................................... 44
5.5.4
Beoordeling soortenbescherming ........................................................................................................ 51
5.5.5
Houtopstanden, hout en houtproducten ........................................................................................... 55
5.5.6
Conclusies .................................................................................................................................................... 55
5.6
Bedrijfshinder
58
5.6.1
Scheiding van functies versus functiemenging ............................................................................. 58
5.6.2
Richtafstandenlijsten .............................................................................................................................. 58
5.6.3
Projectgebied .............................................................................................................................................. 58
5.7
Luchtkwaliteit
59
5.7.1
Nationaal beleid ......................................................................................................................................... 59
5.7.2
Niet in betekenende mate (NIBM) ....................................................................................................... 59
5.7.3
Projectgebied .............................................................................................................................................. 59
5.8
Externe veiligheid
60
5.8.1
Nationaal beleidskader ........................................................................................................................... 60
5.8.2
Plaatsgebonden risico ............................................................................................................................. 60
5.8.3
Groepsrisico ................................................................................................................................................ 60
5.8.4
Externe veiligheid inrichtingen ............................................................................................................ 61
5.8.5
Externe veiligheid buisleidingen .......................................................................................................... 61
5.8.6
Externe veiligheid transport .................................................................................................................. 61
5.8.7
Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................... 61
5.8.8
Projectgebied .............................................................................................................................................. 62
5.8.9
Beoordeling groepsrisico ........................................................................................................................ 62
5.8.10
Conclusie projectgebied ..................................................................................................................... 63
5.9
Technische infrastructuur
63
5.10
Archeologie
63
5.10.1
Beleidsnota archeologie ..................................................................................................................... 63
5.10.2
Archeologische verwachtings- en beleidskaart Heerlen ........................................................ 64
5.10.3
Conclusie projectgebied ..................................................................................................................... 64
5.11
Cultuurhistorie
65
5.12
Verkeer
65
6
Uitvoerbaarheid en handhaving ............................ 66
6.1
Handhavingsbeleid
66
6.2
Financiële uitvoerbaarheid
66
7
Procedure en overleg .................................................. 67
7.1
Procedurestappen
67
7.2
Vooroverleg
67
Bijlagen Bijlage 1
Inrichtingsplan natuurontwikkeling
Bijlage 2
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bijlage 3
Reactie Waterschap Limburg
Bijlage 4
Bodemonderzoek
Bijlage 5
Ecologische Quickscan
Bijlage 6
Akoestisch onderzoek
1. Inleiding 1.1
Aanleiding
Aan de Eikendermolenweg 100 te Heerlen bevindt zich de voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van Heerlen. In het kader van IBA Parkstad heeft de invulling van deze voormalige RWZI de aandacht gekregen. Fish Farm Terworm bv wil een viskwekerij vestigen op het terrein van de voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie. De daar reeds aanwezige infrastructuur maar vooral de waterbassins zijn zeer geschikt voor deze functie. Een deel van de bassins zullen gebruikt worden voor het kweken van vis ten behoeve van de heruitzetting van karper in oppervlaktewater en ten behoeve van de hengelsport. Daarnaast heeft de gemeente het voornemen om het overige terrein in te richten als natuur.
1.2
Situering projectlocatie
De projectlocatie is gelegen ten westen van het centrum van Heerlen in het Geleenbeekdal. Het betreft het perceel van de voormalige RWZI aan de Eikendermolenweg. De locatie wordt omsloten door bosgebied. Direct ten westen van de projectlocatie loopt de Geleenbeek.
Uitsnede topografische kaart met aanduiding projectlocatie
1.3
Geldend bestemmingsplan
Het projectgebied is gelegen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld 27 november 2019) op gronden met de bestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’. Deze gronden zijn bestemd voor voorzieningen van openbaar nut. In het bestemmingsplan Buitengebied is de functie rioolwaterzuiveringsinstallatie nader aangeduid en gelden voorts nog de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie 3' (hoge waarde), ‘Waarde-Archeologie 4' (middelhoge waarde), Leiding-Riool’ en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone-straalpad'. Binnen de 'vrijwaringszone-straalpad' mogen, ter bescherming van de transmissie van radiogolven, geen bouwwerken hoger dan 20m worden opgericht en ter plekke van de bestemming 'Leiding - Riool' is een rioolwatertransportleiding gelegen met een belemmeringenstrook van 2x2,5m ten behoeve van het beheer en onderhoud van de leiding. In de onderstaande figuur is een uitsnede van de plankaart behorende bij het bestemmingsplan Buitengebied (NL.IMRO.0917.BP050700W000001-0401) weergegeven.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied met aanduiding projectgebied
Het gebruik van het terrein voor viskweek ten behoeve van de hengelsport en de inrichting van nieuwe natuur betreft gebruik dat niet binnen de vigerende bestemmingen past. De voorgenomen ontwikkeling is daardoor in strijd met het vigerende bestemmingsplan.
1.4
Planvorm
Op basis van een omgevingsvergunning (artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo) voor het afwijken van het bestemmingsplan kan de ontwikkeling planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij de aanvraag om een dergelijke vergunning moet een ruimtelijke onderbouwing worden ingediend (artikel 2.12, eerste lid onder a, 3˚ Wabo). Het voorliggende document betreft de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de beoogde afwijking van het geldende bestemmingsplan.
1.5
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een bespreking van de planologische beleidskaders die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van deze ruimtelijke onderbouwing. In paragraaf 2.1 wordt voor een aantal belangrijke thema's per thema het relevante beleidskader geschetst. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2 tot en met 2.4 achtereenvolgens het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid besproken. In Hoofdstuk 3 wordt het projectgebied beschreven. Hierbij komen de historische context en de ruimtelijke en functionele structuur ter sprake. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling van het projectgebied. Hoofdstuk 5 behandelt de voor het projectgebied relevante omgevingsaspecten, zoals water, archeologie, externe veiligheid en luchtkwaliteit. In Hoofdstuk 6 is de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan beschreven en Hoofdstuk 7 geeft een beeld van de doorlopen planprocedure en het gevoerde overleg.
2
Planologisch beleidskader
In dit hoofdstuk wordt het relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid besproken.
2.1
Rijksbeleid
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. Deze visie beschrijft dat nationale ruimtelijke opgaven zoals de bouw van 1 miljoen woningen, duurzaam energie opwekken, klimaatverandering en de overgang naar een circulaire economie. Deze opgaven vragen meer ruimte van er beschikbaar is in Nederland. In de NOVI zijn er daarom keuzes gemaakt. De beleidskeuzes ten aanzien van sterke en gezonden steden en regio’s zijn als volgt: •
We versterken het Stedelijk Netwerk Nederland door de ontwikkeling van de stedelijke regio’s te ondersteunen en te zorgen voor goede onderlinge en externe verbindingen. Verstedelijking koppelen we aan de ontwikkeling van de (ov-)infrastructuur en vindt plaats in de regio’s waar er vraag is. De grote open ruimten tussen de steden behouden hun groene karakter.
•
Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie. Dit is een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit. Zo kunnen steden zich duurzaam ontwikkelen.
•
Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio. Toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op efficiënte wijze ingepast met oog voor beschikbare ruimte en mobiliteit. Het woningaanbod in de regio’s sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse.
•
Voor de bestaande bebouwing zetten we in op een integratie van stedelijke ontwikkeling en beheer om te komen tot een efficiënte aanpak van de vele opgaven daar.
•
We richten de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert. We verbeteren de luchtkwaliteit, zodat in 2030 wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie.
•
We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio’s en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt.
•
We richten steden en regio’s klimaatbestendig in.
•
Het stedelijke mobiliteitssysteem levert een goede bereikbaarheid op. De auto, het ov, fietsen en lopen zijn onderling verknoopt. Het systeem draagt zo bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl.
•
Voor gebieden buiten het Stedelijk Netwerk Nederland, die liggen aan de grens van het land en/of waar vraagstukken rond bevolkingsdaling spelen, ontwikkelen de overheden gezamenlijk een integrale gebiedsgerichte aanpak.
Conclusie projectgebied: Met name het zesde beleidspunt uit de NOVI - We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio’s en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt - is van toepassing op het voorliggend plan. In
voorliggende planontwikkeling is sprake van natuurinclusieve ontwikkeling. Naast de inpassing van de viskwekerij is voorzien in natuurontwikkeling op het terrein en in de realisatie van vleermuisverblijven in de voormalige slibgistingstanks. De ontwikkeling past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI.
2.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Daarbij zijn drie hoofddoelen geformuleerd: a.
het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur;
b.
het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat;
c.
het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Voor Parkstad Limburg geeft het Rijk in de SVIR wel aan dat het aanpakken van de krimpopgave noodzakelijk is om leegstand en verpaupering te voorkomen. Dit beleid is op regionaal niveau verder uitgewerkt. Conclusie projectgebied: Het voorliggende plan raakt het nationale belang 11: Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. Nationaal belang 11 Het projectgebied grenst direct aan gebieden van de EHS (thans het NNN). In het Besluit algemene regels omgevingsrecht (Barro) is vastgelegd dat doorwerking plaatsvindt op provinciaal niveau. Dit maakt het een provinciaal belang.
Dit belang wordt getoetst in paragraaf 5.5.
2.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (hierna: de Ladder) geïntroduceerd. De Ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe
stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Conform het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling te bevatten, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Uiteindelijk zal de gewijzigde Ladder via het invoeringsbesluit van de Omgevingswet worden ingevoegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. De strekking van de Ladder blijft daarbij gelijk. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Ladder-onderbouwing is verplicht voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Hieronder wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. Deze laatste categorie is in de handreiking bij de ladder voor duurzame verstedelijking (ministerie van Infrastructuur en Milieu) nader gespecificeerd in accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.
In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie zijn elf woningen (welke op één dezelfde locatie worden gerealiseerd) het maximale aantal woningen wat door de Afdeling als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd. Het minimale aantal woningen wat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijke ontwikkeling te worden gekwalificeerd is aldus twaalf (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 6.3) Er dient nadrukkelijk te worden gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, én voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt of voldaan wordt aan de Ladder. Conclusie projectgebied: De onderhavige ontwikkeling bestaat uit het gebruik van bestaande waterbassins en andere bebouwing van de voormalige RWZI ten behoeve van viskweek.
Er is in deze situatie geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. De ontwikkeling hoeft niet nader getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 2.1.4 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Om de in de SVIR opgenomen nationale belangen juridisch te borgen is door het Rijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: •
rijksvaarwegen;
•
mainportontwikkeling Rotterdam;
•
kustfundament;
•
grote rivieren;
•
Waddenzee en waddengebied;
•
defensie;
•
hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
•
elektriciteitsvoorziening;
•
buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
•
ecologische hoofdstructuur;
•
primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
•
IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
•
erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
Conclusie projectgebied: Voor onderhavige project is vanuit het Barro de EHS (thans Natuurnetwerk Nederland, NNN) relevant. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van Natuurnetwerk Nederland en begrenzing en bescherming van het NNN dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Limburg is het NNN vastgelegd in de Goudgroene natuurzone. In de omgevingsverordening wordt de begrenzing van de Goudgroene natuurzone bepaald en wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van het Barro en de daarin verwoorde ‘Spelregels EHS’. Het projectgebied ligt niet in de Goudgroene natuurzone, maar grenst daar wel aan. Zie ook paragraaf 2.2.1.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1 Provinciaal omgevingsplan 2014 (POL 2014) Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (hierna: POL2014), de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeers- en Vervoersprogramma 2014 vastgesteld. Gezamenlijk vormen deze beleidsdocumenten een integrale omgevingsvisie, die vier wettelijke functies vervult: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De centrale ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naar toe te gaan en vooral ook om hier te blijven. Verder staat in het POL2014 kwaliteit centraal.
Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. Visie Zuid-Limburg De aantrekkelijkheid van Zuid-Limburg wordt in sterke mate bepaald door de aanwezigheid van relatief op korte afstand van elkaar gelegen, dichtbevolkte stedelijke gebieden (vergelijkbaar met de dichtheid in de Randstad) en het daartussen gelegen unieke Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Dit heuvellandschap geeft samen met de historische binnenstad van Maastricht een bijzondere kwaliteit aan deze regio. In Zuid-Limburg wonen ruim 600.000mensen, meer dan de helft van alle inwoners in Limburg. Het maakt onderdeel uit van een Europese regio met een rijk palet van economische topsectoren.
Tegelijkertijd is Zuid-Limburg in economisch opzicht te typeren als een 'tussenregio', tussen de metropoolregio's Randstad, Vlaamse Ruit en Ruhrgebied. Er zijn relatief weinig bereikbare banen binnen de landsgrenzen en daarmee is sprake van een beperkte veerkracht van de regionale en lokale economie. Daarbij kampt ZuidLimburg met leegstandsproblematiek op het gebied van woningbouw, kantoren, verblijfsrecreatie, bedrijventerreinen en detailhandel: er is van alles teveel, en dat vraagt om een heldere visie en bovenal sturing. Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014), met bijbehorend plan-MER, de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma zijn op 12 december 2014 door Provinciale Staten vastgesteld. Dit als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Op 11 november 2016 heeft Provinciale Staten de Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld.
Op onderdelen is de omgevingsverordening gewijzigd op 31 maart 2017 Wijzigingsverordening hoofdstuk 3 Natuur, 21 december 2017 (Wijzigingsverordening paragraaf 2.13 zilvergroene natuurzone, Wijzigingsverordening regels in zake geothermie en Wijzigingsverordening 3.1 Veehouderijen en Natura 2000), 14 december 2018 Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 Paragraaf 2.4 Bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 30 augustus 2019 Omgevingsverordening Limburg 2014 wijziging begrenzing Goudgroene, Zilvergroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone en 22 november 2019 Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 par. 2.14 Houden van geiten. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De centrale ambitie komt voort uit de Limburgagenda: een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naar toe te gaan en vooral ook om hier te blijven.
In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de verordening een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. In het hoofdstuk Ruimte zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. Met name gaat het dan om de regels voor de ecologische hoofdstructuur, die zijn ondergebracht in het onderdeel Goudgroene natuurzone. Ook ten aanzien van de bronsgroene landschapszones, de zones rondom natuurbeken en het beschermingsgebied van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg bevat de Omgevingsverordening diverse beschermende regels. Ook bevat de omgevingsverordening o.a. regels omtrent het opnemen van reserveringszones langs spoorwegen en provinciale wegen.
Deze zones dienen vrij te blijven van bebouwing met het oog op een toekomstige verbreding, spoorverdubbeling, het toevoegen van een parallelvoorziening, elektrificatie, of het anderszins uitbreiden of verbeteren van deze provinciale weg of spoorweg. In de verordening is daarnaast onder andere bepaald dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in beginsel een plaats moeten krijgen binnen het bestaand stedelijk gebied (overeenkomstig de ladder voor duurzame verstedelijking). Herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen krijgt hierbij bijzondere aandacht.
Een belangrijk onderdeel van het POL2014 betreft de opgave voor de drie regio's Noord-Limburg, MiddenLimburg en Zuid-Limburg om voor die thema's waarvoor dynamisch voorraadbeheer aan de orde is, regionale structuurvisies op te stellen en daarover ook op regionaal niveau bestuursafspraken te maken. De bestuursafspraken voor Zuid-Limburg zijn vastgelegd in de 'Bestuursovereenkomst Regionale afspraken ZuidLimburg' d.d. 12 april 2016. Hierin zijn afspraken vastgelegd t.a.v. de thema's wonen, detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen en vrijetijdseconomie. Tevens zijn de thema's energie, landschap en landen tuinbouw hierin besproken. In de Omgevingsverordening Limburg zijn deze bestuursafspraken vervolgens verankerd. Plan specifieke aspecten Voor het projectgebied zijn de volgende aspecten uit het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014 relevant. Op de bij het POL2014 behorende kaart ‘Zonering Limburg’ is de projectlocatie gelegen binnen de zone ‘Buitengebied'. De omliggende gronden, en kleine delen binnen de projectlocatie, maken onderdeel uit van de Goudgroene natuurzone. Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de kaart ‘Zonering Limburg’
Uitsnede kaart ‘Zonering Limburg’ met aanduiding projectlocatie
weergegeven. De uitgangspunten die binnen de bovengenoemde zones gelden, worden hierna kort uiteengezet. Buitengebied De gronden die gelegen zijn in de zone ‘Buitengebied’ betreffen alle gronden in het landelijk gebied die niet zijn gelegen in de ‘Goudgroene natuurzone’, ‘Zilvergroene natuurzone’ en/of ‘Bronsgroene landschapszone’. Het betreffen met name gronden met een agrarisch karakter, waarbij (o.a.) ruimte wordt gegeven voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. De provinciale beleidsaccenten in de zone ‘Buitengebied’ zijn gericht op ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe (landbouw)bedrijfslocaties, het terugdringen van de milieubelasting vanuit de landbouw en de kwaliteit en het functioneren van de ondergrond. Goudgroene natuurzone De goudgroene natuurzone betreft het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland en omvat bestaande bos- en natuurgebieden, gebieden die de komende jaren zullen worden omgevormd tot natuurgebied en een
klein areaal landbouwgebieden waarin sprake is van agrarisch natuurbeheer (volledig omsloten door Natura2000-gebieden). In deze zone staat het beschermen en versterken van de natuur centraal, met bijzondere aandacht voor de Natura2000-gebieden en de natuurbeken. Ook de hydrologisch gevoelige natuurgebieden (waaronder de natte parels) vragen om aandacht. De planologische bescherming van de goudgroene natuurzones krijgt vorm door een “nee-tenzij”- bescherming in de Omgevingsverordening. Het NNN/de Goudgroene natuurzone kent geen ‘externe werking’ (geen geldigheid van de beleidsregels buiten de grenzen van de Goudgroene natuurzone). Uit jurisprudentie blijk wel dat bij vaststelling van een plan rekening gehouden dient te worden met de ligging van een projectgebied ten opzichte van het NNN en eventueel aanwezige ecologische verbindingszones. De raad dient bij vaststelling van een bestemmingsplan afwegingen te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de gevolgen van het plan niet onaanvaardbaar voor de omgeving moeten zijn. Conclusie projectgebied: Het plan voorziet in een nieuwe functie van de waterbassins en slibgistingstanks op de locatie van de voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie Terworm waarbij het resterende terrein wordt ingericht als natuur. Daarmee levert deze ontwikkeling een bijdrage aan de herbenutting van cultureel erfgoed.
Daarnaast kan gesteld worden dat de realisatie van het plan een bijdrage levert aan de kwaliteit van het buitengebied van de gemeente Heerlen. Het projectgebied is voor het overgrote deel gelegen in de zone Buitengebied. In het POL 2014 zijn ten aanzien van deze zone geen provinciale belangen benoemd die met voorliggend plan conflicteren. Daarnaast wordt het projectgebied omsloten en deels doorkruist door Goudgroene natuurzone. De wezenlijke kenmerken en waarden betreffen voor bestaande natuurgebieden de actueel aanwezige natuurbeheertypen en de nagestreefde natuurdoeltypen en voor te realiseren natuurgebieden de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan (Omgevingsverordening Limburg). Door de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied gaan geen wezenlijke kenmerken en waarden verloren in de omringende Goudgroene natuurzone (zie ook hoofdstuk 5.5.3). Het terrein wordt deels omgevormd tot natuur waarbij worden o.a. vleermuisverblijven worden gerealiseerd, wordt 2.000 m2 aan struweel en bosrand aangeplant, worden fruitbomen geïntroduceerd als foerageergebied voor de das en wordt een deel ingericht als grasland met een maaibeheer gericht op het vergroten van de biodiversiteit. Een uitgebreide planbeschrijving is terug te vinden in hoofdstuk 4.
Het bestaande pad over het terrein is aangegeven als goudgroene natuurzone. In het provinciale natuurbeheerplan 2021 wordt het als Kruiden- en faunarijk grasland betiteld. Daarnaast is een gedeelte van de weg en een klein deel van het overige terrein betiteld als Dennen-, eiken- en beukenbos. Op het betreffende pad staan echter geen bomen en voor het overige terrein dat is aangemerkt als Dennen-, eiken- en beukenbos geldt dat er geen bomen gekapt worden waardoor er geen sprake zal zijn van beschadiging van de wezenlijke kenmerken en waarden. Het pad blijft daarnaast gewoon in gebruik en wijzigt niet, waardoor er ook geen sprake kan zijn van beschadiging van de wezenlijke kenmerken en waarden die betiteld zijn als kruiden- en faunarijk grasland. Verder zal het gehele terrein als Kruiden- en faunarijk grasland worden ingericht. Het overige projectgebied is niet gelegen in de goudgroene natuurzone. Geconcludeerd kan worden dat door de ontwikkeling geen wezenlijke kenmerken en waarden verloren gaan. Door het ontwikkelen van natuurwaarden in het plangebied wordt een kleine bijdrage geleverd aan het verbinden van de omliggende Goudgroene natuurzone (de enclave wordt in praktijk iets kleiner). Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de beleidsuitgangspunten die zijn opgenomen in het POL2014.
Wezenlijke kenmerken en waarden van de omliggende Goudgroene natuurzone worden niet aangetast.
2.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg 2014 bevat de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL 2014 juridische binding te geven. Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de verordening een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. In het hoofdstuk Ruimte zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. Met name gaat het dan om de regels voor de ecologische hoofdstructuur, die zijn ondergebracht in het onderdeel Goudgroene natuurzone. In de verordening is onder andere bepaald dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in beginsel een plaats moeten krijgen binnen het bestaande stedelijk gebied (overeenkomstig de Ladder voor duurzame verstedelijking). Herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen krijgt hierbij bijzondere aandacht.
Plan specifieke aspecten De Omgevingsverordening Limburg 2014 kent diverse provinciale beschermingsgebieden, waartoe op grond van de Omgevingsverordening specifieke regelgeving geldt. Het projectgebied is gelegen binnen het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Daarbij is het overgrote deel van het perceel aangeduid als ‘Beekdal’. Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg In de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt ten aanzien van het beschermingsgebied ‘Nationaal Landschap Zuid-Limburg’ voorgeschreven dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in deze gebieden – waarvan in casu sprake is – een beschrijving bevat van de in het projectgebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Deze beschrijving is hieronder opgenomen.
Uitsnede kaart ‘milieubeschermingsgebieden’ met aanduiding projectgebied
Reliëf De basis van het landschap en van de drie landschapstypen, plateau, helling en dal, wordt gevormd door het reliëf. De rijkdom aan reliëf in Zuid-Limburg is het gevolg van de insnijding van de Maas en de vorming van Maasterrassen door een stijgende bodem én de daaropvolgende versnijding van aanliggende met löss bedekte
vlakke landschappen door beken (Geul, Gulp, Geleenbeek, Roode Beek, Worm Jeker en Voer). Op deze manier is de driedeling van het hooggelegen plateau, de tussenliggende helling en het lage dal ontstaan. De locatie van de voormalige RWZI ligt op een flauwe helling van het terras naar het beekdal. Door de aanleg van de RWZI is het oorspronkelijke reliëf grotendeels verdwenen. Het vormt nu een tussenplateau met daarop relicten uit het industrieel verleden. Door de hellinggrens open te houden wordt dit verleden zichtbaar gehouden en gaat het deels op in de natuurlijke omgeving. Alleen aan de hoge kant wordt struweel geplant om zo de overgang tussen het bos en het terrein te verzachten. Het overige terrein wordt extensief en groepsgewijs met bomen beplant. Doorkijk onder de boomkruinen houdt het tussenplateau waarop de voormalige RWZI gelegen is en de hierop nog aanwezige bouwwerken zichtbaar. Contrast tussen open-besloten Het contrast tussen de openheid en beslotenheid van het landschap in Zuid-Limburg is in de basis bepaald door het reliëf. Het hoogteverschil tussen het hooggelegen plateau en het lage dal zorgt voor een scala aan verschillende zichtwerkingen. Doordat het plateau relatief vlak ligt en grootschalig ontgonnen is heeft dit samen met de verschillende efficiëntieslagen in de ruilverkaveling in de landbouw tot het huidige open beeld geleid.
De contrasten tussen de weidse openheid van de glooiende hoge plateaus en intieme ruimtes op de steile hellingen of de dalbodems vormen samen een afwisselend landschapsbeeld. Van invloed op de openheid in het landschap is ook de aanwezigheid van opgaande elementen zoals bomen en heggen. Deze elementen spelen een belangrijke rol in het begrenzen of inkaderen van zichten. Het terrein ligt omsloten door de beslotenheid van de helling en het dal met daarop de alluviale bossen en het drogere hellingbos. Karakteristiek voor de gehele omgeving van landgoed Terworm zijn de plotselinge open delen met daarop vaak cultuurhistorische bouwwerken of juist kleine agrarische percelen en hoogstamboomgaarden. De RWZI vormt ook een van deze plotselinge open delen. Om die reden is bij voorliggende ontwikkeling gekozen om deze open ruimte omkaderd te houden met dichte beplanting en het terrein zelf een meer open structuur te geven. De van oudsher voorkomende bossen rondom de RWZI zorgen al voor een natuurlijke inpassing welke aan de hoge zijde nog enigszins wordt aangezet. De openheid wordt gecreëerd door het industriële terrein grotendeels te voorzien van kruidenrijk grasland met her en der groepen van hoogstambomen als referentie naar de kenmerkende boomgaardjes die verspreid liggen in de directe omgeving.
Cultuurhistorisch erfgoed Het Nationaal Landschap Zuid-Limburg kent een lange bewoningsgeschiedenis die teruggaat tot de prehistorie. In het landschap zijn de verschillende relicten en elementen een tastbare herinnering aan verschillende fases in de geschiedenis van dit heuvellandschap. Ondanks dat de RWZI geen erfgoed-status heeft is het wel een kenmerkend industrieel relict uit de recente geschiedenis. Met voorliggend plan wordt dit stuk geschiedenis zicht- en beleefbaar behouden. De voorbezink-, nabezink- en bufferbassins zullen worden gebruikt om hierin vissen te kweken. Hierdoor zullend deze in stand gehouden worden. De drie oxidatiebedden zijn gevuld met een stenig filtermateriaal die we overlaten aan de natuur zodat zich hierin een pioniersvegetatie kan ontwikkelen. In de twee hoge slibgistingstanks leven nu vleermuizen. Vanwege veiligheidsrisico’s zijn hier de traptrede van verwijderd en blijven deze torens dienstdoen als vleermuisverblijf. Het groene karakter Waar het reliëf de abiotische, oftewel, de niet-levende ondergrond is van het landschap, vormt de kernkwaliteit groen karakter de biotische, oftewel levende laag in het landschap. Het groene karakter van het Nationaal Landschap Zuid-Limburg is een combinatie van natuurlijke invloeden van flora en fauna en menselijke activiteit
sinds de prehistorie. Het groene karakter is hierbij niet alleen belangrijk voor de ecologie van het landschap maar heeft ook een visueel aspect. Het terrein van de RWZI is omringd door natuurlijke bossen aan de beekkant volgend alluviale bossen de stroming van de beek, ten noorden en oosten liggen de wat drogere eiken-haagbeukenbossen voor. Het terrein zelf is open met daarop een grazige vegetatie met enige verruiging. Met voorliggende ontwikkeling wordt ervoor gekozen om het terrein niet over te laten aan natuurlijke processen waardoor het op zou gaan in het bos. Het meest bijzonder aan het landgoed Terworm vormt de variatie in terreintypen, open-geslotenheid, natuur en cultuur. Dit komt ook terug in het terrein. Om het open en gesloten karakter te versterken worden enkele struweel clumps aangeplant, met daarin soorten die passen bij de potentieel natuurlijke vegetatie. Zichtassen naar de gebouwen blijven behouden of worden versterkt. De rest van het terrein blijft een kruidenrijke vegetatie met daarin groepen van hoogstambomen. Deze hoogstamfruitbomen passen binnen het cultuurhistorische beeld van het landgoed. Tevens wordt hierdoor een geschikt foerageergebied gecreëerd voor de das. Het open karakter met daarop boomgroepen en open waterpartijen is ook zeer geschikt als foerageergebied voor de aanwezige vleermuizen.
De bosrand wordt licht gedund waardoor de gelaagde opbouw van kruiden en struiken plaatselijk nog verbeterd wordt. De aanwezige knotbomen blijven behouden. Ze zijn niet alleen vanuit ecologisch en cultuurhistorisch oogpunt waardevol. Op het open terrein geven ze tevens de grens aan tussen het open, drogere deel en het natte deel van het beekdal. Een nadere beschrijving van de kernkwaliteiten van het landschap i.r.t. het inrichtingsplan is samen met het inrichtingsplan opgenomen in bijlage 1. Beekdal Het overgrote deel van het perceel is aangeduid als ‘Beekdal’. Hiervoor gelden conform de Omgevingsverordening de voorschriften opgenomen ter bescherming van deze gronden. Conform artikel 4.5.1 sub 2 onder a van de Omgevingsverordening mogen geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd op of in de bodem die leiden tot aantasting van het reliëf, behalve werkzaamheden voor herstel en onderhoud van het beekdal Vanwege de aanleg van de RWZI in het verleden is het oorspronkelijk reliëf reeds verdwenen, werkzaamheden zullen dan ook geen aantasting opleveren van het reliëf. Conclusie projectgebied: Het plan voorziet in een nieuwe functie van de waterbassins en slibgistingstanks op de locatie van de voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie Terworm waarbij het resterende terrein wordt ingericht als natuur. Het projectgebied is gelegen in de zone Buitengebied.
In het POL 2014 zijn ten aanzien van deze zone geen provinciale belangen benoemd die conflicten hebben met het voorliggend plan. Daarnaast ligt het projectgebied in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, maar sluit het aan op de hiervoor relevante kernkwaliteiten. Zoals hiervoor beschreven blijft het terrein als open enclave behouden tussen het omliggende bosgebied (kernkwaliteit contrast tussen open en besloten) waarbij bestaande bebouwingselementen behouden blijven (kernkwaliteit cultuurhistorisch erfgoed). Het terrein wordt ingericht met een kruidenrijke vegetatie met daarin groepen van hoogstambomen en enkele struweel clumps waarmee het groene karakter van het projectgebied wordt versterkt (kernkwaliteit groen karakter). Als gevolg van voorliggende planontwikkeling is geen sprake van aantasting van aanwezig reliëf en/of ondergrond (kernkwaliteit reliëf). Dit laatste past daarmee ook binnen de beschermingszone beekdal. Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er is geen sprake is van een aantasting van kernkwaliteiten maar dat deze met voorliggende planontwikkeling worden versterkt.
2.3
Regionaal beleid
2.3.1 Structuurvisie Parkstad Limburg De regio Parkstad Limburg heeft in 2009 een intergemeentelijke structuurvisie vastgesteld: 'Ruimte voor park & stad’. De visie beoogt de missie van de regio, 'het in duurzame samenhang ruimtelijk-economisch ontwikkelen van de regio en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit', te verwezenlijken. Als alle partijen hun krachten bundelen, moet het mogelijk zijn om in 2030 deze kwaliteiten in Parkstad Limburg te ervaren: • Meer en beter bereikbaar groen, meer ecologische kwaliteit en structuur, onder andere door een groter contrast van stad en land; • Een sterke economie, voortbouwend op bestaande kwaliteiten en ontwikkelend op o.a. een innovatieve energiesector, toeristische dag- en verblijfrecreatie, een hoogwaardige zorginfrastructuur en dito opleidingsfaciliteiten; • Een geherstructureerd stedelijk gebied met Heerlen-Centrum als Parkstad-centrum; een hoogstedelijke kern die hoge, gevarieerde woonkwaliteit met passende voorzieningen biedt voor bestaande én nieuwe kansrijke doelgroepen; • Een uitstekende ontsluiting en bereikbaarheid via de Parkstadring en het openbaar vervoer, waardoor Parkstad Limburg ook internationaal een steviger positie verwerft. De intergemeentelijke structuurvisie zet de toekomstlijnen uit voor twee structuurdragers: ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit en de economisch-maatschappelijke ontwikkeling.
Deze dragers zijn uitgewerkt door middel van vier hoofdthema's: 1. Ruimtelijke identiteit - regionale ontwikkeling met de natuur als goede buur: natuur en landschap, inclusief het rijke erfgoed, beek- en rivierdalen vormen de basis voor een duurzame versterking van identiteit en vitaliteit. De stad krimpt, verdicht en laat zo de natuur ruimte voor groen en waterstructuren. 2. Economie - meer vitaliteit vanuit historische en huidige kracht: hoofdambitie is economische structuurversterking met als strategie ruimtelijke concentratie en revitaliseren van locaties die niet aan moderne eisen voldoen, onder toepassing van de SER-ladder. Bij revitalisering van bestaande locaties krijgt kleinschalige bedrijvigheid nadrukkelijk de ruimte. 3. Wonen - meer kwaliteit voor een veranderende bevolking: herstructurering gaat voor uitbreiding. Het bedienen van de veranderende wensen van bestaande en nieuwe doelgroepen verloopt dus vooral via een kwalitatieve vervangingsopgave. In principe geen uitbreiding buiten huidige stedelijke contour. 4. Mobiliteit - meer samenhang, betere bereikbaarheid: de ambitie is een betere bereikbaarheid via weg en spoor, zowel regionaal als internationaal. De nieuwe ringstructuur ontlast de oude radiale wegenstructuur. Hierbij hoort een heldere, eenduidige categorisering van wegen naar hun functie. Dit is in de structuurvisie vertaald naar een XL t/m S-aanduiding.
De Bestuurscommissie Ruimte van de regio Parkstad Limburg heeft de Structuurvisie in 2015 kritisch tegen het licht gehouden en onderzoekt de mogelijkheden voor een aanscherping of actualisatie van dit beleid. Belangrijkste opgave hierbij is dat de samenwerkende gemeenten in de toekomst dienen te beschikken over een instrument dat hen in staat moet stellen om integraal in plaats van sectoraal, proactief in plaats van reactief en op het regionale schaalniveau te kunnen sturen op ruimtelijke ontwikkelingen en programma's. Daarbij zal ook expliciet aandacht zijn voor urgente, nieuwe ruimtelijke thema's zoals klimaat, milieu, water, grondstoffen en voedsel Ruimtelijke identiteit Natuur en landschap, inclusief cultuurhistorisch erfgoed, zijn onlosmakelijk verbonden met de ruimtelijke identiteit van Parkstad Limburg en vormen daarmee een belangrijke kwaliteitsbasis voor economische structuurversterking.
De locatie is gelegen binnen het gebied dat is aangeduid met de ruimtelijke identiteit ‘Terworm. Dit gebied is gelegen in het Geleenbeekdal en vormt onderdeel van de landschappelijke hoofdstructuur. Het gebied kent als zodanig een grote regionale relevantie. De strategie is daarbij gericht op het beschermen, beheren en versterken van de landschappelijke hoofdstructuur. Binnen dit gebied zijn nieuwe plannen, projecten en handelingen niet toegestaan, indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten.
Uitsnede ‘Ontwikkelingskaart’ met aanduiding projectgebied
Conclusie projectgebied: De genoemde hoofdthema's zijn uitgewerkt in een Visiekaart (zie de bovenstaande afbeelding) behorende bij de intergemeentelijke structuurvisie. Op deze visiekaart is het projectgebied aangeduid als ‘Terworm’. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied. De beoogde ontwikkeling is in lijn met het gestelde in de Intergemeentelijke structuurvisie Parkstad Limburg.
2.4
Gemeentelijk
2.4.1 Structuurvisie Heerlen 2035 Op 7 juli 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Heerlen 2035 vastgesteld. Met dit planologisch instrument kan de gemeente de ruimtelijke sturing beter afstemmen op de ruimtelijke opgaven van de toekomst. De structuurvisie is opgesteld op basis van een belangrijk kantelpunt in de historie van ruimtelijke ontwikkeling in Nederland. De grenzen van de groei zijn bereikt. Er is een eind gekomen aan een onafgebroken periode van vraag naar ruimte en vastgoed.
Nieuwe ontwikkelvraagstukken hebben nu vooral te maken met de vraag hoe om te gaan met bestaand vastgoed en vrijkomende ruimte. De ruimtelijke opgaven voor de toekomst hebben veel vaker betrekking op bestaand vastgoed in plaats van nieuwbouw en zullen gekenmerkt worden door termen als: flexibel, tijdelijk, duurzaam en kleinschalig. Ook de rol van de gemeente verandert. Heerlen moet de slag maken van een toetsende naar een faciliterende overheid. Niet alles zelf herontwikkelen, maar vooral ook initiatieven van ondernemers, marktpartijen en inwoners mogelijk maken, met de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in deze structuurvisie als uitgangspunt. Deze transitieopgaven lopen als een rode draad door de structuurvisie. In de structuurvisie staan inhoudelijk vier thema's centraal: Vitale stad, Centrale stad, Innovatieve stad en Verrassende stad. Vitale stad In het thema Vitale stad wordt een beeld geschetst van woonwijken in 2035. Aan de ene kant willen we inzetten op minder woningen, maar vooral ook op woningen met meer kwaliteit en variatie. Dus geen grootschalige uitbreidingsnieuwbouw meer, maar inzetten op het doorbreken van de eentonigheid van sommige woonbuurten. Aan de andere kant willen we goede voorzieningen blijven aanbieden. Dat kan soms betekenen dat een voorziening uit de buurt verdwijnt als het verzorgingsgebied voor die voorziening te klein wordt.
In die gevallen zetten we in op het vormen van sterke voorzieningenclusters in buurten en stadsdelen. Centrale stad In het thema Centrale stad beschrijven we hoe we de rol van Heerlen als centrumgemeente in de regio kunnen versterken. Belangrijke speerpunten daarbij zijn een compact kernwinkelgebied met een compleet en gevarieerd winkelaanbod, het realiseren van een Smart Services Campus en het versterken van het stedelijk woonmilieu. Cultuur in al zijn facetten is daarbij een belangrijke bindende factor. Innovatieve stad In het thema Innovatieve stad geven we aan hoe we anders kunnen omgaan met stedelijke ontwikkelopgaven bij veranderende omstandigheden. Het hergebruiken van bestaand vastgoed en vrijkomen van ruimte na sloop spelen daarbij een belangrijke rol. Bovendien willen we mondiale duurzaamheidsvraagstukken verbinden met lokale transitieopgaven. Heerlen heeft de ambitie om in 2040 een klimaat-neutrale stad te zijn. Dat is een stad waarin processen rond wonen, werken en leven, niet op negatieve wijze bijdragen aan klimaatverandering. Verrassende stad In het thema Verrassende stad wordt beschreven hoe we bestaande cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten beter zichtbaar en tastbaar kunnen maken in de stad. Door het behoud van deze waarden te integreren in de lokale transitieopgaven, krijgen plekken en panden waarmee mensen zich verbonden voelen nieuwe betekenis.
Het resultaat van deze transitie is een verrassende stad, waarin het “Verhaal van Heerlen” tot uitdrukking komt.
Uitsnede kaart ‘Structuurvisie Heerlen 2035’ met aanduiding projectgebied
Het projectgebied is in de Structuurvisie Heerlen 2035 gelegen binnen de aanduidingen 'beekdal' en ‘natuurlijke beekzone’. De beekdalen wil de gemeente als groene lopers door de stad uit te rollen. Daarbij wordt bij de Geleenbeek met name ingezet op een historische en natuurlijke setting. Daarnaast kunnen de beekdalen een functie vervullen bij het verbinden van het heidelandschap en het plateaulandschap. Conclusie projectgebied: Voor het onderhavige plan bevat de Structuurvisie Heerlen 2035 geen specifieke uitgangspunten. Met het planvoornemen wordt het groene, natuurlijke karakter van het beekdal niet aangetast. Het planvoornemen is derhalve niet in strijdigheid met de gestelde kaders van de Structuurvisie Heerlen 2035. 2.4.2 Groenbeleidsplan Het gemeentelijk Groenbeleidsplan is op 14 mei 2013 vastgesteld en vormt sindsdien het gemeentelijk groenbeleid. In dit plan is het vorige groenstructuurplan geïntegreerd. Het Groenbeleidsplan geeft een middellange termijnvisie (2010-2025) op de gewenste ontwikkeling van het (semi-)openbare groen van de gemeente Heerlen. Behalve een visie op de gemeentelijke groenstructuur bevat het Groenbeleidsplan ook een kader voor het groenbeheer en is er tevens een uitvoeringsprogramma aan gekoppeld.
Het Groenbeleidsplan heeft als hoofddoelstelling een integrale, samenhangende en tevens duurzame groenstructuur te realiseren, die recht doet aan de identiteit en eigenheid van Heerlen als onderdeel van Parkstad Limburg en voldoende robuust van karakter is waar het gaat om behoud en verbetering van leefbaarheid en groene kwaliteit. In de visie op de groenstructuur van de gemeente Heerlen is uitgegaan van de volgende integraal samenhangende componenten: • Het landschappelijke kader van Heerlen; • De hoofdgroenstructuur van Heerlen; • Steenbergen als symbool voor een grenzeloze regio; • Schakels tussen Heerlen en het omliggende Euregionale landschap; • De hoofdinfrastructuur als uithangbord voor 'park' en 'stad'; • De historische structuur als (groene) parels in het stedelijke weefsel; • Stadsombouw Heerlen: robuust groen met nieuwe functies.
De hoofdgroenstructuur van Heerlen kadert de ligging van de verschillende stadsdelen in. Om een goede aansluiting te vormen op de gemeentelijke hoofdgroenstructuur is per stadsdeel de gewenste ontwikkeling van de hoofdgroenstructuur verder uitgewerkt. Vervolgens is nog verder ingezoomd en is de gewenste groenstructuur in de buurten en buurtschappen beschreven. Hierbij is onderscheid gemaakt in verschillende buurttypen. De visies voor de verschillende buurttypen zijn vertaald in een gereedschapskist voor de groenstructuur per buurttype, waarin de karakteristieken en functies van de hoofd- en subgroenstructuur van een buurttype zijn vastgelegd. Onderscheid wordt gemaakt in structuurgroen en snippergroen, waarbij het uitgangspunt geldt dat snippergroen kan worden afgestoten zonder dat er afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Hoofdgroenstructuur De gemeente Heerlen heeft de ambitie uitgesproken om de beekdalen een prominente positie te geven in de groenstructuur van Heerlen. Het Caumerbeekdal inclusief het 'stedelijke' Geleenbeekdal vormen dan ook een belangrijk onderdeel van de (toekomstige) hoofdgroenstructuur. Landschappelijk kader Heerlen ligt op het snijvlak van een drietal landschapstypen, het beekdalenlandschap, het plateaulandschap en het heidenatuurlandschap.
Onderdeel van deze landschapstypen zijn de Natura2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide met hun uitzonderlijke natuurwaarden, maar ook het agrarische buitengebied met graftencomplexen, beekdalen en glooiingen met daarin parels van kastelen, herenboerderijen en watermolens. De groenstructuur van Heerlen staat in directe verbinding met het landschappelijke kader van Parkstad Limburg. De unieke karakteristieken en waarden van de drie landschapstypen worden waar nodig hersteld en versterkt, zodat deze duurzaam voor de toekomst behouden en beleefbaar blijven als onderdeel van het recreatief uitloopgebied van Heerlen. Het stedelijk weefsel van Heerlen ligt duurzaam ingebed in dit landschappelijke kader en het Caumerbeekdal staat hiermee in verbinding. Stadspark Geleenbeekdal Het Caumerbeekdal en het stedelijke Geleenbeekdal worden ontwikkeld tot een ‘stadspark’. Deze stadsparken dienen niet alleen als ‘groene draad’, als verbinding tussen de verschillende buurten en stadsdelen van Heerlen, maar vormen tevens de plek waar alle Heerlenaren zich thuis voelen. De dragers van de eenheid in het stadspark zijn de ecologische groenstructuur, het watersysteem en de doorgaande recreatieve routestructuur. Daarmee ontstaat een casco dat alle delen van Heerlen met elkaar verbindt en waarbinnen zich de verscheidenheid aan (toekomstige) functies van de groenstructuur manifesteert.
Daarbij gaat het niet enkel om het verbinden en ontwikkelen van bezienswaardigheden, sportfaciliteiten en recreatievoorzieningen, maar gaat het tevens om het vormgeven aan innovaties op het gebied van voedselvoorziening, energie en duurzaamheid. Het harmonieus samengaan van deze verscheidenheid weerspiegelt de identiteit van Heerlen en weet deze te verankeren in het ‘grootste stadspark van Nederland’. Schakel tussen Heerlen en het Euregionale landschap Op diverse plekken zijn relaties aanwezig tussen het Stadspark Caumerbeekdal, incl. het ‘stedelijke’ Geleenbeekdal en het buitengebied. Een van deze schakels tussen Parkstad en Euregionale landschap betreft het landgoed van kasteel Terworm. De schakels vormen (potentieel) aantrekkelijke recreatiegebieden voor de inwoners van Parkstad, maar trekken ook mensen van daarbuiten, uit de Euregio. Door een koppeling van deze gebieden met het centrum, via een samenhangende en op integrale wijze vormgegeven Stadspark Caumerbeekdal, wordt Heerlen ingebed in het omringende Euregionale landschap en de toeristisch-recreatieve structuren.
Heerlen-Centrum Voor de ontwikkeling van de groenstructuur in het stadsdeel Centrum is de doelstelling om een representatieve groenstructuur te realiseren in het centrum en de uitloopgebieden en te komen tot een duurzame relatie met de stadsparken Caumerbeekdal en Geleenbeekdal door de toegankelijkheid te vergroten en de verweving van de hoofdgroenstructuur met de groenstructuur van Heerlen-centrum te versterken. Conclusie projectgebied: Het projectgebied is gelegen in het Geleenbeekdal en grenst aan het landgoed Terworm. Daarmee vormt het projectgebied onderdeel van de schakel tussen stad en landschap. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten uit het groenbeheersplan. Met het planvoornemen wordt een deel van het terrein van de voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie ingericht als natuur. Op deze wijze wordt het groene, natuurlijke karakter van het stadspark Geleenbeekdal versterkt. Ook het behoud van de oude RWZI bouwwerken past binnen de park/recreatie gedachte van het groenbeleidsplan. Een nadere toelichting op de terreininrichting is beschreven in paragraaf 4.3. 2.4.3 Inrichtingsvisie beken In Heerlen ontspringen vier beken. Twee daarvan, de Geleenbeek en de Caumerbeek, vormen samen bijna 20 kilometer beekdal in de stad.