Bijlage 3 stikstofonderzoek anoniem__91462__
Tekst van het document
MEMO PROJECT
Heerlen BP woningen onder hoogspanningsmasten – sloop 5 woningen
PROJECTNR.
SLM023817
ONDERWERP
Onderzoek stikstofdepositie t.b.v. wijzigen bestemmingsplan
REFERENTIE
SLM023817-NOT-001
AUTEUR
Jasper Buit / Natascha Pirovano
DATUM
4 april 2023
1
INLEIDING
De gemeente Heerlen is voornemens om 5 woningen te slopen. Het betreffen de woningen aan de Schelsberg met huisnummer 9, 11, 13, 15 en de Musschenbroek 36 in Heerlen. De woningen zijn gelegen onder een hoogspanningslijn en zijn opgekocht onder de ‘regeling specifieke uitkering aankoop woningen onder hoogspanningsverbinding’ om daarna gesloopt te worden. Om de sloop van 5 woningen mogelijk te maken, wordt momenteel een bestemmingsplan voorbereid waarmee de woonbestemming ter plaatse wordt verwijderd. Na de sloop van de 5 woningen maakt het plan geen ontwikkeling mogelijk die leidt tot een nieuwe stikstofemissie en dus per definitie ook niet tot een toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Ten behoeve van de procedure voor het wijzigen van het bestemmingsplan is door WSP een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd.
2
WETTELIJK KADER
Op basis van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb) is het verboden om een plan vast te stellen dat significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000gebied. Indien de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar komen, zijn significante gevolgen uitgesloten. Toetsing aan de Wnb vindt plaats in 2 stappen: een voortoets en een passende beoordeling. Het wettelijk kader is onderstaand toegelicht. Conform art. 2.8 lid 1 Wnb kan een plan dat significante gevolgen kan hebben op soorten en habitats pas worden vastgesteld nadat een passende beoordeling is opgesteld waarin rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Deze passende beoordeling moet de zekerheid geven dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Om te bepalen of een passende beoordeling noodzakelijk is, moet dus in de voortoets worden bepaald of het plan significante gevolgen kan hebben. Daarom wordt in eerste instantie bepaald of het plan tot een toename van de stikstofdepositie kan leiden en zo ja, of significant negatieve effecten als gevolg van de berekende toename in één of meerdere Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten of niet. Als gevolg van de uitspraak van de bestuursrechter d.d.
2 november 2022 kan geen gebruik meer worden gemaakt van de zogenaamde ‘partiële bouwvrijstelling’ voor stikstofdepositie die gold wsp.com
pagina 1
sinds 1 juli 2021. In voorliggend onderzoek is daarom voor de sloopfase berekend of een toename van de stikstofdepositie te verwachten is. Zoals in de inleiding is aangegeven wordt in het bestemmingsplan geen ontwikkeling mogelijk gemaakt die leidt tot een stikstofemissie in de gebruiksfase. Wanneer de sloopfase niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie, kunnen significante gevolgen op voorhand worden uitgesloten en vormt de Wet natuurbescherming vanuit het aspect stikstofdepositie geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
3
UITGANGSPUNTEN
3.1
SITUATIE
In figuur 3-1 is de ligging van de te slopen woningen ten opzichte van de omgeving weergegeven. Het voor dit plan meest relevante Natura 2000-gebieden 1 Brunssummerheide en Geleenbeekdal bevinden zich op circa 1,2 km en 1,7 km van het plangebied.
Figuur 3-1 Ligging plangebied (2 bronnen) t.o.v. omgeving en nabijgelegen Natura 2000-gebieden
1
wsp.com
Natura 2000-gebieden waar stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn die te maken hebben met een (naderende) overbelasting door stikstof. pagina 2
3.2
STIKSTOFEMISSIE
De 5 te slopen woningen staan aan de Schelsberg en de Musschenbroek. Voor de gasgestookte verwarming van de woningen wordt uitgegaan van een emissie van 0,62 2 kg NOx/jaar/woning. Momenteel zijn maar 3 van de 5 woningen bewoond, alleen de emissie van deze 3 woningen wordt meegenomen in het bestaand gebruik. De verkeersgeneratie is bepaald met behulp van de CROW publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren – kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ waarbij is uitgegaan van een matig stedelijke gemeente en het gebiedstype ‘Schil centrum’. Uitgaande van 3 tussen/hoek woningen leidt dit tot een verkeersgeneratie van maximaal 22 voertuigbewegingen op een weekdag. Deze verkeersbewegingen worden in voorliggend onderzoek verdeeld over 2 routes. Vanuit de Schelsberg en de Sittarderweg via de Palemigerboord tot aan de rotonde met de Wickraderweg/Euregioweg en vanuit de Musschenbroek via de Palmigerboord tot aan de rotonde met de Wickraderweg/Euregioweg. Vanaf de rotonde met de Wickraderweg/Euregioweg wordt aangenomen dat het verkeer is opgenomen in het heersend verkeersbeeld. De sloop van de 5 woningen zal leiden tot een tijdelijke extra stikstofemissie als gevolg van: brandstofverbranding door mobiele werktuigen op het bouwterrein; brandstofverbranding door transporten voor aan- en afvoer van materieel, materiaal en personeel.
Aangezien nog geen verdere detailinformatie bekend is voor de sloopfase, is ten behoeve van voorliggend onderzoek bepaald bij welke maximale emissie op jaarbasis als gevolg van deze sloopfase geen toename van stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden in de omgeving zal plaats vinden t.o.v. het bestaand gebruik, of anders gezegd bij welke maximale emissie geen depositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar wordt veroorzaakt. In dat geval zijn significante gevolgen namelijk in ieder geval uitgesloten. Daarna is beoordeeld of het aannemelijk is dat het plan binnen deze maximale emissie gerealiseerd kan worden (en het plan dus uitvoerbaar wordt geacht). Om deze maximale emissie als gevolg van de bouwfase te kunnen bepalen zijn twee globale bronnen van stikstofemissie in AERIUS gemodelleerd: 1) Emissie als gevolg van brandstofverbranding mobiele werktuigen: hiervoor is een oppervlaktebron gemodelleerd ter plaatse van het plangebied. Voor deze bron zijn de standaard kenmerken uit AERIUS Calculator aangehouden voor de sector ‘Mobiele werktuigen – Bouw en Industrie’. Voor de berekening is in eerste instantie uitgegaan van de toepassing van (relatief) schoon materieel met minimaal STAGE IV-motoren (bouwjaar 2014-2018), waarbij is uitgegaan van een gemiddeld brandstofverbruik van 15 liter/uur en de toevoeging van 6% AdBlue3.
Vervolgens is onderzocht wat het effect is van de toepassing van nog schoner materieel met minimaal STAGE Vin combinatie met de toevoeging van 7% AdBlue
2
Gasverbruik is gebaseerd op het geraamde gemiddelde gasverbruik per woning in 2022 zoals vermeld door het CJIB, wat neer komt op 1.169 m3 gas. Dit gasverbruik is omgerekend met de volgende vuistregel ‘1 m3 gas komt overeen met 35,17 [MJ/m3 gas] /3,6 [MJ/kWh] = 9,77 [kWh]; 1 kWh = 3,6 MJ; 1 GJ realiseert 15 g NOx’ 3 O.b.v. het TNO-rapport ‘Ligterink et al., 2021. ‘AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen’.
wsp.com
pagina 3
2)
3.3
Emissie als gevolg van brandstofverbranding bouwverkeer: hiervoor is een lijnbron gemodelleerd vanaf het plangebied. Voor het bouwverkeer zijn dezelfde routes beschouwd als die voor het huidige gebruik. Voor deze bronnen zijn de standaard kenmerken uit AERIUS Calculator aangehouden voor de sector ‘Wegverkeer – Binnen bebouwde kom’. REKENMETHODE
De berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator 4. De berekeningen zijn uitgevoerd conform de toelichtingen opgenomen in de calculator. De berekeningen zijn uitgevoerd in de rekenconfiguratie “Wnb-rekengrid”. Dit betekent dat alleen de rekenpunten worden gebruikt die relevant zijn voor de toetsing aan de Wet natuurbescherming. De berekeningen van de sloop uitgevoerd voor het jaar 2023, de verwachting is dat de sloop eind 2023 zal worden uitgevoerd. Tevens is dit een worstcase benadering omdat door het schoner worden van voertuigen de emissie van de transportbewegingen in latere jaren afneemt.
4
RESULTATEN BOUWFASE
Voorop staat dat tijdens de sloopfase in ieder geval ongelimiteerd gebruik gemaakt kan worden van elektrisch materieel. Daarnaast is voor de sloopfase bepaald dat bij aanvullende inzet van materieel met STAGE IV-verbrandingsmotoren (materieel van bouwjaar 2014 - 2018), een emissie van ten hoogste 8,7 kg NOx en 0,3 kg NH3 als gevolg van dit materieel, niet leidt tot een depositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden t.o.v. het huidige gebruik. Een dergelijke emissie kan door de aannemer op diverse manieren worden ingevuld, bijvoorbeeld: Een emissie op locatie van 8,4 kg NOx en 0,3 kg NH3 op jaarbasis. Dit komt overeen met de verbranding van circa 1.425 liter brandstof door bouwmachines van STAGE klasse IV met een vermogen van 75 tot 560 kW. Uitgaande van een gemiddeld brandstofverbruik van 15 l/uur en de toevoeging van 6% AdBlue kan een dergelijke machine in dat geval circa 95 uur worden gebruikt. Daarnaast kunnen op jaarbasis dan nog circa 150 personenwagens en/of bestelbussen en 125 vrachtwagens naar de slooplocatie komen. Wanneer de aannemer de mogelijkheid heeft om schoner STAGE V-materieel (materieel van bouwjaar 2019 of jonger) toe te passen (i.c.m. ongelimiteerd elektrisch materieel) en er kan worden uitgegaan van de maximale toevoeging van 7% AdBlue, dan zijn er per jaar meer draaiuren toegestaan.
In dat geval is berekend dat een emissie van ten hoogste 3,5 kg NOx en circa 0,6 kg NH3 op jaarbasis 5, niet leidt tot een depositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Een dergelijke emissie kan door de aannemer op diverse manieren worden ingevuld, bijvoorbeeld Een emissie op locatie van 3,2 kg NOx en 0,6 kg NH3 op jaarbasis. Dit komt overeen met de verbranding van circa 2.400 liter brandstof door bouwmachines van STAGE klasse V met een vermogen van 75 tot 560 kW. Uitgaande van een gemiddeld brandstofverbruik van 15
4 AERIUS versie 2021.2 5 Het toepassen van STAGE V-materieel en een groter percentage AdBlue leidt tot een relevant lagere NO -emissie, maar x
wel een hogere emissie van NH3.
wsp.com
pagina 4
l/uur en de toevoeging van 7% AdBlue kan een dergelijke machine in dat geval circa 160 uur worden gebruikt. Daarnaast kunnen op jaarbasis dan nog circa 150 personenwagens en/of bestelbussen en 125 vrachtwagens naar de bouwlocatie komen. Andere (gecombineerde) invullingen zijn uiteraard ook mogelijk, waarbij de inzet van elektrisch materieel ongelimiteerd is toegestaan. Het is aan de aannemer om het noodzakelijke sloopproces zo in te richten dat aan de maximale stikstofemissie op jaarbasis wordt voldaan en geen toename van de stikstofdepositie wordt veroorzaakt. Indien meer transportbewegingen nodig zijn dan hierboven omschreven, kan gekozen worden voor minder stikstofemissie op de bouwplaats door dus zoveel mogelijk gebruik te maken van elektrisch materieel of STAGE V materieel. Tegenwoordig wordt bij het slopen van gebouwen de verschillende afvalstromen zo veel als mogelijk gescheiden uit de gebouwen gehaald waardoor hergebruik van materialen geoptimaliseerd kan worden. Voor een dergelijk sloopproces wordt vaak gebruik gemaakt van elektrisch materieel. Machines met een verbrandingsmotor worden vaak alleen ingezet bij de sloop van het resterende betonnen/stenen gebouw, het verwijderen van funderingen en het egaliseren van de grond. Per woning zijn 19 tot 32 uur voor dergelijke werkzaamheden beschikbaar. Op basis van ervaringsgegevens van WSP wordt dit toereikend geacht.
De invoergegevens en rekenresultaten uit AERIUS zijn toegevoegd in bijlage 1 en 2.
5
CONCLUSIE
Voor de sloop van de 5 bestaande woningen is onderzocht hoeveel stikstofemissie niet leidt tot een berekende toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden t.o.v. de bestaande situatie. Op basis van de gehanteerde uitgangspunten is een inzet van minimaal 95 tot 160 uur bouwmachines op de bouwplaats mogelijk en kunnen 150 personenwagens of bestelwagens en 125 vrachtwagens naar de bouwplaats komen. Op basis van onze ervaring in soortgelijke projecten wordt geoordeeld dat het sloopplan hiermee uitvoerbaar zal zijn. Na de sloop van de 5 woningen worden in het bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een stikstofemissie en dus per definitie ook niet tot een toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de vaststelling van het plan.
wsp.com
pagina 5
BIJLAGE
AERIUS BIJLAGE SLOOPFASE
wsp.com
pagina 6
BIJLAGE
AERIUS BIJLAGE SLOOPFASE STAGE V
wsp.com
pagina 7