bijlage 2 Was wordt tabel
Tekst van het document
Was/wordt-tabel en toelichting
Leeswijzer In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet. In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt. De letters verwijzen naar de letters van het wijzigingsbesluit. A Bestaand
Nieuw
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen h. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen h. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
Argument Deze wijziging houdt verband met het overhevelen van de definitie van ‘gebouw’ in bijlage 1 bij het Besluit bouwwerken leefomgeving naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Conform model VNG (ledenbrief zomer 2024).
B Bestaand
Nieuw
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het eerste lid beslist het bevoegd bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:24 van deze verordening: a. binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de aanvraag indien de aanvraag betrekking heeft op een evenement dat op grond van het gemeentelijk evenementenbeleid, zoals dat ten tijde van de aanvraag luidt, is aan te merken als categorie B evenement; b. binnen zestien weken na de datum van ontvangst van de aanvraag indien de aanvraag betrekking heeft op een evenement dat op grond van het gemeentelijk evenementenbeleid, zoals dat ten tijde van de aanvraag luidt, is aan te merken als categorie C evenement. 4. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Argument Lid 3 uit het bestaand artikel wordt omwille van de overzichtelijkheid opgenomen in artikel 2:24, het artikel dat de evenementenvergunning regelt. Zie hiervoor het wijzigingsvoorstel bij artikel 2:24.
C Bestaand
Nieuw
Artikel 2:8 Straatartiest 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest of straatmuzikant op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen, gebieden of gedeelten daarvan. 2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot door hem aan te duiden dagen en uren. 3. De burgemeester kan, onverminderd het bepaalde in het tweede lid, bepalen dat het verbod niet geldt indien wordt gehandeld overeenkomstig door de burgemeester gestelde eisen. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 2:8 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan, onverminderd het bepaalde in het tweede lid, bepalen dat het verbod niet geldt indien wordt gehandeld overeenkomstig door de burgemeester gestelde eisen. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Argument De terminologie van het model van de VNG is aangehouden.
D Bestaand
Nieuw
Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg 1. het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig
Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg 1. het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig
1
Argument Lid 4 onder b: Artikel 2:33 wordt artikel 2:27. Terrassen worden geregeld via artikelen 2:27 en 2:27a nieuw. Zie toelichting bij artikelen 2:27 en 2:27a nieuw.
de publieke functie daarvan. 2. Het is verboden op, aan, over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien het voorwerp of de stof: a. door de omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg, b. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, c. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, of d. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 3. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast of hinder. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:23; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:33; c. standplaatsen als bedoeld in de Standplaatsenverordening; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 5. a.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. b. De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. c. De weigeringsgrond van het derde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken. d. De weigeringsgrond van het derde lid, onder c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer. 6. Indien het college bevoegd is om te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 7. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor, eventueel onder door hem te stellen voorschriften, het verbod in het eerste lid niet geldt.
de publieke functie daarvan. 2. Het is verboden op, aan, over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien het voorwerp of de stof: a. door de omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg, b. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, c. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, of d. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 3. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast of hinder. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:23; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27; c. standplaatsen als bedoeld in de Standplaatsenverordening; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 5. a.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. b. De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. c. De weigeringsgrond van het derde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken. d. De weigeringsgrond van het derde lid, onder c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Besluit activiteiten leefomgeving of het omgevingsplan. 6. Indien het college bevoegd is om te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 7. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor, eventueel onder door hem te stellen voorschriften, het verbod in het eerste lid niet geldt.
Lid 5 onder d: Grondslag/verwijzing geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet.
E Bestaand
Nieuw
Artikel 2:23 Begripsomschrijving
Artikel 2:23 Begripsomschrijving
Lid 1 d. activiteiten in horecabedrijven in de zin van de Alcoholwet juncto art. 3:3 van deze verordening voor zover die passen binnen de reguliere exploitatie van het gebouw waarin de activiteit wordt uitgeoefend;
Lid 1 d. activiteiten in horecabedrijven in de zin van de Alcoholwet juncto artikel 2:27 van deze verordening voor zover die passen binnen de reguliere exploitatie van het gebouw waarin de activiteit wordt uitgeoefend;
Argument Artikel 3:3 komt te vervallen, moet zijn artikel 2:27. Zie toelichting bij V.
F Bestaand
Nieuw
Artikel 2:24 Evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor een
Artikel 2:24 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van
2
Argument Aangesloten bij de terminologie en structuur van de model APV van de VNG. Lid 2 (nieuw) is toegevoegd omdat we in de praktijk al op deze wijze werken.
klein evenement, indien: a. het totaal aantal aanwezige personen op enig moment gedurende het evenement niet meer bedraagt dan 250; b. het evenement tussen 09.00 en 24.00 uur plaats vindt, met dien verstande dat op vrijdag of zaterdag aangevangen evenementen mogen eindigen om 01.30 uur van de volgende dag; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht 1° op maandag tot en met zaterdag: vóór 09.00 uur en na 22.00 uur, 2° op zondag: vóór 13.00 uur en na 22.00 uur; d. het equivalente geluidsniveau op de gevel van de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige ruimte als bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving niet meer bedraagt dan 70 dB(A); e. het evenement niet plaatsvindt op de openbare weg, en het evenement ook anderszins geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; f. een eventueel te plaatsen tent, podium of ander object geen groter grondoppervlak beslaat dan 100 vierkante meter per object en alle te plaatsen objecten gezamenlijk geen groter grondoppervlak beslaan dan 250 vierkante meter; g. een eventueel te plaatsen podium niet hoger is dan 1,0 meter; h.
er een organisator is, dan wel een natuurlijke persoon die middels schriftelijke machtiging is gemachtigd als vertegenwoordiger van de organisator, met volledige beslissingsbevoegdheid en deze machtiging schriftelijk heeft geaccepteerd, die gedurende de gehele duur van het evenement ter plaatse aanwezig en bereikbaar is en zich voorafgaand aan het evenement schriftelijk verantwoordelijk heeft gesteld voor het evenement en het naleven van de voorschriften; en i. de organisator minimaal drie weken voorafgaande aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 3. Op het organiseren van een optocht of processie die plaatsvindt op de openbare weg, is het bepaalde in het tweede lid van toepassing, mits geen elektronisch of mechanisch versterkt geluid ten gehore wordt gebracht. 4. De burgemeester kan binnen twee weken na ontvangst van de melding besluiten een evenement als bedoeld in het tweede of derde lid van dit artikel te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod niet voor: a.
optochten en processies waaraan uitsluitend minderjarigen onder begeleiding deelnemen en die uitsluitend plaatsvinden op het trottoir, waarbij de rijbaan uitsluitend haaks wordt overgestoken, de verkeersveiligheid is gewaarborgd en waarbij geen gebruik wordt gemaakt van vervoermiddelen en tevens geen elektronisch of mechanisch versterkt geluid ten gehore wordt gebracht; b. het verrichten van incidentele, nietaanstootgevende voor publiek toegankelijke handelingen van vermaak op door de burgemeester daartoe aangewezen plaatsen die naar aard en omvang en uitstraling naar de omgeving zeer beperkt zijn, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van licht, versterkt geluid of elektrische apparaten, en die een oppervlakte van maximaal 9 vierkante meter in beslag nemen en waarvan de tijdsduur maximaal twee aaneengesloten uren bedraagt. 6. De burgemeester is bevoegd om uit oogpunt van het voorkomen van verstoring van de openbare orde of veiligheid, categorieën evenementen aan te wijzen waarvoor de leden 2, 3 en 5 niet van toepassing zijn. 7. De burgemeester is bevoegd in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu voorschriften te verbinden aan het organiseren van een evenement. 8. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de in het tweede lid, onder d van artikel 2:23 voorziene
het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. In afwijking van artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid: a. binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de aanvraag indien de aanvraag betrekking heeft op een evenement dat op grond van het gemeentelijk evenementenbeleid, zoals dat ten tijde van de aanvraag luidt, is aan te merken als categorie B evenement; b. binnen zestien weken na de datum van ontvangst van de aanvraag indien de aanvraag betrekking heeft op een evenement dat op grond van het gemeentelijk evenementenbeleid, zoals dat ten tijde van de aanvraag luidt, is aan te merken als categorie C evenement. 4. De burgemeester is bevoegd in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu voorschriften te verbinden aan het organiseren van een evenement. 5. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op meldingsplichtige evenementen zoals bedoeld in artikel 2:24a, mits wordt voldaan aan door de burgemeester gestelde voorschriften. 6.
Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Het vijfde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:23, tweede lid, onder e, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s. 8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:23, tweede lid, onder e, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 9. De burgemeester stelt jaarlijks uiterlijk op 1 november een jaarkalender vast voor het aankomende evenementenjaar. De jaarkalender loopt van 1 januari t/m 31 december. Aan plaatsing op de kalender kunnen geen rechten worden ontleend. 10. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren indien het evenement niet is opgenomen op de jaarkalender of indien op de jaarkalender reeds een ander evenement in de gevraagde periode en op de gevraagde locatie is opgenomen (cumulatie). 11. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
3
Lid 3 (nieuw) stond eerst onder artikel 1:2 (bestaand). Om het overzichtelijk te maken is het verplaatst naar de afdeling waar alles rondom evenementen wordt geregeld. Lid 2 t/m 5 (bestaand) zijn verplaatst naar (nieuw) artikel 2.24a. Leden 9 t/m 11: Deze artikelen worden opgenomen voor de diverse hulpdiensten zodat dit gebruikt kan worden voor de planning van o.a. benodigde inzet. Daarnaast leidt de kalender tot inzicht in de verwachte evenementen, zodat conflicten in data en locaties tijdig zichtbaar zijn. Bovendien is de kalender een handig hulpmiddel om pro-actief organisatoren te benaderen voor een tijdige indiening van de aanvraag om een vergunning. Bewoners en organisatoren worden vroegtijdig geïnformeerd over de mogelijkheden/planning van het evenementenseizoen. Het vermeld zijn op de kalender geeft geen garantie dat het evenement ook georganiseerd mag worden. Daarvoor is een vergunning van de burgemeester nodig op basis van een aanvraag.
gevallen, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994. 9. Het tweede lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:23, tweede lid, onder e, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s. 10. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:23, tweede lid, onder e, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 11. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. G Bestaand
Nieuw
Argument
Artikel 2:24A Ordeverstoring evenement Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Artikel 2:24a Meldingsplichtige evenementen 1. De burgemeester kan categorieën evenementen aanwijzen waarvoor het verbod als bedoeld in artikel 2:24, eerste lid, niet geldt maar waarvoor een meldingsplicht geldt en kan
De meldingsplichtige evenementen zijn op dit moment opgenomen in het bestaande artikel 2.24 lid 2 t/m lid 5 (zie hierboven). Deze zullen landen in de op grond van het eerste lid door de burgemeester te nemen besluit.
daarbij voorschriften stellen. 2. De organisator van een evenement als bedoeld in het eerste lid meldt dit bij de burgemeester tenminste vier weken voorafgaand aan het evenement, door middel van een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier. 3. De burgemeester kan binnen twee weken na ontvangst van de melding besluiten een meldings-plichtig evenement te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
Dit artikel wordt opgenomen om de leesbaarheid van de APV te bevorderen. Artikel 2:24 gaat over vergunningsplichtige evenementen en artikel 2:24a gaat over meldingsplichtige evenementen. De criteria en voorwaarden voor een meldingsplichtig evenement staan reeds opgenomen in het ‘evenementenbeleid vergunningverlening, veiligheid en facilitering’. Met het toevoegen van lid 1 is de verankering in de APV geregeld. De tekst van het huidige artikel 2:24a (Ordeverstoring evenement) wordt opgenomen in artikel 2:24b nieuw.
H Bestaand
Nieuw Artikel 2:24b Ordeverstoring evenement Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Argument Zie vorige tabel. Dit is op dit moment geregeld in artikel 2:24a maar wordt verplaatst naar een nieuw artikel 2:24b. Dit omdat het logischer is het artikel over meldingsplichtige evenementen direct op te nemen na het artikel over vergunningsplichtige evenementen.
I Bestaand Hoofdstuk 2 AFDELING 6 INRICHTINGEN
Nieuw Hoofdstuk 2 AFDELING 6 TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN
Argument Vasthouden aan de terminologie van de model APV van de VNG.
J
Bestaand Artikel 2:27 Begripsomschrijvingen 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Inrichting: 1. een inrichting waarin een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet wordt uitgeoefend, zomede de daarbij behorende open aanhorigheden; 2. elke voor het publiek toegankelijke lokaliteit, open plaats, tuin of gedeelte daarvan, zomede 3. de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend
Nieuw Artikel 2:27 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder: 1. Openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, afhaalcentrum, buurthuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 4
Argument Vasthouden aan de terminologie van de model APV van de VNG en aanpassen definities (conform de vermelding in overige relevante artikelen in deze afdeling).
als woning of winkel als bedoeld in de Winkeltijdenwet (met uitzondering van afhaalcentra) worden gebruikt, voor zover daar bij wijze van hoofdfunctie of overwegende nevenfunctie gelegenheid wordt gegeven om al dan niet tegen betaling enigerlei eetwaren voor directe consumptie en/of alcoholvrije dranken te verkrijgen en/of verbruiken; 4. een afhaalcentrum, zijnde een winkel waar voor gebruik elders dan ter plaatse uitsluitend eetwaren en/of alcoholvrije dranken plegen te worden verstrekt. b. Houder: degene die een inrichting exploiteert of daarin de feitelijke leiding heeft. c. Terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf aan de openbare weg waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereidt of verstrekt. 2. In deze afdeling wordt onder bezoekers niet verstaan: a. de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is; d. het dienstdoend personeel.
2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3. Leidinggevende: a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; b. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; c. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting. 4. Houder: degene die een openbare inrichting exploiteert of daarin de feitelijke leiding heeft. 5. Bezoeker: een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: a. de leidinggevende, zijn levenspartner en hun directe gezinsleden; b. het dienstdoende personeel; c. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; d. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
K Bestaand
Nieuw Artikel 2:27a Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant. 3. Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier. 4. Per openbare inrichting kan niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling worden genomen. 5. De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de ondernemer(s) van de openbare inrichting en is niet overdraagbaar. 6. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 7. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8.
Bij de toepassing van de in het zesde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. 9. Een leidinggevende voldoet aan de eisen
5
Argument Dit is een nieuw artikel in de APV. In de bestaande APV staan de artikelen over horeca verspreid opgenomen. Dit maakt het onoverzichtelijk en verwarrend. Daarnaast staan in de bestaande APV een aantal voorwaarden die vermeld worden in de vergunning en wordt verwezen naar de eisen vanuit hogere wetgeving (waaronder Bouwbesluit). Vanwege de leesbaarheid en vindbaarheid wordt de structuur aangehouden van de model APV van de VNG. Op die manier staan de (horeca) exploitatie regels bij elkaar in dezelfde paragraaf. De model APV is aangevuld met plaatselijke regels. Lid 13 is aangepast omdat o.g.v. artikel 25a lid 2 sub b Alcoholwet de burgemeester via de APV voorschriften aan de Alcoholwetvergunning kan verbinden en de vergunning kan beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank. (was voorheen bestaand artikel 3:10 APV). Lid 14 van het nieuwe artikel is toegevoegd om de bevoegdheid voor o.a. het stellen van nadere regels omtrent bijv. speelautomatenhallen. De volgende bestaande artikelen kunnen komen te vervallen omdat het o.a. voorwaarden zijn die vermeld staan in de vergunning, die niet meer gelden, die dubbel vermeld staan in de verordening, hogere wetgeving voorziet hier al in of waarbij de algemene weigeringsgronden en – intrekkingsgronden toegepast kunnen worden: artikelen 3:2 tot en met 3:20 (afdeling 2 van
zoals genoemd in artikel 8, eerste lid en tweede lid van de Alcoholwet. 10. In afwijking van het negende lid, voor wat betreft de daarin bedoelde leeftijdseis, dient de leidinggevende van een openbare inrichting, niet zijnde een coffeeshop, de leeftijd van achttien jaar bereikt te hebben. 11. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken, als: a. de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. de leidinggevende niet meer voldoet aan de gestelde eisen als bedoeld in het negende en tiende lid; c. de vergunninghouder in een periode van twee jaar tenminste drie maal om bijschrijving van een persoon op de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die bijschrijving ten minste driemaal heeft geweigerd. 12. De vergunning als bedoeld in het eerste lid vervalt van rechtswege als deze: a. sinds haar verlening onherroepelijk is geworden zes maanden zijn verlopen zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; b. gedurende één jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; c. een nieuwe vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning van kracht is geworden. 13.
De burgemeester kan aan een vergunning voor een horecabedrijf als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet, voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen alleen worden gesteld: a. ter bescherming van de volksgezondheid, of b. in het belang van de openbare orde, of c. ter bevordering van de naleving van artikel 20 en 45a van de Alcoholwet. 14. Het college kan nadere regels stellen voor de exploitatie van een openbare inrichting. 15. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
hoofdstuk 3). Zie toelichting bij V.
Bestaand
Nieuw
Argument
Artikel 2:28 Sluitingsuur 1. Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid onder a, sub 1, verboden deze voor bezoekers geopend te hebben en/of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven: a. op zaterdag tot en met maandag tussen 03.00 uur en 07.00 uur; b. op dinsdag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur. 2. Het is de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid onder a, sub 2 en 3, verboden deze voor bezoekers geopend te hebben en/of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 03.00 uur en 07.00 uur. 3. Het is, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid onder a, sub 1, die gelegen is binnen het gebied in Heerlen-Centrum dat begrensd wordt door de Putgraaf, Dr. Poelsstraat, Raadhuisplein, Coriovallumstraat, Kruisstraat, Geerstraat, Stationsplein, Stationstraat, Willemstraat, Klompstraat, en Groene Boord tot en met de kruising met de Putgraaf, inclusief de aan de genoemde straten grenzende bebouwing, verboden deze voor bezoekers geopend te hebben en/of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven: a. op zaterdag en zondag tussen 04.00 uur en 07.00 uur, b. op maandag tussen 03.00 uur en 07.00 uur,
Artikel 2:28 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen met een vergunning op grond van de Alcoholwet zijn gesloten: a. op zaterdag tot en met maandag tussen 03.00 uur en 07.00 uur; b. op dinsdag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur. 2. Openbare inrichtingen zonder een vergunning op grond van de Alcoholwet zijn gesloten tussen 03.00 uur en 7.00 uur. 3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 4. Het is, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, verboden een openbare inrichting als bedoeld in het eerste lid die gelegen is binnen het gebied in Heerlen-Centrum dat begrensd wordt door de Putgraaf, Dr. Poelsstraat, Raadhuisplein, Coriovallumstraat, Kruisstraat, Geerstraat, Stationsplein, Stationstraat, Willemstraat, Klompstraat, en Groene Boord tot en met de kruising met de Putgraaf, inclusief de aan de genoemde straten grenzende bebouwing, voor bezoekers geopend te hebben en/of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven: a. op zaterdag en zondag tussen 04.00 uur en 07.00 uur, b. op maandag tussen 03.00 uur en 07.00 uur,
L
6
c. op dinsdag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur. 4. Het is, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder a, de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid onder a, sub 1, die gelegen is aan de Akerstraat (vanaf nummer 7 richting Pancratiusplein aan beide zijden), het Pancratiusplein, Geleenstraat 1, Bongerd 18 en de Pancratiusstraat toegestaan deze inrichting, met uitzondering van het terras, eveneens voor bezoekers geopend te hebben en / of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op zaterdag en zondag tussen 03.00 en 07.00 uur. 5. Het is, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, de houder van een inrichting als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid onder a, sub 2 en 3, die gelegen is binnen het gebied in Heerlen-Centrum dat begrensd wordt door de Putgraaf, Dr. Poelsstraat, Raadhuisplein, Coriovallumstraat, Kruisstraat, Geerstraat, Stationsplein, Stationstraat, Willemstraat, Klompstraat, en Groene Boord tot en met de kruising met de Putgraaf, inclusief de aan de genoemde straten grenzende bebouwing, verboden deze voor bezoekers geopend te hebben en/of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven: a. op zaterdag en zondag tussen 04.00 uur en 07.00 uur; b. op maandag tot en met vrijdag tussen 03.00 uur en 07.00 uur. 6.
Aan de krachtens het derde en vierde lid verruimde openingstijden, is de voorwaarde verbonden dat de houder van de inrichting actief deurbeleid voert vanaf 03:00 uur tot sluiting. Bij het niet naleven van deze voorwaarde geldt alsnog het verbod van het eerste lid. 7. De burgemeester is bevoegd van de in de vorige leden bedoelde verboden ontheffing te verlenen. 8. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
c. op dinsdag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur. 5. Het is, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder a, toegestaan een openbare inrichting als bedoeld in het eerste lid met uitzondering van het terras, die gelegen is aan de Akerstraat (vanaf nummer 7 richting Pancra-tiusplein aan beide zijden), het Pancratiusplein, Geleenstraat 1, Bongerd 18 en de Pancratiusstraat, voor bezoekers geopend te hebben en / of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op zaterdag en zondag tussen 03.00 en 07.00 uur. 6. Het is, in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, verboden een openbare inrichting als bedoeld in het tweede lid die gelegen is binnen het gebied in Heerlen-Centrum dat begrensd wordt door de Putgraaf, Dr. Poelsstraat, Raad-huisplein, Coriovallumstraat, Kruisstraat, Geerstraat, Stationsplein, Stationstraat, Willemstraat, Klompstraat, en Groene Boord tot en met de kruising met de Putgraaf, inclusief de aan de genoemde straten grenzende bebouwing, voor bezoekers geopend te hebben en/of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven: a. op zaterdag en zondag tussen 04.00 uur en 07.00 uur; b. op maandag tot en met vrijdag tussen 03.00 uur en 07.00 uur. 7. Aan de krachtens het vierde en vijfde lid verruimde openingstijden, is de voorwaarde verbonden dat de houder van de inrichting actief deurbeleid voert vanaf 03:00 uur tot sluiting.
Bij het niet naleven van deze voorwaarde geldt alsnog het verbod van het eerste lid. 8. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 9. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 10. Het eerste, vierde, vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien.
M Bestaand
Nieuw
Artikel 2:30 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:28 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting van een of meer inrichtingen bevelen. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b Opiumwet.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b Opiumwet.
Argument De tekst is op sommige punten wat vereenvoudigd hierbij is ook weer rekening gehouden met de model verordening van de VNG.
N Bestaand
Nieuw
Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten inrichting Het is bezoekers van een inrichting verboden gedurende de tijd die deze inrichting krachtens artikel 2:28 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Argument De tekst is aangepast conform de model verordening van de VNG. De bestaande artikelen 2:31, 2:32 en 2:34 hebben betrekking op hetzelfde (verboden gedragingen in/bij openbare inrichtingen). Vandaar het voorstel om ze samen te voegen tot 1 artikel. Dat maakt het duidelijker en komt ten goede aan de leesbaar-heid.
O Bestaand
Nieuw
Artikel 2:32 Ordeverstoring Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.
Artikel 2:32 Vervallen
Argument De inhoud van dit artikel is opgenomen in artikel 2:31 nieuw (onder a).
P
7
Bestaand
Nieuw
Artikel 2:32a Zwarte lijst 1. Het is de houder van een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, verboden in die inrichting toe te laten of te laten verblijven niet tot zijn gezin behorende personen, die naar het oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholhoudende drank plegen te maken of op andere wijze overlast veroorzaken en wier namen als zodanig schriftelijk door de burgemeester aan die houder zijn opgegeven. 2. Het is aan een persoon wiens naam ingevolge het bepaalde in het eerste lid door de burgemeester aan de houders van openbare inrichtingen, als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, is opgegeven, verboden zich in een dergelijke inrichting te bevinden nadat hij schriftelijk door de burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld. 3. Het verbod in het tweede lid geldt voor een bepaalde periode, die niet langer is dan een jaar.
Artikel 2:32a Zwarte lijst 1. Het is de houder van een openbare inrichting verboden in die inrichting toe te laten of te laten verblijven niet tot zijn gezin behorende personen, die naar het oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholhoudende drank plegen te maken of op andere wijze overlast veroorzaken en wier namen als zodanig schriftelijk door de burgemeester aan die houder zijn opgegeven. 2. Het is aan een persoon wiens naam ingevolge het bepaalde in het eerste lid door de burgemeester aan de houders van openbare inrichtingen is opgegeven, verboden zich in een dergelijke inrichting te bevinden nadat hij schriftelijk door de burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld. 3. Het verbod in het tweede lid geldt voor een bepaalde periode, die niet langer is dan een jaar.
Argument Het artikel met de definities (artikel 2:27) en dit betreffende artikel staan beiden in afdeling 6. Er hoeft dan niet nog eens in de tekst verwezen te worden naar de van toepassing zijnde definities.
Q Bestaand
Nieuw
Artikel 2:33 Terrasvergunning horeca 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:27a tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Argument Artikel 2:33 oud komt te vervallen , de terrasvergunning wordt geregeld in artikel 2:27a nieuw. In de plaats daarvan komt artikel 2:33 nieuw conform de modelverordening VNG. Het begrip ‘openbare inrichting’ als omschreven in (het nieuwe) artikel 2:27a ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan. De tekst is in overeenstemming gebracht met die van artikel 174 van de Gemeentewet.
R Bestaand
Nieuw
Artikel 2:34 Drankverstrekking op het terras Het is verboden op het terras alcoholhoudende drank te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:34 Vervallen
Argument Opgenomen in artikel 2:31 nieuw (onder c).
Bestaand
Nieuw
Argument
Artikel 2:43 Glazen drinkgerei
Artikel 2:43 Glazen drinkgerei
2. De houder van een horeca-inrichting als bedoeld in artikel 3:3 is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van zijn inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten de inrichting brengen.
2. De houder van een horeca-inrichting als bedoeld in artikel 2:27 is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van zijn inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten de inrichting brengen.
3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras waarvoor een vergunning geldt als bedoeld in artikel 2:33;
3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras waarvoor een vergunning geldt als bedoeld in artikel 2:27a;
S
8
Artikel 3:3 wordt artikel 2:27.
Artikel 2:33 wordt artikel 2:27a.
4. In afwijking van het bepaalde in lid 3 sub a is het gebruik van glas op een terras waarvoor een vergunning geldt als bedoeld in artikel 2:27a desalniettemin verboden:
Artikel 2:33 wordt artikel 2:27a.
Bestaand
Nieuw
Artikel 2:57 Gebiedsontzegging 1. In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de verkeersvrijheid of veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid kan de burgemeester of een daartoe aangewezen politieambtenaar of buitengewoon opsporingsambtenaar aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven om zich gedurende een in het bevel bepaalde periode niet anders dan in een openbaar middel van vervoer in een of meer bepaalde, door het college aangewezen delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde bevel of de daarin genoemde termijn indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 3. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd bevel als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2:57 Gebiedsontzegging 1. In het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de verkeersvrijheid of veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid kan de burgemeester of een daartoe aangewezen politieambtenaar of buitengewoon opsporingsambtenaar aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod geven om zich gedurende een in het verbod bepaalde periode niet anders dan in een openbaar middel van vervoer in een of meer bepaalde, door het college aangewezen delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2. De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde verbod of de daarin genoemde termijn indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 3. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het eerste lid. 4. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste lid.
Argument Het woord ‘bevel’ wordt vervangen door ‘tijdelijk verbod’. Het woord ‘ophouden’ wordt vervangen door ‘aanwezig zijn’. Het vierde lid regelt de verhouding tot een gedragsaanwijzing. Conform model VNG (ledenbrief najaar 2023).
4. In afwijking van het bepaalde in lid 3 sub a is het gebruik van glas op een terras waarvoor een vergunning geldt als bedoeld in artikel 2:33 desalniettemin verboden:
T
U Bestaand
Nieuw
Artikel 2:71 Begripsbepaling
Artikel 2:71 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder
In deze afdeling wordt verstaan onder
• consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. • carbidschieten: het in een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
• consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. • carbidschieten: het in een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Argument De toevoeging van de categorieaanduidingen F1, F2 of F3 is overbodig. Conform model VNG (ledenbrief najaar 2023).
V Bestaand
Nieuw
Hoofdstuk 3 AFDELING 2 HORECA-INRICHTINGEN Artikel 3:2 Artikel 3:3 Artikel 3:4 Artikel 3:5 Artikel 3:6 Artikel 3:7 Artikel 3:8 Artikel 3:9 Artikel 3:10 Artikel 3:11 Artikel 3:11A Artikel 3:11B Artikel 3:12
Hoofdstuk 3 AFDELING 2 HORECA-INRICHTINGEN Artikel 3:2 Vervallen Artikel 3:3 Vervallen Artikel 3:4 Vervallen Artikel 3:5 Vervallen Artikel 3:6 Vervallen Artikel 3:7 Vervallen Artikel 3:8 Vervallen Artikel 3:9 Vervallen Artikel 3:10 Vervallen Artikel 3:11 Vervallen Artikel 3:11A Vervallen Artikel 3:11B Vervallen Artikel 3:12 Vervallen 9
Argument Met het nieuwe artikel 2:27 en 2:27a (exploitatie openbare inrichting) is afdeling 2 van hoofdstuk 3 overbodig. Hieronder wordt per artikel toegelicht waarom. 3:2: overbodig. 3:3: in artikel 2:27 is een definitie van inrichting opgenomen. 3:4: de vergunningplicht is in artikel 2:27a (nieuw) opgenomen. 3:5: dit zijn voorwaarden die worden opgenomen in de vergunning. 3:6: dit artikel is nooit toegepast. Het is ook niet wenselijk om
Artikel 3:13 Artikel 3:15 Artikel 3:16 Artikel 3:20
Artikel 3:13 Vervallen Artikel 3:15 Vervallen Artikel 3:16 Vervallen Artikel 3:20 Vervallen
bepaalde categorieën uit te sluiten van de vergunningplicht omdat de (georganiseerde) criminaliteit zich juist op die categorie gaat focussen. 3:7: dit zijn voorwaarden die worden opgenomen in de vergunning. 3:8: wordt geregeld via artikel 2:27a (nieuw). 3:9: wordt geregeld via artikel 2:27a (nieuw). 3:10: wordt geregeld via artikel 2:27a (nieuw). 3:11: wordt geregeld via artikel 2:27a (nieuw). 3:11A: dit zijn voorwaarden die worden opgenomen in de vergunning. Daarnaast beschrijft dit artikel het vergunningenproces. 3:11B: dit zijn voorwaarden die worden opgenomen in de vergunning. 3:12: wordt geregeld via artikel 2:27a (nieuw). 3:13: spreekt voor zich/overbodig. 3:15: een openbare inrichting dient altijd te voldoen aan de inrichtingseisen die zijn opgenomen in het Bbl. De inrichtingseisen die nu wel nog in de Alcoholwet staan betreft alleen de minimale afmeting van het vloeroppervlakte en die gelden niet bij een horeca inrichting die alleen een horeca-exploitatie vergunning aanvraagt. 3:16: werd alleen gedaan bij gemeentelijke monumenten. Werd in de praktijk nooit gebruik van gemaakt. 3:20: wordt geregeld via artikel 2:30.
Onder II van het besluit tot wijzigen van de APV wordt zekerheidshalve opgenomen dat besluiten genomen krachtens afdeling 2 (horecainrichtingen) van hoofdstuk 3 die golden op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit en waarvoor afdeling 6 van hoofdstuk 2 overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens afdeling 6 van hoofdstuk 2.
W Bestaand
Nieuw
Artikel 3:43 Weigeringsgronden 1. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 3:33, eerste lid indien: a. door de leidinggevende(n) en/of ondernemer(s) c.q. diegene(n) die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(/en) niet wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid van de Alcoholwet worden gesteld; b. de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met het geldend omgevingsplan. c. er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde. d. de exploitant of de beheerder binnen de laatste vijf jaar exploitant of beheerder is geweest van een inrichting die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3:33 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. 2. (…)
1. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in artikel 3:33, eerste lid indien: a. door de leidinggevende(n) en/of ondernemer(s) c.q. diegene(n) die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(/en) niet wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid van de Alcoholwet worden gesteld; b. de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met het geldend omgevingsplan; c. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; d. de exploitant of de beheerder binnen de laatste vijf jaar exploitant of beheerder is geweest van een inrichting die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3:33 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt
10
Argument Met de aanpassing onder e wordt de minimumleeftijd voor exploitanten en beheerders weer in de APV genomen. Deze is per abuis bij een eerdere APV-wijziging vervallen. Het invoeren van een minimumleeftijd voor sekswerkers in vergunde inrichtingen is in lijn met de landelijke (nog niet vastgestelde) Wet regulering sekswerk. Eveneens wordt met de aanpassingen gehoor gegeven aan de oproep van de bestuurlijke portefeuillehouder Mensenhandel om de eisen rondom sekswerk in de APV’s in Limburg zoveel als mogelijk gelijkluidend te laten zijn.
treft; e. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt. 2. (…). X Bestaand
Nieuw
Artikel 3:47 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder:
Artikel 3:47 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder:
c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt • in een gebouw, niet zijnde een inrichting zoals bedoeld in de artikelen 2:27, 2:66, 3:3 of 3:30, of op een daarbij behorend perceel of in enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is, of • op een onbebouwd perceel.
c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt • in een gebouw, niet zijnde een inrichting zoals bedoeld in de artikelen 2:27, 2:66 of 3:30, of op een daarbij behorend perceel of in enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is, of • op een onbebouwd perceel.
Argument Artikel 3:3 komt te vervallen. Zie toelichting bij artikel 2:27a.
Y Bestaand
Nieuw
Artikel 3:53 Sluiting overlast gevende, voor het publiek openstaande gebouwen
Artikel 3:53 Sluiting overlast gevende, voor het publiek openstaande gebouwen 1. De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw – niet zijnde een inrichting als bedoeld in de artikelen 2:27, 2:66 of 3:30 – of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. Het is verboden een gesloten gebouw, erf, perceel, perceelsgedeelte of ruimte te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.
De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw – niet zijnde een inrichting als bedoeld in de artikelen 2:27, 2:66, 3:3 of 3:30 – of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Argument Lid 1: Artikel 3:3 komt te vervallen (zie toelichting bij artikel 2:27a). Lid 2: Toegevoegd conform model VNG (ledenbrief najaar 2023). Gedurende de sluiting mag niemand het gesloten gebouw, erf, perceel, perceelsgedeelte of ruimte te betreden zonder toestemming van de burgemeester.
Z Bestaand
Nieuw
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor: a. de festiviteiten carnaval van carnavalsvrijdag tot en met carnavalsdinsdag, Koningsnacht en -dag en oudjaarsavond; b. door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Het college kan voorschriften voorschrijven inzake het geluidniveau in het belang van: • het voorkomen van hinder voor de omgeving • de gezondheid van de bezoekers van de inrichting. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van de collectieve festiviteit 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid,
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 22.45 en 22.63 van het Omgevingsplan Heerlen gelden niet voor: a. de festiviteiten carnaval van carnavalsvrijdag tot en met carnavalsdinsdag, Koningsnacht en -dag en oudjaarsavond; b. door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Het college kan voorschriften voorschrijven inzake het geluidniveau in het belang van: • het voorkomen van hinder voor de omgeving • de gezondheid van de bezoekers van de inrichting. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van de collectieve festiviteit bekend. 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid,
11
Argument De genoemde artikelen zijn nu opgenomen in de Bruidsschat (Omgevingsplan Heerlen). In lid 4 is het woord bekend weggevallen en toegevoegd.
dient de houder van de inrichting voor dergelijke festiviteiten zodanige maatregelen te treffen dat overmatige hinder wordt voorkomen.
dient de houder van de inrichting voor dergelijke festiviteiten zodanige maatregelen te treffen dat overmatige hinder wordt voorkomen.
AA Bestaand
Nieuw
Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste 5 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college stelt een (web)formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het (web)formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.
Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, dient de houder van de inrichting zodanige maatregelen te treffen dat overmatige hinder wordt voorkomen.
Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 22.73 en 22.239 van het Omgevingsplan Heerlen niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste 5 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college stelt een (web)formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het (web)formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.