CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 GR HCL- Schone versie nieuwe regeling__102155__

Raadsvergadering . (video) 29 mei 2024, gemeente HeerlenBij agendapunt: Toestemming wijziging gemeenschappelijke regelingen als gevolg van wijziging WGR5.306 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeenschappelijke Regeling Historisch Centrum Limburg, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, Gelet op de hoofdstukken I en VIII van de Wet gemeenschappelijke regelingen, Overwegende dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen heeft besloten toe te treden tot deze gemeenschappelijke regeling, Overwegende dat de gemeenschappelijke regeling is geactualiseerd in verband met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022 Besluiten: vast te stellen de tweede wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling Historisch Centrum Limburg met ingang van 1 juli 2024, waardoor deze als volgt komt te luiden:

HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1 In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. de Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; b. de gemeenten: de gemeenten Heerlen en Maastricht c. archiefbescheiden: archiefbescheiden als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Archiefwet 1995; d. collecties: de verzameling historische voorwerpen, boeken en overige schriftelijke en elektronische bescheiden in de meest ruime zin des woords, niet zijnde archiefbescheiden, in eigendom van of in beheer bij de Minister en de gemeenten voor zover het betreft voorwerpen of bescheiden bij de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten; e. colleges B&W: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, en f. provincie: de provincie Limburg

HOOFDSTUK II. HISTORISCH CENTRUM LIMBURG

Artikel 2 1. De regeling wordt getroffen met het doel de belangen van de Minister en de colleges B&W bij alle aangelegenheden betreffende de archiefbescheiden, collecties, individuele documenten en dergelijke die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten, in gezamenlijkheid te behartigen. 2. Het Historisch Centrum Limburg voert bij de behartiging van de belangen, bedoeld in het eerste lid, het archiefbeleid en het cultuurhistorisch beleid van de Minister en de gemeenten mede uit. 3. De Minister en de gemeenten kunnen gezamenlijk algemene aanwijzingen geven omtrent de wijze waarop het Historisch Centrum Limburg de belangen, bedoeld in het eerste lid, behartigt.

Artikel 2a 1. Er is een openbaar lichaam genaamd Historisch Centrum Limburg, dat gevestigd is in Maastricht. 2. Het openbaar lichaam heeft rechtspersoonlijkheid. 3. De bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg zijn: a. het algemeen bestuur; b. het dagelijks bestuur; c. de voorzitter. 4. Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het openbaar lichaam.

HOOFDSTUK III. DOEL EN TAKEN

Artikel 2b 1. Aan het bestuur van het Historisch Centrum Limburg zijn de navolgende werkzaamheden, taken en bevoegdheden van de Minister en de colleges B&W overgedragen: a.

de beheerstaken, te onderscheiden in het behouden, bewerken en benutten van de archiefbescheiden die berusten in de in artikel 2 genoemde archiefbewaarplaatsen;

b.

de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 15, derde lid, 16, tweede lid, 19, 31 en 32, derde lid, van de Archiefwet 1995;

c.

de bevoegdheid van de Minister om op grond van de artikelen 25 en 26, tweede lid, van de Archiefwet 1995 de rijksarchivaris in de provincie aan te wijzen;

d.

het adviseren en het doen van voorstellen aan de Minister en de colleges B&W over de taken en bevoegdheden, die door de Minister of de colleges B&W worden uitgevoerd ingevolge de artikelen 5, 6, 7, 8, 12, 13, 15, eerste en tweede lid, 30 en 32, tweede lid, van de Archiefwet 1995, en

e.

het verrichten van door de Minister of de colleges B&W opgedragen andere taken die verband houden met de behartiging van de belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid.

2. Het Historisch Centrum Limburg stelt zich tevens ten doel het in de archiefbewaarplaatsen van de Minister en de gemeenten ondergebrachte cultuurhistorisch erfgoed toegankelijk te maken voor en onder de aandacht te brengen van een breed publiek.

Artikel 3 Het algemeen bestuur stelt de regels omtrent de kosten, bedoeld in artikel 19 Archiefwet 1995, vast bij unanimiteit en volgt daarbij zoveel mogelijk de regels die de Minister op grond van artikel 19 Archiefwet 1995 heeft vastgesteld voor de archiefbescheiden van het Rijk.

HOOFDSTUK IV. HET ALGEMEEN BESTUUR

Artikel 4 1. Het algemeen bestuur bestaat uit zes leden. 2. De Minister wijst twee leden aan. 3. De colleges B&W wijzen uit hun midden ieder twee leden aan.

4. De Minister en de colleges B&W kunnen voor ieder lid tevens één plaatsvervangend lid, voor de colleges B&W uit hun midden, aanwijzen, dat het lid bij verhindering of ontstentenis vervangt. Hetgeen in deze regeling is bepaald ten aanzien van een lid van het algemeen bestuur is van overeenkomstige toepassing op het plaatsvervangend lid, tenzij de regeling anders bepaalt. 5. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur van de leden, aangewezen door de Minister, eindigt op het moment dat de termijn waarvoor het lid benoemd is, afloopt. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur van de leden, aangewezen door de colleges B&W, eindigt op het moment dat de zittingsperiode van het college van burgemeester en wethouders van een van de gemeenten afloopt. 6. Het lidmaatschap van de leden, aangewezen door de colleges B&W, eindigt tevens bij beëindiging van het lidmaatschap van die leden van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente. 7. Een persoon waarvan het lidmaatschap ingevolge het vijfde lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen. 8. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijzen de Minister of de colleges B&W zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. 9.

Een lid van het algemeen bestuur dat zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld of wiens aanwijzingstermijn op grond van het vijfde of zesde lid is geëindigd, blijft in functie totdat een nieuw lid is aangewezen.

Artikel 5 1. Ieder lid van het algemeen bestuur heeft één stem. 2. Een lid van het algemeen bestuur neemt niet deel aan de stemming over een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger in een andere hoedanigheid eveneens betrokken is en waarbij belangenspanning speelt of de integriteitsvraag aan de orde zou kunnen zijn. 3. Een aanwijzing gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. 4. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 5. Het vierde lid is niet van toepassing: a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een aanwijzing, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was; b. voor zover het betreft onderwerpen die in een daaraan voorafgaande niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld. 6. Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht. 7. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.

HOOFDSTUK V. DE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN VAN HET ALGEMEEN BESTUUR

Artikel 6 1. Aan het algemeen bestuur behoren ter uitvoering van de aan het Historisch Centrum Limburg toegekende taak alle bevoegdheden die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen.

2. Het algemeen bestuur kan de directeur, bedoeld in artikel 29, tot rijksarchivaris in de provincie en tot gemeentearchivaris van de gemeenten aanwijzen. 3. Aan de bevoegdheden van het algemeen bestuur worden geen beperkingen opgelegd ingevolge artikel 31 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, mits het totaal van de aangegane verplichtingen binnen de goedgekeurde begroting valt. Voor het aangaan van verplichtingen door het algemeen bestuur buiten de goedgekeurde begroting geldt de procedure van artikel 18, 18a en 19. 4. Het algemeen bestuur besluit slechts tot oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de Minister en de raden van de gemeenten in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen. Het besluit wordt genomen bij unanimiteit.

Artikel 7 1. Het algemeen bestuur geeft de raden van de gemeenten en de Minister schriftelijk alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk de Minister nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 2. Het algemeen bestuur verstrekt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de Minister, de raden van de gemeenten en de colleges B&W de door hen gevraagde inlichtingen.

Artikel 8 1. Een lid van het algemeen bestuur dat is aangewezen door de Minister verstrekt aan de Minister zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen 45 dagen de door de Minister gevraagde inlichtingen. 2. Een lid van het algemeen bestuur dat is aangewezen door de colleges B&W verstrekt aan de colleges B&W en aan de raden van de gemeenten zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen 45 dagen de door een of meer leden van de colleges B&W of raden van de gemeenten gevraagde inlichtingen. 3. De Minister, de colleges B&W en de raden van de gemeenten kunnen een lid van het algemeen bestuur dat door de Minister of de colleges B&W is aangewezen, nadat de inlichtingen in een vergadering of schriftelijk zijn verstrekt of dienden te zijn verstrekt, ter verantwoording roepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

Artikel 9 De Minister en de colleges B&W kunnen een door hen aangewezen lid van het algemeen bestuur, dat hun vertrouwen niet meer geniet, ontslag verlenen.

HOOFDSTUK VI. HET DAGELIJKS BESTUUR

Artikel 10 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee door het algemeen bestuur uit zijn midden aan te wijzen leden. 2. Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur. 3. Artikel 4, achtste lid is van overeenkomstige toepassing.

4. Elk lid van het dagelijks bestuur heeft één stem. Besluitvorming vindt plaats bij volstrekte meerderheid van stemmen, voor zover niet anders bepaald in de regeling. 5. In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd of besloten, indien ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. 6. Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering.

Artikel 11 Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als één of meer leden van het dagelijks bestuur dit nodig oordelen.

Artikel 12 Het dagelijks bestuur stelt regels voor zijn vergaderingen vast.

Artikel 12a Het dagelijks bestuur geeft de raden van de gemeenten en de Minister schriftelijk alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk de Minister nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.

HOOFDSTUK VII. DE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN VAN HET DAGELIJKS BESTUUR

Artikel 13 Het dagelijks bestuur is in ieder geval belast met: a. het voeren van het dagelijks bestuur van het Historisch Centrum Limburg; b. beslissingen van het algemeen bestuur voorbereiden en uitvoeren; c. regels vaststellen over de ambtelijke organisatie van het Historisch Centrum Limburg; d. besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het Historisch Centrum Limburg, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 6, vierde lid; e. besluiten namens het Historisch Centrum Limburg, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist; f. het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring van recht of bezit; g. het beheer van de activa en passiva van het Historisch Centrum Limburg, en h. de zorg, voor zover deze van het dagelijks bestuur afhangt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding van het Historisch Centrum Limburg.

HOOFDSTUK VIII. DE VOORZITTER

Artikel 14 1. De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen.

2. In aanvulling op het eerste lid wijst het algemeen bestuur als voorzitter bij toerbeurt voor een periode van twee jaar een lid aan dat is aangewezen door de Minister, het college van de gemeente Maastricht respectievelijk het college van de gemeente Heerlen. Het algemeen bestuur stelt hiertoe een rooster op. 3. Uit de overige leden van het dagelijks bestuur, bedoeld in artikel 10, eerste lid, worden een of meerdere plaatsvervangend voorzitters aangewezen. 4. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur. 5. De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur uitgaan, tenzij hij aan de directeur het tekenen van bepaalde stukken heeft opgedragen. 6. De voorzitter vertegenwoordigt het Historisch Centrum Limburg in en buiten rechte. De vertegenwoordiging kan hij opdragen aan een door hem aan te wijzen gevolmachtigde. 7. De voorzitter geeft de raden van de gemeenten en de Minister schriftelijk alle inlichtingen die de raden onderscheidenlijk de Minister nodig hebben voor de uitoefening van hun taken.

HOOFDSTUK IX. INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN Artikel 14a 1. Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges B&W en de raden van de gemeenten betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. 2. In aanvulling op het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen. 3. Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste twee raden van de gemeenten, respectievelijk de Minister en één gemeenteraad het dagelijks bestuur hierom verzoeken. 4. Het dagelijks bestuur informeert de colleges B&W en de Minister zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.

Artikel 14b 1. Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden van de gemeenten en de Minister om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste twee gemeenteraden, respectievelijk de Minister en één gemeenteraad het dagelijks bestuur hierom verzoeken. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de gemeenten en de Minister hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte. 2. Indien het eerste lid wordt toegepast, dan hebben de raden van de gemeenten en de Minister twaalf weken de tijd om hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is, stelt het dagelijks bestuur de raden van de gemeenten en de Minister, alsmede het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

HOOFDSTUK X. TEGEMOETKOMING EN VERGOEDING

Artikel 15

1. Het algemeen bestuur kan besluiten dat de leden van het algemeen of dagelijks bestuur, voor zover zij niet de functie vervullen van burgemeester of wethouder van de gemeenten, of als ambtenaar in rijks- of gemeentedienst werkzaam zijn, een vergoeding ontvangen voor hun werkzaamheden ten behoeve van het Historisch Centrum Limburg. 2. De leden van het algemeen en het dagelijks bestuur, bedoeld in het eerste lid, ontvangen een tegemoetkoming in de kosten, waartoe worden gerekend reis- en verblijfkosten ten behoeve van het bijwonen van de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur. 3. De in de voorgaande leden bedoelde vergoeding en tegemoetkoming worden door het algemene bestuur vastgesteld en als afzonderlijke post opgenomen in de jaarlijkse begroting.

HOOFDSTUK XI. FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 16 1. De voor de uitvoering van deze regeling ter beschikking te stellen middelen worden verschaft door de Minister en de gemeenten, door het verstrekken van jaarlijkse bijdragen, op basis van de begroting. 2. De Minister en de colleges B&W dragen er zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde beschikt over voldoende middelen om zijn verplichtingen te voldoen. Dit met inachtneming van het zevende lid. 3. De bijdrage van de Minister kan jaarlijks worden aangepast in verband met de ontwikkeling van lonen of prijzen met een percentage, zoals dit in voorkomend geval door de Minister in de loop van het begrotingsjaar voor het geheel van zijn bijdrage wordt vastgesteld. De gemeenten volgen in deze de Minister in de aanpassing van zijn bijdrage. 4. Het Historisch Centrum Limburg kan bij de vaststelling van de begroting een percentage opnemen als voorlopige raming van het door de Minister en de colleges B&W vast te stellen percentage als bedoeld in het derde lid. 5. Bij de start van het Historisch Centrum Limburg en voor de uitvoering van deze regeling kunnen door de verschillende partners vermogensbestanddelen worden ingebracht waarover nadere afspraken gemaakt worden. 6.

Voor zover de bijdrage wordt verleend ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, kan zij worden verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. 7. Indien de Minister of de colleges B&W een bijzondere taak opdragen als bedoeld in artikel 2b, onder e, waarvan de kosten niet zijn op te vangen in de begroting, wordt daarvoor door de opdrachtgever in aanvulling op de jaarlijkse bijdrage een tevoren overeengekomen vergoeding betaald. Artikel 17 1. Het dagelijks bestuur stelt eenmaal per vier jaar een vierjarig beleidsplan en een meerjarenbegroting op. 2. Een periode van vier jaren als bedoeld in het eerste lid valt samen met de periode van een cultuurnota als bedoeld in artikel 3 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid. 3. Het dagelijks bestuur zendt het ontwerpbeleidsplan en de ontwerpmeerjarenbegroting aan het algemeen bestuur. 4. De Minister en de colleges B&W maken, binnen twee maanden na ontvangst van de in het derde lid genoemde stukken, gezamenlijk afspraken met het Historisch Centrum Limburg over te behalen resultaten voor de komende vier jaren. 5. Het algemeen bestuur besluit niet tot het vaststellen van het vierjarig beleidsplan en de meerjarenbegroting dan nadat de raden van de gemeenten en de Minister gedurende twaalf

weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen op het concept bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. 6. Het algemeen bestuur zendt het beleidsplan en de meerjarenbegroting ten minste dertien maanden voorafgaand aan de periode waarop deze stukken betrekking hebben, aan de Minister en de raden van de gemeenten.

Artikel 18 1. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de Minister en de raden van de gemeenten. 2. Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks uiterlijk 30 april aan de Minister en de raden van de gemeenten een ontwerp aan voor de begroting met toelichting van het Historisch Centrum Limburg en een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren. 3. Bij het opstellen van het ontwerp voor de begroting, bedoeld in het eerste lid, neemt het algemeen bestuur het archiefbeleid en het cultuurhistorisch beleid, bedoeld in artikel 2, tweede lid, de algemene aanwijzingen, bedoeld in artikel 2, derde lid, in acht en daarnaast de afspraken, bedoeld in artikel 17, vierde lid. 4. In de toelichting op de ontwerpbegroting worden de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten beschreven. Daarbij wordt aangegeven welke belangen en resultaten het Historisch Centrum Limburg met de activiteiten nastreeft, op welke wijze de activiteiten zullen worden uitgevoerd en voor welke doelgroepen zij zijn bestemd. 5. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de Minister en de colleges B&W voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld.

Van de terinzagelegging en de verkrijgbaar stelling geschiedt openbare kennisgeving. 6. De Minister en de raden van de gemeenten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 7. Het dagelijks bestuur stelt de raden van de gemeenten en de Minister voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het zesde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

Artikel 18a 1. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. De begroting wordt bij unanimiteit vastgesteld. 2. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur de begroting aan de Minister, en de raden van de gemeenten die ter zake bij gedeputeerde staten van de provincie hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 3. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval uiterlijk 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten van de provincie.

Artikel 19 1. Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen. 2. De artikelen 18 en 18a, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van die wijzigingen, waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen,

bedoeld in artikel 16, eerste lid. Het dagelijks bestuur zendt de begrotingswijziging binnen vier weken na de vaststelling aan gedeputeerde staten van de provincie,

Artikel 20 1. De Minister en de gemeenten voldoen de verschuldigde bijdrage bij wijze van voorschot in twaalf maandelijkse termijnen. 2. In afwijking van het eerste lid kunnen de Minister en de gemeenten de bijdragen bij wijze van voorschot voldoen in door hen nader te bepalen termijnen.

Artikel 21 1. Het dagelijks bestuur zendt voor 30 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening aan de Minister en de raden van de gemeenten. De voorlopige jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. 2. Het dagelijks bestuur draagt er zorg voor dat medewerking wordt verleend aan door of namens de accountant(s) van de Minister en de gemeenten in te stellen onderzoeken naar de door de accountant, bedoeld in het eerste lid, verrichte (controle)werkzaamheden. 3. Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks aan de Minister en de raden van de gemeenten voor 30 april een inhoudelijk verslag uit van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkzaamheden en werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. 4. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 5. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten van de provincie, de Minister, en de raden van de gemeenten. 6.

Het dagelijks bestuur stelt de in het eerste en derde lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.

Artikel 22 1. Een batig saldo kan worden bestemd voor vorming van of toevoeging aan de reserve, of kan worden uitbetaald. De hoogte van deze reserve wordt bepaald door het algemeen bestuur, gehoord de Minister en de raden van de gemeenten. Voor zover een batig saldo niet wordt aangewend voor de reserve wordt het saldo naar rato van de jaarlijkse bijdrage uitgekeerd aan de Minister en de gemeenten. 2. De reserve in enig jaar bedraagt niet meer dan tien procent van de gezamenlijke bijdragen van de Minister en de gemeenten van dat jaar.

Artikel 23 Bij het jaarverslag stelt het algemeen bestuur de definitieve bijdragen van de Minister en de gemeenten vast.

Artikel 24 1. Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en van het kasbeheer en de boekhouding van het Historisch Centrum Limburg. Bij deze regels wordt bepaald welke ambtenaren van het Historisch Centrum Limburg met het doen van ontvangsten en betalingen worden belast. 2. Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de controle op de financiële administratie en het kasbeheer.

Artikel 25 De Minister en de gemeenten kunnen gezamenlijk nadere regels stellen over het financieel en materieel beheer, over de inrichting van de begroting, het financieel verslag, jaarverslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

HOOFDSTUK XII. HET ARCHIEF

Artikel 26 1. 2.

3.

4. 5.

6.

7.

Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg. De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg die niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg wordt aangewezen de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie. Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast een door het algemeen bestuur aan te wijzen archivaris. De archivaris, bedoeld in het vijfde lid, brengt tweejaarlijks verslag uit aan het dagelijks bestuur over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van het Historisch Centrum Limburg.

Artikel 27 1. De Minister, de colleges B&W en het Historisch Centrum Limburg verstrekken elkaar desgevraagd inlichtingen en gegevens welke zij nodig achten voor de uitoefening van hun taak. De Minister en de colleges B&W kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is. 2. Het Historisch Centrum Limburg stelt de Minister en de colleges B&W te allen tijde in de gelegenheid toezicht te houden op het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 ten aanzien van de archiefbescheiden die berusten in de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie en de archiefbewaarplaatsen van de gemeenten.

Artikel 28

1. De Minister en de colleges B&W doen het dagelijks bestuur mededeling van de bij hen in voorbereiding zijnde maatregelen en plannen die voor de behartiging van de belangen, bedoeld in artikel 2, voor het Historisch Centrum Limburg van belang zijn. 2. De Minister en de colleges B&W kunnen, bij de in het eerste lid bedoelde mededeling, het gevoelen vragen van het dagelijks bestuur. Ook ongevraagd kan het dagelijks bestuur zijn zienswijze daaromtrent aan de Minister of de colleges B&W kenbaar maken.

HOOFDSTUK XIII. DE DIRECTEUR EN HET OVERIGE PERSONEEL

Artikel 29 1. Het dagelijks bestuur beslist omtrent het aangaan, wijzigen en beëindigen van een arbeidsovereenkomst met de directeur van het Historisch Centrum Limburg. 2. Het dagelijks bestuur draagt er zorg voor dat er periodiek een functionerings- en beoordelingsgesprek met de directeur plaatsvindt.

Artikel 30 1. Het dagelijks bestuur stelt voor de directeur een instructie vast. 2. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur.

Artikel 31 1. De directeur staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde. Hij is in de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur aanwezig en heeft daarin een adviserende stem. 2. Met inachtneming van artikel 14, vijfde lid, worden alle stukken, die van het algemeen of het dagelijks bestuur uitgaan door de directeur mede ondertekend.

Artikel 32 Het dagelijks bestuur besluit tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van arbeidsovereenkomsten met het overige personeel.

HOOFDSTUK XIV. TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING

Artikel 33 Toetreding tot de regeling geschiedt door een daartoe strekkend besluit van het bestuursorgaan dat wenst toe te treden, welk besluit de goedkeuring behoeft van de Minister en de colleges B&W, na verkregen toestemming van de raden van de gemeenten.

Artikel 34 1. Uittreding uit de regeling geschiedt door toezending van het daartoe strekkende besluit van de Minister of het college B&W van de uittredende gemeente. De colleges B&W overleggen daarbij ook het besluit tot toestemming van de raad van de gemeente. 2. De Minister of het college B&W zenden het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van één jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de Minister en de colleges B&W unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen. 3. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding en de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, en legt deze vast in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. 4. Het uittredingsplan bevat een omschrijving van de juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. 5. Het algemeen bestuur onderzoekt met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Dit hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. 6.

Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uitredingsplan vast. 6. Het derde tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op de uittreding uit de regeling door de Minister.

Artikel 35 1. De uittreedsom wordt als volgt bepaald: de uittredende deelnemer betaalt in het eerste kalenderjaar na de uittreding 100%, in het tweede jaar 80%, in het derde jaar 60%, in het vierde jaar 40% en in het vijfde jaar 20% van de bijdrage die de uittredende deelnemer in het laatste jaar van zijn deelname heeft betaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de uittreding uit de regeling door de Minister.

Artikel 36 1. Deze regeling kan worden gewijzigd bij gezamenlijk eensluidend besluit van de Minister en de colleges B&W. 2. De colleges B&W hebben voor het besluit tot wijziging van de regeling de toestemming nodig van de raden van de gemeenten.

Artikel 37 Deze regeling kan worden opgeheven bij gezamenlijk eensluidend besluit van de Minister en de colleges B&W. Het algemeen bestuur stelt een liquidatieplan op dat voorziet in de verplichting van

de Staat en van de gemeente om alle rechten en plichten van het openbaar lichaam over de Staat en de gemeenten te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

HOOFDSTUK XV. SLOTBEPALINGEN

Artikel 38 1. De werking van deze regeling zal geëvalueerd worden indien de colleges B&W, respectievelijk de Minister en één college B&W hierom verzoeken. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de colleges B&W en de Minister voorleggen. 2. Het college B&W van de gemeente Maastricht maakt een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede van besluiten tot wijziging, uittreding van, van toetreding en tot opheffing van deze regeling tijdig bekend in het door Maastricht uitgegeven Gemeenteblad. 3. Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 4. De Minister maakt de wijziging van de regeling bekend in de Staatscourant.

Artikel 39 Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Historisch Centrum Limburg.

Artikel 40 1.

De Gemeenschappelijke regeling Regionaal Historisch Centrum wordt ingetrokken.

2.

De rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam Regionaal Historisch Centrum Limburg zoals die bestonden op het moment vóór de inwerkingtreding van deze regeling gaan over op het openbaar lichaam Historisch Centrum Limburg.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

F. Gräper-van Koolwijk

Burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen De burgemeester,

De secretaris,

R. Wevers

V.N. Gosselink-Van Dijk

Burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht De burgemeester,

De secretaris,

W.A.G. Hillenaar

G.J. Kusters

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=0d76225c-b099-4e2c-89a8-a2cf0e5078d9