CConstaterende datHeerlen
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleidskader Natuurinclusief bouwen

Raadsvergadering 25 juni 2025, gemeente HeerlenBij agendapunt: Natuurinclusief bouwen9.584 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Beleidskader

NATUURINCLUSIEF BOUWEN

Juni 2025

Inhoud 1

INLEIDING

3

2

BELEIDSKADER NATUURINCLUSIEF BOUWEN EN ONTWIKKELEN

4

3

BELEID NATUURINCLUSIEF BOUWEN EN ONTWIKKELEN

7

4

5

3.1 Definitie en reikwijdte

7

3.2 Puntensysteem

7

3.3 Puntensystematiek op hoofdlijnen

8

3.4 Maatregelen

9

3.5 Flexibiliteit in puntenscore

9

3.6 Voorrang en bijzondere situaties

10

3.7 Kosten en baten

11

UITVOERING

14

4.1 Communicatie en inspiratie

14

4.2 Vergunningverlening

14

4.3 Handhaving

14

4.4 Monitoring

14

4.5 Evaluatie

15

IMPLEMENTATIE

16

Bijlage 1 ECOLOGISCHE ACHTERGRONDEN AFNAME STADSSOORTEN

18

Bijlage 2 MAATREGELEN WONINGEN

25

Bijlage 3 MAATREGELEN UTILITEITSBOUW

26

Natuurinclusief bouwen op 1 pagina Type project Grondgebonden

Nieuwbouw grondgebonden

Ja

Ja

woning(en) of aanbouw groter

woning

Natuurinclusief bouwen van toepassing

dan of toevoeging bijgebouw groter dan 25m2? 7 pntn

Nee

Nee

Natuurinclusief bouwen niet van toepassing

Type project

Ja

Ja

Nieuwbouw gestapelde

Gestapelde woning

Natuurinclusief bouwen van toepassing

woning(en) of aanbouw groter dan of toevoeging bijgebouw groter dan 25m2?

7 pntn per woning

Nee

Nee

eerste woonlaag, max. 28 pntn

Natuurinclusief bouwen niet van toepassing

Type project

Ja

Nieuwbouw of uitbreiding

Nee

groter dan 25m

2

Utiliteitsbouw

Natuurinclusief bouwen niet van toepassing

Ja Natuurinclusief bouwen van toepassing

Nieuwbouw: BVO 26 tot 500m2

Ja

Klein

Ja

Uitbreiding: tot 25% BVO

7 pntn (4/4/6)

Typologie

Nee Nieuwbouw: BVO 500 tot 2.000m2

Ja

Middelgroot

Ja

Uitbreiding: 25% tot 50% BVO

14 pntn

Woningen bijlage 2

(4/4/6)

Nee Nieuwbouw: BVO 2.000 tot 4.000m2

Ja

Ja Groot

21 pntn

Uitbreiding: 50% tot 75% BVO

(6/6/9)

Nee Nieuwbouw: BVO vanaf 4.000m2 Uitbreiding: vanaf 75% BVO

Ja

Extra groot

Ja

28 pntn (8/8/12)

Utiliteitsbouw bijlage 3

1

INLEIDING

Om de kwaliteit van de stedelijke omgeving te behouden en te verbeteren, is het essentieel om een holistische aanpak te hanteren op het gebied van leefbaarheid, gezondheid, economie en natuur. Dit streven beoogt een natuurinclusieve stad te creëren, een dynamische groene, gezonde en levendige omgeving voor zowel mens, dier als plant. De gemeente zet zich in om flora en fauna kansen te bieden door het ontwikkelen van richtlijnen voor natuurinclusieve maatregelen in gebouwen en hun directe omgeving. Hierbij wordt natuurinclusief bouwen gedefinieerd als "bouwen en ontwikkelen zodanig dat de natuur er ook van profiteert". Dit betekent niet alleen strikte naleving van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) met betrekking tot beschermde soorten, maar ook proactieve maatregelen ter bevordering van de natuur en het behoud van een aangename leefomgeving en ecosysteem in de stad. In het coalitieakkoord van de gemeente Heerlen is reeds aandacht besteed aan het behoud en de versterking van de biodiversiteit. Via de Nota Dierenwelzijn heeft de gemeenteraad vastgesteld om natuurinclusief bouwen de norm te maken bij nieuwbouw of renovatieprojecten. Dit is een uitdagende taak, vooral gezien de diverse stedelijke ontwikkelingen waar de gemeente mee te maken heeft. Zo heeft de gemeenteraad de ambitie uitgesproken om de stad te vergroenen en aan te passen aan het klimaat.

Door natuur en klimaatadaptatie gezamenlijk aan te pakken, streven we naar aantrekkelijke, groene woonomgevingen. Om natuurinclusief bouwen en ontwikkelen in Heerlen te bevorderen, is een concreet raamwerk ontwikkeld, in samenhang met klimaatadaptieve maatregelen. Het doel van dit beleidsdocument is om natuurinclusief bouwen laagdrempelig tot de standaard te verheffen en het vanaf het begin van elk project mee te nemen. Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat we met deze aanpak initiatiefnemers veel vrijheid geven in toepasbare maatregelen. Zodat deze passend zijn bij hun initiatief en haalbaar en betaalbaar binnen hun mogelijkheden. Zo blijven we Heerlen positief ontwikkelen.

3

2

BELEIDSKADER NATUURINCLUSIEF BOUWEN EN ONTWIKKELEN

Om een gezonde, veerkrachtige leefomgeving te creëren en te behouden voor zowel mensen, planten als dieren, is het van belang om natuur een integraal onderdeel te maken van stadsontwikkeling. Door natuurinclusieve maatregelen op te nemen in (gebieds)ontwikkelingen, kunnen we de stad op een gezonde manier ontwikkelen of zelfs laten groeien. Doel is dat elk project bijdraagt aan de biodiversiteit, klimaatadaptatie, een aangename woonomgeving en een goed functionerend stedelijk ecosysteem. Achteruitgang biodiversiteit en beleid In een VN-verslag gepubliceerd in 2019, waarschuwden wetenschappers dat één miljoen soorten, uit een geschat totaal van 8 miljoen, op het punt staan om uit te sterven, waarvan vele soorten al binnen enkele decennia. Sommige onderzoekers beweren zelfs dat we al halfweg de zesde massale uitsterving zijn in de geschiedenis van de aarde. Het biodiversiteitsverlies in de wereld, zeker in Nederland, is zeer alarmerend en heeft potentieel grote en ontwrichtende gevolgen voor de leefbaarheid, de maatschappij en de economie. Een lange rij rapporten, met als meest gezaghebbende en veelomvattende het IPBES-rapport uit 2019, maakt dit al jaren duidelijk. Het IPBES-rapport bevat praktische handreikingen voor overheden om deze crisis te keren.

Meer inzet op biodiversiteitsherstel door een natuurinclusieve benadering in alle sectoren is één van de vele aanbevelingen uit het IPBES-rapport. De Europese Commissie heeft in mei 2020 de nieuwe biodiversiteitsstrategie 2030 gepresenteerd. Dit na oproepen van het Parlement in januari 2020 om de belangrijkste oorzaken van het verlies aan biodiversiteit aan te pakken en wettelijk bindende doelstellingen vast te stellen. Diverse wetten worden nu uitgewerkt waaronder ook wetten om meer groene ruimtes in de stedelijke omgeving te introduceren. In Nederland is natuurinclusiviteit vastgelegd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI): “We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio’s en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt”. De provincie Limburg heeft de landelijke doelstelling vertaald in de provinciale omgevingsvisie maar ook in het Limburgs Natuurprogramma 2023-2030. Vanuit het ministerie is in samenwerking met bouwende partijen, ontwikkelaars, universiteiten en natuurbeschermers gewerkt aan een minimale set van verplichtende regels voor natuurinclusief bouwen in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). Dit nadat marktpartijen hadden opgeroepen om natuurinclusief bouwen te verankeren in de wet via het manifest “bouwen voor natuur”.

In december 2024 heeft de minister tot ieders verrassing besloten natuurinclusief bouwen niet verplicht te stellen. De bouwende partijen en ontwikkelaars hebben daarop aangegeven sowieso door te gaan met deze opgave. Dit omdat het een grote bijdrage levert aan een leefbare stad en nauwelijks extra kosten en geen vertraging oplevert bij de bouwopgave. Dit beleidskader geeft de Heerlense invulling aan natuurinclusief bouwen. In bijlage 1 staan de ecologische achtergronden van de meest relevante soorten voor het stedelijk gebied, zowel op Nederlands niveau en waar mogelijk ook op provinciaal niveau. Daarbij zijn de trends in kaart gebracht en de oorzaken van de achteruitgang. Doelsoorten zijn: Egel, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en wilde bijen. Voor de vogels van stedelijk gebied ligt de focus op gebouwbewonende soorten (huismus, ringmus, huiszwaluw, gierzwaluw) en struikbroeders

4

(staartmees, heggenmus, winterkoning en tuinfluiter). Middels natuurinclusief bouwen dragen we bij aan het tegengaan van de achteruitgang van deze soorten. Daarbij richten wij ons op perceelniveau. De keuzes van initiatiefnemers op perceelniveau zorgen voor een diversiteit aan biotopen en leefgebieden op gebiedsniveau. Bij grote gebiedsontwikkelingen is het echter belangrijk om de maatregelen aan te haken op het landschap en bestaande ecologische verbindingen om zo een maximale bijdrage te leveren aan het stedelijk ecosysteem. Stedelijk ecosysteem De toenemende druk op de beschikbare ruimte kan ten koste gaan van natuur en biodiversiteit, zowel in nieuw als bestaand stedelijk gebied. De aanwezigheid van een gezond functionerend stedelijk ecosysteem met ruimte voor water en natuur heeft veel positieve effecten. Het draagt bij aan geluidsisolatie, vermindering van luchtvervuiling, verbetering van de waterbergingscapaciteit, vastgoedwaardestijging, bestuiven van gewassen, beperken van plaaginsecten en meer biodiversiteit. Natuur levert een positieve bijdrage aan de gezondheid van de inwoners van steden en dorpen, zowel fysiek als mentaal, en bevordert sociale contacten.

Kortom: een natuurinclusieve inrichting kan een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van actuele maatschappelijke opgaven, zoals klimaatmitigatie en -adaptatie, (drink)waterkwaliteit, biodiversiteitsherstel en een gezonde leefomgeving. De Rijksoverheid zet de komende jaren samen met provincies, gemeenten en waterschappen in op een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio’s, met onder meer natuurinclusief bouwen als uitgangspunt. Ook marktpartijen nemen in toenemende mate initiatieven. Door natuurinclusief te bouwen en te ontwerpen is het mogelijk om gezonde en aantrekkelijke steden en dorpen te creëren, die voor alle gebruikers een prettige leefomgeving zijn. Natuurinclusief bouwen en de Sustainable Development Goals De duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (Engels: Sustainable Development Goals, afgekort SDG) zijn in 2015 door de Verenigde Naties vastgesteld als de nieuwe mondiale duurzame ontwikkelingsagenda voor 2030. Ze worden gepromoot als de wereldwijde doelstellingen voor duurzame ontwikkeling. Natuurinclusief bouwen draagt bij aan de volgende doelen:

Natuurinclusief bouwen in Heerlen De conceptregeling voor natuurinclusief bouwen is opgesteld door een brede, integrale projectgroep met experts uit onder andere groen, natuur en landschap, stedenbouw, vergunningverlening, handhaving en juridisch advies. Door ervaringen van andere gemeenten te benutten en te vertalen naar het Heerlens model, is een praktijkgerichte aanpak tot stand gekomen. Daarnaast is het conceptbeleid breed afgestemd met de samenleving en de praktijk. Meer dan 1400 Heerlenaren hebben via een enquête hun mening gegeven, en in gesprekken met ruim 150 vertegenwoordigers van het Woonberaad — waaronder woningcorporaties, architecten, bouw- en ontwikkelbedrijven en financiële instellingen — zijn waardevolle inzichten opgehaald. Ook is het concept besproken met de Adviescommissie Omgevingskwaliteit en in een inspirerende workshop met

5

woningcorporaties. De input uit al deze trajecten is waar mogelijk verwerkt en vormt een basis voor de verdere uitwerking in beleidsregels. De inwoners van Heerlen lieten in groten getale hun stem horen: met een hoge respons van 40% gaf maar liefst 93,9% aan dat zij het belangrijk of zeer belangrijk vinden dat groen, natuur en biodiversiteit een vaste plek krijgen in de stedelijke ontwikkeling. Bovendien steunt 98,6% het idee om natuurinclusieve maatregelen verplicht te stellen bij nieuwbouw en verbouw. Inwoners vinden maatregelen zoals hagen, bomen en struiken (97,8%), vlinder- en bijenstroken (91,9%) en onverharde tuinen (91,3%) het belangrijkst. Groene gevels en geveltuinen (74%) en groene daken (77%) scoren lager maar de waardering is alsnog hoog. Ook de reacties uit het werkveld waren positief. De opgehaalde inzichten sluiten nauw aan bij landelijke ontwikkelingen, zoals vastgelegd in het manifest "Bouwen voor Natuur". Er is steun voor natuurinclusief bouwen, waarbij aandacht is gevraagd voor het beperken van kosten en het behouden van keuzemogelijkheden wat tot uiting komt in de regeling. Woningcorporaties benadrukten het belang van zowel interne als externe prikkels om natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie daadwerkelijk te realiseren.

De Adviescommissie Omgevingskwaliteit sprak haar steun uit en adviseerde nadrukkelijk om natuurinclusief bouwen ook in de openbare ruimte te verankeren. Er is bovendien enthousiasme over de succesvolle toepassing van puntensystemen in andere gemeenten, wat een inspirerend voorbeeld biedt voor Heerlen. Bevorderen en verankeren Natuurinclusief bouwen Een belangrijke vraag is hoe we kunnen waarborgen dat natuurinclusief bouwen en ontwikkelen een vanzelfsprekendheid wordt en welke instrumenten de gemeente kan inzetten om partijen te stimuleren en/of te verplichten om natuurinclusief te bouwen en te ontwikkelen. Tot op heden werd natuurinclusief bouwen weliswaar geadviseerd op projectniveau, maar deze adviezen werden zelden opgevolgd. Om groen en natuurinclusief bouwen structureel te verankeren, is in diverse gemeenten een puntensysteem ontwikkeld. Hierbij wordt een verband gelegd tussen natuurinclusieve en klimaatadaptieve maatregelen om dit te bevorderen bij bouwprojecten. Middels een Heerlense versie van dit puntensysteem stellen we natuurinclusief bouwen verplicht. De regeling heeft als uitgangspunten: op een laagdrempelige, flexibele en kostenarme manier een minimale basis natuurinclusiviteit te krijgen bij de ruimtelijke ontwikkelingen in onze stad. We blijven initiatiefnemers aanmoedigen om meer te doen dan de verplichtingen binnen deze regeling.

Om te denken vanuit een dynamische groene, gezonde en levendige omgeving voor zowel mens, dier als plant. In onze openbare ruimte doen wij dit al op grote schaal, zoals bijvoorbeeld bij het ecologisch maaibeheer. Natuurinclusief inrichten van de openbare ruimte zullen we tevens borgen via beleid zoals het handboek openbare ruimte. Dit beleidsstuk ziet daarom alleen toe op natuurinclusief bouwen. Nadat dit beleidskader voor natuurinclusief bouwen door de raad is vastgesteld, zal de juridische verankering volgen in beleidsregels. We zullen natuurinclusief bouwen op termijn ook implementeren via een thematische wijziging van het omgevingsplan. Hierdoor gaat natuurinclusief bouwen gelden voor alle bouwactiviteiten waarbij dit wenselijk is. Hierover is meer uitleg opgenomen in hoofdstuk 5 van dit kader.

6

3

BELEID NATUURINCLUSIEF BOUWEN EN ONTWIKKELEN

3.1 Definitie en reikwijdte Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen wordt, zoals eerder genoemd, omschreven als: bouwen en ontwikkelen zodanig dat de natuur er ook van profiteert. De regeling natuurinclusief bouwen bevordert biodiversiteit in stedelijke gebieden, inclusief gebouwen voor wonen, werken, ontmoeting en recreatie. Deze maatregelen worden toegepast op, in, aan, of rondom gebouwen, bij nieuwbouw van woningen en bijgebouwen en utiliteitsbouw. Onder utiliteitsbouw vallen alle gebouwen die geen woonfunctie hebben. Daarnaast ook bij uitbreidingen van bestaande bouwwerken en het bouwen van bijgebouwen beiden vanaf een toevoeging van 25m2 bruto-vloeroppervlak. De maatregelen zullen eerst verplicht worden gesteld via beleidsregels en vervolgens ook verankerd worden in het omgevingsplan. De maatregelen gaan door de verankering in beleidsregels en omgevingsplan onderdeel uitmaken van het vergunningproces. Op de volgende situaties is de regeling natuur inclusief bouwen niet van toepassing: • vergunningvrije activiteiten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling; • vergunningplichtige inpandige activiteiten; • vergunningplichtige activiteiten met een omvang kleiner dan 25m2 bruto-vloeroppervlak; • (her)inrichting van de openbare ruimte; • de aanleg van infrastructuur en civieltechnische kunstwerken.

In paragraaf 3.6 is een aantal bijzondere situaties benoemd die mogelijkerwijs kunnen conflicteren. Bij de uiteindelijke inwerkingtreding wordt een overgangsregeling toegepast. Dit om te voorkomen dat planvormingsprocessen op het laatste moment aangepast moeten worden.

3.2 Puntensysteem Uitgangspunt voor de regeling Natuurinclusief bouwen is dat deze eenvoudig is, ruimte biedt voor maatwerk en maatregelen bevat die betaalbaar en breed toepasbaar zijn zodat natuurinclusiviteit standaard wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Eenvoudig In 3 stappen wordt duidelijk aan welke voorwaarden een ontwikkeling of gebouw moet voldoen om natuurinclusief te worden. Maatwerk Er zijn vier projecttypen op basis van de projectgrootte. Daarnaast is er een lijst met maatregelen waaruit gekozen kan worden. Betaalbaar Voor elke maatregel is in kaart gebracht wat de verwachte toepassingskosten zijn. Het gaat om maatregelen die werking en betaalbaarheid hebben bewezen. We hebben deze methode niet zelf ontwikkeld. Op het moment van opstellen van dit beleid werken in Nederland tien gemeenten, vaak al jaren, aan natuurinclusief bouwen. Meestal via het puntensysteem. In Europa werken vooral grote steden als Berlijn, Stockholm en Londen, al sinds

7

1997 succesvol met een puntensysteem. We hebben besloten om bestaande regelingen van andere gemeenten als basis te gebruiken, met de regeling van de gemeente Groningen als uitgangspunt. Groningen heeft het oorspronkelijke puntensysteem van Den Haag overgenomen, geëvalueerd en aangepast. Het aangepaste systeem is door Groningen vervolgens getest en geïmplementeerd nadat men succesvolle pilots had uitgevoerd.

3.3 Puntensystematiek op hoofdlijnen Deze regeling geldt voor de hele gemeente. Hoewel de meeste ontwikkelingen in het stedelijke gebied van Heerlen plaatsvinden, draagt de regeling bij aan biodiversiteit in de hele gemeente, ongeacht de omvang of aard van de ontwikkeling. Het model omvat drie stappen: Stap 1: bepaal het type project De projectomvang wordt vastgesteld op basis van het type bouwobject. Woningen tellen altijd als een klein project per woning, zowel bij nieuwbouw als bij uitbreiding. Bij utiliteitsbouw telt het te realiseren bruto-vloeroppervlakte of de procentuele toevoeging ten opzichte van het bestaande brutovloeroppervlakte. Insteek is dat de omvang het aantal vereiste maatregelen bepaalt: grotere projecten vereisen meer punten. Tabel 1. Eigenschappen per projecttype Projecttype Type bouwobject Klein project Woning (nieuwbouw en uitbreiding) Klein project Gestapelde woning Klein project Klein project Middelgroot project Middelgroot project Groot project Groot project Extra groot project Extra groot project

Utiliteitsbouw - Nieuwbouw Utiliteitsbouw – Uitbreiding Utiliteitsbouw - Nieuwbouw Utiliteitsbouw – Uitbreiding Utiliteitsbouw - Nieuwbouw Utiliteitsbouw – Uitbreiding Utiliteitsbouw - Nieuwbouw Utiliteitsbouw – Uitbreiding

Eenheid Per woning Per woning van de eerste woonlaag BVO: 26 tot 500m2 Toevoeging tot 25% van BVO BVO: 500 tot 2.000m2 Toevoeging van 25% tot 50% BVO BVO: 2.000 tot 4.000m2 Toevoeging van 50% tot 75% BVO BVO: vanaf 4.000m2 Toevoeging vanaf 75% BVO

Stap 2: bepaal het aantal te behalen punten Als het projecttype bekend is, kan in tabel 2 bekeken worden wat het totaal aantal punten is dat behaald moet worden. Het gaat om het totaal aantal punten, dat is onderverdeeld naar het minimumaantal punten dat op de subonderdelen ‘nestgelegenheden’, ‘gebouwgebonden maatregelen’ en ‘omgevingsmaatregelen’ behaald moet worden. Tabel 2. Te behalen minimale score per onderdeel per projecttype Onderdeel Aandeel Klein Middelgroot project* project Nestgelegenheden 30% 2 punten 4 punten Gebouwgebonden 30% 2 punten 4 punten Omgevingsmaatregelen 40% 3 punten 6 punten Totaal 7 punten 14 punten

Groot project 6 punten 6 punten 9 punten 21 punten

Extra groot project 8 punten 8 punten 12 punten 28 punten

8

* bij gestapelde bouw: 7 punten per woning op de eerste woonlaag met een maximum van 28 punten. Stap 3: bepaal het type gebouw Het gebruik van bouwwerken varieert en bepaalt de geschikte maatregelen en hun toepasbaarheid. Onze regeling maakt onderscheid tussen woningen en utiliteitsbouw. De te treffen maatregelen voor woningen staan in bijlage 2 als voorbeeld, voor utiliteitsbouw in bijlage 3. Deze maatregelen worden via de beleidsregels vastgesteld.

3.4 Maatregelen In bijlage 2 en 3 staan de maatregelentabellen. De maatregelen kennen een onderverdeling op de drie onderdelen ‘nestgelegenheden’, ‘gebouwgebonden maatregelen’ en ‘omgevingsmaatregelen’. Bij elke maatregel is aangegeven hoeveel punten de toepassing ervan oplevert en aan welke eisen voldaan moet worden. Tevens is per maatregel aangegeven wat de geschatte toepassingskosten zijn. Diverse maatregelen zullen naar verwachting toepasbaar zijn binnen het nog op te stellen soortenmanagementplan. Het soortenmanagementplan wordt beschreven in paragraaf 3.6 Daarmee worden dubbele kosten vermeden. Verder staat ook de eventuele bijdrage aan klimaatadaptatie aangegeven in de tabellen. Een initiatiefnemer mag ook andere natuurinclusieve maatregelen voorstellen die niet benoemd zijn in de maatregelentabel en die beter passen bij het initiatief en meer (meer)waarde hebben voor de natuur dan de generieke maatregelen uit de maatregelentabel. Deze alternatieve (inrichtings)maatregelen dienen altijd onderbouwd te zijn op basis van een ecologisch plan opgesteld door een ecoloog. Bij grote projecten en wanneer meerdere woningen worden gebouwd met een gezamenlijk brutovloeroppervlak vanaf 2.000m2 zal verplicht een landschapsarchitect en ecoloog betrokken moeten worden om het plan in te passen in het landschap en de biodiversiteit maximaal te bevorderen.

De inzet van hen levert echter ook punten op.

3.5 Flexibiliteit in puntenscore In sommige gevallen is het niet mogelijk om op alle gebieden de benodigde punten te behalen. Zeker bij groendaken is de draagkracht van het dak een beperkende factor zowel technisch als financieel. Daarom gebruiken we een stapsgewijze aanpak voor maatwerk: 1. Punten behalen volgens Tabel 2. 2. Punten die op één onderdeel niet kunnen worden behaald, mogen worden behaald op andere onderdelen als het totale puntendoel maar wordt bereikt. 3. Punten die niet behaald kunnen worden binnen het subonderdeel ‘omgevingsmaatregelen’ mogen ook worden behaald op nabijgelegen terreinen van derden in de directe omgeving. Het beheer van deze maatregelen in de openbare ruimte en op percelen van derden moet langdurig worden gewaarborgd en in overeenstemming zijn met de gemeente. 4. Als kan worden aangetoond dat zelfs op terreinen van derden de resterende punten niet behaald kunnen worden, zullen deze worden kwijtgescholden. Een initiatiefnemer die trede 2, 3 of 4 volgt, moet een onderbouwing aanleveren. Hierin wordt uitgelegd waarom deze aanpak wordt gekozen en waarom het niet mogelijk was om aan de oorspronkelijke opzet van de regeling te voldoen en waarom daarvan afgeweken wordt.

9

Deze stapsgewijze aanpak biedt ook flexibiliteit om prioriteit te geven aan specifieke thema's of aspecten bij integrale ontwikkelingen op een bepaalde locatie. Hierdoor wordt natuurinclusief bouwen niet vrijblijvend, maar wordt er een kader geboden waarbinnen, mits goed onderbouwd en aangetoond, afwegingen en keuzes kunnen worden gemaakt binnen een integrale aanpak.

3.6 Voorrang en bijzondere situaties Voor bepaalde situaties is het niet wenselijk of mogelijk om de regeling toe te passen. Ook is het essentieel om alle beleidsdoelen in harmonie met elkaar af te stemmen om conflicten tussen verschillende beleidsterreinen te vermijden. Vergunningsvrije activiteiten Er zijn gevallen van ruimtelijke bouwactiviteiten die absoluut vergunningsvrij zijn. Vergunningsvrije activiteiten vallen buiten de reikwijdte van deze regeling. Omgevingswet, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) De bestaande bescherming vanuit het Bal, hoofdstuk 11: Activiteiten die de natuur betreffen, blijft altijd van toepassing bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals bouw of verbouw. Natuurinclusieve maatregelen kunnen de wettelijke eisen voor beschermde soorten niet vervangen. Het kan nodig zijn om een ontheffing aan te vragen voor het aanbrengen van deze maatregelen. Echter, natuurinclusieve maatregelen kunnen wel de zogenaamde plus opleveren die door het bevoegd gezag wordt gevraagd, vooral bij het gebruik van groen in de bebouwde omgeving. Soortenmanagementplan Door het treffen van duurzame woningverbeteringen kunnen beschermde soorten worden gedood, verwond, verstoord of hun nest- of verblijfplaatsen vernietigd. Het realiseren van de maatregelen is dan alleen mogelijk als een omgevingsvergunning wordt verleend voor een flora- en fauna-activiteit.

Om zo’n omgevingsvergunning te kunnen verkrijgen moeten initiatiefnemers ecologisch onderzoek (laten) verrichten. Dit is een tijdrovend en kostbaar traject voor iedere initiatiefnemer afzonderlijk. Een alternatief is dat de gemeente Heerlen een generieke gebiedsgerichte omgevingsvergunning aanvraagt bij de provincie op basis van een goedgekeurd soortenmanagementplan. In dat geval is de gemeente de vergunninghouder en zal de verplichtingen uit die vergunning moeten doorleggen naar de initiatiefnemer. De gemeente Heerlen stelt op dit moment een soortenmanagementplan (SMP) op. Om een gebiedsgerichte omgevingsvergunning te kunnen aanvragen, heeft de gemeente een SMP nodig. Met een SMP wordt een gebiedsgerichte aanpak geïmplementeerd, waarbij vooraf onderzoek en mitigatie plaatsvindt, en heeft als doel de populaties van soorten te beschermen en een ecologische plus te verkrijgen (artikel 8.74i Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). Enkele woningcorporaties hebben een gebiedsgerichte omgevingsvergunning voor flora- en faunaactiviteiten verleend gekregen. Maatregelen die een initiatiefnemer neemt in het kader van die gebiedsgerichte omgevingsvergunning of een goedgekeurde gedragscode worden meegerekend in de puntensystematiek van deze regeling. Hierdoor ontstaat geen extra belasting voor de initiatiefnemer, maar gaan de maatregelen juist hand in hand.

Dit past bij het integraal werken in de geest van de Omgevingswet.

10

Groenblauwe verplichtingen Het kan zijn dat een initiatiefnemer andere groenblauwe of natuurinclusieve verplichtingen opgelegd heeft gekregen zoals uit eventuele toekomstige natuurinclusieve verplichtingen vanuit het Rijk of vanuit de hemelwaterverordening. Deze maatregelen mogen, met uitzondering van compensatieverplichtingen, meegerekend worden in de puntensystematiek van deze regeling, waardoor er geen dubbele kosten ontstaan. Monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten Bescherming en behoud van rijks- en gemeentelijke monumenten vinden we belangrijk. Het toepassen van natuurinclusieve maatregelen mag deze monumenten niet aantasten in monumentwaarde, constructie en aanzien. Het behoud van historische panden is vaak in het belang van veel diersoorten. Het behoeft aandacht om de eigenschappen van historische panden te behouden waarbij deze aantrekkelijke vestigingsplaatsen blijven voor verschillende diersoorten. Voornamelijk bij de verduurzamingsopgave is dit een aandachtspunt. Een ander aandachtspunt betreft het toepassen van groene daken op historische panden. Bijvoorbeeld in een beschermd stadsgezicht is het dakenlandschap één van de dragers van de historische afleesbaarheid en kwaliteit. Dit zal in alle gevallen maatwerk moeten zijn. Welke natuurinclusieve maatregelen initiatiefnemers moeten treffen wordt niet voorgeschreven.

Als een voorgeschreven maatregel de erfgoedwaarde aantast, dan zal de initiatiefnemer een andere maatregel moeten realiseren met een gelijkwaardig effect. Als ook dat niet lukt, dan is sprake van een bijzondere situatie waarvoor een beroep kan worden gedaan op de inherente afwijkingsbevoegdheid (artikel 4:84 Awb).

3.7 Kosten en baten Een belangrijk aspect van de regeling is het effect op de ontwikkelingskosten. Naast het bevorderen van natuurinclusiviteit zijn er ook ambities op andere gebieden, zoals duurzaam bouwen, hernieuwbare energie en klimaatadaptatie die ook kostenverhogend kunnen werken. Natuurinclusiviteit kan bijdragen aan de andere doelstellingen. We streven ernaar dat de regeling geen aanzienlijke extra kosten met zich meebrengt. Doorrekening kosten natuurinclusieve maatregelen Gemeenten Groningen en Arnhem hebben de kosten voor natuurinclusieve maatregelen berekend. Ook zij hechten belang aan de betaalbaarheid van de maatregelen. Voordat gemeente Groningen natuurinclusief bouwen verplicht stelde, zijn de kosten voor enkele projecten met een conceptregeling beoordeeld. Het ging in vijf gevallen om projecten waar woningen werden gerealiseerd, en in vier gevallen om de ontwikkeling van bedrijfspanden op bedrijventerreinen. Bij woningbouwlocaties varieerden de kosten tussen 0,15% en 0,50% van de totale bouwkosten, voornamelijk door de toepassing van groene daken. De prijs per woning is afhankelijk van het aantal wooneenheden, die worden toegevoegd. In Arnhem hanteert men, om natuurinclusief bouwen betaalbaar te houden, een bedrag per woning met een bandbreedte tussen € 500,- en € 1.500,-.

De vijf in Groningen getoetste plannen vallen ruim onder de Arnhemse bovengrens met kosten tussen € 136,- en € 1.207,-. Voor bedrijfspanden lag de bandbreedte tussen 1,5% tot 6,0%, waarbij de kosten relatief hoger zijn door lagere bouwkosten. Er is een zevental Heerlense initiatieven doorgerekend (2 aanbouw, 2 nieuwbouw, 3 utiliteit). Bij de woningbouw lagen de kosten tussen de 0,62% en 1,95% van de bouwkosten. De kostprijs van een

11

aanbouw van 57 m2 was bijvoorbeeld €100.000 terwijl de kosten voor het aanleggen van nestgelegenheden, insectensteen en sedum dak (12 m2) respectievelijk €50, €30 en €540 euro bedroegen hetgeen slechts 0,62% van de bouwkosten betreft. Een ander voorbeeld is een kostprijs van €395.000 voor een nieuwbouwwoning terwijl de kosten voor het aanleggen van natuurinclusieve maatregelen qua nestgelegen en insectensteen gelijk blijven aan het voorbeeld hiervoor en de kostprijs voor een sedum dak van 60 m2 €2700 bedraagt. Het percentage kosten voor NIB komt dan neer op slechts 0,7% van de totale bouwkosten. Bij utiliteitsbouw lag dit tussen de 1,9% en 7,5%. Een voorbeeld hiervan is de bouw van een logistieke hal met een kostprijs van €5.000.000 terwijl de kosten voor NIB respectievelijk €400 (nestplekken), €269.900 (sedum dak) en €750 (inheemse struiken) bedragen hetgeen neer komt op een percentage van 5,4% van de kostprijs. Dit percentage is hoog omdat bij utiliteitsbouw de bouwkosten relatief laag zijn en groendaken dan de kosten opdrijven. Deze extra belasting vinden wij te hoog, daarom zijn diverse mogelijkheden tot kostenverlaging ingebouwd, de belangrijkste is de flexibiliteit in puntenscore zoals benoemd in paragraaf 3.5. Door het groendak te vervangen voor andere maatregelen blijven de kosten onder de 1%.

Mogelijkheden tot kostenverlaging Er zijn diverse manieren om kosten voor maatregelen te verlagen: 1. Vroegtijdige integratie van maatregelen in het ontwerpproces voorkomt latere aanpassingen en vermindert proceskosten; 2. Zorg voor expertise over toe te passen maatregelen om advies op maat te kunnen geven voor optimale biodiversiteit; 3. Kosten kunnen relatief lager uitvallen bij grootschalige toepassing van maatregelen 4. Flexibiliteit in puntenscore conform paragraaf 3.5; 5. Keuze van maatregelen 6. Elders verplichte maatregelen tellen mee voor natuurinclusief bouwen 7. Inzet subsidies is toegestaan. Zeker groendaken kunnen de kosten aanzienlijk verhogen, vooral bij bedrijfspanden. Vanwege de constructie kunnen deze bouwwerken doorgaans geen zware dakbelasting aan. Technische aanpassingen drijven de kosten buitenproportioneel op. Daarom is flexibiliteit in de regeling ingebouwd zoals beschreven in paragraaf 3.5. Dure maatregelen op het dak kunnen daarmee vervangen worden door goedkopere maatregelen in de buitenruimte. Het streven naar een natuurinclusieve en klimaatadaptieve buitenruimte blijft echter gelijk. Baten van slim combineren Slimme toepassing van maatregelen heeft positieve effecten op meerdere gebieden. Groene daken, minder verharding en gevelgroen verminderen wateroverlast en hittestress.

Natuurinclusieve maatregelen kunnen de verplichte watermaatregelen deels vervullen. Combinaties van groene daken en zonnepanelen zijn rendabeler en duurzamer. Groen op gebouwen verbetert het binnenklimaat door isolatie en heeft dus economische voordelen. In de maatregelentabel is aangegeven op welke aspecten een maatregel een meerwaarde heeft. Een economisch voordeel voor bedrijven is dat de punten voor BREEAM- of Greenlabel-certificering hoger zijn wanneer natuurinclusief gebouwd wordt. We staan toe om het toekomstige SMP, toekomstige rijksregels voor Natuurinclusief bouwen en andere groenblauwe verplichtingen als de hemelwaterverordening te combineren met de Heerlense regels. Hierdoor worden, toch al te maken kosten door initiatiefnemers, niet dubbel gemaakt.

12

Subsidieregelingen en legeskorting Er zijn diverse subsidieregelingen beschikbaar. Subsidies mogen ingezet worden om de natuurinclusieve maatregelen te financieren. Vanuit de gemeente Heerlen zijn bij de vaststelling van dit beleidsstuk de afkoppelsubsidie, groene daken en -gevelregeling en operatie steenbreek beschikbaar. Initiatiefnemers komen tevens in aanmerking voor de groene legeskorting bij aanleg van groene daken en groene gevels. Momenteel geldt dat alleen voor de bouwleges. De legesverordening wordt nog aangepast zodat de groene legeskorting ook komt te gelden voor de omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken.

13

4

UITVOERING

4.1 Communicatie en inspiratie Om natuurinclusief bouwen te stimuleren, is effectieve communicatie essentieel. Aangezien het niet alleen gaat om voorzieningen in gebouwen maar ook om een geschikte omgeving voor gebouwbewonende diersoorten, wordt breed gecommuniceerd, ook naar niet-bouwende inwoners en ontwikkelaars. We stellen een communicatiestrategie voor natuurinclusief bouwen op, gericht op beleving en bewustwording. Het doel is gedragsverandering te bewerkstelligen en trends, zoals het volledig betegelen van tuinen en openbare ruimten, te doorbreken. Het puntensysteem is eenvoudig, toch is het belangrijk gebruikers te voorzien van goede informatie en hen te inspireren. Natuurinclusief bouwen heeft de afgelopen jaren in Nederland veel aandacht gekregen. Diverse professionele partijen en gemeenten hebben hiervoor brochures ontwikkeld en informatiepagina’s opgezet. Deze zullen worden gebruikt in onze strategie om “heruitvinding” te voorkomen.

4.2 Vergunningverlening Natuurinclusief bouwen brengt extra taken met zich. Deze regeling streeft ernaar dat vergunningverlening, maar hierna ook toezicht en handhaving, zonder specialistische kennis de omgevingsvergunning kunnen toetsen aan de criteria. De toetsing wordt geïntegreerd in bestaande processen, waarbij casemanagers het aanvraagproces beheren en adviseurs worden geraadpleegd voor specifieke onderwerpen. Ook in de voormalige opzet, voor invoering van de Omgevingswet, werd door vergunningverlening al advies ingewonnen bij de beleidsmedewerker groen, natuur en landschap. Een efficiënt toetsingsproces wordt ondersteund door een formulier dat de initiatiefnemer invult bij de vergunningsaanvraag. De initiële schatting is dat de beoordeling van vergunningsaanvragen voor natuurinclusief bouwen jaarlijks ongeveer 400 uur werk met zich meebrengt.

4.3 Handhaving Na vergunningverlening is het cruciaal om toezicht te houden op de correcte uitvoering van natuurinclusieve maatregelen en het in stand houden daarvan. Gezien de aard van deze maatregelen is toezicht op meerdere momenten noodzakelijk. Allereerst tijdens het bouwproces, om de juiste plaatsing van nestkasten en dergelijke te waarborgen. Voor groene maatregelen, zoals het aanbrengen van gevelbeplanting, het planten van een haag en bomen, is toezicht pas geruime tijd na oplevering mogelijk. Deze natuurlijke en levende elementen hebben tijd nodig om te gedijen. De toegepaste maatregelen moeten in goede staat blijven en mogen later niet verwijderd worden. Als beplanting niet aanslaat, moet deze worden vervangen. De handhaving wordt uitgevoerd conform het vigerende toezicht en handhavingsbeleid.

4.4 Monitoring Natuurinclusieve maatregelen beogen het leefgebied van algemene en beschermde soorten te verbeteren/versterken. Projecten met natuurinclusief bouwen worden gemonitord en gekoppeld aan de toch al verplichte monitoring van het op te stellen Soortenmanagementplan. De monitoring dient tevens als controle op de handhaving van vergunde maatregelen op de lange termijn door de initiatiefnemer of eigenaar.

14

4.5 Evaluatie Na invoering van de het beleid gaan we praktijkervaring opdoen om te beoordelen of dit beleid voldoende maatwerk biedt, eenvoudig en betaalbaar is. Indien uit de evaluatie blijkt dat het beleid conform verwachting doorwerkt in de praktijk, zal, naar verwachting binnen een termijn van ca. 2 jaar, ook implementatie in het omgevingsplan plaatsvinden.

15

5

IMPLEMENTATIE

Zoals hiervoor is aangegeven zal natuurinclusief bouwen onderdeel gaan uitmaken van het vergunningproces. Dit gebeurt gefaseerd, het gaat in eerste instantie alleen gelden voor bouwactiviteiten die niet in het omgevingsplan passen. Het uiteindelijke doel is om een regeling voor natuurinclusief bouwen op te nemen in het omgevingsplan zodat deze voor elke bouwactiviteit, waarbij dat wenselijk wordt geacht, gaat gelden. Onderstaand wordt uitgelegd waarom natuurinclusief bouwen onderdeel gaat uitmaken van het vergunningproces, wat daarvoor nodig is, hoe we dit gaan doen, in welke volgorde we dit gaan doen en hoe we omgaan met landelijke ontwikkelingen. Waarom Er is een aantal redenen waarom natuurinclusief bouwen wordt geïntegreerd in het vergunningproces. De belangrijkste is dat natuurinclusieve maatregelen daarmee in een vroegtijdig stadium, bij de ontwikkeling van een bouwplan, worden meegenomen. Door gebruik te maken van beleidsregels en deze te koppelen aan het vergunningproces kan maatwerk worden geleverd en is het relatief eenvoudig om de regels in de toekomst aan te passen. Verder is belangrijk dat het voorliggende beleidskader geen regels biedt die natuurinclusief bouwen, voor alle bouwactiviteiten waarbij dit wenselijk wordt geacht, verplicht stelt.

Dit beleidskader is namelijk wel van toepassing op de ruimtelijke beoordeling van bouwactiviteiten die niet passend zijn binnen het omgevingsplan, maar is niet van toepassing op bouwactiviteiten die wel passend zijn binnen het omgevingsplan. De reden hiervoor is gelegen in de Omgevingswet; deze wet bepaalt dat wanneer een activiteit passend is binnen het omgevingsplan de ruimtelijke inpasbaarheid daarmee vaststaat. Een beleidsmatige beoordeling over de wenselijkheid van een activiteit is dan niet meer mogelijk. Om voor deze laatstgenoemde categorie bouwwerken natuurinclusief bouwen verplicht te kunnen stellen zijn derhalve regels vereist die onderdeel moeten gaan uitmaken van het vergunningproces in het omgevingsplan. Wat Voor de integratie in het vergunningproces zijn beleidsregels vereist. Deze beleidsregels vormen de juridische vertaling van de regels die in dit beleidskader zijn benoemd. Zij zijn het toetsingskader op basis waarvan door het college wordt beoordeeld of een bouwinitiatief voldoet aan de regels voor natuurinclusief bouwen. Deze regels gelden in eerste instantie voor alle bouwactiviteiten die niet passend zijn binnen het omgevingsplan. De beleidsregels geven voor deze activiteiten mede invulling aan het in de Omgevingswet opgenomen criterium ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Dit criterium is (mede) bepalend voor de onderbouwing van een omgevingsplanwijziging en voor de beantwoording van de vraag of een omgevingsvergunning verleend kan worden voor een bouwactiviteit die niet passend is binnen het omgevingsplan. Om ervoor te zorgen dat de beleidsregels ook gaan gelden voor bouwactiviteiten die wel passen binnen het omgevingsplan is een wijziging van het omgevingsplan vereist. Het omgevingsplan is het ruimtelijke instrument van de gemeente dat regels bevat waaraan eenieder die een bouwplan wil ontwikkelen moet voldoen. Het huidige omgevingsplan bevat een vergunningplicht voor bouwwerken, maar bevat geen regels en indieningsvereisten over natuurinclusief bouwen. Dit zorgt ervoor dat aanvragen voor een omgevingsvergunning die passend zijn binnen de regels van het omgevingsplan niet hoeven te voldoen aan natuurinclusief bouwen.

16

Hoe In de beleidsregels wordt uitgewerkt wanneer natuurinclusief bouwen verplicht is en aan welke voorwaarden voldaan moet worden. De regels zijn gebaseerd op dit beleidskader en mogen daar niet vanaf wijken. De bevoegdheid voor het vaststellen van deze beleidsregels ligt bij het college. In het omgevingsplan wordt een nieuwe regeling opgenomen waarmee maatregelen ten behoeve van natuurinclusief bouwen verplicht worden gesteld. Deze verplichting wordt gekoppeld aan bouwactiviteiten. In het omgevingsplan wordt verder opgenomen dat de toetsing van natuurinclusief bouwen door het college plaats vindt met in achtneming van de beleidsregels voor natuurinclusief bouwen. Ten slotte wordt in het omgevingsplan opgenomen aan welke indieningsvereisten moet worden voldaan. De bevoegdheid voor de wijziging van het omgevingsplan ligt bij de gemeenteraad.

Volgorde Dit beleidskader vormt de eerste stap. Daarna worden, naar verwachting tegen het einde van 2025, beleidsregels opgesteld en vastgesteld door het college. Pas wanneer de beleidsregels zijn vastgesteld en in werking zijn getreden wordt getoetst aan het vastgestelde beleid. Dit betekent dat aanvragen voor bouwactiviteiten die niet passend zijn binnen het omgevingsplan en waarover ten tijde van de inwerkingtreding van de beleidsregels nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden moeten voldoen aan het beleid. Na de inwerkingtreding van de beleidsregels wordt een periode van ca. 2 jaar gereserveerd om te bekijken of het beleid conform verwachting doorwerkt in de praktijk. Indien dit het geval is wordt het omgevingsplan gewijzigd, waardoor het beleid ook gaat gelden voor bouwactiviteiten die passend zijn binnen het omgevingsplan. Landelijke ontwikkelingen De afgelopen jaren is er in de landelijke politiek veel te doen geweest omtrent regels voor natuurinclusief bouwen. Waar men eerst van plan was om regels op te nemen in de landelijke bouwregelgeving is de huidige minister geen voorstander van het invoeren van dergelijke regels. Feit is dat er op dit moment nog steeds geen regels zijn en er ook geen zicht is welke kant het op zal gaan. Wij hebben hier geen invloed op en willen vooruitstrevend zijn op het gebied van natuurinclusief bouwen. Afwachten is derhalve geen optie.

Wij geven daarmee invulling aan de roep van de markt zoals vastgesteld in het manifest ‘bouwen voor natuur’. De Heerlense regeling voor natuurinclusief bouwen is in ieder geval breder dan de voorgestelde landelijke regeling en kan in dat opzicht aanvullend werken. Voor zover er in de toekomst overlap tussen regelingen zal bestaan zal, voor zover dit mogelijk is, in het omgevingsplan en/of de beleidsregels worden opgenomen dat bij overlap tussen regels de landelijke regels voorrang hebben. Maatregelen die genomen worden op grond van de landelijke regels tellen wel mee indien er aanvullend nog getoetst moet worden aan de Heerlense regels voor natuurinclusief bouwen.

17

Bijlage 1 ECOLOGISCHE ACHTERGRONDEN AFNAME STADSSOORTEN

1 TREND VAN STADSVOGELS Schoppers J., van Kleunen A. & Wortel M. 2022 Van de broedvogels die in steden en dorpen voorkomen, gaan er meer soorten in aantal achteruit dan vooruit. Dit geldt met name voor de soorten in het urbane groen, zoals vogels die vooral in parken, stadsbossen, struiken en struwelen te vinden zijn (zie figuur 1). Ook soorten die afhankelijk zijn van gebouwen nemen af.

Figuur 1: Aantalsontwikkeling van de soortgroepen/gildes Duidelijke afname veel vogels van groen Met name vogelsoorten die kenmerkend zijn voor de twee types groene leefomgeving in de stad gaan in aantal achteruit: tuin en park (-25 %) en struweel en struiken (meer dan -30 %). De afname van vogels die afhankelijk zijn van struiken, parken en tuinen impliceert dat dit habitat in oppervlak en/of kwaliteit is afgenomen. Echter bruikbare data hiervan zijn nauwelijks beschikbaar. Boomvogels zijn stabiel. De

18

meeste bomen in urbaan gebied, met uitzondering van parken, worden echter niet heel oud. Schaduwwerking, overlast van bladval, beschadigingen door werkzaamheden, te kleine boomspiegel en verminderde vitaliteit veroorzaken dat regelmatig de zaag gaat in oudere stadsbomen. Groene habitats verdwijnen door stadsuitbreiding, maar ook door ‘inbreiding’, oftewel het verder volbouwen van de stad: groen maakt plaats voor steen, en heggen maken plaats voor schuttingen. Ook het groenbeheer is niet altijd gunstig voor vogels, waardoor de kwaliteit van het beschikbare groen af kan nemen. Zo is een gazon dat enkel gemaaid hoeft te worden, goedkoper dan het onderhouden van struweel. Of de hoeveelheid groen onder een kritieke grens zakt, is moeilijk te zeggen. Er is een kwantitatieve noch een kwalitatieve norm voor de hoeveelheid openbaar groen in de stedelijke omgeving. In de Nota Ruimte (2006) wordt wel een richtgetal genoemd van 75 m2 per woning. In 2003 lag het oppervlak openbaar groen in 19 van de 31 grootste gemeenten hieronder. Geen van de vier grote steden haalde het richtgetal (Beschikbaarheid groen in de stad, 2000 - 2006 | Compendium voor de Leefomgeving (clo.nl). Heerlen zit gemiddeld boven de norm van 75m2. Maar dat zegt nog niets over het aandeel groen in urbaan gebied.

Feit is wel dat sinds 2000 de hoeveelheid park en natuur met 3% is afgenomen, terwijl het areaal aan stedelijk gebied met 5% is toegenomen. Het is erg aannemelijk dat deze trend ook geldt voor de kleine groenelementen in urbaan gebied. Daarnaast speelt ook de afname van met kruiden begroeide overhoekjes en braaklandjes een belangrijke rol. Daarin komen insecten voor die vogels voor hun jongen nodig hebben. Vooral in binnensteden is er nog weinig braakland over en de afstand van de binnensteden tot zulke terreinen aan de rand van steden wordt steeds groter bij groeiende steden (CBS, PBL, RIVM, WUR 2 (2024)). Ook vervangen tuinbezitters steeds vaker het groen voor tegels en worden plantsoenen aangeharkt. Zo worden de voedselbronnen (zaden, insecten) voor vogels minder en is het aanbod van nectarplanten en waardplanten voor vlinders kleiner (CBS, PBL, RIVM, WUR 3 (2024)). Lichte afname van huizenbroeders In vergelijking met de andere gildes zijn de huizenbroeders het meest kenmerkend voor de urbane omgeving. Deze stads- en dorpsvogels zijn licht achteruitgegaan (-10 %). Er zijn verschillende factoren die ten grondslag kunnen liggen aan de afname van deze soorten. Door woningisolatie is er minder nestgelegenheid. Daarnaast hebben sommige soorten, zoals huismus en spreeuw, specifieke eisen wat betreft voeding (zoals kruiden, struiken, heggen en grasland) en bescherming.

De soorten met een afname uit dit gilde zijn stadsduif, gierzwaluw, huismus en spreeuw, waarbij de eerste en laatste soort vooral de afname van de groep als geheel bepalen. De huiszwaluw doet het in urbaan gebied minder goed (stabiel) dan daarbuiten (lichte toename). Als oorzaken worden genoemd: andere bouwwijze van huizen, minder overstekken en goten, gladde afdekplaten in plaats van ruwe bouwsteen en schilderwerk van daklijsten in donkere in plaats van lichte kleuren. Daarnaast is inbreiding en afname van braakveldjes voor nestmateriaal ook een ongunstige ontwikkeling. Onderzoeken naar de omgeving van de nestplek voor de huismus laten zien dat deze soort profiteert van een gevarieerde omgeving met (liefst wat rommelige) siertuinen, groentetuinen, kleinschalige kippenhouderij en braakliggende gronden. Dat zijn omstandigheden die in veel grote steden niet of nauwelijks meer aanwezig zijn. In Leiden was er een relatie tussen hoge aantallen huismussen en gevarieerd habitat, voedselaanbod en dekking. In huizen en wijken van na 1960 zijn de hoogste dichtheden gevonden. De verschillen tussen Almere (groene en nieuwe stad) en Amsterdam (versteende en oude stad) zijn opvallend bij de huismus met een veel hogere presentie en aantallen (bijna tien keer hoger) in Almere.

Dit baart zorgen voor het grote oppervlak oude steden en dorpen (ruim 18% van de woningen (CBS.nl)), maar geeft hoop voor de nieuwbouw (25% van de woningen). De huidige energietransitie vindt vooral plaats in de naoorlogse wijken (57% van de woningen, bouwperiode tot 1990). De huismus heeft daar de hoogste aantallen, dus deze ontwikkelingen kunnen voor de huizenbroeders een flinke impact hebben.

19

1.1 Trends belangrijke stadsvogels uitgelicht De Vogelrichtlijn richt zich op de instandhouding van alle natuurlijk in Europa in het wild levende vogelsoorten. Dit betekent dat de EU-lidstaten maatregelen moeten nemen om de populaties van deze soorten op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen. Daaronder wordt onder andere een gunstige staat van instandhouding verstaan. Het begrip Staat van instandhouding is zo ongeveer synoniem voor de mate van duurzaamheid of gezondheid van een populatie van een soort (Foppen R. & Vogel R. 2022). 1.1.1 Huiszwaluw De Staat van Instandhouding van de huiszwaluw als broedvogel in Nederland is zeer ongunstig. Beoordeling Staat van Instandhouding Verspreiding Populatie Leefgebied Toekomst Eindoordeel matig ongunstig zeer ongunstig zeer ongunstig zeer ongunstig zeer ongunstig Nederland Rode lijst: Gevoelig Broedpopulatie: 85.000-120.000 (2018-2020) Geschat maximum doortrek 50.000-200.000 (2008-2012)

Limburg Broedpopulatie: 4.420-6.240, 5% van Nederland (2018-2020)

Trend Nederland vanaf 1989: significante toename, <5% per jaar (+) laatste 12 jaar: significante toename, <5% per jaar (+)

Trend Limburg vanaf 1990: significante toename, <5% per jaar (+) laatste 12 jaar: geen significante aantalsverandering (0)

1.1.2 Gierzwaluw De Staat van Instandhouding van de gierzwaluw als broedvogel in Nederland is gunstig. Beoordeling Staat van Instandhouding Verspreiding Populatie Leefgebied Toekomst Eindoordeel gunstig onbekend gunstig gunstig gunstig Nederland Rode lijst: Broedpopulatie: 45.000-70.000 (2018-2020) Geschat maximum doortrek 50.000-200.000 (2008-2012)

Limburg

Trend Nederland vanaf 2007: significante afname, <5% per jaar (-) laatste 12 jaar: geen significante aantalsverandering (0)

Trend Limburg Onvoldoende gegevens beschikbaar voor trendanalyse.

Broedpopulatie 3.730-5.810, 8% van Nederland (2018-2020)

20

1.1.3 Huismus De Staat van Instandhouding van de huismus als broedvogel in Nederland is zeer ongunstig. Beoordeling Staat van Instandhouding Verspreiding Populatie Leefgebied Toekomst Eindoordeel gunstig zeer ongunstig matig ongunstig zeer ongunstig zeer ongunstig

2

Nederland Rode lijst: Gevoelig Broedpopulatie: 600.000-1.000.000 (2018-2020) Geschat maximum winter 2.000.000-3.000.000 (2013-2015) Geschat maximum doortrek Broedvogel - jaarrond aanwezig

Limburg Broedpopulatie 34.200-57.000, 6% van Nederland (20182020)

Trend Nederland vanaf 1990: significante afname, <5% per jaar (-) laatste 12 jaar: significante toename, <5% per jaar (+)

Trend Limburg vanaf 2007: geen aantalsverandering (0) laatste 12 jaar: geen aantalsverandering (0)

TREND VAN VLEERMUIZEN, 1986-2022

significante significante

CBS, PBL, RIVM, WUR 1 (2024)

Lange tijd zijn populaties vleermuizen achteruitgegaan, maar na 1986 worden veel soorten weer in toenemende aantallen waargenomen. De toename is vooral te zien bij overwinterende vleermuizen, maar ook in de zomer worden meer vleermuizen geteld dan voorheen. Tot halverwege de 20e eeuw zijn in Nederland veel vleermuissoorten achteruitgegaan en drie soorten zijn zelfs verdwenen. De precieze oorzaken achter trends van vleermuizen zijn zelden goed onderzocht, maar mogelijke factoren bij afnames zijn verstoring en verdwijning van verblijfplaatsen, het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw en houtverduurzamingsmiddelen op kerkzolders. Ook de achteruitgang van het aantal houtwallen en rommelhoekjes, en andere intensivering in het agrarische landschap, worden vaak als oorzaken genoemd van achteruitgang. Vanaf de jaren '70 lijken de aantallen van verschillende soorten vleermuizen weer langzaam toe te nemen, wat duidt op een herstel van de populatie van deze soorten. Mogelijke oorzaken hiervoor zijn de verbetering van de kwaliteit van oppervlaktewater, de intensivering van beschermingsmaatregelen, en het ouder worden van de bossen, wat zeker sinds de jaren '80 een effect zal hebben gesorteerd.

Vanaf 1986 zijn de tellingen van vleermuizen in winterverblijven (winterpopulaties) systematisch bijgehouden, zodat er vanaf die tijd betrouwbare aantalstrends per soort berekend kunnen worden. Bij zomertellingen (zomerpopulaties) zit er meer variatie in de tijdreeksen: voor grijze grootoorvleermuis is er vanaf 1996 systematisch geteld, data van ingekorven vleermuis wordt vanaf 2008 betrouwbaar geacht en de data van vier akoestisch meetbare soorten worden vanaf 2015 gebruikt. Vooral de overwinterende vleermuizen (winterpopulaties) laten een toename in aantallen zien sinds 1986. Deze stijging is grotendeels toe te schrijven aan de groei van de populaties, maar is deels ook te

21

verklaren door een betere bescherming van de winterverblijven. Daarnaast kunnen er bij vleermuizen gemakkelijk verschuivingen optreden van onbekende naar bekende verblijfplaatsen, en andersom, waardoor er een wisselend aandeel van de populatie in beeld is. Alle soorten laten een toename zien over de gehele meetperiode (1986-2022), maar de sterkste stijging vinden we bij de ingekorven vleermuis en de franjestaart. Recent is de groei in getelde aantallen bij deze soorten echter minder geworden. Baardvleermuis en gewone grootoorvleermuis laten, hoewel ze over de gehele tijdreeks zijn toegenomen, vanaf 2011 een matige afname zien. De precieze oorzaken achter deze recente afname zijn niet bekend, maar warmere winters, te intensief beheerde bossen en aantasting van verblijven in gebouwen door de energietransitie spelen een rol bij de waargenomen afnames. De twee soorten waarvan de reproducerende populatie in de zomer (zomerpopulaties) op de langere termijn is gemonitord, grijze grootoorvleermuis en ingekorven vleermuis, laten beiden een matige toename zien. Vanaf 2011 is de groei van grijze grootoorvleermuis echter gestagneerd. Ook laatvlieger laat een afname zien in de periode 2015-2022 op basis van akoestische waarnemingen. De afname van verblijven en foerageergebieden lijkt hier de oorzaak achter de afname.

Het algemene beeld blijft echter een toename van de aantallen vleermuizen over de gehele meetperiode, maar meer afnames de laatste jaren. Bescherming van vleermuizen heeft resultaat Alle in Nederland voorkomende en verdwenen soorten vleermuizen (20 soorten) zijn al sinds lange tijd beschermd via nationale wetgeving. Sinds 1992 worden vleermuizen ook beschermd op grond van de Europese Habitatrichtlijn, waarbij de bescherming geldt voor alle Europese soorten. Er worden continu allerlei maatregelen genomen om vleermuizen te beschermen, waaronder het opknappen en beschermen van verblijven. Schadelijke houtverduurzamingsmiddelen zijn tegenwoordig deels verboden en bij sloop- en bouwprojecten en andere ruimtelijke ontwikkelingen moeten mogelijke schadelijke effecten vooraf in kaart worden gebracht en effecten worden voorkomen of gecompenseerd. Desalniettemin zijn er zorgen over de bescherming van vleermuizen, omdat ze met enige regelmaat slachtoffer worden van windturbines en na-isolatie van gebouwen. Ook verdwijnen de verblijfplaatsen in gebouwen op een verontrustend tempo. Zoals mensen straten en wegen nodig hebben om zich over te verplaatsen hebben vleermuizen een groene en blauwe infrastructuur nodig. Die groen en blauwe wegen bestaan onder andere uit tuinen, plantsoenen, parken, bermen, oevers, lanen, grachten en kanalen.

Via deze structuren bewegen vleermuizen zich tussen verblijfplaatsen, jachtgebieden, winter- en zomergebieden en kunnen ze soortgenoten vinden om zich mee voort te planten. In de stad stat die groene omgeving echter onder druk door inbreiding van bebouwing, verbreding van verkeersinfrastructuur, verstening van tuinen en het uitbreiden van verlichting (Zoogdiervereniging, Factsheet vleermuizen groenstructuren).

22

3

TREND VAN BIJEN & HOMMELS

Reemer, M., 2018.

Van de 331 soorten die zich in ons land regelmatig voortplanten, is bepaald of ze volgens de Nederlandse criteria op de Rode Lijst 2018 moeten worden opgenomen. Daarvoor komen soorten in aanmerking die na 1900 zijn verdwenen of die bedreigd zijn. Deze laatste groep wordt in vier klassen onderverdeeld. In Figuur 2 is het resultaat zichtbaar. De Rode Lijst bestaat uit de volgende categorieën soorten: 46 Verdwenen uit Nederland, 30 Ernstig bedreigd, 42 Bedreigd, 38 Kwetsbaar, 25 Gevoelig. De Rode Lijst omvat dus 181 soorten (55% van de beschouwde soorten staat dus op de rode lijst). De overige 150 beschouwde soorten zijn geplaatst in de categorie Thans niet bedreigd. Om de trend met een eerdere rode lijst uit 2003 op een zuivere manier te vergelijken is deze laatste gereconstrueerd door gebruik te maken van de huidige aangescherpte methode en met deels verbeterde informatie. De gereconstrueerde Rode Lijst 2003 bestaat uit 158 soorten (49% van de 323 beschouwde soorten). Deze zijn als volgt over de categorieën verdeeld: 48 soorten Verdwenen uit Nederland, 21 Ernstig bedreigd, 37 Bedreigd, 31 Kwetsbaar en 21 Gevoelig. De overige 163 beschouwde soorten waren Thans niet bedreigd.

Figuur 2: Vergelijking rode lijst soorten bijen en hommels 2003 - 2018 Een vergelijking tussen beide Rode Lijsten laat zien dat de Rode Lijst zowel in absolute als relatieve zin langer is geworden (Figuur 2). Op de categorie Verdwenen na zijn de aantallen soorten in elke RodeLijstcategorie groter geworden. In de categorie Gevoelig staan enkele zeer zeldzame soorten die pas na 2001 voor het eerst in Nederland zijn ontdekt. Rekening houdend met deze overwegingen blijft het saldo echter negatief: de bijenfauna is sinds 2001 verder achteruitgegaan. Tegenvallers • De Rode Lijst is langer dan de vorige uit 2003: er staan 23 soorten meer op. • Enkele soorten zijn Verdwenen uit Nederland sinds 2003, zoals de Waddenmetselbij en de roodstaartklaverzandbij. • 37 soorten staan voor het eerst op de Rode Lijst. • 26 soorten gaan naar een zwaardere Rode-Lijstcategorie.

23

Lichtpuntjes • Het aantal soorten in de categorie Verdwenen is gedaald van 48 naar 46, dankzij de terugkeer van soorten als de vierbandgroefbij, de donkere klokjeszandbij en de kielstaartkegelbij. • 14 soorten staan niet meer op de Rode Lijst. • 21 soorten gaan naar een lichtere Rode-Lijstcategorie.

4

GEBRUIKTE BRONNEN

CBS, PBL, RIVM, WUR 1 (2024). Trend van vleermuizen, 1986-2022 (indicator 1070, versie 23, 14 november 2023) www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen. CBS, PBL, RIVM, WUR 2 (2024). Trend van vogels in stedelijk gebied, 2007-2020 (indicator 1585, versie 04, 23 juni 2022) www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen. CBS, PBL, RIVM, WUR 3 (2024). Trend fauna stad, 1990-2014 (indicator 1585, versie 01, 29 oktober 2015) www.clo.nl. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen. Foppen R. & Vogel R. 2022. Staat van instandhouding van soorten van de Vogelrichtlijn zonder instandhoudingsdoelen in Natura 2000-gebieden. Sovon-rapport 2022/81. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Reemer, M., 2018. Basisrapport voor de Rode Lijst Bijen. Rapportnummer EIS2018-06. EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden. Schoppers J., van Kleunen A. & Wortel M. 2022.

Stadsvogelbalans 2023. Sovon-rapport 2022/88. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen

Zoogdiervereniging. Factsheet vleermuizen groenstructuren.

24

Bijlage 2 MAATREGELEN WONINGEN

Woningen nr maatregel Nestgelegenheden 1 nestplek gierzwaluw 2 nestplek huismus (neststeen) 3 Halfopen neststeen zwarte roodstaart 4 nestkom huiszwaluw 5 zomerverblijf vleermuis 6 winterverblijf vleermuis 7 insectensteen Gebouwgebonden maatregelen 8 groen dak, sedum 9 groen dak, kruiden 10 groen dak, incl heesters bij voorkeur inheems 11 groen dak, incl heesters en kleine bomen bij voorkeur inheems 12 grondgebonden gevelgroen bij voorkeur inheems Omgevingsmaatregelen 13 blijvend onverharde tuin 14 invulling onverhard deel: haag op erfgrens 15 invulling onverhard deel: inheemse boom 16 invulling onverhard deel: inheemse struiken 17 invulling onverhard deel: poel of vijver 18 Invulling onverhard deel: inheems kruidenrijk grasland 19 Invulling onverhard deel: afkoppeling regenwater in wadi 20 Egelpassage

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerlen&id=07715393-6f07-40ce-993f-e5d69a65e4d4