9. B08 Ruon Toets stikstofdepositieberekening.pdf
Tekst van het document
Toetsing stikstofdepositie Backboneleiding en bron Heerlen Wet Natuurbescherming
COLOFON Toetsing stikstofdepositie Backboneleiding en bron Heerlen Wet natuurbescherming OPDRACHTNEMER
idverde Advies Willemsplein 2-4 5211 AK ‘s-Hertogenbosch T 073 205 11 00 E advies@idverde.nl
OPDRACHTGEVER
Mijnwater Energy B.V. Spoorplein 45 6411 NZ Heerlen
PROJECTNUMMER
722230088
STATUS VERSIE DATUM
DEFINITIEF 2.0 04-04-2023
Idverde advies bv is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van idverde Advies bv. De opdrachtgever vrijwaart idverde Advies bv voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Idverde Advies bv is lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij goed op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij daarnaast onze onderzoekskwaliteit. Omdat ecologisch (veld)onderzoek een momentopname is, kan aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Idverde Advies bv is niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. Copyright 2023 idverde. Alle rechten voorbehouden.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van idverde. idverde is niet aansprakelijk voor eventuele schade ontstaan bij gebruik van gegevens uit dit rapport.
TOETSING STIKSTOFDEPOSITIE BACKBONELEIDING EN BRON HEERLEN
2
INHOUDSOPGAVE COLOFON
2
1.
4
ALGEMENE TOELICHTING 1.1 Aanleiding 1.2 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden 1.2.1 Backbone leiding 1.2.2 Bron 1.3 Bijdrage van het project aan de energietransitie
2.
WETTELIJK KADER, EFFECTBESCHRIJVING EN TOETSINGSKADER 2.1 Wettelijk kader 2.1.1 Wet natuurbescherming 2.1.2 Wet natuurbescherming: gebiedsbescherming 2.1.3 Bevoegd gezag 2.2 Effecten stikstofdepositie tijdens de aanlegfase 2.3 Toetsingskader effecten stikstofdepositie (tijdens aanlegfase) 2.3.1 Toetsingskader stikstofdepositie
3.
RESULTATEN EN TOETSING 3.1 Resultaten Aerius-berekening 3.1.1 Invoer materieel stikstofberekeningen 3.1.2 Uitwerking resultaten stikstofberekeningen 3.1.3 Overzicht resultaten Aerius berekeningen aanlegfase 3.2 Toetsing stikstofdepositie aanlegfase 3.2.1 Nadere beoordeling stikstofdepositie aanlegfase
7 7 7 7 8 8 9 9
10 10 10 10 10 12 15
4.
CONCLUSIE
23
5.
LITERATUUR
25
BIJLAGEN
26
6.
6.1 Bijlage 1: Rapportage Aeriusberekening
3
4 4 4 5 6
Projectnummer: 722230088
27
1. Algemene toelichting 1.1 Aanleiding Onder Heerlen bevindt zich een uitgestrekt stelsel van mijngangen die in de 20ste eeuw werden uitgegraven voor de winning van steenkool. Na de sluiting van deze winning zijn de schachten gevuld met grondwater. De aarde warmt het water langs natuurlijke weg op; hoe dieper in de bodem, hoe hoger de temperatuur. Zo is het water op 250 meter diepte 16 graden en op 700 meter 28 graden. Het water vanuit de dieper gelegen mijngangen is geschikt om gebouwen te verwarmen terwijl het water in de bovenste stelsels juist geschikt is voor koeldoeleinden. Mijnwater Energy B.V. heeft op dit moment vijf bronputten en een ondergronds leidingstelsel in Heerlen in beheer om water af en aan te voeren. Warm en/of koud mijnwater wordt via boorschachten uit de mijngangen opgepompt. Vervolgens wordt dit via pompinstallaties en het leidingnet (de mijnwaterbackbone) via energie-wisselaars in clusterinstallaties uitgewisseld met op de backbone aangesloten clusternetten. Via de clusternetten wordt de gewenste energie aan de afnemers geleverd. In Heerlen worden momenteel woningen, winkels en kantoren verwarmd en gekoeld met mijnwater-energie. De capaciteit van het huidige systeem zit tegen het maximum aan. Om deze capaciteit te vergroten en het systeem geschikt te maken voor de toekomst is door Mijnwater Energy B.V.
een masterplan opgesteld waarin de groeimogelijkheden voor het komende decennium staan beschreven. Om de capaciteit van het huidige systeem te vergroten heeft Mijnwater op korte termijn twee projecten gepland, te weten de realisatie van een nieuwe warmtebron HLH-GT-03 en de uitbreiding van de backbone van knooppunt 2 naar knooppunt 7. De voorgenomen werkzaamheden voor de backbone leiding en de warmtebron worden hieronder beschreven. Het materieel dat wordt ingezet bij de aanlegwerkzaamheden veroorzaakt emissie van verzurende en vermestende stoffen (vooral NOx). Deze verzurende en vermestende stoffen slaan via de atmosfeer neer op land en water (stikstofdepositie) en kunnen negatieve effecten hebben op gevoelige natuurwaarden in de omgeving. Met onderhavige toetsing wordt het effect van stikstofdepositie op natuurgebieden in de omgeving in beeld gebracht en beoordeeld aan het wettelijke toetsingskader van de Wet natuurbescherming.
1.2 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden Het werk houdt in dat de backbone leiding wordt uitgebreid en er leidingen worden gelegd vanaf de Dudoklaan via de bestaande bron aan de rotonde Ganzeweide naar de nieuw te realiseren bron HH3a welke is gesitueerd in de omgeving van de t-splitsing Ganzeweide/Servatiusstraat (zie afbeelding 1.1). De benodigde werkzaamheden voor de bron en de backbone leiding worden apart besproken. Naar verwachting wordt er met 4 ploegen gewerkt; 2 ploegen voor uitvoering van de bronboringen en 2 ploegen voor de aanleg van de leidingen in open sleuf. De werkzaamheden voor aanleg van de backbone leiding en de bron duren samen naar verwachting 5 maanden; van juli tot december 2023.
1.2.1
Backbone leiding
Het tracé is weergegeven in afbeelding 1.1. Vanaf de Dudoklaan tot aan de rotonde Ganzeweide zijn 3 leidingen voorzien, 2 geïsoleerde warme leidingen en 1 ongeïsoleerde koude leiding. Vanaf de rotonde tot aan de nieuw te realiseren warme bron zijn 2 leidingen voorzien, 1 geïsoleerde warme leiding en 1 ongeïsoleerde koude leiding. Voor aanleg van de leiding wordt een sleuf gegraven waar de leiding in wordt gelegd, waarna de sleuf weer wordt afgedicht. Op plekken waar een open ontgraving niet mogelijk is (zoals bij kruising van wegen en waterwegen) wordt de leiding aangelegd middels een gestuurde boring. De voorgenomen planning voor de werkzaamheden is als volgt: ▪ Start uitvoering in september 2023, oplevering op 01 december 2023,
TOETSING STIKSTOFDEPOSITIE BACKBONELEIDING EN BRON HEERLEN
4
Dudoklaan–Beersdalsweg Het tracé start bij knooppunt 2 van het mijnwaternetwerk aan de Dudoklaan nabij de watertoren. De leidingen zijn hier geheel voorzien in de groenstrook parallel aan de Dudoklaan. In de nabijheid van het fiets- en voetpad naar het achterliggende park wordt eveneens een doorsteek gerealiseerd voor het leidingennet. In het park is het leidingennet geheel voorzien in de grasstroken. De Mijnzetellaan wordt overgestoken bij de drempel waarna het leidingennet verder gelegd wordt tegen de achterzijde van de percelen gelegen aan de Peutzstraat. Beersdalweg-Litscherboord Het tracé Beersdalweg-Litscherboord wordt gerealiseerd middels 4 gestuurde boringen. Tussen de boringen in worden de leidingen aangesloten middels een open sleuf. Er is voor 4 boringen gekozen omdat de afstand enerzijds te lang is om in één keer te boren en anderzijds er de mogelijkheid blijft om in de toekomst aansluitingen te kunnen realiseren om het netwerk verder uit te breiden. Litscherboord-Rennemigstraat In dit tracédeel is het leidingentraject grotendeels voorzien in de langs liggende parkeerstroken. Ganzeweide In de Ganzeweide ligt het reeds redelijk vol met kabels en leidingen, derhalve wordt voor de aanleg van het leidingennet uitgeweken naar 1 rijstrook in de rijweg. Zodoende blijft de tweede rijstrook vrij voor rioleringen.
Afbeelding 1.1: Tracé uitbreiding backbone leiding (Knooppunt 2 – Knooppunt 7) en nieuwe bron (HH3a)
1.2.2
Bron
Tijdens de aanlegfase wordt er een locatie aangelegd waar een mobiele boorinstallatie opgebouwd kan worden. De locatie zal omringd worden door een (tijdelijke) afzetting. De mobiele boorinstallatie zal de nieuwe bron boren. De boring zal 24 uur per dag 7 dagen per week worden uitgevoerd. Het is de verwachting dat de booractiviteiten ongeveer 3 weken in beslag nemen. De voorgenomen planning voor de werkzaamheden is als volgt: ▪ Inrichting werkterrein: juli-augustus 2023 ▪ Boren bron: september-oktober 2023
5
Projectnummer: 722230088
▪ ▪
Aanleg technische ruimte, testen en ingebruikname: oktober – november 2023 Oplevering gehele installatie: 01 december 2023
1.3 Bijdrage van het project aan de energietransitie Voor de aanlegfase van de nieuwe warme bron (HH3a) inclusief de uitbreiding van de backbone leiding is er sprake van een toename van stikstofdepositie. Deze toename is tijdelijk en treed alleen op tijdens de aanlegfase. In deze notitie wordt beoordeeld of dit een (significant) negatief effecten op kwetsbare natuurwaarden tot gevolg heeft. Hoewel het geen onderdeel uitmaakt van het project en de onderhavige toetsing, is het wel van belang te vermelden dat dit project onderdeel uitmaakt van het Mijnwaterproject en derhalve een belangrijke bouwsteen is in de energietransitie en de ambitie van stadsregio Parkstad-Limburg (Parkstad Limburg Energie Transitie/PALET) om in 2040 energieneutraal te zijn. Voor de aanleg van de nieuwe warmtebron en backbone leiding betekend dit dat er een groot aantal bestaande panden zal worden aangesloten die daardoor verwarmd kunnen worden middels het mijnwaternetwerk. De installaties van mijnwater zijn elektrisch aangedreven waardoor er geen sprake meer is van stikstofuitstoot en waardoor er geen aardgas meer wordt gebruikt. De verzwaring van het netwerk is mede noodzakelijk omdat recent 4 panden zijn aangesloten op het bestaande net.
Hierdoor heeft reeds een afname in het gebruik van fossiele brandstoffen en in de uitstoot van stikstof plaatsgevonden in dezelfde regio waarin we nu tijdelijk een geringe stikstofuitstoot moeten veroorzaken om de capaciteit van het systeem weer op orde te brengen. Met andere woorden, we hebben reeds een positief effect teweeggebracht maar zullen nu tijdelijk een (kleiner) negatief effect moeten veroorzaken om nieuwe aansluitingen mogelijk te maken.
TOETSING STIKSTOFDEPOSITIE BACKBONELEIDING EN BRON HEERLEN
6
2. Wettelijk kader, effectbeschrijving en toetsingskader 2.1 Wettelijk kader 2.1.1
Wet natuurbescherming
De bescherming van soorten en hun leefgebieden is geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en op nationaal niveau verankerd in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb genoemd). Enerzijds richt de Wnb zich op de bescherming van daartoe aangewezen gebieden. Deze gebieden bestaan uit Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden. Natura 2000-gebieden is de overkoepelende naam voor de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Activiteiten die schade toebrengen aan de beschermde natuurwaarden in deze gebieden zijn verboden. Anderzijds richt de wet zich op de bescherming en het behoud van in het wild levende planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt van de wet is het “Nee, tenzij…” principe. Dit betekent dat geen schade mag worden toegebracht, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan (in de vorm van een vrijstelling of verleende ontheffing). In de Wet natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt in een drietal beschermingsregimes. Onderstaand zijn deze kort toegelicht. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (§ 3.1 in de Wnb): Dit zijn Europees beschermde vogelsoorten. In de wet staat beschreven dat het verboden is om opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als beschreven in de Vogelrichtlijn te doden, verstoren of vangen.
Daarnaast mogen nesten/rustplaatsen niet opzettelijk worden vernield en is het verboden eieren te rapen. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (§ 3.2 in de Wnb): Dit zijn Europees beschermde soorten. Hierin staat beschreven dat het verboden is om opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende planten en dieren als beschreven in de Habitatrichtlijn (Bijlage IV), Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn te vernielen, doden, verstoren of vangen in hun natuurlijke leefgebied. Beschermingsregime andere soorten (§ 3.3 in de Wnb): Deze soorten zijn nationaal beschermd. In de wet staat beschreven dat het verboden is om flora en fauna beschreven in bijlage onderdeel A en B van Wet natuurbescherming opzettelijk te doden of vangen. Naast het beschermen van de soorten worden ook de voortplantings- en rustplaatsen beschermd, het is verboden om deze opzettelijk te beschadigen of vernielen. Ook de betreffende planten mogen niet worden geplukt/vernield.
2.1.2
Wet natuurbescherming: gebiedsbescherming
De bescherming vanuit de Wnb richt zich onder andere op de Natura 2000-gebieden. In het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied is opgenomen welke instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied gelden. Dit kunnen doelstellingen zijn voor habitattypen en/of plant- of diersoorten. Hierbij kan sprake zijn van een behoudsdoelstelling of van een verbeter- of uitbreidingsdoelstelling voor een habitattype of (leefgebied van) een soort. Activiteiten die schade toebrengen aan de beschermde natuur in deze gebieden zijn verboden. Als een gebied is aangewezen als Natura 2000-gebied, dan geldt het beschermingsregime op grond van hoofdstuk 2 uit de Wnb. Dit houdt onder andere in dat voor een nieuw plan, project en handeling in, of in de nabijheid van, een dergelijk gebied, moet worden beoordeeld of dit doorgang kan vinden gezien de instandhoudingsdoelstellingen die voor het Natura 2000-gebied gelden. Het is op grond van het tweede lid van artikel 2.7 Wnb namelijk verboden om zonder vergunning een project te realiseren, of andere handeling te verrichten, die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000gebied kunnen verslechteren, dan wel een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten, waarvoor het gebied is aangewezen.
Om te beoordelen of (significant) negatieve effecten aan de orde kunnen zijn, is het noodzakelijk om in eerste instantie een globale toets uit te voeren. Op basis van de uitkomst van deze globale toets kan het bevoegd gezag beoordelen of (significant) negatieve effecten uitgesloten kunnen worden. Wanneer het project afzonderlijk of in cumulatie negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt vergunning pas verleend nadat uit de
7
Projectnummer: 722230088
toets is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Is er kans op significant negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied, dan wordt vergunning pas verleend nadat uit een Passende beoordeling blijkt dat de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied niet in gevaar komen. Omdat er in de nabijheid van Heerlen meerdere Natura 2000-gebieden liggen met stikstofgevoelige natuurwaarden kunnen negatieve effecten op voorhand niet worden uitgesloten. In onderhavig rapport wordt op globale wijze getoetst of significante effecten als gevolg van de stikstofemissies tijdens de aanlegfase kunnen worden uitgesloten. Wanneer met onderhavige toets niet met zekerheid kan worden uitgesloten dat voor een Natura 2000-gebied de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar komen, kan een vergunning alleen verleend worden op basis van een nadere beoordeling. De huidige toets dient in dat geval aangepast te worden tot een uitgebreidere toetsing waarin de significantie van negatieve effecten wordt beoordeeld tegen het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van aanwezige kwalificerende habitattypen en soorten. Wanneer de zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast ook met een uitgebreidere beoordeling niet is verkregen, kan het project uitsluitend plaatsvinden na het doorlopen van een zogenaamde ADC-toets.
Het project kan dan uitsluitend doorgang vinden wanneer is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; het plan, onderscheidenlijk het project, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
2.1.3
Bevoegd gezag
In de Wnb geldt dat de provincies overwegend het bevoegd gezag vormen ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Voor de eventuele afgifte van de bovengenoemde Wnb-vergunning zijn Gedeputeerde Staten van Limburg op basis van artikel 1 van het Besluit natuurbescherming het bevoegd gezag: ▪ Het project is geheel gelegen binnen de grenzen van de provincie Limburg;
2.2 Effecten stikstofdepositie tijdens de aanlegfase Aard van het effect De werkzaamheden veroorzaken emissie van verzurende en vermestende stoffen (vooral NOx). Deze verzurende en vermestende stoffen slaan via de atmosfeer neer op land en water (stikstofdepositie) en kunnen negatieve effecten op gevoelige vegetaties veroorzaken, zoals vergrassing of verruiging. Ook beschermde soorten planten en dieren die afhankelijk zijn van een bepaald habitattype kunnen hierdoor nadelig beïnvloed worden, bijvoorbeeld door verandering van de samenstelling van de structuur van de vegetatie of een verandering van voedselaanbod. Reikwijdte Door de werkzaamheden tijdens de aanlegfase is er sprake van extra stikstofdepositie door de uitstoot van het materieel dat wordt gebruikt. In de Natura 2000-gebieden rondom het projectgebied komen stikstof gevoelige habitattypen voor. De afstand tussen het projectgebied en de gevoelige habitattypen is niet zo groot (<3 km) en effecten kunnen niet worden uitgesloten. Tot voor kort was de 'Wet stikstofreductie en natuurverbetering' (Wsn) van kracht. Op grond van deze wet gold er een partiële vrijstelling voor de bouwsector als het gaat om stikstof. Feitelijk betekende deze vrijstelling dat de bouw/aanlegfase van projecten niet meer beschouwd hoefde te worden in het stikstofonderzoek.
In een uitspraak van 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3159) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat deze bouwvrijstelling in strijd is met het Europese recht en daarmee is de Wsn komen te vervallen. Onduidelijk is hoe de wetgeving omtrent het dossier stikstof zich op korte en lange termijn gaat ontwikkelen. Voor de initiatiefnemer Mijnwater Energy B.V. reden om voor dit project de stikstofdepositie te beoordelen van de aanleg van de nieuwe warmtebron en backbone leiding. Voor de voorgenomen aanlegwerkzaamheden is berekend of de uitstoot van stikstof effect heeft op de stikstofgevoelige habitattypen in naastgelegen Natura 2000-gebieden. De berekening is uitgevoerd met Aerius Calculator (versie 2022_20230221). Voor de werkzaamheden op het leidingtracé en bronlocatie is per machine het aantal draaiuren bepaald. Voor de vervoerbewegingen (aantal ritten) is op basis van het aantal km (heen en terug) de te verwachten uitstoot berekend. De resultaten van de Aeriusberekening zijn weergegeven in bijlage 1.
TOETSING STIKSTOFDEPOSITIE BACKBONELEIDING EN BRON HEERLEN
8
2.3 Toetsingskader effecten stikstofdepositie (tijdens aanlegfase) Stikstofdepositie door het gebruik van machines is een effect dat op grote afstand invloed kan hebben op instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen. Dit effect kan daarom mogelijk optreden voor habitattypen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving. Een Aerius berekening is uitgevoerd om na te gaan of er stikstofdepositie plaatsvindt binnen stikstofgevoelige habitattypen. Indien dit het geval blijkt dan kunnen significante effecten in een aantal gevallen alsnog op voorhand worden uitgesloten. Voor de aanleg van de backbone leiding en bron is berekend of de uitstoot van stikstof binnen het projectgebied effect heeft op de stikstofgevoelige habitattypen in nabijgelegen gebieden. De resultaten van de Aeriusberekening zijn weergegeven in bijlage 1.
2.3.1
Toetsingskader stikstofdepositie
Niet overbelaste hexagonen Voor ieder habitattype is een Kritische Depositiewaarde (KDW) vastgesteld. Dit is het aantal mol N/ha/jaar waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Beneden deze grens treden geen significant schadelijke effecten op (Van Dobben et al. 2012). Ook is in heel Nederland voor iedere hectare de achtergronddepositie (ADW) bekend. Dit is de stikstofdepositie die jaarlijks al plaatsvindt door alle andere bronnen van stikstof. Indien de achtergronddepositie lager is dan de KDW van een habitattype, dan is het habitattype momenteel nog niet overbelast. Dit betekent dat het habitattype in de huidige situatie nog geen negatieve effecten ondervindt door een teveel aan stikstofdepositie. Indien de toename van stikstofdepositie door een project gering is dan zal deze er niet voor zorgen dat habitattypen wel overbelast raken. Ook niet als rekening wordt gehouden met een cumulatief effect van andere projecten en de uitstoot bijvoorbeeld x100 wordt gedaan. Hierbij is wel rekening gehouden met bijna overbelaste hexagonen waarbij de achtergronddepositie <70 mol lager is dan de KDW. Hierbij zijn negatieve effecten niet zomaar op voorhand uit te sluiten.
Geringe uitstoot binnen overbelaste hexagonen Indien uitstoot wel plaatsvindt binnen overbelaste hexagonen kunnen significante effecten bij geringe uitstoot in bepaalde gevallen nog steeds worden uitgesloten. Uit jurisprudentie blijkt dat het in bepaalde omstandigheden mogelijk kan worden volstaan met een voortoets. In ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1125, wordt in r.o. 32.4, onder meer het volgende overwogen: “(…) De Afdeling overweegt verder dat, anders dan (…) en anderen stellen, niet elke overschrijding van de kritische depositiewaarden een significant negatief effect heeft of anderszins niet toelaatbaar moet worden geacht. Als een project leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename te worden onderzocht. Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dient een passende beoordeling te worden gemaakt”. Daarnaast heeft het RIVM (2019) aangetoond dat kleine depositiewaarden (<0,05 mol/ha/jaar) een zeer grote ruimtelijke verspreiding hebben. Iedere bron stoot deze kleine hoeveelheden namelijk aan de buitenste rand van zijn depositie uit.
Het RIVM heeft aangetoond dat bijdragen van kleiner dan 0,05 mol/ha/jaar weinig gevoelig zijn voor de exacte locatie van de bron waarvandaan de bijdrage afkomstig is (RIVM, 2019). Dit betekent dat een bijdrage van kleiner dan 0,05 mol N/ha/jaar nauwelijks effect heeft op de ruimtelijke verdeling van de depositie en niet betekenisvol tot een project zijn te herleiden (Cardinaals et al., 2019). Dit effect wordt groter naarmate de afstand tot het project groter wordt. De specifieke habitattypen die op deze afstanden worden aangegeven door de AeriusCalculator zijn dus een inschatting en geven niet specifiek aan dat de uitstoot daadwerkelijk in deze habitattypen terecht komt. Los van de gevoeligheid voor stikstof is in meerdere casussen (ECLI:NL:RVS:2020:1125) al beargumenteerd dat kleine depositiewaardes op zichzelf niet kunnen zorgen voor verschillen in groeisnelheid. Bij geringe hoeveelheden stikstof dient dus bepaald te worden of deze überhaupt voor significante effecten zouden kunnen zorgen. Binnen Nederland zijn de te hoge achtergronddeposities het voornaamste probleem voor stikstofgevoelige habitattype. Het wel of niet plaatsvinden van deze allerlaagste depositie bijdrages, zal daarom niet significant bijdragen aan het wel of niet behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen.
De redenatie dat bij overbelaste habitattype elke toename, hoe laag deze ook is, een significant effect heeft is dan ook verworpen (ECLI:NL:RVS:2020:1125).
9
Projectnummer: 722230088
3. Resultaten en toetsing 3.1 Resultaten Aerius-berekening 3.1.1
Invoer materieel stikstofberekeningen
Voor dit project is voor de aanlegfase een Aerius-berekening gemaakt voor de aanleg van de backboneleiding en het boren van een nieuwe bron. Voor de werkzaamheden is een zo gedetailleerd en realistisch mogelijke inschatting gemaakt van de inzet van het benodigde materieel en het aantal draaiuren. In de Aerius rapportage in bijlage 1 is een uitgebreid overzicht gegeven van al het materieel dat bij de aanleg wordt inzet. Het materieel zoals in deze rapportage weergegeven is ingevoerd in Aerius-Calculator. Bij de Aerius-berekening wordt een apart rapport gegenereerd waarin de resultaten zijn samengevat (bijlage 1). Dit rapport geeft beperkte informatie over de habitattypen waarbinnen de stikstofdepositie plaatsvindt. Daarom dient in de Aerius-Calculator nog bepaald te worden of de stikstofdepositie per habitattype plaatsvindt in overbelaste hexagonen. Daarnaast dient ook te worden bepaald of het habitattype zelf (binnen overbelast hexagoon) daadwerkelijk overbelast is. Het kan namelijk zo zijn dat in hetzelfde hexagoon een stikstofgevoeliger habitattype ligt dat overbelast is, maar dat het betreffende habitattype zelf nog niet overbelast is. De resultaten van deze nadere analyse van de berekeningen zijn hierna weergegeven.
Uit de Aerius-berekening blijkt dat er in de aanlegfase een toename van stikstofdepositie plaatsvindt in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden Brunssummerheide, Geleenbeekdal, Geuldal, Kunderberg, Bunder- en Elslooërbos en Bemelerberg & Schiepersberg (zie afbeelding 3.1). Voor de (stikstofgevoelige) habitattypen en leefgebieden van soorten, waarvoor deze Natura 2000-gebieden zijn aangewezen is de stikstofdepositie als gevolg van het project berekend. De onderhavige toetsing richt zich op het effect van deze toename op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de desbetreffende habitattypen en leefgebieden.
3.1.2
Uitwerking resultaten stikstofberekeningen
In de toetsing is bepaald binnen welke habitattypen op voorhand significante effecten zijn uit te sluiten. Voor de habitattypen die niet overbelast zijn wordt geen toetsing uitgevoerd. Voor de (bijna) overbelaste habitattypen zijn significante effecten niet uitgesloten en moet per habitattype en leefgebied getoetst worden wat de (ecologische) effecten zijn van stikstofdepositie afkomstig uit het project. In het kader van het Programma Aanpak Stikstof (2015) is door de provincies per Natura 2000-gebied een PASgebiedsanalyse opgesteld (provincie Limburg, 2017). Tevens is er door de provincie voor elk Nature 2000-gebied een beheerplan opgesteld in 2020. Deze rapporten bevatten de analyse van gegevens over het Natura 2000-gebied in relatie tot stikstof en de ecologische onderbouwing van gebiedspecifieke beheer- en. Deze rapporten zijn (nog) niet aangepast op het verdwijnen van het PAS en het recent vervallen van de Wsn. Hierdoor is een aantal onderdelen van de gebiedsanalyses niet meer actueel (ontwikkelruimte) of niet meer correct (planning van de maatregelen bijvoorbeeld). Ondanks dit feit bieden de gebiedsanalyses en beheerplannen van de Natura 2000-gebieden waardevolle informatie over de stikstofgevoeligheid en de huidige kwaliteit van de habitattypen en leefgebieden binnen het gebied.
In de verdiepende toetsing is voor de kwalitatieve beoordeling van de effecten van de stikstofdepositie op de relevante habitattypen en doelsoorten (incl. leefgebieden) daarom gebruik gemaakt van de gebiedsanalyse en het beheerplan van de relevante Natura 2000-gebieden.
3.1.3
Overzicht resultaten Aerius berekeningen aanlegfase
In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de uitkomsten van de berekeningen die zijn uitgevoerd voor de aanlegfase. Hierbij wordt de maximale berekende depositietoename per habitattype en leefgebied binnen de Natura 2000-gebieden Brunssummerheide, Geleenbeekdal, Geuldal, Kunderberg, Bunder- en Elslooërbos en Bemelerberg & Schiepersberg weergegeven. Voor overige Natura 2000-gebieden in de regio is geen sprake van stikstofdepositietoename binnen stikstofgevoelige habitattypen. In tabel 3.1 zijn de maximale stikstofdepositietoenames weergegeven van de aanlegfase van de backbone leiding en bron. Zie voor de berekeningen achter de hier gepresenteerde getallen de Aerius rapport in bijlage 1.
TOETSING STIKSTOFDEPOSITIE BACKBONELEIDING EN BRON HEERLEN
10
H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm
0,08
ZGH9120 Beuken-eikenbossen met hulst
0,07
H4010A Vochtige heiden
0,07
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen
0,07
H7110B Actieve hoogvenen
0,06
H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm
0,06
H3160 Zure vennen
0,04
11
0,02
H91E0C Vochtige alluviale bossen
0,10
ZGH91E0C Vochtige alluviale bossen
0,10
ZGH9160B Eiken-haagbeukenbossen
0,09
ZGLg05 Grote-zeggenmoeras (nauwe korfslak)
0,05
H7230 Kalkmoerassen
0,04
0,01
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
0,02
0,01
H9160B Eiken-haagbeukenbossen
0,01
0,01
0,01
H6210 Kalkgraslanden
0,01
0,01
H9110 Veldbies-beukenbossen
0,01
H6510A - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
0,01
H6430C - Ruigten en zomen
0,01
0,01
H7220 Kalktufbronnen
0,01
0,01
H6230dkr Heischrale graslanden, droog kalkrijk
0,01
H6110 Pionierbegroeiingen op rotsbodem
Projectnummer: 722230088
Bemelerberg & Schiepersberg (mol/ha/jr)
0,08
Bunder- en Elslooërbos (mol/ha/jr)
H91D0 Hoogveenbossen
Kunderberg (mol/ha/jr)
0,13
Geuldal (mol/ha/jr)
H4030 Droge heiden
Geleenbeekdal (mol/ha/jr)
Habitattype
Brunssummerheide (mol/ha/jr)
Tabel 3.1: Hoogste bijdrage van stikstofdepositie tijdens de aanlegfase (rekenjaar 2023) voor de habitattypen in Natura 2000-gebied waar een toename stikstofdepositie plaatsvindt.
0,01 0,01
0,01 0,01
0,01
0,01
0,01
3.2 Toetsing stikstofdepositie aanlegfase Voor de periode van de aanlegfase neemt de stikstofdepositie tijdelijk toe in de Natura 2000-gebieden Brunssummerheide, Geleenbeekdal, Geuldal, Kunderberg, Bunder- en Elslooërbos en Bemelerberg & Schiepersberg als gevolg van de voorgenomen aanlegwerkzaamheden. Voor deze gebieden er sprake van een depositietoename binnen stikstofgevoelige habitattypen. Significant negatieve effecten op habitattypen en leefgebieden binnen de genoemde Natura 2000-gebieden zijn daarmee niet uitgesloten. In afbeelding 3.1 zijn de hexagonen weergegeven waar sprake is van een tijdelijke depositietoename binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van deze zes Natura 2000-gebieden. Tevens is voor elk gebied aangegeven op welke plek de grootste depositietoename en de hoogste totale depositie als gevolg van het project optreden.
Afbeelding 3.1: Overzicht ligging projectgebied met emissiebronnen en de Natura 2000-gebieden waar een tijdelijke depositietoename optreedt als gevolg van het project. Resultaten van de Aerius-berekening van de aanlegfase waarbij de paarse hexagonen de toename van stikstofdepositie weergeven. Buiten de weergegeven hexagonen is tijdens de aanlegfase geen sprake van een depositietoename op stikstofgevoelige habitattypen. In tabel 3.2 zijn de resultaten van de Aerius-berekening voor de aanlegfase verder uitgewerkt. Hierbij is per habitattype en leefgebied waarbinnen stikstofdepositie plaatsvindt bepaalt of en hoe hoog de stikstofdepositie toeneemt binnen (bijna) overbelaste delen van het desbetreffende habitattype. In de tabel is de hoogste depositiebijdrage weergegeven binnen hexagonen die (bijna) overbelast zijn. Voor overbelaste habitattypen is de hoogste depositiebijdrage weergegeven van het hexagoon waar de kritische depositiewaarde (KDW) van het habitattype (bijna) wordt overschreden door de achtergronddepositie. Dit kan verschillen met de hoogste bijdrage die uit de AERIUS-berekening naar voren komt als deze hoogste bijdrage plaatsvind binnen een hexagoon waar de KDW niet (bijna) wordt overschreden door de achtergronddepositiewaarde (ADW).
Voor een paar habitattypen blijkt dat de KDW niet (bijna) wordt overschreden door de ADW inclusief de tijdelijke toename van het project. In tabel 3.2 is te zien welke habitattypen binnen een Natura 2000-gebied nog niet (bijna) overbelast zijn en daarom nog geen negatieve effecten ondervind van stikstofdepositie. Verder blijkt voor de Natura 2000-gebieden Geuldal, Kunderberg, Bunder- en Elslooërbos en Bemelerberg & Schiepersberg dat er nergens sprake is van een toename van meer dan 0,01 mol/ha/jaar of is er voor een aantal habitattypen geen sprake van een overbelaste situatie tijdens de tijdelijke toename van stikstofdepositie in de aanlegfase. TOETSING STIKSTOFDEPOSITIE BACKBONELEIDING EN BRON HEERLEN
12
Voor de habitattypen waarbij de tijdelijk stikstoftoename niet boven de 0,01 mol N/ha/jaar uitkomt wordt geen nadere toetsing uitgevoerd. Het gaat hierbij om de habitattypen en leefgebieden waarbinnen de maximale stikstofdepositie binnen een (bijna) overbelast hexagoon lager of gelijk is aan 0,01 mol N/ha voor de beperkte periode van slechts enkele maanden tijdens de aanlegfase. Zoals beschreven in paragraaf 2.3.1. dragen deze bijdrages van 0,01 mol N/ha/jaar niet bij aan het wel of niet behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen, ook al zijn deze overbelast. Daarbij hebben depositietoenames van deze orde nauwelijks effect op de ruimtelijke verdeling van de depositie en zijn ze door de Aerius-Calculator niet betekenisvol tot het project of naar specifieke habitattypen te herleiden. Significant negatieve effecten op habitattypen en leefgebieden van de Natura 2000-gebieden Geuldal, Kunderberg, Bunder- en Elslooërbos en Bemelerberg & Schiepersberg, als gevolg van de aanlegwerkzaamheden, zijn uitgesloten. Evenals voor het habitattype H9160B Eiken-haagbeukenbossen binnen Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Tabel 3.2: In deze tabel zijn de resultaten van de AERIUS-berekening weergegeven, waarbij de toename per habitattype en leefgebied is weergegeven. ‘Bijdrage project’ geeft de maximale stikstofdepositie.
Depositie binnen (bijna) overbelaste hexagonen’ geeft aan of de stikstofdepositie plaatsvindt binnen een deel van het habitattype dat (bijna) overbelast is (oranje) en de maximale bijdrage die binnen deze delen plaatsvindt. De groene cellen geven aan dat het habitattype niet overbelast is. Tevens is per habitattype de KDW weergegeven en het percentage van het areaal binnen het Natura 2000-gebied dat overbelast is (gebiedsanalyse, 2017). Voor het Natura 2000-gebied is de gemiddelde achtergronddepositiewaarde (ADW) weergegeven (gebiedsanalyse, 2017). Habitattypen per Natura 2000-gebied
Bijdrage project (mol/ha/jr)
Depositie binnen (bijna) overbelaste hexagonen
KDW
0,13 0,08 0,08 0,07 0,07 0,07 0,06 0,06 0,04
0,13
1071
0,08
1786
0%
0,08
857
100%
0,07
1429
70%
0,07
1214
17%
0,07
1429
0%
0,06
786
100%
0,06
714
100%
0,04
714
100%
0,10 0,10 0,09 0,05 0,04 0,02 0,02 0,01
0,10
1857
0%
0,10
1857
0%
0,09
1429
75%
0,05
1714
0%
0,04
1143
97%
0,02
1429
69%
0,02
1429
78%
0,01
1429
15%
0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01
0,01
1429
37%
0,01
1429
55%
0,01
1500
1%
0,01
1857
0%
0,01
1429
31%
0,01
1429
0%
0,01
1857
0%
0,01
1143
100%
Nee
2399
0%
0,01
857
91%
0,01 0,01 0,01 0,01
0,01
1429
53%
0,01
1500
0%
Nee
1857
53%
Nee
2399
0%
(AERIUS,
Percentage overbelast2020
2023)
(Gem. ADW2020 = 1.114)
Brunssummerheide H4030 Droge heiden H91D0 Hoogveenbossen H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm ZGH9120 Beuken-eikenbossen met hulst H4010A Vochtige heiden H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen H7110B Actieve hoogvenen H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm H3160 Zure vennen Geleenbeekdal (Gem. ADW2020 = 1.458) H91E0C Vochtige alluviale bossen ZGH91E0C Vochtige alluviale bossen ZGH9160B Eiken-haagbeukenbossen ZGLg05 Grote-zeggenmoeras (Nauwe korfslak) H7230 Kalkmoerassen H9120 Beuken-eikenbossen met hulst ZGH9120 Beuken-eikenbossen met hulst H9160B Eiken-haagbeukenbossen Geuldal (Gem. ADW2020 = 1.416) H9160B Eiken-haagbeukenbossen H9120 Beuken-eikenbossen met hulst H6210 Kalkgraslanden H91E0C Vochtige alluviale bossen H9110 Veldbies-beukenbossen H6510A - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden H6430C - Ruigten en zomen H7230 Kalkmoerassen H7220 Kalktufbronnen H6230dkr Heischrale graslanden, droog kalkrijk Kunderberg (Gem. ADW2020 = 1.315) H9160B Eiken-haagbeukenbossen H6210 Kalkgraslanden H6430C - Ruigten en zomen H7220 Kalktufbronnen
13
Projectnummer: 722230088
41%
Habitattypen per Natura 2000-gebied
Bijdrage project (mol/ha/jr)
Depositie binnen (bijna) overbelaste hexagonen
KDW
0,01
1429
0,01
1857
0%
0,01
1429
72%
Nee
2399
0%
0,01
1429
30%
0,01
1429
3%
Bunder- en Elslooërbos (Gem. ADW2020 = 1.532) H9160B Eiken-haagbeukenbossen 0,01 H91E0C Vochtige alluviale bossen 0,01 H9120 Beuken-eikenbossen met hulst 0,01 H7220 Kalktufbronnen 0,01 Bemelerberg & Schiepersberg (Gem. ADW2020 = 1.342) H9160B Eiken-haagbeukenbossen 0,01 H6110 Pionierbegroeiingen op rotsbodem 0,01
(AERIUS,
Percentage overbelast2020
2023)
72%
Uit tabel 3.2 blijkt dat er voor de habitattypen en leefgebieden van de Natura 2000-gebieden Brunssummerheide en Geleenbeekdal sprake is van een tijdelijke depositietoename van > 0,01 mol/ha/jaar. Voor een depositietoename van deze orde, in een overbelaste situatie, kan een (significant) negatief effect niet worden uitgesloten. Uit een beoordeling per habitattype moet blijken of de tijdelijke depositietoename als gevolg van de aanlegfase een (significant) negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de stikstofgevoelige habitattypen binnen deze beide Natura 2000-gebieden. Tabel 3.3: Overzicht van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden met een tijdelijke toename van >0,01 mol/ha/jr als gevolg van het project. Weergegeven zijn de gekarteerde oppervlaktes van deze habitattypen binnen Brunssummerheide en Geleenbeekdal en het oppervlakte daarvan waar de tijdelijk stikstoftoename plaatsvind. Tevens is de relatieve stikstoftoename ten opzichte van de KDW bepaald. Max toename mol N/ha
Habitattype
Oppervlakte Oppervlakte (ha) (ha) KDW gekarteerd gekarteerd (mol met in N2000N/ha/jr) toename > gebied 0,01 mol/ha
Relatieve toename t.o.v. KDW (%)
Brunssummerheide H4030 Droge heiden
0,13
123,3
123,1
1071
0,012
H91D0 Hoogveenbossen
0,08
11,9
8,9
1786
0,004
H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm
0,08
0,5
0,5
857
0,009
ZGH9120 Beuken-eikenbossen met hulst
0,07
17,5
17,1
1429
0,005
H4010A Vochtige heiden
0,07
9,8
9,8
1214
0,006
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen
0,07
3,2
3,2
1429
0,005
H7110B Actieve hoogvenen
0,06
2,5
2,5
786
0,008
H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm
0,06
0,4
0,4
714
0,008
H3160 Zure vennen
0,04
0,01
0,01
714
0,006
Geleenbeekdal H91E0C Vochtige alluviale bossen
0,10
72,2
34,8
1857
0,005
ZGH91E0C Vochtige alluviale bossen
0,10
18,8
8,96
1857
0,005
ZGH9160B Eiken-haagbeukenbossen
0,09
8,1
8,1
1429
0,006
ZGLg05 Grote-zeggenmoeras (nauwe korfslak)
0,05
1,2
1,2
1714
0,003
H7230 Kalkmoerassen
0,04
1,0
1,0
1143
0,003
TOETSING STIKSTOFDEPOSITIE BACKBONELEIDING EN BRON HEERLEN
14
Habitattype
Max toename mol N/ha
Oppervlakte Oppervlakte (ha) (ha) KDW gekarteerd gekarteerd (mol met in N2000N/ha/jr) toename > gebied 0,01 mol/ha
Relatieve toename t.o.v. KDW (%)
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
0,02
23,7
23,0
1429
0,001
ZGH9120 Beuken-eikenbossen met hulst
0,02
2,5
2,5
1429
0,001
3.2.1
Nadere beoordeling stikstofdepositie aanlegfase
In deze paragraaf is per habitattype, waar sprake is van een tijdelijke depositietoename van >0,01 mol/ha/jaar, beschreven wat de huidige kwaliteit is van het habitattype. Hier op volgend is getoetst of de tijdelijke bijdrage van stikstofdepositie negatieve effecten kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van deze habitattypen binnen de Natura 2000-gebieden Brunssummerheide en Geleenbeekdal. H3160 Zure vennen Dit habitattype komt voor op de Brunssummerheide. Het instandhoudingsdoel is: behoud van oppervlakte en kwaliteit. Dit habitattype betreft op de Brunssummerheide een hellingveentje op de Feldbissbreuk, waar water op een leemlaag stagneert. Momenteel is één ven aanwezig dat zich gekwalificeerd als Zuur ven en dat bekend staat onder de naam Gerrits hangveentje, in het noordoosten van het gebied. Dit ven is klein (0,04 ha) waardoor verlanding op de loer ligt. Het beperkte areaal en het ontbreken van een complex van op korte afstand van elkaar liggende vennen, maakt dat het gevoelig is voor externe, negatieve invloeden zoals verdroging, vermesting en eutrofiëring door bladval. Verstoring van de waterhuishouding van omliggende vochtige heide (met als gevolg verdroging) heeft mineralisatie van het veen tot gevolg wat op zijn beurt invloed heeft op de waterkwaliteit van het zure ven en leidt tot verruiging van de directe omgeving.
Ook strooizout van de nabij gelegen provinciale weg (N300) als ook het vertrapping van de venoevers en laten zwemmen van honden door recreanten heeft een negatief effect op de staat van instandhouding van het zure ven. De omringende hellingen zijn in 2016 door Natuurmonumenten deels kaal gekapt waarbij het aandeel naaldhout is verkleind en Amerikaanse eiken zijn verwijderd. Lokaal zijn de hellingen geplagd om ontkieming van eiken te voorkomen en overmatig voedingsstoffen en ruwe humus af te voeren (Beheerplan Brunssummerheide, 2020). Deze werkzaamheden hebben de invang van stikstof uit de lucht waarschijnlijk flink verminderd wat een positief effect heeft op het zure ven. De maatregelen die momenteel zijn genomen om eutrofiering en successie tegen te gaan hebben een positief effect op het habitattype. Blijvende overschrijding van de KDW door overmatige stikstofdepositie blijft echter voor het habitattype tot indirecte verzuring en vermesting leiden, wat onder meer leidt tot verlanding en een mogelijke verslechtering van het leefgebied van de typische soort hoogveenglanslibel. Naast dat de depositietoename als gevolg van het project tijdelijk is, is de relatieve bijdrage aan de huidige (hoge) achtergronddepositie ook vrijwel verwaarloosbaar.
De eenmalige stikstofdepositie van 0,04 mol/ha is namelijk maximaal 0,004% van de huidige achtergronddepositie (1114 mol/ha/jr) binnen Brunssummerheide (PASgebiedsanalyse, 2017). De maximale toename van de tijdelijke stikstofdepositie uit het project komt daarnaast neer op 0,006% van de KDW (714 mol/ha/jr) van het habitattype H3160 (tabel 3.3). Als er 10 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden per jaar (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,06% van de KDW zijn. De depositietoename vanuit het project is tijdelijk en dermate gering dat deze geen risico vormt voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van dit habitattype. De depositietoename enkel als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden van het project vormt geen risico voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van ‘H3160 Zure vennen’ en heeft geen (significant) negatief effect op het behalen van de instandhoudingsdoelen. De tijdelijke depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-)maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen worden. H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden) Dit habitattype komt voor op de Brunssummerheide. Het instandhoudingsdoel is: uitbreiding van oppervlakte en verbetering kwaliteit.
Het habitattype komt voor in het bronnengebied van de Roode beek (centraal gelegen in het Natura 2000-gebied), langs en tussen de Schrieversheide vennen, rondom Gerrits’ hangveentje en op twee locaties op de Brandenberg. Het habitattype Vochtige heide van de hogere zandgronden, betreft vegetatie die wordt aangetroffen op vochtige tot
15
Projectnummer: 722230088
natte, schrale voedselarme, zandige bodems met een zuur karakter. Veelal is er sprake van een mozaïek met habitattypen Pioniervegetatie met snavelbies, Zuur ven, Droge heiden en/of actief hoogveen (heidevennetjes). De kwaliteit is op sommige plaatsen matig doordat de vegetatie vergrast en verdroogd is. De natuurlijk successie wordt versneld door atmosferische stikstofdepositie. Grassen, zoals het pijpenstrootje, en boomscheuten, bijvoorbeeld van de berk, ontwikkelen zich beter onder een hoger stikstofaanbod dan (vochtige) heidevegetaties, die van nature langzamer groeien. Het habitattype vochtige heide staat onder druk van stikstofdepositie, verzuring en van verdroging. De verdroging in het Natura 2000-gebied lijkt gestabiliseerd, maar als gevolg van de grondwaterstandsverlagingen treedt verdere verdroging op en zijn delen van de heide- en veenvegetaties vaak wel sterk vergrast en slaat er boomopslag op, waardoor deze bijzondere vegetaties dreigen dicht te groeien (gebiedsanalyse, 2017). Blijvende overschrijding van de KDW door overmatige stikstofdepositie leidt voor het habitattype tot indirecte verzuring en vermesting en daarmee tot verslechtering van het habitattype en de leefgebieden van typische soorten zoals heidesabelsprinkhaan en levendbarende hagedis.
In het gebied zijn mogelijkheden om, in samenhang met het habitattype actieve hoogvenen, hellingveentjes (H7110B), de kwaliteit te verbeteren. Vanuit het beheerplan (2020) wordt ingezet op de uitbreiding van Vochtige heiden binnen de Brunssummerheide door hydrologisch herstel. De hydrologische maatregelen, noodzakelijk om de oppervlakte uit te breiden, zullen ook een gunstig effect hebben op de kwaliteit, en de kwaliteit van andere habitattypen zoals Actief hoogveen. Naast dat de depositietoename als gevolg van het project tijdelijk is, is de relatieve bijdrage aan de huidige (hoge) achtergronddepositie ook vrijwel verwaarloosbaar. De eenmalige stikstofdepositie van 0,07 mol/ha is maximaal 0,006% van de huidige gemiddelde achtergronddepositie (1114 mol/ha/jr) binnen Brunssummerheide (PASgebiedsanalyse, 2017). De maximale toename van de tijdelijke stikstofdepositie uit het project komt daarnaast neer op 0,006% van de KDW (1214 mol/ha/jr) van het habitattype H4010A (tabel 3.3). Als er 10 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden per jaar (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,06% van de KDW zijn. De depositietoename vanuit het project is tijdelijk en dermate gering dat deze geen risico vormt voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van dit habitattype.
De depositietoename enkel als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden van het project vormt geen risico voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van ‘H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)’ en heeft geen (significant) negatief effect op het behalen van de instandhoudingsdoelen. De tijdelijke depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-)maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen worden voor uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. H4030 Droge heiden Dit habitattype komt voor op de Brunssummerheide. Het instandhoudingsdoel is: uitbreiding van oppervlakte en verbetering kwaliteit. Het habitattype Droge heide komt over een groot deel van de drogere zandige hellingen binnen de Brunssummerheide voor. De grootste locaties liggen in de deelgebieden Brandenberg, Tafelberg, Sternbachtal, rond de Heksenberg en rond de Schrieversheidevennen. Het gaat om een oppervlakte van circa 123 ha, waarbij het type goed ontwikkeld voorkomt (Beheerplan Brunssummerheide, 2020). Voor het optimaal functioneren is een oppervlakte vanaf enkele tientallen hectares wenselijk. Hieraan wordt ruimschoots voldaan en er is potentie voor ruim 40 ha uitbreiding. Met de komst van de ecoducten over de N299 en de Europaweg-noord is er een duurzame verbinding ontstaan met de Teverenerheide in Duitsland.
Op die manier is de geïsoleerde ligging van de Brunssummerheide doorbroken en het lokale netwerk tussen metapopulaties van kenmerkende soorten van dit habitattype, en daarmee de kwaliteit van het habitattype, versterkt. De landelijke staat van instandhouding van Droge heide is zeer ongunstig. De droge heide op de Brunssummerheide steekt daar positief bij af. Onder invloed van het huidige intensieve begrazingsbeheer is de vergrassing sterk teruggedrongen, maar hiermee is tegelijkertijd de structuurrijkdom van de droge heide een aandachtspunt. Structuur is essentieel voor bijvoorbeeld dagvlinders, reptielen en sprinkhanen. Mede hierdoor is de staat van instandhouding van dit habitattype op de Brunssummerheide te kwalificeren als matig gunstig. Blijvende overschrijding van de KDW door overmatige stikstofdepositie leidt voor het habitattype desondanks tot indirecte verzuring en vermesting en daarmee tot verslechtering van het habitattype. Onder een verhoogde stikstofdepositie blijft het uitvoeren van het intensieve begrazingsbeheer een belangrijke herstelmaatregel. Naast dat de depositietoename als gevolg van het project tijdelijk is, is de relatieve bijdrage aan de huidige (hoge) achtergronddepositie ook vrijwel verwaarloosbaar.
De eenmalige stikstofdepositie van 0,13 mol/ha is maximaal 0,012% van de huidige gemiddelde achtergronddepositie (1114 mol/ha/jr) binnen Brunssummerheide (PASgebiedsanalyse, 2017). De maximale toename van de tijdelijke stikstofdepositie uit het project komt daarnaast neer op 0,012% van de KDW (1071 mol/ha/jr) van het habitattype H4030 (tabel 3.3). Als er 10 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden per jaar (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,12% van de
TOETSING STIKSTOFDEPOSITIE BACKBONELEIDING EN BRON HEERLEN
16
KDW zijn. De huidige staat van instandhouding van dit habitattype is matig gunstig, vooral te wijten aan een gebrek aan structuurrijkdom en in mindere mate aan verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie. De depositietoename vanuit het project is tijdelijk en dermate gering dat deze geen risico vormt voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van dit habitattype. De depositietoename enkel als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden van het project vormt geen risico voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van ‘H4030 Droge heiden’ en heeft geen (significant) negatief effect op het behalen van de instandhoudingsdoelen. De tijdelijke depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-)maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen worden voor uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm en H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm Dit habitattype komt voor op de Brunssummerheide. Het instandhoudingsdoel is: uitbreiding van oppervlakte en verbetering kwaliteit. Het habitattype komt op kleine schaal, maar goed ontwikkeld en vlakvormig voor als gehooid grasland aan de oosten zuidzijde van het bronnengebied in het Sternbachtal. Hier is het gemaaide deel hooguit een halve hectare groot.
Ter plaatse van de Schrieversheidevennen komt het meer in mozaïek voor met het habitattype Vochtige heide (H4010), ook hier betreft het enige duizenden vierkante meters. Ter plaatse van de Middenberg ligt het grasland omgeven door opgaand bos, met een oppervlakte van zo´n vierduizend vierkante meters is het eveneens klein. Natuurmonumenten voert specifiek beheer uit ten behoeve van dit habitattype, gericht op het afvoeren van overmatige voedingsstoffen en het voorkomen van bosopslag. Ook is gestart met het vergroten van het areaal heischraal grasland. Het graslandtype gaat in heel het land langzaam in kwaliteit en oppervlakte achteruit. De landelijke staat van instandhouding van Heischrale graslanden is dan ook zeer ongunstig. Landelijk is dit toe te schrijven aan verdroging, beheer en depositie van vervuilende stoffen. De enkele kleine locaties op de Brunssummerheide voldoen nauwelijks aan de eis van minimumoppervlakte voor het optimaal functioneren. Door de sterke isolatie is voor de Brunssummerheide de staat van instandhouding matig tot sterk ongunstig. De vochtige variant van het habitattype Heischrale graslanden is ook gevoelig voor verdroging, waaronder het wegvallen van kwel en daarnaast in onvoldoende adequaat terreinbeheer. Door gericht maaibeheer en tegengaan van opslag neemt de soortenrijkdom en talrijkheid echter toe.
Het aandeel pijpenstrootje neemt af ten gunste van struisgras, dopheide en struikheide. Blijvende overschrijding van de KDW door overmatige stikstofdepositie leidt voor het habitattype tot een verhoogde verzuringssnelheid. Daarnaast heeft het eutrofiërende effect tot gevolg dat vergrassing en struweelvorming nog sneller optreedt. Onder een verhoogde stikstofdepositie blijft het uitvoeren van het huidige beheer een belangrijke herstelmaatregel. Naast dat de depositietoename als gevolg van het project tijdelijk is, is de relatieve bijdrage aan de huidige (hoge) achtergronddepositie ook vrijwel verwaarloosbaar. De eenmalige stikstofdepositie van 0,06 - 0,08 mol/ha is maximaal 0,007% van de huidige gemiddelde achtergronddepositie (1114 mol/ha/jr) binnen Brunssummerheide (PASgebiedsanalyse, 2017). De toename van de tijdelijke stikstofdepositie uit het project komt daarnaast neer op 0,009% van de KDW (857 mol/ha/jr) van het habitattype H6230dka en op 0,008% van de KDW (714 mol/ha/jr) van het habitattype H6230vka (tabel 3.3). Als er 10 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden per jaar (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,09% en 0,08% van de KDW zijn van respectievelijk Heischrale graslanden, droog kalkarm (H6230dka) en Heischrale graslanden, vochtig kalkarm (H6230vka).
De depositietoename vanuit het project is tijdelijk en dermate gering dat deze geen risico vormt voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze habitattypen. De depositietoename enkel als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden van het project vormt geen risico voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van ‘H6230dka Heischrale graslanden, droog kalkarm’ en ‘H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm’ en heeft geen (significant) negatief effect op het behalen van de instandhoudingsdoelen. De tijdelijke depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-)maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen worden. H7110B Actieve hoogvenen (hellingveentjes) Dit habitattype komt voor op de Brunssummerheide. Het instandhoudingsdoel is: uitbreiding van oppervlakte en verbetering kwaliteit. Het habitattype actief hoogveen, hellingveentjes (H7110B) komt voor in het heuvelachtige heidegebied van de Brunssummerheide en wordt aangetroffen in het bronnengebied van de Roode Beek en in een aantal vochtige slenken in de Brandenberg. Hellingveentjes komen voor op een standplaats die uitgesproken zuur is, een natte tot zeer natte vochthuishouding heeft, waar zeer voedselarme omstandigheden heersen en waarbij de grondwaterstand in de zomer niet of nauwelijks tot hoogstens ondiep uitzakt.
Binnen de Brunssummerheide is circa 2,5 ha van dit habitattype aanwezig. Naast het tegengaan van opslag is het huidige beheer erop gericht om verdroging tegen te gaan. Lokaal zijn
17
Projectnummer: 722230088
hiervoor her en der wat greppels gedempt. Toch is er nog steeds een flink areaal ontwateringsgreppels aanwezig die de kwaliteit negatief beïnvloeden. Ondanks vernatting, lijkt de grondwaterstand niet hoog genoeg voor het plaatsvinden van veenvorming. De verlaging van de grondwaterstand uit het verleden speelt daarbij een belangrijke rol. De vergrassing en bosvorming wordt daarnaast versneld door atmosferische stikstofdepositie en door stikstof dat via lokaal grondwater uit de omringende zandruggen en regionaal grondwater wordt meegenomen. De staat van instandhouding van het habitattype Actieve hoogvenen is matig. Overmatige stikstofdepositie leidt tot indirecte verzuring en vermesting, en daarmee tot verslechtering van het habitattype en de leefgebieden van typische soorten zoals heidesabelsprinkhaan en levendbarende hagedis. Door het gerichte hydrologische maatregelen (o.a. verwijderen drainage) en verwijderen van bos- en struikopslag kan de kwaliteit van het habitattype verder worden verbeterd. Naast dat de depositietoename als gevolg van het project tijdelijk is, is de relatieve bijdrage aan de huidige (hoge) achtergronddepositie ook vrijwel verwaarloosbaar. De eenmalige stikstofdepositie van 0,06 mol/ha is maximaal 0,005% van de huidige gemiddelde achtergronddepositie (1114 mol/ha/jr) binnen Brunssummerheide (PASgebiedsanalyse, 2017).
De maximale toename van de tijdelijke stikstofdepositie uit het project komt daarnaast neer op 0,008% van de KDW (786 mol/ha/jr) van het habitattype H3160 (tabel 3.3). Als er 10 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden per jaar (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,08% van de KDW zijn. De maatregelen die momenteel zijn genomen om eutrofiering en successie tegen te gaan hebben een positief effect op het habitattype. De depositietoename vanuit het project is tijdelijk en dermate gering dat deze geen risico vormt voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van dit habitattype. De depositietoename enkel als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden van het project vormt geen risico voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van ‘H3160 Zure vennen’ en heeft geen (significant) negatief effect op het behalen van de instandhoudingsdoelen. De tijdelijke depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-) maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen worden. H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen Dit habitattype komt voor op de Brunssummerheide. Het instandhoudingsdoel is: uitbreiding van oppervlakte en verbetering kwaliteit. Het habitattype komt lokaal voor in het bronnengebied en langs beide zijden van de Roode beek, op de Brandenberg en bij de Schrieversheidevennen.
Binnen de Brunssummerheide is circa 3 ha van dit habitattype aanwezig, maar fluctueert per jaar. Waarschijnlijk is het areaal Pioniervegetaties met snavelbiezen de laatste decennia vrijwel constant gebleven door het gevoerde beheer. Dit habitattype betreft een pioniergemeenschap dat voorkomt op kale zandgrond in natte heidegebieden, op zeer natte tot vochtige bodems die zuur tot matig zuur zijn en die zeer voedselarm tot voedselarm zijn. Op de Brunssummerheide komen deze kale plekken nauwelijks van nature voor, het habitattype is hier volledig afhankelijk van geplagde plekken. Het huidige beheer is er op gericht dat er 1 keer in de 10 jaar kleinschalig wordt geplagd. Waarbij het reliëf van de locaties wordt gehandhaafd. Kale plekken ontstaan niet op natuurlijke wijze en het habitattype is gevoelig voor verdroging, waardoor de staat van instandhouding van dit habitattype matig is. Voor een toekomstbestendige instandhouding en ontwikkeling is terugdringen van ontwatering de belangrijkste voorwaarde. Dit dient cyclisch ingrijpen door middel van plaggen op den duur overbodig te maken. Voor de kwaliteit van het habitat is het urgent de ‘zelfredzaamheid’ te bevorderen, dat wil zeggen het type minder afhankelijk te maken van het afplaggen van natte heide.
Naast dat de depositietoename als gevolg van het project tijdelijk is, is de relatieve bijdrage aan de huidige (hoge) achtergronddepositie ook vrijwel verwaarloosbaar. De eenmalige stikstofdepositie van 0,07 mol/ha is maximaal 0,006% van de huidige gemiddelde achtergronddepositie (1114 mol/ha/jr) binnen Brunssummerheide (PASgebiedsanalyse, 2017). De maximale toename van de tijdelijke stikstofdepositie uit het project komt daarnaast neer op 0,005% van de KDW (1429 mol/ha/jr) van het habitattype H7150 (tabel 3.3). Als er 10 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden per jaar (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,05% van de KDW zijn. De depositietoename vanuit het project is tijdelijk en dermate gering dat deze geen risico vormt voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van dit habitattype. De huidige staat van instandhouding van dit habitattype is matig, vooral te wijten aan verdroging en het niet op natuurlijke wijze ontstaan van kale plekken en in mindere mate aan verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie. De depositietoename enkel als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden van het project vormt geen risico voor de aantasting van de natuurlijke kenmerken van ‘H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen’ en heeft geen (significant) negatief effect op het behalen van de instandhoudingsdoelen.