142429_24-014.153_tcn_final02_Uitgangspunten en resultaten stikstof HLH-GT-05 Mijnwater_ANO__368614__
Tekst van het document
NOTITIE
Onderwerp Project Opdrachtgever
Uitgangspunten en resultaten stikstof HLH-GT-05 Mijnwater Vergunning traject warmtebron HLH-GT-05 Mijnwater Energy B.V.
Projectcode
Definitief 02 2 oktober 2024
Status Datum Referentie Auteur(s)
Gecontroleerd door Goedgekeurd door Paraaf
Bijlage(n)
I II
Aan
Mijnwater Energy B.V. -
Kopie
1
Uitgangspuntenoverzicht HLH-GT-05 boring AERIUS berekening HLH-GT-05 boring
INLEIDING
Mijnwater Energy B.V. (hierna: Mijnwater) is voornemens om het reeds bestaande warmtewinningsnet uit te breiden door een nieuwe warmtebron aan te leggen: HLH-GT-05. Om deze bron geschikt te maken voor warmtewinning zijn boringen en een terreininrichting nodig. Om de warmtebron te realiseren dienen verschillende werkzaamheden te worden uitgevoerd. Hierbij vinden in de aanlegfase (tijdelijke) stikstofemissies (NOx en NH3) plaats vanwege de inzet van mobiele werktuigen en bouwverkeer. In de gebruiksfase worden geen stikstofemissies voorzien. Mogelijk leiden de emissies in de aanlegfase tot stikstofdepositietoename op Natura 2000-gebieden. De locatie van de activiteiten ligt op een afstand van minder dan 2 km van Natura 2000-gebied Geleenbeekdal en op een afstand van minder dan 3 km van Natura 2000-gebied Brunssumerheide, zie ook afbeelding 1.1. Om de een eventuele stikstofdepositietoename van het voornemen inzichtelijk te maken is door Witteveen+Bos een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. In deze notitie zijn de gehanteerde uitgangspunten en de berekende resultaten vastgelegd.
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751
Afbeelding 1.1 Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van de projectlocatie
2
WETTELIJK KADER
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder e in de Omgevingswet is een vergunning vereist voor een project waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 20191 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar beoordeeld moet worden. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit. De berekening moet uitgevoerd worden met de meest actuele versie van het rekeninstrument AERIUSCalculator.
1
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603.
2|8
Witteveen+Bos | 142429/24-014.153 | Definitief 02
Kader vergunningsverlening stikstof Momenteel geldt het volgende kader voor de vergunningverlening in het kader van de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden: - er is een vergunning vereist voor projecten die een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied1. Dit is dus niet het geval indien significante gevolgen op voorhand zijn uit te sluiten. Dit is voor stikstof bijvoorbeeld het geval indien er volgens de stikstofberekeningen geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt naar aanleiding van het te realiseren plan/activiteit of indien significante gevolgen kunnen worden uitgesloten in de voortoets (bijvoorbeeld door interne saldering); - indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient een Passende Beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een Passende Beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen (zoals externe saldering) betrokken worden.
De vergunning kan worden verleend indien (eventueel met toepassing van deze mitigerende maatregelen) de voorgenomen activiteit de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten2; - als uit de Passende Beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan een vergunning enkel worden verleend indien de ADC-toets succesvol wordt doorlopen: · A: er zijn geen alternatieve oplossingen; · D: het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang; · C: door middel van compenserende maatregelen wordt gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft3. Besluit bouwwerken leefomgeving (stikstofemissiereductie) Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden dient een initiatiefnemer adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken, zo volgt uit artikel 7.19a Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De wetgever dwingt initiatiefnemers hiertoe om de emissie van stikstof te voorkomen, ook als significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten.
Het betreft activiteiten voor de bouw van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een melding als bedoeld in artikel 2.18, lid 1 Bbl nodig is en op het slopen van een bouwwerk waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.10, lid 1 Bbl is vereist omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt. Bij ‘adequaat’ gaat het om maatregelen die doeltreffend, doelmatig en proportioneel zijn. De verplichting geldt voor de bouwfase op de bouwplaats en niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats of voor de gebruiksfase. Het Bevoegd Gezag kan met een maatwerkvoorschrift een invulling geven van de regel over het nemen van stikstofbeperkende maatregelen (artikel 7.5, lid 4 Bbl). Buitenlandse Natura 2000-gebieden Bij een toetsing van de effecten van een activiteit op Natura 2000-gebieden dient de eventuele effecten van een op buitenlandse Natura 2000-gebieden inzichtelijk en beoordeeld te worden4. Omdat de projectlocatie dichtbij de Duitse- en Belgische grens ligt en ook op niet al te grote afstand van beschermde natuurgebieden kan dit relevant zijn. AERIUS-Calculator biedt de mogelijkheid om eigen rekenpunten te leggen ter hoogte van de karteringsgrenzen van de buitenlandse Natura 2000-gebieden die binnen een straal van 25 km van een activiteit liggen.
Omdat het om niet-officiële rekenpunten gaat, is onbekend of zich ter hoogte van deze rekenpunten ook daadwerkelijk stikstofgevoelig habitat of leefgebied bevindt dat onder het beschermingsregime van de Vogel- en Habitatrichtlijn valt.
1
Artikel 5.1 Omgevingswet.
2
Artikel 16.53c lid 1 Omgevingswet. Artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving.
3
Artikel 10.24 Besluit kwaliteit leefomgeving.
4
ABRvS 20 oktober 2021: ECLI:NL:RVS:2021:2304.
3|8
Witteveen+Bos | 142429/24-014.153 | Definitief 02
Om stikstofdepositietoename op Belgische gebieden te berekenen, dient de online impactscoretool gebruikt te worden - het wettelijke rekeninstrument van de Vlaamse overheid. Op moment van schrijven is de online impactscoretool echter enkel inzetbaar door personen met een Belgisch identiteitsdocument of een elektronische vreemdelingenkaart. In dit onderzoek wordt daarom AERIUS-Calculator ingezet met de benoemde niet-officiële rekenpunten. Wat betreft het Duitse toetsingskader komt het er voor activiteiten in algemene zin op neer dat voor Duitse Natura 2000-gebieden getoetst moet worden aan een ondergrenswaarde van deposities van 21,4 mol N/ha/j1.
3
UITGANGSPUNTEN AANLEGFASE
Voor de aanlegfase zijn stikstofberekeningen uitgevoerd. In de onderstaande paragrafen zijn de rekenmethode, emissieberekeningen en modelleringsaanpak uiteengezet. De stikstofemissies tijdens de aanlegfase vinden plaats door de inzet van mobiele werktuigen en bouwverkeer. De inzet van het bouwverkeer en het aantal draaiuren van de mobiele werktuigen is opgegeven door de opdrachtgever. De stageklasse en het vermogen van de mobiele werktuigen is gebaseerd op materieelinzet van een vergelijkbare boring. De aanlegfase vindt mogelijk gedeeltelijk plaats in 2025 en 2026. Omdat de exacte fasering niet bekend is wordt 2025, dat dan ook worstcase aangehouden als rekenjaar.
3.1
Emissies van mobiele werktuigen
Emissies van de mobiele werktuigen worden conform de instructie2 gegevensinvoer AERIUS-Calculator 2024 berekend via de AUB-methode3. Deze methode is door TNO uitgewerkt en beschikbaar gesteld voor AERIUS. Voor de emissieberekeningen zijn drie gegevens nodig: het aantal draaiuren per jaar, het brandstofverbruik in liters per jaar en het AdBlue-verbruik in liters per jaar. Het verwachte brandstofverbruik van de boor is reeds bekend en hiervoor is 35.150 liter (1.850 liter per dag voor 19 dagen) aangehouden. Het verwachte brandstofverbruik van de overige mobiele werktuigen is niet op voorhand bekend en dus wordt deze bepaald door middel van de formule benoemd in instructie, namelijk: LPBJ=(0,095*Pmax+0,54)*D Waarbij: LPBJ=brandstofverbruik in L/jaar; Pmax= maximale vermogen van het werktuig; D= aantal draaiuur per jaar. Conform de AUB-methodiek is bij toepassing van Selectieve Katalytische Reductie (SCR) voor het normale AdBlue-verbruik van Stage IV- en V-klasse motoren 6 % (categorie D) van het dieselverbruik aangehouden waar van toepassing. Tabel 3.1 toont de uitgangspunten voor de modelinvoer per materieeltype. De mobiele werktuigen die gebruikt zijn voor de werkzaamheden zijn gemodelleerd als een vlakbron, ‘mobiele werktuigen: Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning’.
In het model is per mobiel werktuig de stageklasse, het aantal draaiuren, brandstofverbruik en AdBlue-verbruik ingevoerd.
1
BVerG, uitspraak van 15 mei 2019, ref. 7 C 27/17.
2
Expertiseteam Stikstof en Natura 2000 van BIJ12. (oktober 2024). Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024.
3
AUB = AdBlue-verbruik, Uren, Brandstofverbruik.
4|8
Witteveen+Bos | 142429/24-014.153 | Definitief 02
Tabel 3.1 Uitgangspunten inzet boor en mobiele werktuigen boring Mijnwater Mobiel werktuig
Stageklasse
Vermogen (kW)
Aantal draaiuur (u/j)
Brandstofverbruik (l/u)
Brandstof verbruik (l/j)
Percentage AdBlue (%)
AdBlueverbruik (l/j)
boor (Deutz 8M, 1015)
IIIa
417
456
-
35.150
-
-
mobiele Kraan
IV
100
76
10,4
763
6
46
graafmachine
IV
120
76
11,9
907
6
54
asfalteermachine
IV
150
8
14,8
118
6
7
mobiele Telekraan 160 t
IV
150
48
14,8
710
6
43
tractor met Kilverwagen
IV
110
24
11,0
264
6
16
trilplaat
IV
10
24
1,49
36
-
-
trilwals
IV
90
8
9,09
73
6
4
ZUT
-
16
-
-
-
stilstaande vrachtwagen met betonpomp totaal
3.2
736
38.021
170
Bouwverkeer
Het bouwverkeer is gemodelleerd als lijnbron. Voor de locatie is als wegtype ‘binnen bebouwde kom (doorstromend)’ gekozen, omdat het bouwverkeer voornamelijk over wegen rijdt, waar de maximaal toegestane snelheid van 50 km/uur is. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde snelheid tussen de 30 en 45 km per uur met circa 1,5 stops per afgelegde kilometer. Omdat niet bekend is hoeveel voertuigen richting de N300 rijden en hoeveel richting de N281 is gekozen om de totale ritten over twee routes uit te splitsen. Voor de locatie is het verkeer gemodelleerd tot aan het heersende verkeersbeeld. Dit is het punt waar het verkeer van en naar de projectlocatie in snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidend is van het al aanwezige wegverkeer. Dit is voor deze activiteit de kruising van de Terhoevenderweg en de Willem Barentzweg voor het verkeer in noordelijke richting, en de kruising van de Terhoevenderweg en de Beersdalweg voor het verkeer in zuidelijke richting. Het bouwverkeer betreft licht (personenauto’s en bestelbusjes) en zwaar verkeer. De input voor het verkeer is opgegeven door de opdrachtgever. De verkeersbewegingen in tabel 3.2 zijn in AERIUS-Calculator gemodelleerd. De intensiteiten in tabel 3.2 geven de aankomende en vertrekkende voertuigen en transportbewegingen weer.
Tabel 3.2 Verkeersbewegingen ten behoeve van de aanlegfase Omschrijving
Aantal voertuigen per jaar
Aantal voertuigbewegingen per jaar
noordelijke richting-licht verkeer
108
215
noordelijke richting-zwaar verkeer
224
447
zuidelijke richting-licht verkeer
108
215
zuidelijke richting-zwaar verkeer
224
447
5|8
Witteveen+Bos | 142429/24-014.153 | Definitief 02
Interne verkeersbewegingen Worstcase is aangenomen dat al het bouwverkeer op het terrein een rondje rijdt. Deze verkeersbewegingen zijn opgenomen in de AERIUS-berekening. Het verkeer is hierom gemodelleerd over de projectlocatie, het verkeer is gemodelleerd als wegtype ‘binnen bebouwde kom (stagnerend)’ en 100 % in file. Hiervoor is dezelfde invoer gebruikt voor het licht en zwaar verkeer als voor de eerder benoemde verkeersintensiteiten. Stationair draaien bouwverkeer Bij het aan- en afvoeren van materialen en materieel is voor het stationair draaien van vrachtwagens op de locatie een extra bron toegevoegd aan de berekening. Om hiervan de emissies te berekenen, is aangenomen dat iedere vrachtwagen gedurende de gemiddelde laad- en/of lostijd van 15 minuten stationair draait met NOx-/NH3- emissiefactoren voor zwaar vrachtverkeer voor het type stad stagnerend, voor het jaar 2025. Deze emissie wordt op de volgende manier berekend1: EF = EF stationair*Tijd stationair Waarbij geldt: - EF = de emissie bij stationair draaien van alle werktuigen (kg NOx of kg NH3/jaar); - EF stationair = emissiefactor tijdens stationair draaien (stad stagnerende) in g/uur; - tijd stationair = tijd waarin het voertuig stil staat (aantal uur).
Door aan te sluiten bij de emissiefactoren NOx en NH3 uit bijlage 1 van de instructie gegevensinvoer AERIUS resulteert dit in jaarlijkse emissies van 10,3 kg NOx en 0,16 kg NH3.
Tabel 3.3 Emissieberekening voor stationair draaien Omschrijving
Aantal
Tijd stationair (uur)
NOxemissiefactor (g/uur)
NH3emissiefactor (g/uur)
NOX-uitstoot (kg/jaar)
NH3-uitstoot (kg/jaar)
zwaar verkeer
447
112
92,5
0,8976
10,3
0,16
De emissies van stationair draaien zijn ingetekend als vlakbron op de beoogde laad/loslocatie. Deze zijn ingevoerd onder brontype ‘Anders’, met een uitstoothoogte van 0 m en zonder warmte-inhoud. Koude start Koude start is een emissiebron die plaatsvindt wanneer voertuigen voor langer dan twee uur met de motor uit stilstaan. Koude start wordt gemodelleerd vlakbron waarin kan worden gekozen voor eigen specificatie of voor voorgeschreven factoren. Voor ieder type voertuig is een andere emissiewaarde voor NOx en NH3 is gram per koude start. Voor de berekening voor de koude start voor de aanlegfase van het HLH-GT-05 zijn alleen de bewegingen licht verkeer meegenomen. Er kan voor zwaar verkeer vanuit worden gegaan dat deze voertuigen een vracht komen ophalen of brengen en daarna weer vertrekken, deze voertuigen zullen naar alle waarschijnlijkheid niet lang genoeg stil staan. Voor de bewegingen licht verkeer kan ervan uit worden gegaan dat dit personeel betreft, deze voertuigen rijden met een warme motor naar de locatie, vervolgens rijden ze na de werkdag van de locatie af. Voor deze categorie voertuig kan ervan uit worden gegaan dat zij langer dan twee uur stil hebben gestaan. Het aantal voertuigen wat gemodelleerd is voor de koude start bedraagt daarmee als conservatieve aanname de helft van de totale bewegingen licht verkeer.
De resultaten van de berekening voor de koude start zijn weergegeven in tabel 3.4.
1
BIJ12 (oktober 2024), Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024. Zie hiervoor bijlage 1.
6|8
Witteveen+Bos | 142429/24-014.153 | Definitief 02
Tabel 3.4 Emissieberekening voor de koude start van het bouwverkeer voor boring HLH-GT-05 Omschrijving
Aantal voertuigen koude start
Emissienorm koude start NOx (voorgeschreven factoren) (g/koude start)
Emissienorm koude start NH3 (voorgeschreven factoren) (g/koude start)
NOx-emissie koude start (kg/jaar)
NH3emissie koude start (kg/jaar)
licht verkeer
215
0,25
0,045
0,06
0,00
3.3
Rekenmethode
De stikstofdepositieberekeningen zijn uitgevoerd met behulp van het wettelijke rekeninstrument AERIUSCalculator versie 2024. De rekenmethode is in beheer van het RIVM. AERIUS berekent de bijdrage aan de stikstofdepositie (in mol N/ha/jr) op alle stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden en geeft weer waar deze bijdragen meer dan 0,00 mol/ha/j zijn. Bij het beoordelen van een stikstofdepositie onderzoek gaat het Bevoegd Gezag uit van de meest recente versie van AERIUS, zoals beschikbaar op www.aerius.nl. AERIUS 2024 is op het moment van schrijven van dit rapport de meest actuele versie.
4
RESULTATEN
4.1
Stikstofdepositie op binnenlandse Natura 2000-gebieden
De in hoofdstuk 3 berekende emissies voor de aanlegfase zijn in AERIUS-Calculator ingevoerd. Uit de resultaten blijkt een stikstofdepositie toename als gevolg van de werkzaamheden. Tabel 4.1 toont per Natura 2000-gebied berekende depositietoenames van de aanlegfase. De AERIUS-berekening is opgenomen in bijlage II.
Tabel 4.1 Berekende stikstofdepositie toename ten gevolge van de aanlegfase Natura 2000-gebied
Grootste toename (mol N/ha/jaar)
Brunssummerheide
0,06
Geleenbeekdal
0,05
Geuldal
0,01
Kunderberg
0,01
4.2
Stikstofdepositie op buitenlandse Natura 2000-gebieden
Vanwege de ligging van het project in de nabijheid van Natura 2000-gebieden in Duitsland en België zijn in de berekening eigen rekenpunten gelegd op de begrenzing van buitenlandse Natura 2000-gebieden. Het gaat hierbij om niet-officiële rekenpunten op het hexagonengrid van AERIUS-Calculator. Het Duitse toetsingskader schrijft voor dat op Natura 2000-gebieden geen depositie mag plaatsvinden van meer dan 21,4 mol N/ha/jaar. Op Belgische Natura 2000-gebieden wordt geen toename in stikstofdepositie berekend. Mits de uitgangspunten in hoofdstuk 3 bij de uitvoering worden aangehouden, zijn significante negatieve effecten op Belgische Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie op voorhand uit te sluiten. Wel vindt stikstofdepositie toename plaats op twee Duitse gebieden. In de aanlegfase vindt de hoogste maximale depositie van 0,01 mol/ha/jaar plaats op Tevener Heide, het meest nabij gelegen Duitse Natura 2000-gebied.
7|8
Witteveen+Bos | 142429/24-014.153 | Definitief 02
Gelet hierop wordt ruimschoots voldaan aan het toetsingskader voor stikstofdepositie op de buitenlandse gebieden.
5
CONCLUSIE
Witteveen+Bos heeft een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd naar eventuele stikstofdepositie toename op Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden van Mijnwater voor de boring van de bron HLH-GT-05 in Heerlen. Uit de projectberekening blijkt voor de aanlegfase een stikstofdepositietoename op meerdere Natura 2000-gebieden met de grootste toename op Brunssummerheide. Significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn daarmee op voorhand niet uit te sluiten. De resultaten dienen ecologisch beoordeeld te worden. Deze notitie dient als uitganspunten en resultaat voor deze beoordeling.
8|8
Witteveen+Bos | 142429/24-014.153 | Definitief 02
I BIJLAGE I: UITGANGSPUNTENOVERZICHT HLH-GT-05 BORING
Witteveen+Bos | 142429/24-014.153 | Bijlage I | Definitief 02
Draaiuren t.b.v. Aerius berekening HLH-GT-05 Fase
Omschrijving
hoeveelheid
eenheid = transportbewegingen
Uitvoeren verticale boring 1 Terreinverkeer aanleg locatie licht verkeer middelzwaar verkeer zwaar verkeer
Aanleg locatie
2 Verkeer openbare weg licht verkeer middelzwaar verkeer zwaar verkeer
Aanleg locatie
3 Boortoren
Boring
15 dagen vollast + 4 dagen uitloop
4 Terreinverkeer boorfase licht verkeer middelzwaar verkeer zwaar verkeer
Boring
zie sheet Transport boring
5 verkeer boorfase wegverkeer licht verkeer middelzwaar verkeer zwaar verkeer
Boring
0 per jaar 0 per jaar 0 per jaar
0 per jaar 0 per jaar 0 per jaar 456 uur/jaar
190 per jaar 0 per jaar 270 per jaar zie sheet Transport boring 190 per jaar 0 per jaar 270 per jaar
Terreinrinrichting 2 Verkeer openbare weg licht verkeer middelzwaar verkeer zwaar verkeer
Aanleg locatie
6 Mobile kraan
240 ritten 0 per jaar 620 ritten
per jaar
Aanleg locatie
76 uur
per jaar
7 Shovel
Aanleg locatie
0 uur
per jaar
8 Heimachine
Aanleg locatie
Niet gebruikt bij de GT-03, eruit laten
9 Graafmachine
Aanleg locatie
76 uur
per jaar
10 Asfalteermachine
Aanleg locatie
8 uur
per jaar
11 Mobile kraan 160 ton (telekraan)
Aanleg locatie
48 uur
per jaar
12 Tractor met kilverwagen
Aanleg locatie
24 uur
per jaar
13 Trilplaat
Aanleg locatie
24 uur
per jaar
14 Trilwals
Aanleg locatie
8 uur
per jaar
15 Stilstaande vrachtwagen betonpomp
Aanleg locatie
16 uur
per jaar
16 Stilstaande vrachtwagen
Aanleg locatie
78 uur
per jaar
17 Kieper 300 KW
Aanleg locatie
0 uur
per jaar
18 Dieplader 30 ton 340 KW
Aanleg locatie
4 vrachten
per jaar
per jaar
II BIJLAGE II: AERIUS BEREKENING HLH-GT-05 BORING
Witteveen+Bos | 142429/24-014.153 | Bijlage II | Definitief 02