10. B09 Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Terhoevenderweg Locatie 1 te Heerlen (2006/092/JOW-01, versie 0)
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
Quickscan flora en fauna
in opdracht van Adviesbureau Brouwers T.a.v. de heer R. Peeters Postbus 245 6040 AE ROERMOND betreffende locatie Terhoevenderweg locatie 1 Heerlen documentkenmerk 2006/092/JOW-01 versie 0 vestiging Nuenen datum 23 september 2020
opgesteld door: ing. J.H.J. van Bree
gecontroleerd door: ing. A. Paulusse
Projectleider ecologie
Projectleider ecologie
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies.
Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid
Tritium Advies is gevestigd in:
T.
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
Arkel >> Neer >> Nuenen >>
I.
www.tritium.nl
Prinsenbeek >> Rijkevoort
KvK-nr.
17108024
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
Inhoudsopgave pagina 1
Inleiding
1
2
Bronnenonderzoek
3
2.1
Gebieden
3
2.2
Soorten
5
3
Veldbezoek
6
4
Resultaten
7
4.1
Flora
7
4.2
Vogels
7
4.3
Grondgebonden zoogdieren
8
4.4
Vleermuizen
9
4.5
Amfibieën, reptielen en vissen
10
4.6
Ongewervelden/ overige soorten
11
5
Conclusies
12
5.1
Beschermde gebieden
12
5.2
Soorten
12
5.3
Zorgplicht
13
5.4
Eindconclusie
14
5.5
Advies
14
6
Literatuurlijst
15
Bijlagen aantal pagina's (excl. voorblad) 1.
situatietekening plangebied
1
2.
fotobijlage veldbezoek van 3 september 2020
8
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
1 Inleiding In opdracht van Adviesbureau Brouwers is een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van het voornemen om de locatie aan de Terhoevenderweg bouwrijp te maken en een warmwaterbron te realiseren. Het plangebied betreft een deel van het kadastrale perceel gemeente Heerlen, sectie V, nummers 545, 586, 587, 588 en een deel van nummer 590 en 1471. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3.530 m2. Op dit moment bestaat het plangebied uit een braakliggend terrein met een bosschage.
Figuur 1: huidige situatie plangebied (blauw omlijnd) (bron: http://kadasterloep.nl)
Doel van het onderhavige onderzoek is om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). Het is noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. Op basis van de ecologische waarden van een planlocatie zal uit een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) blijken of er een overtreding te verwachten is van de Wnb. Tevens wordt vastgesteld of er meer soortgegevens nodig zijn door middel van inventarisatie en of er een uitgebreide studie noodzakelijk is naar de effecten van een ruimtelijke ingreep. In veel situaties zal het uitvoeren van een verkennend onderzoek echter reeds voldoende zijn om aan te tonen of een plan uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Wnb te voorkomen.
pagina 1 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
Uit onderstaande luchtfoto (figuur 2) kan worden opgemaakt dat het plangebied in Heerlen is gelegen. In bijlage 1 is een situatietekening van het plangebied opgenomen.
Figuur 2: luchtfoto van de omgeving van het plangebied (rood omcirkeld) (bron: Google Earth)
pagina 2 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
2 Bronnenonderzoek Onderhavig onderzoek richt zich met name op soortenbescherming en in beperktere mate op het gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb (Natura 2000). In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt van de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 2016) en enkele digitale verspreidingsatlassen. De bevindingen van dit literatuuronderzoek zijn weergegeven in de navolgende twee paragrafen.
2.1 Gebieden In onderstaande figuren 3 en 4 is het plangebied met haar ecologisch waardevolle gebieden in highlights weergegeven. De Natura 2000-gebieden zijn met de gele kleur aangeduid. In figuur 4 (op de volgende pagina) betreffen de limegroene highlights het Natuurnetwerk Nederland (verder: NNN). Het NNN wordt in Limburg de Goudgroene natuurzone genoemd. Daarnaast zijn er nog andere provinciale natuur- en landschapszones (POL 2014 kaart 7: Natuur). Deze zijn aangegeven in groene en blauwgrijze highlights. De Natura 2000-gebieden liggen grotendeels binnen het NNN. De Natura 2000-gebieden die geen onderdeel zijn van het NNN betreffen vooral agrarische gebieden en hebben een beperkter beschermingsregime. Van de gebieden die wel binnen NNN zijn gelegen, worden, naast de specifieke soorten en habitattypen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), ook de wezenlijke kenmerken en waarden beschermd.
Figuur 3: plangebied en omgeving (rood omcirkeld) met relevante natuurgebieden (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/)
pagina 3 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
Uit figuur 3 kan worden afgeleid dat het plangebied niet in Natura 2000-gebied is gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van circa 2,0 kilometer ten oosten van het plangebied gelegen en betreft “Brunssummerheide”. Brunssummerheide is een heide- en bosgebied in het oosten van Limburg. Het gebied bevindt zich op een aantal aardbreuken waardoor er een groot hoogteverschil is. De hoogste delen liggen op het Maasterras en bestaan uit een grofgrindige zandbodem. De lagere delen bevatten zeer voedselarm zilverzand. Het gebied bestaat vooral uit droge en natte heide, actief hoogveen, bronen broekbos, aangeplant grof dennenbos, vochtig hooiland en droog schraalgrasland. Voorgenoemde habitattypen maken tevens deel uit van de doelstellingen van het gebied. Daarbij behoort ook de Kamsalamander tot de habitatrichtlijnsoorten. In de navolgende figuur 4, overgenomen uit de kaart van de provinciale natuur- en landschapszones (POL 2014 kaart 7: Natuur) van de provincie Limburg is wederom het plangebied omlijnd. Het plangebied ligt gedeeltelijk in een Bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot de Goudgroene natuurzone is met een afstand van circa 680 meter ten noordoosten van het plangebied gelegen.
Figuur 4: plangebied en directe omgeving (rood omcirkeld) met relevante natuurgebieden (bron: https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default)
Effecten beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN (Goudgroene natuurzone). De provincie Limburg hanteert geen externe werking als het gaat om NNN. Wel ligt het plangebied binnen de Bronsgroene natuurzone. Gezien het plangebied bestaat uit een grotendeels braakliggend terrein met een kleine bosschage en leegstaand noodgebouw zijn de kernkwaliteiten behorende tot de bronsgroene natuurzone (groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch
pagina 4 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
erfgoed en het reliëf) niet aan de orde. Er wordt derhalve geen negatief effect verwacht op de bronsgroene natuurzone. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 2,0 kilometer op relatief korte afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien de korte afstand valt een significant negatief effect in het kader van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Een berekening van de stikstofdepositie ten gevolge van het planvoornemen is derhalve noodzakelijk.
2.2 Soorten Aan de hand van literatuuronderzoek is informatie verzameld over het voorkomen van soorten in de directe omgeving van het plangebied. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van voornoemde zoogdierenatlas. In de zoogdierenatlas wordt het voorkomen van soorten aangegeven per atlasblok, met afmetingen van 5 bij 5 kilometer. Het plangebied is gelegen in kilometerhok X:194 / Y:325. Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van het atlasblok beslaat is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied. Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas blijkt dat de volgende zoogdieren of sporen van deze soorten (o.a. in braakballen) in de periode van 1989 tot 2020 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: bosmuis, ree, bever, edelhert, hamster, huisspitsmuis, laatvlieger, egel, haas, steenmarter, boommarter, das, dwergmuis, aardmuis, veldmuis, ondergrondse woelmuis, hermelijn, wezel, bunzing, rosse woelmuis, watervleermuis, ingekorven vleermuis, baardvleermuis, franjestaart, waterspitsmuis, rosse vleermuis, konijn, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, bruine rat, eekhoorn, dwergspitsmuis, wild zwijn, mol en vos.
In de periode 2000-2020 blijkt uit de gegevens van de NDFF en Ravon dat de volgende soorten zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: hazelworm, levendbarende hagedis, vroedmeesterpad, gewone pad, rugstreeppad, alpenwatersalamander, kleine watersalamander, bastaardkikker en bruine kikker.
pagina 5 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
3 Veldbezoek Het plangebied is op 3 september 2020 in de ochtend bezocht. Er was sprake van bewolkt, regenachtig weer met windkracht 3 Bft en een temperatuur van circa 14 graden Celsius. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zichten geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is voorts beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Het kan voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek aangezien een quickscan een momentopname betreft. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert-judgement en bekende ecologische principes zal derhalve een inschatting worden gemaakt over het wel of niet voor kunnen komen van beschermde plant- en diersoorten. Verder is de quickscan geen veldinventarisatie. Veldinventarisaties omvatten meerdere opnamerondes die seizoensgebonden zijn en volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een braakliggend terrein. Er is tevens een bosschage aanwezig.
De in bijlage 2 opgenomen foto’s geven een duidelijk beeld van de huidige situatie van het plangebied.
pagina 6 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
4 Resultaten Onderstaand volgen de resultaten en eerste conclusies van het uitgevoerde veldbezoek in relatie tot het planvoornemen.
4.1 Flora Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Vanwege de voedselrijke omstandigheden waaruit het plangebied bestaat zijn ook geen beschermde soorten te verwachten. Beschermde soorten komen namelijk vooral voor op voedselarme, kalkhoudende grond. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.
4.2 Vogels Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het plangebied slechts voor een aantal soorten vogels geschikt is als onderdeel van het leefgebied. Binnen het plangebied is bebouwing aanwezig zodat het verloren gaan van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vogels niet op voorhand is uit te sluiten. De aanwezige bomen en struiken kunnen wel dienen als broedgelegenheid. Daarnaast is het gebied geschikt als foerageergebied, echter zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken. Met name voor vogels die in het “stedelijk gebied”, struweel- en bosrijkgebied voorkomen zijn binnen en rond het plangebied gunstige biotopen aanwezig. Voor weide- en watervogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het plangebied enkele vogels waargenomen, namelijk twee zwarte kraaien (Corvus corone), een pimpelmees (Cyanistes caeruleus), een koolmees (Parus major), een ekster (Pica pica) en een overvliegende buizerd (Buteo buteo). De bebouwing binnen het plangebied bestaat uit een leegstaand noodgebouw met een plat dak. Het gebouw is vervallen en mist enkele ramen waardoor er voldoende openingen zijn om de binnenzijde van het pand te betreden. Aan de binnenzijde zijn enkele nestjes van winterkoningen waargenomen.
Vanwege de afwezigheid van geschikte ruimtes is de bebouwing ongeschikt voor gebouwbewonende soorten met een jaarrond beschermd nest, zoals de huismus (Passer domesticus) en gierzwaluw (Apus apus). Het plangebied bestaat verder uit een gemaaid stuk grasland. In het zuidoostelijke deel is een bosschage aanwezig met enkele bomen, bramenstruiken en grote brandnetel. In de bomen en struiken zijn tevens geen nesten van algemeen voorkomende soorten aangetroffen. Conclusie: een aantal vogelsoorten zal het plangebied met name benutten als foerageergebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten. Wel wordt bij de voorgenomen werkzaamheden verwezen naar de in hoofdstuk 5 omschreven werkwijze.
pagina 7 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
4.3 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of voortplantings- en/of verblijfplaatsen van soorten aangetroffen die zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Voor minder algemene soorten (nationaal beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld in de Wnb), zoals de das (Meles meles), is het plangebied beperkt geschikt. Er is binnen het plangebied weinig dekking aanwezig en het plangebied is geïsoleerd (tussen weg en bebouwing) gelegen. Er zijn echter geen burchten en geen sporen aangetroffen van de das zoals pootafdrukken, vraatsporen of uitwerpselen. Het plangebied kan wel als foerageergebied dienen, echter zal dit geen essentieel foerageergebied zijn. In de omgeving van het plangebied komen de steenmarter (Martes foina) en boommarter (Martes martes) voor. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap en heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor de steenmarter vanwege het ontbreken van voldoende natuurlijke schuilmogelijkheden. In de leegstaande bebouwing zijn geen sporen aangetroffen, zoals prooiresten of ontlasting (in de vorm van latrines).
De boommarter komt voor in bossen met verschillende types en leeftijden en ze vestigen hun nesten veelal in spechten- of eekhoornholen. Gezien er slechts een enkele bosschage aanwezig is in de directe omgeving van het plangebied is er voor de boommarter binnen het plangebied geen geschikte biotoop aanwezig. Er zijn in de aanwezige bomen en struiken binnen en op de grens met het plangebied ook geen spechten- of eekhoornholen aangetroffen. Daarbij zijn er in de omgeving van het plangebied verschillende bomenrijke gebieden aanwezig die een geschikter habitat bieden voor deze soort. Er worden omtrent deze twee soorten derhalve geen negatieve effecten verwacht. In de omgeving van het plangebied komen kleine marterachtigen voor zoals de wezel (Mustela nivalis), hermelijn (Mustela erminea) en bunzing (Mustela putorius). De bunzing en hermelijn geven de voorkeur aan gebieden met oppervlaktewater en schuilmogelijkheden zoals heggen, houtwallen, bosranden en natuurlijke oevers. De wezel heeft de voorkeur voor open, droge natuuren cultuurlandschap met in de omgeving voldoende dekking. Het plangebied is beperkt geschikt voor zowel de bunzing, wezel als hermelijn vanwege het gebrek aan voldoende natuurlijke schuilmogelijkheden. Het plangebied is tevens te kleinschalig en geïsoleerd gelegen (tussen weg en bebouwing) om als leefgebied te dienen.
Ook zijn er geen sporen aangetroffen zoals holen, vraatsporen of uitwerpselen. In de directe omgeving is tevens geschikter leefgebied aanwezig, zoals de bossen rondom het plangebied. Ook komt het edelhert (Cervus elaphus) voor in de omgeving van het plangebied. Edelherten komen voor in open bossen, maar ze zijn aangepast aan een groot aantal verschillende habitattypen. Het leefgebied varieert van drogere loofbossen en heidevelden tot moerassen en vennen. Ze komen zelfs voor in berggebieden. De voorkeur gaat echter uit naar gebieden die aan graslanden en rivierdalen met ooibossen grenzen. Het plangebied is omheind en geïsoleerd gelegen (ten noorden is enkel bebouwing en bestrating aanwezig) waardoor er voor het edelhert geen toegangsmogelijkheden zijn. Er is in de omgeving tevens geschikter leefgebied aanwezig in de vorm van bos. De bever (Castor fiber) komt voor in de omgeving van het plangebied, maar het plangebied is ongeschikt voor deze soort. In de watergang is te weinig water aanwezig voor de bever om als geschikt leefgebied te dienen. Bovendien zijn er geen sporen aangetroffen van de bever zoals een burcht, een dam, pootafdrukken, vraatsporen of uitwerpselen. Het plangebied kan wel als foerageergebied dienen, echter zal dit geen essentieel foerageergebied zijn.
pagina 8 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
Naast eerdergenoemde soorten komt de eekhoorn (Sciurus vulgaris) ook voor in de directe omgeving van het plangebied. Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Binnen het plangebied zijn geen nesten of exemplaren van de eekhoorn waargenomen. Daarnaast zijn er geschiktere leefgebieden voor de eekhoorn aanwezig zoals de bomenrijke gebieden in de omgeving van het plangebied. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) komt voor in de omgeving van het plangebied. Deze soort is te vinden in schoon, niet al te voedselrijk en snelstromend water met een goed ontwikkelde wateren oevervegetatie waarin voldoende schuilmogelijkheden aanwezig zijn. Er is snelstromend water aanwezig in de directe omgeving van het plangebied, maar de kunstmatige aard van het oppervlaktewater maakt het ongeschikt als leefgebied voor deze soort. Tijdens het veldbezoek zijn uitwerpselen van een vos (Vulpes vulpes) aangetroffen. Onder de bebouwing is een kleine ruimte aanwezig en zijn tevens enkele wissels aangetroffen die naar deze ruimte leiden. Deze wissels zijn vermoedelijk van muizen en ratten afkomstig. De ruimtes onder de bebouwing zijn namelijk ongeschikt voor steenmarters of kleine marterachtigen in verband met verstoring door vandalisme. Daarbij zijn de openingen zodanig groot dat de ruimtes onder de bebouwing snel te vochtig worden.
De rattensoorten en muizensoorten (met uitzondering van de waterspitsmuis) die voorkomen in de omgeving zijn echter vrijgesteld van verbodsbepalingen indien het een ruimtelijke ingreep betreft. Er is tevens voldoende alternatief leefgebied voor deze soorten aanwezig waardoor een negatief effect valt uit te sluiten. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van de graslanden en bossen van de Koumenberg als foerageergebied te dienen voor algemeen voorkomende soorten. Ook zal het plangebied beschikbaar blijven als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.
4.4 Vleermuizen Er is bebouwing aanwezig binnen het plangebied zodat de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand valt uit te sluiten. De bebouwing binnen het plangebied bestaat uit een vervallen noodgebouw met een plat dak. Er ontbreken enkele ramen en er zitten gaten in de gevels waardoor er toegang is tot achterliggende ruimtes. Echter zijn de gevels van het noodgebouw dun en is het isolatiemateriaal volledig verwijderd. De ruimtes in de bebouwing zijn tochtig en derhalve ongeschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Vanwege het missen van ramen en de aanwezigheid van andere openingen is de binnenzijde van het gebouw tevens te tochtig en niet geschikt als vaste verblijfplaats. In de bomen, aanwezig binnen en op de grens van het plangebied, zijn geen geschikte holtes of scheuren aanwezig die dienst kunnen doen als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Ook zijn er geen sporen zoals ontlasting of vraatsporen in de vorm van vlindervleugels gevonden. Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied door vleermuizen. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn zoals van de graslanden en bossen van de Koumenberg ten zuiden en westen van het plangebied.
pagina 9 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
Vleermuizen maken gebruik van vliegroutes om zich te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Hiervoor worden lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals heggen en houtwallen gebruikt. De te kappen bomen zijn onderdeel van een houtwal. Door de kap van deze bomen zal de houtwal niet wegvallen. Door de aanwezigheid van andere aangrenzende bomen die verder behouden blijven zal de vliegroute tevens niet wegvallen. In de directe omgeving van het plangebied zijn ook voldoende bosrijke gebieden waarvan de bosrand als vliegroute gebruikt kan worden. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich tevens de Overkluisde Caumerbeek die als vliegroute benut kan worden. Conclusie: er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het onderzoeksgebied. Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de werkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen.
Een nader onderzoek naar vleermuizen is derhalve niet aan de orde.
4.5 Amfibieën, reptielen en vissen Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde amfibieën en reptielen aangetroffen en zijn er geen sporen van deze soortgroepen aangetroffen binnen het plangebied. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid van beschermde vissen is derhalve uit te sluiten. In de directe omgeving bevindt zich de Overkluisde Caumerbeek. Het betreft een onnatuurlijke watergang die bestaat uit een betonnen goot welke eveneens niet geschikt is voor beschermde vissen. De hoeveelheid water is te gering om beschermde vissen voldoende ruimte te bieden. In de omgeving van het plangebied komen de rugstreeppad (Epidalea calamita) en alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris) voor. De rugstreeppad heeft een voorkeur voor duinen en ruderale terreinen met een pionier karakter. Ze hebben een voorkeur voor gebieden met veel dynamiek, zoals braakliggende bouwterreinen, groeven, zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden. De rugstreeppad heeft behoefte aan een makkelijk vergraafbare bodem en de aanwezigheid van divers materiaal waaronder ze kunnen schuilen. De alpenwatersalamander is minder kieskeurig, zolang het water niet snelstromend of rijk aan vis is. Ze overwinteren voornamelijk op het land, al zijn er ook kleine aantallen die jaarrond in het water verblijven. In de directe omgeving bevindt zich de Overkluisde Caumerbeek.
Het betreft een onnatuurlijke watergang die bestaat uit een betonnen goot waarin het water snel stroomt. De oevers zijn eveneens verhard waardoor er niet veel natuurlijke dekking aanwezig is. Vanwege de afwezigheid van geschikt oppervlaktewater in de directe omgeving wordt de aanwezigheid van zowel de rugstreeppad als de alpenwatersalamander binnen het plangebied niet verwacht. Daarnaast is het plangebied voor de levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) en de hazelworm (Anguis fragilis), die in de omgeving van het plangebied voorkomen, ongeschikt door de afwezigheid van vochtige heide en/of ruigten en natuurlijke schuilmogelijkheden. Conclusie: er komen noch beschermde vissen noch beschermde soorten reptielen en amfibieën voor in het plangebied. De eventuele aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten reptielen en amfibieën zoals bijvoorbeeld de gewone pad en bruine kikker vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
pagina 10 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
4.6 Ongewervelden/ overige soorten Beschermde soorten ongewervelden en overige soorten zijn niet waargenomen en ook niet te verwachten binnen het plangebied. Beschermde soorten stellen specifieke eisen aan een biotoop en gezien de aanwezige beplanting is het plangebied voor veel soorten niet geschikt. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
pagina 11 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
5 Conclusies Doel van het onderhavige onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving.
5.1 Beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN (Goudgroene natuurzone). De provincie Limburg hanteert geen externe werking als het gaat om NNN. Wel ligt het plangebied binnen de Bronsgroene natuurzone. Gezien het plangebied bestaat uit een grotendeels braakliggend terrein met een kleine bosschage en leegstaand noodgebouw zijn de kernkwaliteiten behorende tot de bronsgroene natuurzone (groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf) niet aan de orde. Er wordt derhalve geen negatief effect verwacht op de bronsgroene natuurzone. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 2,0 kilometer op relatief korte afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Gezien de korte afstand valt een significant negatief effect in het kader van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Een berekening van de stikstofdepositie ten gevolge van het planvoornemen is derhalve noodzakelijk.
5.2 Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals sloop- en bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken.
Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve
pagina 12 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van de graslanden en bossen van de Koumenberg ten zuiden en westen van het plangebied. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de werkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten.
Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
5.3 Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd
pagina 13 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Bij het inrichten van het terrein dient te worden gezorgd dat het gebied niet aantrekkelijk wordt voor de vestiging van de rugstreeppad. Het ontstaan van poeltjes of plassen op het bouwterrein in het zomerhalfjaar (vanaf april) dient derhalve te wordt voorkomen, zodat er geen geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad aanwezig is. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
5.4 Eindconclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: •
de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen;
•
om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen werkzaamheden overdag te worden uitgevoerd;
•
nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk;
•
een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk;
•
voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft;
•
een berekening van de stikstofdepositie ten gevolge van het planvoornemen is noodzakelijk.
5.5 Advies Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente.
pagina 14 van 15
documentkenmerk: 2006/092/JOW-01, versie 0
6 Literatuurlijst Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. (2016) Atlas van de Nederlandse zoogdieren - deel 12 serie Nederlandse fauna. Knnv Uitgeverij NDFF (2018) Geraadpleegd op 14 september 2020 via https://www.verspreidingsatlas.nl/ Ravon (2018) Geraadpleegd op 14 september 2020 via http://www.ravon.nl/ Zoogdiervereniging (2018) Geraadpleegd op 14 september 2020 via http://www.zoogdiervereniging.nl/
pagina 15 van 15
Situatietekening : 2006/092/JOW-01, Terhoevenderweg te Heerlen
Geplande situatie
pagina 1
Fotobijlage: 2006/092/JOW-01, Terhoevenderweg te Heerlen
Foto 1
Foto 2
Foto 3
pagina 1
Fotobijlage: 2006/092/JOW-01, Terhoevenderweg te Heerlen
Foto 4
Foto 5
Foto 6
pagina 2
Fotobijlage: 2006/092/JOW-01, Terhoevenderweg te Heerlen
Foto 7
Foto 8
Foto 9
pagina 3
Fotobijlage: 2006/092/JOW-01, Terhoevenderweg te Heerlen
Foto 10
Foto 11
Foto 12
pagina 4
Fotobijlage: 2006/092/JOW-01, Terhoevenderweg te Heerlen
Foto 13
Foto 14
Foto 15
pagina 5
Fotobijlage: 2006/092/JOW-01, Terhoevenderweg te Heerlen
Foto 16
Foto 17
Foto 18
pagina 6
Fotobijlage: 2006/092/JOW-01, Terhoevenderweg te Heerlen
Foto 19
Foto 20
Foto 21
pagina 7
Fotobijlage: 2006/092/JOW-01, Terhoevenderweg te Heerlen
Foto 22
Foto 23
Foto 24
pagina 8