CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen Algemene Plaatselijke Verordening Heerenveen

Raadsvergadering 10 juni 2021, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Jaarlijkse actualisatie APV21.044 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Algemene Plaatselijke Verordening Heerenveen Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: 1. bebouwde kom: a. Het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet; b. Voor de dorpen Akkrum, Nes en Aldeboarn gelden als grenzen van de bebouwde kom de grenzen die Gedeputeerde Staten hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van 6 maart 2002 en de wijzigingen sindsdien; 2. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 3. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Bouwverordening; 4. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; 5. college: het college van burgemeester en wethouders; 6. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c van de Woningwet, zijnde elk bouwwerk dat voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte; 7. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; 8.

motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens; 9. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; 10. openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; 11. parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; 12. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; 13. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens, en rolstoelen; 14. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.

In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikel 2.10, vierde lid, een vergunning als bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 4.11.

Artikel 1:3 Vervallen

Indiening aanvraag

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt.

Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan door het bevoegde gezag of bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2 Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:1a

Vermommingen

Het is verboden zich vermomd, gemaskerd of op andere wijze onherkenbaar gemaakt op een openbare plaats te bevinden met het kennelijke doel de openbare orde te verstoren.

Artikel 2.1b

Verblijfsontzeggingen

1. Het is degene aan wie dit door of namens de burgemeester in het belang van de openbare orde of zedelijkheid is bekendgemaakt, verboden zich anders dan in een openbaar middel van vervoer te bevinden op of aan de door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen, gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende de in de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf weken (verblijfsontzegging). 2. Een ieder aan wie een verblijfsontzegging is opgelegd , is verplicht, op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van de politie, zich te verwijderen van de gebieden als vermeld in de verblijfsontzegging. 3. De burgemeester beperkt het in het eerste lid gestelde verbod, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3 van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging;

c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat voor 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2:4 Afwijking termijn [Vervallen]

Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens [Vervallen]

Artikel 2:6 1.

2. 3.

Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen dan wel handelsreclame waaronder proefmonsters met een commerciële boodschap onder het publiek te verspreiden. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. Het verbod geldt voorts niet als de verspreider de stukken, afbeeldingen en/of handelsreclame direct opruimt of laat opruimen, als deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden weggeworpen of daar achterblijven.

Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10

Gebruik openbare plaats

1. Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan door het plaatsen van voorwerpen op, aan, boven en/of onder de openbare ruimte, als dat gebruik: a. schade toebrengt aan de openbare ruimte of de bruikbaarheid van de openbare ruimte nadelig beïnvloedt; b. nadelig invloed heeft op het veilig gebruik van de openbare ruimte, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; c. hinder, overlast of gevaarzetting veroorzaakt voor derden. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de openbare plaats is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,50 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en een doorrijdbreedte van 4.20 meter en een hoogte van 3.50

meter op de rijbaan overblijft voor ambulances en voertuigen van politie en brandweer en ander verkeer. 3. Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de openbare plaats is verleend; d. terrassen; e. uitstallingen; f. categorieën van voorwerpen die door het bevoegd gezag zijn aangewezen. 6. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, en reclame-uitingen. 7. Het verbod is voorts niet van toepassing als wordt voldaan aan de nadere regels die het college heeft vastgesteld. 8. Het verbod is tevens niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of de Wegenverordening provincie Fryslân.

Artikel 2:11

(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening provincie Fryslân, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:12

Maken of veranderen van een uitweg

1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a. daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; b. het college het maken van een uitweg heeft verboden. 2. Van de melding wordt kennis gegeven via de website www.officiëlebekendmakingen.nl. 3. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen en zich binnen 50 meter een andere uitweg bevindt.

4. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen 6 weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de Wegenverordening provincie Fryslân.

Artikel 2:13

Veroorzaken van gladheid

[vervallen]

Artikel 2:14

Winkelwagentjes

[vervallen]

Artikel 2:15

Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16

Open straatkolken

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17

Kelderingangen en dergelijke

[vervallen]

Artikel 2:18

Rookverbod in bossen en natuurterreinen

1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:19

Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

[vervallen]

Artikel 2:20 [vervallen]

Vallende voorwerpen

Artikel 2:21

Voorzieningen voor verkeer en verlichting

1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:22

Objecten onder een hoogspanningslijn

[vervallen]

Afdeling 2a Veiligheid op het ijs Artikel 2:23a

Definities

a. IJswegencentrale: de bij de Friesche IJsbond aangesloten binnen het grondgebied van de gemeente werkzame organisaties voor het bevorderen van de veiligheid op het ijs en voor het stimuleren van de schaatssport op natuurijs en gerechtigd zijn de daartoe benodigde werkzaamheden uit te voeren op de openbare wateren binnen de gemeente; b. ijsweg op openbaar water: de door de in de gemeente werkzame ijswegencentrale aangelegde en door middel van vegen en verzorgen in stand gehouden banen op natuurijs op de openbare wateren in de gemeente; c. ijsvlakte op openbaar water: door bevriezing van openbaar water gevormde, voor publiek toegankelijke, niet aangelegde, niet beheerde c.q. door middel van vegen en verzorgen in stand gehouden vlakte van natuurijs op de openbare wateren in de gemeente; d. bijt: een in het ijs gehakte opening.

Artikel 2:23b

Veiligheid op het ijs

1. Het is verboden: a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten en ijswegen te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of op enigerlei wijze de vrijheid van het verkeer zonder noodzaak te belemmeren dan wel de veiligheid in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten en ijswegen te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren; c. zich zonder daartoe gerechtigd te zijn, te bevinden op een gedeelte van een ijsvlakte of ijsweg op openbaar vaarwater, waarop een wedstrijd als bedoeld in artikel 2:24 wordt gehouden; d. zich met een motorvoertuig of bromfiets te begeven op voor het publiek toegankelijke ijsvlakte of ijsweg, anders dan voor onderhoud aan de ijsweg of ijsvlakte of hulpverlening. 2. De gebruiker – of bij het ontbreken daarvan de rechthebbende – van een inrichting voor afvoer van water is, wanneer het ijs in of nabij een ijsvlakte of ijsweg voor uitstorting van dit water onbetrouwbaar is, verplicht onverwijld de gevaarlijke plaats

3.

4. 5.

6.

aan te duiden door bakens, planken, palen of andere voorwerpen op opvallende wijze langs de rand daarvan te plaatsen. Degene die een bijt in het ijs van een voor het publiek toegankelijke ijsvlakte of ijsweg maakt of heeft, is verplicht deze op opvallende wijze af te bakenen door bijvoorbeeld planken, takken of schotsen. Onder bijt wordt niet verstaan een smalle opening die rondom een vaartuig in het ijs is gemaakt. Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen en goederen. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Vaarwegenverordening 2014.

Afdeling 3 Evenementen Artikel 2:24

Definities

1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. Bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160 eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. sportwedstrijden en andere reguliere activiteiten in en op een daarvoor bestemde locatie, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f; g. reguliere activiteiten in een cultureel centrum (zoals dorpshuizen en wijkgebouwen); h. activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze verordening. i. voetbalwedstrijden als bedoeld in afdeling 7a van deze verordening. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid. b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling, wedstrijd of recreatieve tocht op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp niet wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994; e. een kermis; f.

een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s. 3. Onder risico-analysemodel wordt verstaan het model dat door het college is vastgesteld om evenementen te kwalificeren als A-, B- of C-evenement. 4. Onder A-evenement wordt verstaan een regulier evenement. 5. Onder B-evenement wordt verstaan een evenement met verhoogde aandacht. 6. Onder C-evenement wordt verstaan een grootschalig evenement/risico-evenement.

Artikel 2:25

Vergunning evenementen

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een C-evenement te organiseren. 2. De vergunning wordt verleend voor de duur van het C-evenement.

3. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een B-evenement te organiseren. 4. De vergunning wordt verleend voor de duur van het B-evenement voor een periode van maximaal drie jaar. 5. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd, voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 6. Aan de vergunning voor maximaal drie jaar kunnen door de burgemeester ook tussentijds voorschriften worden verbonden. 7. In afwijking van artikel 1:8 lid 2 kan het bestuursorgaan besluiten de vergunning voor een B of C evenement te weigeren als de aanvraag minder dan 12 weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft, is ingediend. 8. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een wedstrijd of toertocht op de schaats, dient bij de aanvraag om vergunning een verklaring over de betrouwbaarheid van het ijs te worden aangeleverd van de IJswegencentrale(s) binnen wiens werkgebied de wedstrijd of toertocht op de schaats wordt gehouden; 9. Het is verboden zonder melding een A-evenement te organiseren, tenzij a.

de organisator van een A-evenement ten minste 20 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester met een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier en b. binnen 10 werkdagen na ontvangst van het meldingsformulier geen tegenbericht is verzonden aan de organisator dat alsnog een vergunning nodig is dan wel dat het evenement alsdan niet vergund kan worden op grond van artikel 1:8 van deze verordening. 10. Het negende lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of –gala’s. 11. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 12. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:25a

Ordeverstoring

1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 3a

Betaald voetbalwedstrijden

Artikel 2:26

Definities

In de navolgende bepalingen wordt verstaan onder: 1. Organisator: Betaald Voetbal Organisatie (BVO), Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) of een andere rechtspersoon dan wel een natuurlijke persoon die een voetbalwedstrijd organiseert. 2. Voetbalwedstrijd: een wedstrijd waarbij één van de spelende teams een Nederlandse of een buitenlandse BVO dan wel een vertegenwoordigend elftal van de KNVB is. 3. Supporter:

a. persoon die door kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maakt bij de aanhang van een BVO te horen; b. dan wel een persoon die bij deskundigen als zodanig bekend is; c. dan wel een persoon die een wezenlijke of significante bijdrage levert aan de verstoring van de openbare orde, direct gerelateerd aan de plaats te vinden, plaatshebbende c.q. plaatsgevonden wedstrijd van de BVO. 4. Stadionomgevingsverbod: het verbod om zich vanaf 4 uur voor tot 4 uur na de voetbalwedstrijd te bevinden in het stadionomgevingsgebied. 5. Stadionomgevingsgebied: het gebied zoals dat is vastgelegd op de gewaarmerkte tekening behorende bij en deel uit makend van deze verordening. De burgemeester kan in voorkomende gevallen een afwijkend gebied vaststellen. 6. Stadsverbod: het verbod voor supporters van een bezoekende club om zich op de speeldag van een voetbalwedstrijd en indien hiervoor gerede aanleiding bestaat een deel van de aan de wedstrijd voorafgaande dag te bevinden binnen de gemeentegrenzen dan wel een gebied binnen de gemeentegrenzen.

Artikel 2.26a 1. 2. 3.

4.

Artikel 2.26aa 1.

2.

Voetbalwedstrijd organiseren

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden in het Abe Lenstrastadion. Op het houden van overige voetbalwedstrijden is artikel 2:25 van toepassing. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan meerdere wedstrijden betreffen. Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Indienen aanvraag

In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de gegevens van de organisator; b. de deelnemende voetbalorganisaties; c. de geplande datum, tijdstip en locatie van de wedstrijd. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 2.26.a in het belang van de openbare orde en veiligheid weigeren indien: a. de vrees bestaat voor het ontstaan van een verstoring van de openbare orde; b. het aannemelijk is dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd; c. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van de voetbalwedstrijd.

Artikel 2:26b

Aanwijzingen aan de organisator

De burgemeester kan ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde aanwijzingen geven verband houdende met de voetbalwedstrijd, zoals o.a. de aanvang van de wedstrijd, toeloop en vertrek van het publiek, aantallen bezoekers, inzet en inrichting van verlichting, parkeren. Indien de organisator die aanwijzingen niet opvolgt of blijk geeft die niet op te volgen kan de burgemeester overgaan tot het verbieden, zoals bedoeld in artikel 2:26c, van de wedstrijd.

Artikel 2:26c

Verbod van wedstrijden

De burgemeester kan de wedstrijd verbieden indien: 1.

de vergunningaanvraag niet tijdig is ingediend of indien naar zijn oordeel onvoldoende informatie is verstrekt;

2. 3.

er gegronde vrees bestaat dat de organisator de opgelegde voorschriften niet zal naleven; hij gegronde vrees heeft de openbare orde niet te kunnen handhaven.

Artikel 2:26d

Aanwijzingen aan supporters

1. De burgemeester kan aanwijzingen geven aan een supporter. 2. Een aanwijzing voor een supporter die in het bezit is van een geldig toegangsbewijs kan inhouden onmiddellijk en rechtstreeks naar het stadion te gaan na aankomst in de gemeente en, indien hij niet in de gemeente woont, onmiddellijk en rechtstreeks na afloop van de wedstrijd de gemeente te verlaten en indien hij wel in de gemeente woont, zich niet te begeven naar/in een omschreven gebiedsdeel van de gemeente, tenzij hij daar woont. 3. Een aanwijzing aan een supporter die niet in het bezit is van een geldig toegangsbewijs kan inhouden onmiddellijk en volgens een aangegeven route naar een aangewezen plaats te gaan en, indien hij niet in de gemeente woont, onmiddellijk de gemeente volgens een aangegeven route te verlaten. 4. Een aanwijzing aan supporters van een bezoekende BVO kan inhouden om binnen de gemeente in georganiseerd groepsverband te reizen.

Artikel 2:26da

Verwijderplicht supporters

Personen die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporters en tegen wie het vermoeden bestaat dat zij op enige wijze de orde verstoren of de kennelijke bedoeling hebben deze te verstoren of wiens aanwezigheid een gevaar op escalatie vergroot, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.

Artikel 2:26e

Algemene verboden

1. Het is een supporter verboden het voetbalveld voor, tijdens of na afloop van de voetbalwedstrijd zonder toestemming van de rechthebbende te betreden, of daarop voorwerpen te gooien. 2. Het is een supporter verboden alcohol bij zich te hebben dan wel te gebruiken op weg naar of van een voetbalwedstrijd. 3. Het is anderen dan de organisator verboden op of aan de weg toegangskaarten voor de voetbalwedstrijd met een commercieel doel aan te bieden of voor verkoop voorhanden te hebben. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6. van het Vuurwerkbesluit is het een supporter verboden pyrotechnische voorwerpen bedoeld om licht, rook of lawaai te produceren, bij zich te hebben dan wel te gebruiken op weg naar of van een voetbalwedstrijd, dan wel in het voetbalstadion.

Artikel 2:26f

Verstoring openbare orde

1. Het is verboden de openbare orde te verstoren. 2. Onder het verstoren van de openbare orde wordt verstaan het veroorzaken van onrechtmatige hinder of onrechtmatig gevaar voor één of meer personen dan wel goederen. 3. Van een voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde is sprake indien een supporter of een groep van supporters in de hoedanigheid van supporter de openbare orde verstoort, dan wel hieraan een bijdrage levert. 4. Deze verordening onderscheidt al naar gelang de ernst van de veroorzaakte hinder of de gevaarzetting een geringe, beperkte, ernstige, gewelddadige en voor personen gevaarlijke, zeer gevaarlijke of fatale verstoring van de openbare orde.

5. Een poging tot een van de in de artikelen 2:26j, 2:26k, en 2:26l genoemde gedragingen levert eveneens een verstoring van de openbare orde op.

Artikel 2:26g

Geringe verstoringen

Als geringe verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

natuurlijke behoefte doen op plekken die hiervoor niet zijn bedoeld; plegen van baldadigheid met gevaar of nadeel voor goederen; hinderen van het verkeer; zich op verboden terrein, anders dan het voetbalveld bevinden; gebruiken of onder invloed verkeren van een middel als verboden in de Opiumwet; bij zich hebben van alcohol dan wel gebruiken op weg naar of van een voetbalwedstrijd; bij zich hebben dan wel gebruiken op weg naar of van het voetbalstadion van pyrotechnische voorwerpen.

Artikel 2:26h

Beperkte verstoringen

Als beperkte verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen: 1. 2. 3. 4.

een ander in zijn vrijheid van bewegen belemmeren; zich aan iemand tegen diens wil opdringen of hem op hinderlijke wijze volgen; plegen van baldadigheid tegenover een andere persoon; niet voldoen aan de wettelijke verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden; 5. een valse naam of van een valse hoedanigheid aannemen om iemand te bewegen tot de afgifte van een goed; 6. plegen van valsheid in geschrifte; 7. veroorzaken van gevaar op de weg; 8. niet voldoen aan een bevel van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van politie of een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; 9. beletten, belemmeren of verijdelen van enige handeling van een ambtenaar van politie of een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; 10. opgeven van verkeerde persoonsgegevens aan een bevoegd persoon; 11. beledigen van een ambtenaar van politie of een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; 12. zich beledigend uitlaten over een groep mensen, of het aanzetten tot haat tegen of discriminatie van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of seksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap; 13. openbare dronkenschap; 14. illegale verkoop van toegangskaarten.

Artikel 2:26i

Ernstige verstoringen

Als ernstige verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen: 1. 2. 3. 4.

niet naleven van een stadionomgevingsverbod; huisvredebreuk dan wel een poging hiertoe; lokaalvredebreuk dan wel een poging hiertoe; opruien tegen een ambtenaar van politie of tegen een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent;

5. dragen van een wapen; 6. vernielen van werken van openbaar nut; 7. vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken of weg maken van andermans goed; 8. veroorzaken van verkeersongeval; 9. niet naleven van een noodbevel; 10. overtreden van noodverordening; 11. diefstal of heling dan wel een poging hiertoe; 12. brandstichten of ontploffing teweegbrengen met gevaar voor goederen; 13. gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van vernielen van goederen; 14. illegale handel; 15. betreden van het voetbalveld voor, tijdens of na afloop een wedstrijd; 16. gooien van al dan niet pyrotechnische voorwerpen op het voetbalveld.

Artikel 2:26j verstoringen

Gewelddadige en voor personen gevaarlijke

Als zeer ernstige verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen: 1.

zich met geweld dan wel het dreigen met geweld verzetten tegen een ambtenaar van politie of tegen een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; 2. een ander met geweld of het bedreigen met geweld dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden; 3. huisvredebreuk met geweld dan wel het dreigen met geweld; 4. lokaalvredebreuk met geweld dan wel het dreigen met geweld; 5. openlijke geweldpleging; 6. oproepen tot gewelddadig gedrag; 7. gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van geweld; 8. mishandelen; 9. vechterij; 10. aanwenden van een wapen tegen een persoon; 11. plegen van diefstal met geweld of het dreigen met geweld; 12. brandstichten of ontploffing teweegbrengen met gevaar voor personen.

Artikel 2:26k verstoringen

Gewelddadige en voor personen zeer gevaarlijke

Als buitengewoon ernstige verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen die zwaar lichamelijk letsel veroorzaken: 1. 2. 3. 4. 5.

openlijk geweld plegen; gebruik van een wapen; mishandelen; zich met geweld verzetten tegen een ambtenaar van politie of tegen een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; brandstichten of een ontploffing teweegbrengen.

Artikel 2:26l

Voor personen fatale verstoringen

Als buitengewoon zeer ernstige verstoringen van de openbare orde worden in ieder geval beschouwd de volgende gedragingen met de dood van een ander ten gevolge: 1. 2. 3.

openlijk geweld plegen; gebruik van een wapen; mishandeling;

4. 5.

zich met geweld verzetten tegen een ambtenaar van politie of tegen een persoon die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verleent; brandstichten of ontploffing teweegbrengen.

Artikel 2:26m

Stadionomgevingsverbod

1. De burgemeester kan aan een supporter die zich schuldig maakt aan een voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde een stadionomgevingsverbod opleggen van: a. zes wedstrijden in het Abe Lenstrastadion in geval van een geringe verstoring; b. zes maanden tot een jaar in geval van een beperkte verstoring. 2. De burgemeester legt aan een supporter die zich schuldig maakt aan een voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde een stadiongomgevingsverbod van: a. twee jaren in geval van een ernstige verstoring; b. drie jaren in geval van een gewelddadige en voor personen gevaarlijke verstoring; c. vijf jaren in geval van een gewelddadige en voor personen zeer gevaarlijke verstoring; d. tien jaren in geval van een voor personen fatale verstoring. 3. Om dringende redenen kan de burgemeester (deels) ontheffing verlenen van het stadionomgevingsverbod.

Artikel 2:26n

Stadionomgevingsverbod bij vrees

1. De burgemeester kan aan een supporter een stadionomgevingsverbod opleggen indien hij vreest voor een voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde door die supporter. 2. Van vrees is in ieder geval sprake indien een persoon zich in een andere gemeente in Nederland dan wel in een ander land heeft schuldig gemaakt aan ten minste een ernstige voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde. 3. De termijn van dit stadionomgevingsverbod wordt bepaald door de ernst van de verstoring van de openbare orde. 4. Om dringende redenen kan de burgemeester (deels) ontheffing verlenen van het stadionomgevingsverbod.

Artikel 2:26o Aantoonplicht en kwijtschelding stadionomgevingsverbod 1. De burgemeester kan bij het opleggen van een stadionomgevingsverbod aan een supporter de plicht opleggen om op een door hem voorgeschreven wijze aan te tonen dit stadionomgevingsverbod na te leven. 2. De burgemeester kan op verzoek van de betrokkene de termijn van een stadionomgevingsverbod met een derde bekorten, indien de betrokkene aantoont het verbod gedurende twee derde van de termijn zorgvuldig te hebben nageleefd.

Artikel 2:26p

Recidive

1. Indien de betrokkene tijdens de looptijd van het stadionomgevingsverbod of binnen een periode van twee jaren erna de openbare orde opnieuw verstoort, kan de burgemeester voor die gedraging een stadionomgevingsverbod opleggen van de dubbele tijdsduur van de categorie waarbinnen de verstoring van openbare orde valt. 2. De termijn van dit stadionomgevingsverbod begint te lopen de dag nadat de termijn van het eerdere stadionomgevingsverbod is verstreken. 3. Om dringende redenen kan de burgemeester ontheffing verlenen van het stadionomgevingsverbod.

Artikel 2:26q

Stadsverbod

1. De burgemeester kan aan een supporter dan wel aan supporters van een bezoekende voetbalclub een verbod opleggen om zich binnen de gemeentegrenzen te begeven, indien er vrees bestaat voor ten minste ernstige voetbal gerelateerde verstoring van de openbare orde. 2. De lengte van een zodanig stadsverbod bedraagt maximaal 48 uren. 3. In individuele gevallen van dringende aard kan de burgemeester ontheffing verlenen van het stadsverbod.

Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27

Definities

1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte; 3. In deze afdeling wordt verder verstaan onder: a. droge horeca: openbare inrichtingen waar bedrijfsmatig etenswaren voor directe consumptie worden verstrekt, niet-alcoholhoudende dranken worden geschonken en licht alcoholische dranken voor gebruik elders worden aangeboden; b. natte horeca: openbare inrichtingen waar bedrijfsmatig alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse; c. Heerenveen-Centrum: het grondgebied van de plaats Heerenveen zoals begrensd in het geldende bestemmingsplan Heerenveen-Centrum; d.

onder houder wordt in deze afdeling verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2:28; e. deze afdeling verstaat niet onder bezoekers: a. de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid van het Wetboek van Strafrecht; c. de personen wier aanwezigheid in het horecabedrijf wegens dringende redenen noodzakelijk is; f. stadionomgeving: het gebied dat wordt begrensd door Nieuwburen, Stadionweg, Oranje Nassaulaan, Alma Tademaweg, Karst de Jongweg en de waterloop Atalantastraat en Nieuwburen te Heerenveen.

Artikel 2:28

Exploitatie openbare inrichting

1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester, tenzij voor het horecabedrijf een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet is verleend. 2. De burgemeester weigert de vergunning als: a. de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. uit een bij de aanvraag overlegde verklaring omtrent het gedrag blijkt dat de ondernemer of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is en die

3.

4.

5.

6.

verklaring uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; d. een bedrijfskantine of -restaurant; e. een snackbar of cafetaria. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:29

Sluitingstijd

1. Het is de houder van een openbare inrichting aan wie een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet is verleend, verboden bezoekers toe te laten tot die openbare inrichting tussen 03.00 en 08.00 uur. 2. Het is de houder van een openbare inrichting aan wie geen vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet is verleend, verboden die openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04.00 en 08.00 uur. 3. Het verbod in lid 2 geldt niet voor de droge horeca in Heerenveen-centrum. 4. Het is de houder van een openbare inrichting aan wie geen vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet is verleend, maar aan wie wel een gedoogbeschikking voor het verstrekken van zogenaamde softdrugs is verstrekt, verboden die openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 en 12.00 uur. 5.

In afwijking van het gestelde in lid 1 is het de houder van een openbare inrichting die gelegen is in de stadionomgeving, zoals omschreven in 2:27 lid 3 sub f, aan wie een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet of een vergunning ingevolge artikel 2:28 lid 1 is verleend, verboden die openbare inrichting geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 01.00 en 08.00 uur; 6. Het verbod in lid 5 geldt niet voor bezoekers met een lidmaatschap van de Ondernemers Sociëteit Sportclub Heerenveen; 7. Het eerste tot en met het zesde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

Artikel 2:29a

Sluitingstijd terrassen

1. Het is de houder van een openbare inrichting verboden bezoekers op het terras toe te laten of te laten verblijven op maandag, dinsdag, woensdag en donderdag tussen 01.00 en 08.00 uur en op vrijdag, zaterdag en zondag tussen 02.00 en 08.00 uur.

2. In afwijking van het gestelde in lid 1 is het de houder van een openbare inrichting die is gelegen in de stadionomgeving ,zoals omschreven in 2:27 lid 1 sub f, aan wie een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet of een vergunning ingevolge artikel 2:28 lid 1 is verleend, verboden op donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag bezoekers op het terras toe te laten of te laten verblijven tussen 01.00 tot 08.00 uur; 3. Het gestelde in lid 2 geldt niet voor bezoekers met een lidmaatschap van de Ondernemers Sociëteit Sportclub Heerenveen. 4. Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

Artikel 2:30

Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

1. Het is de houder van een openbare inrichting (inclusief de droge horeca) verboden tussen 31 december vanaf 20.00 uur tot 1 januari 8.00 uur de openbare inrichting en het terras voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 2. De burgemeester kan van het in lid 1 gestelde verbod geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen. 3. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras; 4. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen, tijdelijk andere dan de geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 5. Het vierde lid is niet van toepassing in die situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:31

Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting: 1. 2.

de orde te verstoren; zich te bevinden gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn krachtens artikel 2:29 en 2:30 eerste lid, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30 vierde lid.

Artikel 2:32

Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33

Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34 [vervallen]

Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet Artikel 2:34a

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank, - horecabedrijf, - inrichting en - paracommerciële rechtspersoon. dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:34b

Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

1. Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk één uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het paracommerciële rechtspersonen verboden om in hun inrichting van 01.00 tot 10.00 uur alcoholhoudende drank te verstrekken.

Artikel 2:34c

Bijeenkomsten paracommerciële rechtspersonen

1. Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 2. Indien binnen de bebouwde kom van een plaats, waarbinnen een paracommercieel rechtspersoon gevestigd is, geen commercieel horecabedrijf aanwezig is, kan deze rechtspersoon alcoholhoudende drank verstrekken tijdens bijeenkomsten zoals genoemd in het eerste lid. 3. Indien binnen de bebouwde kom van een plaats, waarbinnen een paracommercieel rechtspersoon gevestigd is, wel een commercieel horecabedrijf aanwezig is, kan deze rechtspersoon maximaal 6 keer per jaar alcoholhoudende drank verstrekken tijdens bijeenkomsten zoals genoemd in het eerste lid, mits tijdens deze bijeenkomsten samenwerking tussen de paracommerciële rechtspersoon en de plaatselijke commerciële horeca plaatsvindt. 4. Een paracommercieel rechtspersoon kan tijdens bijeenkomsten zoals genoemd in het tweede en derde lid alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken met inachtneming van de schenktijden zoals genoemd in artikel 2:34b. 5.

Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk 48 uur voorafgaand aan een bijeenkomst zoals genoemd in het derde lid hiervan digitaal melding aan de burgemeester op een hiervoor vastgesteld digitaal beschikbaar formulier.

Afdeling 6 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf [vervallen]

Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a

Definities

1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze

bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:39

Speelgelegenheden

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de Kansspelen of de Verordening speelautomaten of speelautomatenhallen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als” a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40

Speelautomaten

1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan; 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Afdeling 8 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42

Plakken en kladden

1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage te geven. 5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op aanplakborden die door het college zijn aangewezen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:43

Vervoer plakgereedschap en dergelijke

[vervallen]

Artikel 2:44 winkeldiefstal

Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor

1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 3. Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een tas of andere voorwerpen die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

Artikel 2:45

Betreden van plantsoenen e.d.

[vervallen]

Artikel 2:46

Rijden over bermen e.d.

[vervallen]

Artikel 2:47

Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

1. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:48

Verboden drankgebruik

1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op:

a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:49

Verboden gedrag bij of in gebouwen

1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:50

Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50a

Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:51

Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. [vervallen]

Artikel 2:53

Bespieden van personen

[vervallen]

Artikel 2:54

Bewakingsapparatuur

[vervallen]

Artikel 2:55

Nodeloos alarmeren

[vervallen]

Artikel 2:56 [vervallen]

Alarminstallaties

Artikel 2:57

Loslopende honden

1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; b. buiten de bebouwde kom op rijkswegen en provinciale wegen als die hond niet is aangelijnd; c. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen; e. binnen door het college aangewezen natuurgebieden indien die hond niet is aangelijnd. 2. De verboden in het eerste lid, aanhef en onder a en b, zijn niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a, b en c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 4. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder c.

Artikel 2:58

Verontreiniging door honden

1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2:59

Gevaarlijke honden

1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. Het is de eigenaar of houder van een hond die is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk, verboden deze hond op een openbare plaats of op het terrein van een ander te laten verblijven of te laten lopen zonder muilkorf wanneer de hond niet wordt ingezet voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 4. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting in het derde lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=90d69b0c-1cf5-42a4-ae31-b4bca8518a4b