Quickscan Flora en Fauna Tramweg 13 De Knipe
Tekst van het document
Quickscan flora- en fauna Tramweg 13 De Knipe
Nijverdal, 11 november 2020 Projectnummer 20.159
Colofon Titel
Quickscan flora- fauna Tramweg 13 De Knipe
Uitvoering
Otte Groenadvies
Veldinventarisatie
Ing. P. Otte
Gecontroleerd
T.M. Stam – Gecertificeerd Stadswerk Flora en Fauna controleur 2018
Opdrachtgever
L.W. de Bos bouwkundig teken- en adviesbureau t.a.v. dhr. L. de Bos Meyerweg 153 8456 GE De Knipe 0513 844 882 06 19 78 46 11 info@lwdebos.nl
Projectnummer
20.159
Datum
11 november 2020
Status
Definitief
Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Otte Groenadvies accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Otte Groenadvies uitgevoerde onderzoek neemt.
Brilsweg 1a 7441 BV te Nijverdal Tel: 06 - 511 77 946 mail: info@ottegroenadvies.nl
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ...................................................................................................................................................... 4
1.1. Aanleiding en doelstelling .................................................................................................... 4 1.1.1 Uitgangspunten ..................................................................................................................... 4 1.2. Methodiek ........................................................................................................................... 4 1.2.1. Wat is een quickscan ............................................................................................................ 4 1.2.2. Uitvoer onderzoek ............................................................................................................... 5 2. Wetgeving................................................................................................................................................... 6 3. Gebiedsomschrijving ................................................................................................................................... 7
3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving ............................................................................... 7 3.2. Projectvoornemen ............................................................................................................... 7 3.3. Foto impressie planlocatie ................................................................................................... 9 4. Gebiedsbescherming ................................................................................................................................. 10
4.1. Natura 2000 ....................................................................................................................... 10 4.2. Natuur Netwerk Nederland (NNN) ..................................................................................... 10 4.3. Weidevogelgebied ............................................................................................................. 11 5. Beschermde flora en fauna ....................................................................................................................... 12
5.1. Flora................................................................................................................................... 12 5.2. Zoogdieren ......................................................................................................................... 12 5.3. Vleermuizen ....................................................................................................................... 13 5.4. Vogels ................................................................................................................................ 16 5.5. Overige soorten ................................................................................................................. 16 6. Conclusies ................................................................................................................................................. 18
6.1. Overzicht van de bevindingen ............................................................................................ 18 6.2. Aanbevelingen ................................................................................................................... 19 7. Kwaliteitsborging- en geldigheid ............................................................................................................... 21 8. Bibliografie ............................................................................................................................................... 22 Bijlage........................................................................................................................................................... 24
BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING ................. 24
3
1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doelstelling In de ruimtelijke plannen is in het kader van de uitvoerbaarheid inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Met andere woorden, in het ruimtelijke ordeningstraject dient te worden aangetoond dat het plan, amovatie van een aanpalende schuur en een kapschuur, uitvoerbaar is. In dit kader dient een quickscan flora en fauna uitgevoerd te worden op de locatie Tramweg 13 De Knipe te Heerenveen. 1.1.1 Uitgangspunten Uitgangspunt voor deze rapportage is de inkomende e-mail van de heer L.W. de Bos op 22 oktober 2020. Met als onderwerp 20005 Brinkhoff, Tramweg 13 De Knipe. Op 23 oktober 2020 is door Otte Groenadvies een offerte met nr. 20.143 per mail verstuurd. Op 27 oktober 2020 is de offerte per mail door mevrouw W. Hoekstra geaccordeerd. 1.2. Methodiek Om optimaal om te gaan met het zorgvuldigheidsprincipe uit de Wet natuurbescherming heeft de mevrouw Hoekstra besloten om een onderzoek te laten doen, alvorens de werkzaamheden uit te voeren. Onder meer bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Wet- en regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied.
Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkelingen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. De rapportage kan dienstdoen als onderbouwing bij bestemmingsplanwijzigingen en ontheffings- of vergunningaanvragen in het kader van de Wet natuurbescherming. In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd en getoetst aan de natuurwetgeving en –beleid. 1.2.1. Wat is een quickscan De quickscan flora en fauna is een oriënterend onderzoek. Hierin wordt de geplande ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving. Door middel van een veldbezoek en bureauonderzoek wordt beoordeeld welke natuurwaarden verwacht worden in het plangebied en wordt gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Ook wordt gekeken of de plannen mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde Natuurmonumenten. Indien beschermde soorten voorkomen, kan een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Eveneens dient te worden onderzocht of er gebruik kan worden gemaakt van gedragscodes en worden mogelijkheden tot ontheffing verkent. Een quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie.
Omdat het onderzoek een momentopname betreft, kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek.
4
1.2.2. Uitvoer onderzoek Op 3 november 2020 is een bezoek gebracht aan het plangebied en directe omgeving. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijk aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten en de indirecte aanwezigheid in de vorm van sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Er is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en fotocamera. De weersomstandigheden waren helder, droog, 9°C. Tijdens het onderzoek waar dit rapport is voortgekomen is niet alleen gelet op flora en fauna binnen de contouren van het plangebied, maar ook op beschermde flora en fauna in de nabije omgeving. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten ervoor kunnen komen in het plangebied.
5
2. Wetgeving De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren (voorheen Flora- en faunawet) (naast de bescherming van gebieden). In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1, 3.5 en 3.10). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11). De verbodsbepalingen, die handelingen die het voortbestaan van planten en diersoorten in gevaar kunnen brengen verbieden, zijn een belangrijk onderdeel van de Wet natuurbescherming. Deze verboden zorgen ervoor dat in het wild levende soorten zoveel mogelijk met rust worden gelaten. Deze verschillen per beschermingsgroep. De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes: •
Vogelrichtlijnsoorten
•
Habitatrichtlijnsoorten
•
Andere soorten
De provincies hebben in haar verordeningen uit de lijst van ‘andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt en dus geen ontheffing van verbodsbepalingen voor hoeft te worden aangevraagd. Deze lijst met vrijgestelde soorten is per provincie anders. De zorgplicht is wel van toepassing. Bij ruimtelijke plannen, met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren, is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen (mitigatie en/of compensatie) genomen kunnen worden om dit te voorkomen of om de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen. Onder bepaalde voorwaarden geldt een vrijstelling of is het mogelijk van het bevoegd gezag ontheffing van de verbodsbepalingen te krijgen voor activiteiten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Deze ontheffing wordt slechts verleend. indien: •
Er geen bevredigend alternatief is;
• •
Er sprake is van een wettelijk belang; Geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.
Zie Bijlage 1 voor het Wettelijk kader van de soortbescherming in de Wnb. De Wnb beschermt ook een aantal planten en vissen die onder de Flora- en faunawet niet beschermd waren. Hiermee is rekening gehouden in onderliggende natuurtoets, zie verder in paragraaf 4.1 aanwezigheid beschermde soorten (Overheid, 2015).
6
3. Gebiedsomschrijving 3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving De planlocatie ligt in een hoogveengebied, deelgebied Zuidelijke Wouden (Provincie Friesland, z.d.). Hoogveen kenmerkt zich als een open en rationeel ingericht landschap met een rechte kavels en rechtlijnige structuurdragers zoals kanalen, vaarten en wijken. Voor de vervening van het gebied werden vaarten en wijken gegraven om het veen te ontwateren en het turf af te voeren. Grote delen van de kanalen en wijken zijn gedempt. Langs de ontginningsassen, de vaarten en hoofdwijken, ontstonden bebouwingslinten. In dit landschapstype wordt er een onderscheid gemaakt tussen het open en besloten veenontginningslandschap op basis van visuele dragers zoals massa/ruimte en beplantingspatronen (Geologie van Nederland, z.d.). De planlocatie ligt in De Knipe, een dorp in de gemeente Heerenveen. De planlocatie ligt ten noorden van de lindbebouwing. Ten westen van de planlocatie ligt het centrum van De Knipe. Het plangebied wordt op de bebouwing aan de noord,- en oostzijde omsloten door agrarische percelen, langs het perceel lopen waterafvoersloten. Het onderzoeksgebied betreft een aanpalende schuur en een kapschuur. Het perceel is grotendeels verhard. Het groen op de planlocatie bestaat uit gazon en enkele opgaande bomen.
Afbeelding 1 & 2. Locatie plangebied (rood) (Pdok, z.d.; Pdok, z.d.) 3.2. Projectvoornemen Met de voorgenomen ontwikkelingen worden de bestaande aanpalende schuur en kapschuur geamoveerd. De muur van de woonboerderij wordt in oorspronkelijke staat hersteld, op het dak worden dakpannen gelegd. Na de amovatie vind bouw van een nieuwe schuur plaats. Ten behoeve van de reconstructie verdwijnt plaatselijk begroeiing, maar dit blijft beperkt tot de kruidlaag. De werkzaamheden zijn gepland na verkrijgen van de benodigde vergunningen.
7
BEPLANTINGSPLAN 4000
4000
18000
Bijgaand het beplatingsplan geschikt voor de 4 meter strook naast en achter de schuur. Deze struiken, planten en bomen hebben meer dan genoeg ruimte om goed te kunnen gr in de strook van 4 meter achter en naast de schuur volgens advies Tuinservice Th. van d
schuur 482m2
5000
26800
222 m2
15890
18000
4000
beplatingszone
0
13
9
303
1
288 m2
28
<
G planlocatie (L.W. de Bos, 2020) Afbeelding 3. Nieuwe M inrichting WE SITUATIE A TR 52 13 adres: Tramweg postcode: plaats:
295
44
147
Werk:
292
Opdrachtgever:
datum: schaal:
275
46
273
142
MAATVOERING IN HET WERK CONTROLE 143
50
Onderdeel:
42
129
48
8456 HC De Knipe
Het vervangen van de bestaande kapschuur voor een nieuwe opslag schuur Familie E. Brinkhoff Tramweg 13 8456 HC De Knipe SITUATIE - situatietekening 141 en terreininrichting
07-10-2020 1:500
formaat: A3 getekend: L. W. de Bos
gewijzigd: A
D E
project nr. 20005
B C
F G
tekening nr. S-01
Meyerw 8456 G telefoon mobiel: e-mail: website
© deze tekening blijft eigendom van L. W. de Bos teken- en adviesbureau en mag zonder onze toestemming niet worden gebruikt, gekopie
8
3.3. Foto impressie planlocatie
Woonboerderij voor- en achterzijde
Te amoveren aanpalende schuur
Binnenzijde aanpalende schuur
Te herstellen muur en dak van de woonboerderij
Te amoveren kapschuur
9
4. Gebiedsbescherming 4.1. Natura 2000 Onderstaande informatie in paragraaf 4.1 is gebaseerd op de volgende informatiebronnen: (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.) & (Rijksoverheid, 2019). De Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden wordt de flora en fauna in combinatie met hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit in stand te houden of te verbeteren. Om te voorkomen dat de natuur in Europa zijn biodiversiteit verliest zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgericht. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen, namelijk de soorten- en gebiedsbescherming. Een project mag pas worden uitgevoerd als: • De natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast; • In geval van een negatieve impact een alternatief of milderende maatregelen worden voorzien die de negatieve impact tenietdoen; • Indien alsnog tot uitvoering wordt besloten om dwingende redenen van groot openbaar belang, alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
In de omgeving van de planlocatie liggen twee Natura-2000 gebieden, namelijk (Provincie Fryslan, z.d.): Deelen, gebiedsnummer 14 (514 ha) op circa zeven/acht kilometer ten noorden van de planlocatie; Van Oordt’s Mersken, gebiedsnummer 15 (842ha), op circa zeven/ acht kilometer ten noordoosten van de planlocatie. Wijziging beleidsvoering: Door het veranderen van de beleidsvoering m.b.t. tot het landelijk stikstof probleem wordt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen gebruikt gemaakt van de beslisboom. Voor alle ”nieuwe” ontwikkelingen moet een AERIUSberekening worden uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening zal blijken of met de voorgenomen ontwikkeling de stikstof depositie toeneemt. Als de uitkomst hiervan 0,00 is kan een vergunning worden verleend. Als de stikstof uitstoot toeneemt moet deze berekening worden voorgelegd aan bevoegd gezag (provincie). Deze zal besluiten of er een vergunning voor de voorgenomen werkzaamheden benodigd is. Effectenbeoordeling Stem af met de gemeente of een AERIUS-berekening moet worden uitgevoerd, dit hangt af van de afstand van de Natura 2000 gebieden en de impact van de werkzaamheden.
4.2. Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en de omringende agrarische gebieden verbinden. Door de natuurgebieden samen te brengen wordt er voor een groot samenhangend netwerk gezorgd. Grotere natuurgebieden zijn beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. De gebieden zijn gevarieerder en er kunnen meerdere planten en dieren leven, daarnaast wordt de verspreiding hierdoor makkelijker (Rijksoverheid, z.d.).
10
De planlocatie ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde gebieden betreft de diverse houtopstanden op c.a. 1,2 km ten zuiden van de planlocatie. De ingrepen vinden plaats buiten deze provinciaal beschermde gebieden en hebben geen effect op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Nader onderzoek naar externe effecten is niet nodig (Provincie Fryslan, z.d.).
Afbeelding 4. Locatie plangebied (rood) (Provincie Fryslan, z.d.)
4.3. Weidevogelgebied Met betrekking tot het weidevogelgebied en beschermde landschapselementen geldt dat de planlocatie niet ligt binnen het beschermde gebied. Negatieve effecten zijn niet te verwachten naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling (Provincie Friesland, 2014-2020).
11
5. Beschermde flora en fauna 5.1. Flora Het onderzoek heeft plaatsgevonden in een voor flora minder geschikte periode, waardoor een deel van de kruidlaag niet herkenbaar meer aanwezig is. Het terrein is grotendeels verhard. Het aanwezige groen bestaat hoofdzakelijk uit gazon en agrarische weide. In het gazon kwamen kenmerkende ruderale graslandsoorten voor. Beschermde houtopstanden Gemeente Heerenveen heeft een bomenlijst opgesteld waarop beschermde- en monumentale bomen staan vernoemd (Gemeente Heerenveen, 2017) . Effectenbeoordeling Flora Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens. In combinatie met de voedselrijke omstandigheden in de omgeving en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig. Beschermde houtopstanden Uit de bomenlijst 2017 is gebleken dat er geen beschermingswaardige bomen op de planlocatie en de directe omgeving aanwezig zijn. 5.2. Zoogdieren Onder zoogdieren worden hier bedoeld alle grond- en boomgebonden zoogdieren met uitzondering van vleermuizen.
Steenmarter De steenmarter heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen De steenmarter komt voor in een parklandschap, bosloze gebieden, steengroeven en gebouwen. Deze soort is een echte cultuurvolger en hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen, boerderijen en grote steden. De aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen zijn van belang, hier zoekt de steenmater zijn voedsel (Zoogdiervereniging, z.d.). In en rondom de planlocatie zijn geen sporen als kadaverresten en uitwerpselen aangetroffen die duiden op aanwezigheid van steenmarter. De kapschuur en aanpalende schuur betreffen open constructies, er zijn geen daklagen of dubbele wanden aanwezig kunnen functioneren als verblijfplaats van deze soort, op de planlocatie is de steenmarter als passant te verwachten. Overige beschermde soorten Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemene soorten Algemeen voorkomende zoogdierensoorten zoals huismuis, huisspitsmuis, haas, ree en egel komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Friesland. 12
Effectenbeoordeling Op de projectlocatie worden voornamelijk, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels. Omdat een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle planten en dieren geldt. Aantasting van vaste verblijfplaatsen van zwaarder beschermde soorten is niet aan de orde, daar het plangebied niet beschikt over een geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Significante verslechtering van (potentieel) leefgebied is geen sprake. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet aan de orde. 5.3. Vleermuizen Een vleermuisonderzoek valt buiten het kader van een quickscan. Wel is de potentie onderzocht van het plangebied voor vleermuizen en is gelet op sporen. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. Er is onderzocht welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld. Daarna is onderzocht welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Als richtlijn is hiervoor de checklist van het huidig geldende vleermuisprotocol (2021) aangehouden.
Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse (Zoogdiervereniging, z.d.) (Netwerk Groene Bureaus, 2021) (Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, 2011) Verblijfplaatsen De voorgenomen ingreep heeft betrekking op voor vleermuizen geschikte bebouwing. Soorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, grootoorvleermuis en laatvlieger kunnen in bebouwing voorkomen. Kapschuur De kapschuur betreft een open bijgebouw opgebouwd uit niet geïsoleerde damwandplaten en een asbest golfplaten dak. De kapschuur betreft een open geheel open constructie. Aanpalende schuur/ woonboerderij De aanpalende schuur is opgebouwd uit een steensmuur met aan de kopse kant afgewerkt met houten betimmering. Op het dak liggen asbest golfplaten met een open nok. De schuur is geschakeld aan de woonboerderij, het dak betreft een ‘losse’ verbinding. De woonboerderij is eveneens is gebouwd uit een steensmuur. Op het dak liggen panlatten waarop een laag riet aanwezig is. Op het riet zijn tengels aangebracht waarop een dakpannen dak ligt.
13
Afbeelding 5. Woonboerderij/ aanpalende bebouwing, sporen grootoorvleermuis (groen), te amoveren aanpalende bebouwing (blauw) (Google, z.d.)
Bouwconstructie aanpalende schuur/ woonboerderij (buitenzijde)
Bouwconstructie aanpalende schuur(binnenzijde)
Bouwconstructie dak woonboerderij (binnenzijde)
14
Sporen grootoorvleermuis op zolder van de woonboerderij Op de zolder van de woonboerderij vinden geen wijzigingen plaats. De zolder wordt niet geïsoleerd, het dak wordt niet vervangen. Bij het verwijderen van de aanpalende schuur worden na het verwijderen van de asbestgolfplaten dakpannen op het riet van de woonboerderij gelegd, het betreft een klein deel van het dak, er worden geen negatieve effecten op het aanwezige microklimaat verwacht. Foerageergebied en vlieg- en mitigatieroutes Boven het plangebied wordt mogelijk gefoerageerd door vleermuizen. Hier is echter geen sprake van een foerageergebied dat van essentieel belang is voor vleermuizen. In de directe omgeving zijn vele vergelijkbare en meer geschikte locaties aanwezig. Daarnaast blijft tijdens- en na de ruimtelijke ontwikkeling het plangebied geschikt als foerageergebied. Het plangebied vormt geen schakel als vlieg- en mitigatieroute. Licht Met de nieuwe inrichting moet rekening worden gehouden met kunstmatige lichtbronnen om lichtverstoring te voorkomen. Dit betekent dat de plaatsing, de intensiviteit en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht plaatsvindt. Werk met vleermuisvriendelijke verlichting en maak de verlichting dynamisch. Te allen tijde moet de verlichting naar beneden gericht zijn om verstoring door middel van strooilicht te voorkomen.
Effectenbeoordeling De omstandigheden maken het dat in de opslagruimte een onstabiel microklimaat ontstaat. Door de aanwezigheid van een onstabiel microklimaat dat wordt veroorzaakt door, verschillende temperaturen binnen één object (gradiënten), snelheid van opwarmen of afkoelen (bufferwaarde), vochtigheid, tocht, het ontbreken aan een vorstvrije ruimte en de grote toegankelijkheid voor predatoren is de aanpalende schuur niet geschikt als verblijfplaats. Echter, het dak van de geschakelde woonboerderij is geschikt om te dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. In de nok van het dak en de kopse kant zijn diverse plaatsen waar vleermuizen toegang hebben tot de zolder, eveneens kan toegang worden verkregen door een gebroken raam die toegang biedt tot de zolder. Op de zolder zijn sporen als afgebeten vlindervleugels en uitwerpselen van grootoorvleermuizen aangetroffen. Op basis van het veldbezoek is de inschatting dat de vleermuizen geen gebruik maken van de kapschuur en de aanpalende schuur. De woonboerderij is wel geschikt als verblijfplaats, tevens zijn er sporen van grootoorvleermuis aangetroffen. Mits er, zorgvuldig wordt gewerkt, worden er geen negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen verwacht.
Als blijkt dat er verstorende werkzaamheden aan de woonboerderij worden uitgevoerd is het noodzakelijk nader onderzoek op vleermuizen uit te voeren waarna een ontheffing bij de provincie Friesland moet worden aangevraagd.
15
5.4. Vogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Huismus De habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal elementen, die binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen. De habitat moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en jongen), dekking zoals groenblijvende struiken en klimplanten, plekken voor stofbaden en drinkwater. De omgeving van het pand biedt een geschikt habitat voor deze soort (BIJ12, 2017). De kapschuur en de aanpalende schuur zijn niet geschikt als nest en verblijfplaats voor huismussen. Het dak van de woonboerderij als geheel is door de aanwezigheid van dakgoten en toegang onder het dakpannen dak, geschikt als nest- en verblijfplaats voor huismussen. Echter, door het ontbreken van een geschikt habitat, de afwezigheid van groenblijvende struiken, is de planlocatie niet geschikt voor deze soort. Overige jaarrond beschermde nestplaatsen Tijdens het onderzoek zijn er geen horsten, roekenkolonie of geschikte (oude) kraaiennesten aangetroffen in het plangebied en nabije omgeving. Geschikte bebouwing voor gierzwaluw ontbreekt, sporen als krijsstrepen, uilenballen en nestplaatsen van steen- en kerkuil zijn niet aangetroffen, waardoor nestlocaties in het plangebied zijn uitgesloten.
Overige broedvogels De planlocatie en de omgeving van het plangebied zijn geschikt voor algemene broedvogels. Het plangebied biedt mogelijkheden voor nestlocaties. In de kapschuur zijn twee (oude) nestplaatsen van vermoedelijk kauwtjes aangetroffen. Effectenbeoordeling Huismus Op de planlocatie is geen geschikt habitat van huismus aanwezig. De ruimtelijke ontwikkeling zal derhalve niet leiden tot verstoring, aantasting of vernieling van jaarrond beschermde rust- of voorplantingsplaatsen van huismus. Er worden geen negatieve effecten op huismus verwacht. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren is niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen* moeten plaatsvinden. *In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli. 5.5.
Overige soorten Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemeen soorten komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Herkomst is terug te voeren op de aanwezige waterafvoersloten rondom het perceel. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Friesland.
16
Effectenbeoordeling Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.
17
6. Conclusies 6.1. Overzicht van de bevindingen Gebiedsbescherming
Aanwezigheid
Effecten
Natura 2000 - zuurgevoeligheid
habitat/soorten mogelijk
Aanbeveling AERIUS-berekening afstemming bevoegd gezag
Overige onderdelen NNN
niet
geen
geen
Soortgroepen
Aanwezigheid
Effecten
Aanbevelingen
Flora – beschermde soorten
niet
geen
geen
Zoogdieren – gebouwbewonend
niet
geen
geen
Zoogdieren – grond-/boombewonend
mogelijk
geen
geen
Zoogdieren – vrijgestelde soorten
aanwezig
mogelijk
zorgplicht
• Kapschuur en aanpalende schuur niet • Zolder woonboerderij Ja Vleermuizen – vlieg/foerageerroute mogelijk
geen geen beperkt
geen, mits.. 2 geen, mits.. 1 geen, mits..
Vogels – jaarrond beschermde nesten
mogelijk
beperkt
geen, mits..
Vogels – algemene broedvogels
mogelijk
beperkt
zorgplicht
Amfibieën/vissen – vrijgestelde soorten
niet
geen
geen
Amfibieën/vissen – beschermde soorten
niet
geen
geen
Reptielen/ongewervelden – vrijgest. soort niet
geen
geen
Reptielen/ongewervelden – besch. soort
geen
geen
Vleermuizen – verblijfplaatsen
niet
1
= mits beperkt met licht- en trillingsbelasting wordt omgegaan
2
= mits de zorgvuldig wordt gewerkt zoals benoemd in de aanbevelingen
1
2
18
6.2. Aanbevelingen Gebiedsbescherming • N2000: Wijziging beleidsvoering: Voer een AERIUS-berekening uit om aan te bepalen of met de nieuwe ontwikkeling/inrichting negatieve effecten op N2000 gebied plaatsvinden. Uit de AERIUS-berekening zal blijken of met de voorgenomen ontwikkeling de stikstof depositie toeneemt. Als de uitkomst hiervan 0,00 is kan een vergunning worden verleend. Als de stikstof uitstoot toeneemt moet deze berekening worden voorgelegd aan bevoegd gezag (provincie Friesland). Deze zal besluiten of er een vergunning voor de voorgenomen werkzaamheden benodigd is. Fauna Vleermuizen: • De woonboerderij is geschikt als verblijfplaats, tevens zijn er sporen van grootoorvleermuis aangetroffen. De ingreep is dusdanig minimaal dat er geen negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen verwacht. •
Bij verstorende werkzaamheden aan de woonboerderij zoals isolatie werkzaamheden aan het dak en grootschalige externe- en interne verbouwingen is het noodzakelijk nader onderzoek op vleermuizen uit te voeren waarna een ontheffing bij de provincie Friesland moet worden aangevraagd. • Vleermuizenonderzoek: • Onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen bestaat uit vijf bezoeken. De onderzoeken vinden plaats in de perioden 15 mei - 15 juli en 15 augustus - 30 september, waarna mogelijk een ontheffing bij de provincie Friesland moet worden aangevraagd (Netwerk Groene Bureaus, 2021).
Vogels: •
Effecten op beschermde soorten en soortgroepen waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn uitgesloten omdat er geen aanwijzingen zijn dat dergelijke soorten binnen invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen;
•
Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten mogen nooit vernield worden. Verstoring is alleen toegestaan wanneer deze geen invloed heeft op de overleving van ouders en jongen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor;
Zorgplicht •
Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden;
Overige •
Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en wordt contact opgenomen met een inzake deskundige. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan;
•
Goedgekeurde gedragscode, ruimtelijke ontwikkeling van de vereniging Stadswerk kan worden toegepast tijdens de werkzaamheden. Hierin wordt beschreven hoe om te gaan met o.a. de algemene zorgplicht. Wel moet er een kanttekening worden geplaatst, als basis van de
19
gedragscode ligt de Flora- en faunawet. De gedragscode is recent aangepast, status in ontwerp goedgekeurd. Wanneer de nieuwe gedragscode is goedgekeurd kan deze worden gebruikt. (Vereniging Stadswerk Nederland, 2014) o In ontwerp goedgekeurde gedragscodes Vereniging Stadswerk heeft een vernieuwde gedragscode opgesteld voor de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting en bestendig beheer of onderhoud. De gedragscode kan worden toegepast tijdens de voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden op locaties met wettelijk beschermde soorten. De gedragscode geeft invulling aan aantoonbaar zorgvuldig handelen. Behoud en herstel van biodiversiteit staat hierin centraal (Vereniging Stadswerk Nederland, 2020).
20
7. Kwaliteitsborging- en geldigheid Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Otte Groenadvies hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus en de richtlijnen uit de soorten- standaarden/kennisdocumenten van RVO/BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeente/provincie en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren is niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en beheer. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.
21
8.
Bibliografie
BIJ12. (2017, Juli). Kennisdocument Huismus. Opgeroepen op november 5, 2020, van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf Gemeente Heerenveen. (2017). Opgeroepen op November 5, 2020, van https://www.heerenveen.nl/wpcontent/uploads/2016/12/Bomenlijst-Heerenveen-2017.pdf Geologie van Nederland. (z.d.). Hoogveen. Opgeroepen op november 3, 2020, van https://www.geologievannederland.nl/landschap/landschapsvormen/hoogveen Google. (z.d.). Google Maps. Opgeroepen op november 5, 2020, van https://www.google.nl/maps Helversen, D. &. (2011). Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Natuur. L.W. de Bos. (2020, oktober 7). Het vervangen van de bestaande kapschuur voor de nieuwe opslagschuur. De Knipe, Friesland. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.). Natura 2000 gebieden. Opgeroepen op november 3, 2020, van https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.). Natura 2000 gebieden. Opgeroepen op november 5, 2020, van https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx Netwerk Groene Bureaus. (2021, januari 1). Vleermuisprotocol 2017. Opgeroepen op november 5, 2020, van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol Overheid. (2015, December 16). Wet Natuurbescherming.
Opgeroepen op november 3, 2020, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-10-01 Overheid. (2015, December 16). Wet Natuurbescherming. Opgeroepen op April 2020, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-10-01 Pdok. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op november 9, 2020, van https://www.pdok.nl/viewer/ Provincie Friesland. (z.d.). Landschapstypenkaart. Opgeroepen op november 3, 2020, van https://www.fryslan.frl/home/kaarten_3208/item/landschapstypenkaart_751.html Provincie Friesland. (2014-2020). Weidevogelnota 2014-2020. Opgeroepen op november 5, 2020, van https://provinciale-begroting.frl/2019/wp-content/uploads/sites/5/2018/09/3-Weidevogelnota-2014-2020.pdf Provincie Fryslan. (z.d.). Provincie Fryslan / beleidsthema's. Opgeroepen op november 5, 2020, van https://www.fryslan.frl/beleidsthemas/natura-2000_3544/ Provincie Fryslan. (z.d.). Opgeroepen op november 5, 2020, van https://fryslan.maps.arcgis.com/home/webmap/viewer.html?webmap=eb4e12aa6eea4591af7c0f48ef6def54& extent=120990,533762,221778,617075,28992 Rijksoverheid. (2019, Oktober 12). Beslisboom: Toestemmingsverlening stikstofdepostitie bij nieuwe activiteiten. Opgeroepen op november 5, 2020, van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2019/10/12/beslisboom-toestemmingverleningstikstofdepositie-bij-nieuwe-activiteiten Rijksoverheid. (z.d.). Natuur Netwerk Nederland.
Opgeroepen op november 9, 2020, van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit
22
Vereniging Stadswerk Nederland. (2020, Juli 7). Gedragscode Soortenbescherming voor gemeenten. Opgeroepen op 3 November 2020, van https://www.rvo.nl/sites/default/files/2020/08/Gedragscode%20SW%20EIndconcept%2020200709%20v1.0.p df Vereniging Stadswerk Nederland. (2014, Oktober 22). Gedragsvode Flora- en faunawet bestendig beheer en onderhoud groenvoorzieningen. Opgeroepen op 3 November 2020, van Zoogdiervereniging. (z.d.). Steenmarter. Opgeroepen op november 5, 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter
23
Bijlage BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van het onderdeel soortbescherming gegeven, wat relevant is voor onderliggende toetsing. (Overheid, 2015) Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten Vogelrichtlijnsoorten Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen.
Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Habitatrichtlijnsoorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten in genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als er geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen Ten aanzien van vogels verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art.
3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt
24
niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de overige Europees beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de nationaal beschermde diersoorten geldt slechts een verbod op het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de nationaal beschermde plantensoorten geldt een verbod op het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1).
Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2- 4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend op de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hieronder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie.
Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af van of men kan voldoen aan de voorwaarden. Deze voorwaarden verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent - ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht - wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. 25
Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor Vogelrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en/of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor Habitatrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3.
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere soorten gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten, aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8.
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 9. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 12. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 13. in het algemeen belang.
26
Aanhaken bij de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) Er kan voor worden gekozen geen ontheffing Wnb aan te vragen, maar de toestemming aan te laten haken bij de Omgevingsvergunning. In dat geval dient het betreffende onderzoek bijgevoegd te worden bij de aanvraag Omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning vraagt vervolgens een verklaring van geen bedenking (vvbg) aan bij het bevoegd gezag Wnb. De voorwaarden waaronder de vvgb wordt afgegeven maken vervolgens onderdeel uit van de Omgevingsvergunning. Wanneer ervoor wordt gekozen de toestemming Wnb niet aan te laten haken, moet de ontheffing Wnb zijn aangevraagd voordat de Omgevingsvergunning wordt aangevraagd. (Overheid, 2015)
27