Omgevingsvergunning 2017-272 Pean
Tekst van het document
Door de voortgaande zeespiegelstijging kwam het plangebied na verloop van tijd onder invloed van de zee te liggen en ontstond hier een vlakte van getijafzettingen (code 2M72 op de geomorfologische kaart). Volgens de bodemkaart bestaan de bodems hier uit kalkarme drechtvaaggronden die zijn gevormd in zware klei (code: Mv41C). Drechtvaaggronden zijn kleigronden met binnen tachtig centimeter beneden het maaiveld veen in de ondergrond. Op de drogere delen van het dekzandlandschap zijn doorgaans podzolbodems ontstaan. Deze bestaan uit een donkerbruine, humusrijke toplaag (A-horizont) met daaronder een loodgrijze uitspoelingslaag (E-horizont). Het hieruit gespoelde materiaal, zoals ijzer en humus, is neergeslagen in de roodbruine B-horizont. Deze gaat via een oranjegele overgangslaag (de BC-horizont) over in het schone gele zand van de C-horizont. Dergelijke bodems kunnen in het plangebied aanwezig zijn in de top van in de ondergrond aanwezige dekzandhoogten. 2.3 Archeologie (KNA 4: LS04) Voor dekzandgebieden in hun algemeenheid geldt dat hierbinnen bewoningssporen kunnen worden aangetroffen die dateren vanaf het laat-paleolithicum. Vuursteenvindplaatsen van jager-verzamelaars uit het laat-paleolithicum en het mesolithicum liggen vaak op relatief hooggelegen delen van het dekzandlandschap in de nabijheid van water.
In de late middeleeuwen en de nieuwe tijd zijn de nederzettingen met name gesticht langs doorgangswegen, op kruispunten van wegen en aan de oevers van waterwegen. In de kleien veengebieden werden hiertoe vaak terpen opgeworpen. In de nabijheid van het plangebied liggen geen bekende archeologische vindplaatsen. Wel zijn in de nabijheid van het plangebied drie eerdere onderzoeken uitgevoerd. Ten noordoosten van het plangebied is door Synthegra in 2004 een booronderzoek uitgevoerd (zaaknummer 2099604100). Hierbij zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Ten zuidwesten van het plangebied is door Sweco in 2009 een booronderzoek verricht (zaaknummer 2246043100). Hoewel hier tijdens het verkennend booronderzoek in twee boringen archeologische indicatoren zijn aangetroffen (houtskool en een mestlaagje) heeft aanvullend booronderzoek geen vindplaats opgeleverd. Ten zuidoosten van het plangebied tenslotte, is door Sweco in 2008 een booronderzoek uitgevoerd (zaaknummer 2187635100). Dit heeft geen archeologische indicatoren opgeleverd.
4
Figuur 3: Nes, Pean: Archeologische kaart van de omgeving van het plangebied. De geel omlijnde locaties zijn onderzoeksgebieden met hun zaaknummers. Het plangebied is het gele vlak met zaaknummer 4627663100. Bron: Archis 3.
5
2.4 Historische geografie (KNA 4: LS03) Op de kaart van Eekhoff uit 1849-1859 bestaat het plangebied uit graslandpercelen met ten zuiden daarvan een boerderij en een molen. Deze zelfde situatie is het duidelijkst zichtbaar op de uitsnede uit de topografische kaart uit 1927 (Figuur 4). Het plangebied heeft tot aan de inrichting tot kampeerterrein in de tweede helft van de twintigste eeuw, uit grasland bestaan.
Figuur 4: Nes, Pean: uitsneden van de kaart van Eekhoff uit de periode 1849-1859 (boven) en de topografische kaart uit 1927. Bron: www.topotijdreis.nl. 6
2.5 Archeologisch verwachtingsmodel (KNA 4: LS05) Het plangebied ligt volgens de Friese Archeologische MonumentenKaart Extra (FAMKE) in een zone waarvoor geen onderzoek vereist is voor archeologische resten uit de periode ijzertijd tot en met de middeleeuwen. Voor resten uit de steentijd tot en met de bronstijd geldt volgens de FAMKE het advies Karterend Onderzoek 3. In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veenof kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan vijfduizend vierkante meter een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren, waarbij minimaal drie boringen per hectare worden geplaatst met een minimum van drie boringen per plangebied. Resten uit de steentijd zullen bestaan uit houtskool- en vuursteenconcentraties in de top van afgedekte dekzandkoppen. Dergelijke concentraties zijn vaak niet groter dan enkele tientallen vierkante meters en worden tijdens booronderzoek vooral gekenmerkt door verkoolde resten in de top van het dekzand. Door de afdekking met veen en klei zijn dergelijke vindplaatsen vaak bijzonder goed geconserveerd. Voor vindplaatsen uit de periode bronstijd tot de middeleeuwen geldt volgens de FAMKE het advies Karterend Onderzoek 1.
De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan vijfhonderd vierkante meter een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Dit archeologisch onderzoek moet bestaan uit minimaal zes boringen per hectare, met een minimum van zes boringen per plan, waarbij duidelijk wordt of er vindplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. Worden er een of meerdere vindplaatsen aangetroffen, dan zal uit nader (waarderend) onderzoek moeten blijken hoe waardevol deze vindplaatsen zijn. De aard van dit waarderend (vervolg)onderzoek hangt af van het type aangetroffen vindplaats. Het zal vaak gaan om opgehoogde terreinen met terplagen. Hierin kunnen paalsporen met houtresten bewaard gebleven zijn alsmede vlechtwerkwanden, vloeren van waterputten en talrijke aardewerkscherven en afvalresten. Door de afdekking met latere ophogingslagen zijn organische resten vaak goed geconserveerd.
7
3. Veldonderzoek (KNA 4: VS05) 3.1 Methoden en technieken (KNA 4.0 VS01, VS08) Het veldwerk is uitgevoerd op 13 september 2018. In het plangebied zijn zeven gutsboringen geplaatst in drie noord-zuid gerichte boorraaien met telkens vijftig meter afstand tussen de boringen en veertig meter afstand tussen de boorraaien. De gemiddelde boordichtheid bedraagt zes boringen per hectare. Doordat de boorpunten in naastgelegen raaien ten opzichte van elkaar verspringen, is een systeem van gelijkbenige driehoeken ontstaan zodat de boorpunten optimaal over het plangebied zijn verspreid. De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB). De hoogtes zijn gerelateerd aan het NAP met het Actueel Hoogtebestand Nederland 3. Door de aanwezige bebouwing en begroeiing was geen veldkartering mogelijk. De ligging van de boorpunten is afgebeeld in Figuur 5. De resultaten van de boringen zijn weergeven in boorprofielen in Figuur 7 en beschreven in Appendix III.
Figuur 5: Nes, Pean: Boorpuntenkaart. De genummerde punten geven de locaties van de boorpunten weer (Bron kaart ondergrond: KLIC).
8
3.2 Resultaten veldwerk (KNA 4: VS02, VS03) Bovenin elk van de boringen ligt een humusrijk kleipakket van ongeveer dertig centimeter dikte. Hieronder is een pakket matig stevige, zwak humeuze klei aanwezig. Deze klei is zwak zandig. De dikte van dit pakket loopt uiteen van ongeveer twintig centimeter in boring 4 tot ruim veertig centimeter in boring 5. Het lijkt om een pakket komklei te gaan dat onder zeer rustige omstandigheden is afgezet. In deze klei zijn geen vegetatiehorizonten of anderszins “vuile lagen” (lagen die door de aanwezigheid van antropogene verontreinigingen (houtskool, mest, fosfaat e.d) afwijken van de onder- en bovenliggende natuurlijke lagen) aangetroffen die zouden kunnen wijzen op bewoningsactiviteiten in het (verre) verleden. Onder deze klei is in alle boringen een dik pakket matig veraard veen aangetroffen. Het veen loopt op alle boorpunten door tot 2,6 à 2,8 meter beneden het maaiveld. Onder het veen is grijs, ongeoxideerd dekzand aanwezig waarvan de top is doorworteld in de beginfase van de veenvorming. Resten van podzolvorming ontbreken volledig (zie Figuur 6).
Figuur 6: Nes, Pean: Het grijze ongeoxideerde dekzand (rechts) zoals dit in het plangebied onder het veen (links) is aangetroffen.
Ondanks het zorgvuldig doorzoeken hiervan, zijn in de top van het dekzand geen archeologische indicatoren gevonden. Zelfs houtskoolspikkels, die gewoonlijk in een ruime spreiding rond steentijdvindplaatsen worden aangetroffen, ontbreken volledig. In verband hiermee is het KNA-onderdeel Waardestelling, in dit rapport niet nader uitgewerkt.
9
Figuur 7: Nes, Pean: Resultaten van het booronderzoek in de vorm van boorstaten.
10
4. Conclusies en advies (KNA 4: VS07) Het plangebied Pean 1 te Nes ligt in een deel van het dekzandlandschap dat aan het einde van het neolithicum in een veenmoeras veranderde. Vuursteenvindplaatsen van jagerverzamelaars uit het laat-paleolithicum en het mesolithicum liggen vaak op relatief hooggelegen delen van het dekzandlandschap in de nabijheid van water. Het plangebied ligt niet in een dergelijke gradiëntzone en heeft om deze reden hooguit een middelhoge verwachting voor resten van nederzettingen van jagers-verzamelaars uit de steentijd. Voor resten uit latere perioden geldt hooguit een middelhoge verwachting voor huisplaatsen uit de late-middeleeuwen en de nieuwe tijd. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn in het plangebied zeven boringen geplaatst. Uit de resultaten hiervan blijkt dat in het gebied een afgedekt dekzandlandschap aanwezig is op 2,6 à 2,8 meter beneden het maaiveld. Het dekzand is ongeoxideerd en vertoont geen sporen van bodemvorming en is derhalve nooit geschikt geweest voor bewoning. Het dekzand is afgedekt door een ongeveer twee meter dik veenpakket. Bovenop dit veenpakket ligt een dun pakket klei dat onder zeer rustige omstandigheden lijkt te zijn afgezet. Selectie-advies door senior KNA-prospector drs. R.P.
Exaltus Het in de ondergrond aanwezige dekzand is ongeoxideerd en vertoont geen sporen van bodemvorming en is derhalve nooit geschikt geweest voor bewoning. Dit wordt bevestigd door het volledig ontbreken van archeologische indicatoren in de top van dit dekzand. Het dekzand is in de loop van het neolithicum overgroeid met veen. Gedurende de vorming hiervan was het landschap evenmin geschikt voor bewoning. Het dunne kleipakket dat het veen afdekt vertoont geen vegetatiehorizonten of overige “vuile lagen” die samen zouden kunnen hangen met bewoning in het verleden. In verband met het bovenstaande geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding tot het adviseren van nader archeologisch onderzoek. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk toch archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, hiervan direct melding dient te worden gemaakt conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Heerenveen.
11
Gebruikte bronnen AHN-Viewer. www.AHN.nl. Actueel Hoogtebestand Nederland. Rijkswaterstaat, Adviesdienst Geo-informatie en ICT. ARCHIS 3. http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/ Bodemkaart van Nederland 1:50.000. Blad 11 West. Heerenveen. Stichting voor Bodemkartering. Wageningen, 1985. Bosch, J.H.A. Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode. Archeologie Leidraad 3., 7 maart 2005. Centraal Archeologisch Archief (CAA) en Centraal Monumenten Archief (CMA) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) [ARCHIS]. Geomorfologische Kaart van Nederland. Schaal 1:50.000. via www.ARCHIS.nl Kadata via www.kadaster.nl. Topografische Kaart 1:25.000 van Topografische Dienst Kadaster, Emmen 2014. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.0. www.SIKB.nl. Centraal College van Deskundigen Archeologie, 9 december 2013. Osinga, M. & H. Boon, 2009. Archeologisch Onderzoek Birstumerrak. Inventariserend Veldonderzoek. Grontmij Archeologische Rapporten 792. Grontmij Nederland bv, Assen (nu Sweco). www.topotijdreis.nl Vos, P. & S. de Vries. Paleogeografische Kaarten van Nederland, tweede generatie (versie 2.0). Deltares, Utrecht 2013. Op 11 april 2014 gedownload van www.archeologieinnederland.nl.
Lijst van figuren en tabellen Figuren 1 Topografische kaart 1:25.000 2 Foto van het noordelijke deel van het plangebied 3 Archeologische kaart 4 Uitsneden van de kaart van Eekhoff uit 1849-1859 en topografische kaart uit 1927 5 Boorpuntenkaart 6 Foto van de overgang tussen het veen en het onderliggende dekzand 7 Resultaten van het booronderzoek in de vorm van boorstaten
Tabellen 1 Administratieve gegevens
Ecologische inventarisatie Pean 1 Nes Opdrachtgever:
Zeilschool Pean
Onderwerp:
Ecologische inventarisatie Pean 1, Nes-Akkrum
Datum:
23-10-2018
projectnummer:
553.10.50.00.00.00
Inleiding KADER De zeilschool Pean is van plan om op het terrein van zeilschool ‘Pean' enkele vakantiehuisjes te realiseren. Om de uitvoerbaarheid van dit plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb)1 of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het projectgebied ten behoeve van de inventarisatie op 4 september 2018 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De weersomstandigheden waren: licht bewolkt, circa 24˚C, droog en weinig wind. Aanvullend is van 12 tot en met 18 oktober 2018 soortgericht onderzoek uitgevoerd naar de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten waterspitsmuis en noordse woelmuis. PROJECTGEBIED De zeilschool is gelegen in het landelijk gebied ten noorden van Akkrum en ten oosten van Grou en grenst aan watergang ‘De Graft’ welke uitmond in het meer ‘Peanster Ee’. Het projectgebied betreft het campingterrein ten noorden van de bedrijfsgebouwen en het ten oosten hiervan gelegen bosperceel begroeid met jonge bomen, struiken en ruigte kruiden. Tussen deze twee delen ligt een watergang. Op het campingterrein zijn naast enkele vakantiewoningen, groenstructuren in de vorm van (oudere) bomen, struiken en gras aanwezig. Ten noorden en oosten van het bosperceel liggen watergangen.
De voorgenomen plannen bestaan uit de realisatie van circa 11 vakantiewoningen en een waterpartij. Hiertoe worden de bestaande vakantiewoningen verwijderd, wordt de tussengelegen watergang gedempt en worden zowel oudere als jongere bomen gekapt. De watergangen aan de noord- en oostzijde blijven behouden. De navolgende foto’s geven een impressie van het projectgebied op 4 september 2018.
1 De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van
(Europese) natuurgebieden.
Linksboven: bestaande camping. Rechtsboven: watergans tussen camping en bosperceel. Linksonder: watergang ten oosten van bosperceel. Rechtsonder: bosperceel gezien vanuit oosten.
datum 23-10-2018
projectnummer 553.10.50.00.00.00
2
Soortbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: -
alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4);
-
dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9);
-
nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde ‘lijst met vrijstellingen’ opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. INVENTARISATIE Uit het raadplegen van de Nationale Database Flora en Fauna2 (NDFF) via Quickscanhulp.nl3 (© NDFF - quickscanhulp.nl 04-09-2018 14:59:22) blijkt dat binnen een straal van een kilometer rond het projectgebied diverse beschermde diersoorten bekend zijn. Het betreffen vogels met jaarrond beschermde nesten, zoogdieren en amfibieën. In het projectgebied zijn naast Engels raaigras enkele algemene plantensoorten als hondsdraf, geel nagelkruid, gewone brandnetel, gewone paardenbloem, klimop, meidoorn, wilde kastanje, zwarte els, hazelaar en wilg aangetroffen. In en rond de watergang zijn plantensoorten als riet, koninginnekruid en kroos aangetroffen. Beschermde plantensoorten zijn niet bekend uit de omgeving van het projectgebied (Quickscanhulp.nl). Deze zijn eveneens niet aangetroffen tijdens het veldbezoek en worden gezien de terreingesteldheid ook niet in het projectgebied verwacht. In het projectgebied zijn geen nesten van broedvogels met een jaarrond beschermde nestplaats aangetroffen.
Mogelijk vormt het projectgebied wel een klein onderdeel van het foerageergebied van soorten als buizerd en ransuil, die voorkomen in de omgeving van het projectgebied (Quickscanhulp.nl). In de groenstructuren zijn wel diverse meer algemeen voorkomende broedvogels broedend te verwachten waaronder vink, merel, tjiftjaf, Turkse tortel en rietzanger. Door het ontbreken van geschikte bebouwing (de vakantiewoningen herbergen geen potentiële verblijfplaatsen zoals een spouwmuur en ruimte onder dakpannen en boeiboorden en ruimten (zoals holten en scheuren) in bomen kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen in het projectgebied worden uitgesloten. Het projectgebied is wel voor soorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger geschikt als foerageergebied. In het projectgebied zijn geen doorgaande lijnvormige structuren aanwezig die door vleermuizen gebruikt kunnen worden als onderdeel van een vliegroute. De aan
2
Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF is de meeste complete natuurdatabank van Nederland. De NDFF geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren en bevat uitsluitend gevalideerde gegevens: de Gegevensautoriteit Natuur heeft vastgesteld dat ze kloppen. Informatie is te vinden op www.natuurloket.nl.
3
Quickscanhulp.nl is een online applicatie waarmee een afgeleide van data uit de NDFF wordt weergegeven. Het is daarmee een hulpmiddel voor ervaren ecologen om te bepalen of een beschermde soort wel of niet in het projectgebied kan voorkomen. Quickscanhulp.nl geeft aan op welke afstand waarnemingen van beschermde soorten in relatie tot het projectgebied zijn aangetroffen. Voor Quickscanhulp.nl worden alleen gevalideerde waarnemingen gebruikt, de Gegevensautoriteit Natuur staat hiervoor in.
datum 23-10-2018
projectnummer 553.10.50.00.00.00
3
de westzijde van het projectgebied gelegen watergang De Graft is wel geschikt als vliegroute voor meervleermuis en watervleermuis. In en langs de watergang die dwars door het projectgebied loopt en deels ook in en langs de watergang aan de noordzijde van het projectgebied is suboptimaal geschikt leefgebied (rijk begroeide oevers) aangetroffen voor de beschermde (en niet-vrijgestelde) waterspitsmuis en noordse woelmuis. Daarnaast is van deze soorten het voorkomen bekend uit de omgeving van het projectgebied (o.a. Quickscanhulp.nl, telmee.nl en verspreidingsatlas.nl). Tijdens het soortgericht muizenonderzoek dat is uitgevoerd, zijn zowel waterspitsmuis als noordse woelmuis niet aangetroffen (Melis 20184). Verblijfplaatsen of onmisbaar leefgebied van overige niet-vrijgestelde (en dus beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten worden gezien de terreingesteldheid en het ontbreken van geschikt biotoop niet verwacht in het projectgebied. Tijdens het muizenonderzoek zijn wel de algemene grondgebonden zoogdiersoorten veldmuis, rosse woelmuis en dwergmuis aangetroffen. Voor deze te verwachten algemene soorten geldt in de provincie Fryslân een vrijstelling van de verbodsartikelen van de Wnb.
Het oppervlaktewater in en in de directe omgeving van het projectgebied biedt geschikt voortplantingsbiotoop voor de algemene amfibieënsoorten bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander. De oevers en bosschages in het projectgebied vormen geschikt landbiotoop voor deze soorten waarvoor in de provincie Fryslân een vrijstelling geldt van de verbodsartikelen van de Wnb bij ruimtelijke ontwikkelingen. Geschikt leefgebied voor beschermde en niet-vrijgestelde amfibieën ontbreekt in het projectgebied. Dergelijke soorten zijn zodoende niet te verwachten in het projectgebied. De watergang in het projectgebied vormt geen geschikt leefgebied voor de uit de wijdere omgeving bekende beschermde vissoort grote modderkruiper (Quickscanhulp.nl). Door de aanwezigheid van watervegetatie vormt de watergang aan de noordzijde van het projectgebied wel potentieel leefgebied voor deze soort. Uit de wijde omgeving (1-5 km) van het projectgebied is het voorkomen bekend van de beschermde reptielensoort ringslang (Quickscanhulp.nl en ravon.nl). Door de aanwezigheid van potentieel leefgebied, kan deze soort in het projectgebied niet worden uitgesloten. Zo is voor deze soort ter hoogte van het projectgebied leefgebied aanwezig in en langs De Graft en op het dijkje tussen De Graft en de camping.
In het projectgebied zelf is hooguit landbiotoop aanwezig in de vorm overwinteringsplekken onder bijvoorbeeld de vakantiewoningen of takkenafval dat verspreid langs het bosperceel ligt. Potentiële broeihopen5, met broeimateriaal zoals bladafval of mest, zijn niet aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Beschermde soorten uit de soortgroep ongewervelden zijn niet in het projectgebied te verwachten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop.
TOETSING 4 Melis, J., 2018. Nader onderzoek Nes; vallenonderzoek naar noordse woelmuis en waterspitsmuis in het kader van de Wet Na-
tuurbescherming (Wnb). JME-rapport 18-048. John Melis ecologie, Jubbega. 5 Voor het uitbroeden van de eieren van ringslang.
datum 23-10-2018
projectnummer 553.10.50.00.00.00
4
Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen in gebruik zijnde nesten van de meer algemeen voorkomende vogels worden verstoord of vernietigd, dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Het projectgebied zal ook na herinrichting geschikt zijn en blijven als foerageergebied voor vleermuizen. Hierop zijn dan ook geen negatieve effecten te verwachten. Hoewel de watergang De Graft (geschikt als vliegroute voor meervleermuis en watervleermuis) niet betrokken is bij de plannen, is het bij het eventueel plaatsen van kunstverlichting op de camping wel van belang rekening te houden met deze potentiële functie. Vooral meervleermuizen zijn gevoelig voor kunstlicht. Negatieve effecten op een vliegroute kunnen worden voorkomen door ervoor te zorgen dat bij het plaatsen van kunstverlichting geen lichtuitstraling op De Graft plaatsvindt. In het projectgebied zijn geen exemplaren van de beschermde waterspitsmuis en noordse woelmuis aangetroffen.
Op basis van het uitgevoerde veldonderzoek kan geconcludeerd worden dat deze soorten niet voorkomen in het projectgebied. Het aanvragen van een ontheffing van de Wnb is voor deze soorten niet aan de orde. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en zoogdierensoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Fryslân. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Negatieve effecten op de beschermde vissoort grote modderkruiper zijn niet te verwachten, aangezien de watergang met potentieel leefgebied niet betrokken is bij de beoogde plannen. Als gevolg van de beoogde werkzaamheden kunnen potentiële winterverblijfplaatsen van enkele ringslangen verstoord worden en verloren gaan. Om met zekerheid schade aan de soort te voorkomen, dienen de potentiële winterverblijfplaatsen (vakantiewoningen en takkenafval) te worden verwijderd voor de start van de overwinteringsperiode van ringslang (deze begint medio oktober). Negatieve effecten op de instandhouding van deze soort zijn niet te verwachten.
Naast dat hier hooguit een enkel exemplaar wordt verwacht, blijft in het projectgebied (in het deels te behouden bosperceel) en directe omgeving (groenstructuren) tijdens en na de werkzaamheden in ruime mate geschikt overwinteringsbiotoop voorhanden. Voor de soortgroepen flora en ongewervelden kunnen negatieve effecten op in het kader van de Wnb beschermde soorten worden uitgesloten.
Gebiedsbescherming
datum 23-10-2018
projectnummer 553.10.50.00.00.00
5
Voor onderhavig projectgebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. WET NATUURBESCHERMING In de Wnb is de bescherming van Natura 2000-gebieden, geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000gebied. NATUURNETWERK NEDERLAND Het Natuurnetwerk Nederland (NNN - voormalige Ecologische Hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is voor de provincie Fryslân uitgewerkt in de Verordening Romte Fryslân 2014. NATUUR BUITEN HET NNN Vanuit het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid wordt verder buiten de NNN-gebieden bij ruimtelijke plannen specifiek ingezet op de bescherming van weidevogelgebieden.
INVENTARISATIE Het projectgebied ligt op een afstand van ruim drie kilometer ten zuidwesten van het dichtstbijzijnde in het kader van de Wnb beschermde gebied, te weten Natura 2000-gebied Alde Feanen. Direct grenzend aan het projectgebied ligt NNN-water, te weten De Graft. Volgens de kaart op ruimtelijkeplannen.nl ligt het projectgebied op een afstand van circa 35 meter van een gebied dat is aangewezen als weidevogelkansgebied. TOETSING Gezien de afstand tot in het kader van de Wnb beschermde gebieden, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van de ontwikkeling, zijn met betrekking tot het voorgenomen project geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten. Daarnaast vinden er geen werkzaamheden plaats in het NNN-water en in de weidevogelkansgebieden, zodoende zijn hierop eveneens geen negatieve effecten te verwachten. Bij de uitvoering van de werkzaamheden dient echter wel rekening te worden gehouden met de nabijgelegen ligging van de weidevogelkansgebieden (Verordening Romte Fryslân). Van belang is dat er geen verstoring van (broedende) weidevogels plaatsvindt. Dit kan door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen (zie hiervoor ook onder het kopje ‘toetsing’ bij de soortenbescherming.
Deze inventarisatie geeft geen aanleiding voor een voortoets in het kader van de Wnb of een nadere analyse van effecten op het NNN of weidevogelkansgebieden.
Conclusie
datum 23-10-2018
projectnummer 553.10.50.00.00.00
6
Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie en het aanvullend soortgericht muizenonderzoek, is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van het plan een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Van het doen van aanvullend onderzoek en de aanvraag van een ontheffing op grond van de Wnb is in voorliggende situatie geen sprake. Wel komt uit de inventarisatie naar voren dat rekening moet worden gehouden met het broedseizoen van vogels, de potentiële vliegroute van meervleermuis en watervleermuis en met eventuele overwinterende ringslangen. Een nadere analyse in het kader van de gebiedenbescherming van de Wnb is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. De ontwikkeling is daarnaast op het punt van provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân.
datum 23-10-2018
projectnummer 553.10.50.00.00.00
7