CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Memo rechterlijke uitspraken

Raadsvergadering 28 januari 2021, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Interpellatieverzoek over het gevoerde beleid ten aanzien van de terugvordering van de bijstand en de handelswijze van het college daaromtrent9.323 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Relevante gebruikte jurisprudentie in de zaak Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:719 12/1073 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 januari 2012, 11/7408 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te[woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college) Datum uitspraak: 4 maart 2014 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. drs. J. de Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2013. Appellant is, daartoe opgeroepen, met bericht niet verschenen. Voor hem zijn verschenen mr. drs. De Visser en de broer van appellant, [naam broer appellant]. Het college, daartoe eveneens opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontvangt sinds 10 februari 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). 1.2. In november 2010 heeft een medewerker van het Werkplein Den Haag Noord een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand ingesteld.

In dat kader heeft appellant bankafschriften overgelegd en zowel schriftelijk als mondeling een toelichting op zijn financiële situatie gegeven. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de broer van appellant, [naam broer appellant] (broer), een aantal van de vaste lasten van appellant voor hem betaalt, te weten zijn huur, zijn energierekening en de premie van zijn ziektekostenverzekering. Het gaat om een maandelijks bedrag van in totaal € 592,32. Gebleken is dat de betaling van deze lasten door de broer plaatsvindt vanaf 2007. 1.3. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 3 mei 2011, zoals gehandhaafd bij het besluit van 15 augustus 2011 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 november 2010 herzien en de over die periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 30.557,87. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat in deze periode de vaste lasten van appellant (huur, energiekosten en ziektekostenverzekering) door zijn broer zijn voldaan. Deze betalingen hebben betrekking op kosten die met het levensonderhoud samenhangen en geacht worden in de bijstandsnorm te zijn begrepen.

Het college beschouwt deze betalingen dan ook niet als giften maar als middelen die bij de vaststelling van de omvang van de bijstand in aanmerking moeten worden genomen. Appellant heeft hierover indertijd geen inlichtingen verstrekt. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college de maandelijkse betaling van de

vaste lasten door de broer van appellant terecht heeft aangemerkt als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB. Het college heeft voorts terecht schending van de wettelijke inlichtingenverplichting aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot herziening en terugvordering gebruik heeft kunnen maken. Van dringende redenen op grond waarvan het college had moeten afzien van terugvordering is niet gebleken en ook is geen sprake van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Appellant heeft psychische problemen. Zijn broer heeft op allerlei manieren geprobeerd voor hem hulp in te schakelen, maar dat is zonder resultaat gebleven. Om ervoor te zorgen dat geen levensbedreigende situatie kon ontstaan, heeft de broer toen bijgedragen aan het totale kostenpakket. Deze bijdrage kan als een buiten-reguliere vorm van bijzondere bijstand worden beschouwd. Het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat de belangen onjuist zijn afgewogen.

De hulpverlening heeft gefaald en het is buiten alle proporties de rekening, al dan niet via appellant, bij de hulpverlenende broer neer te leggen. De betalingen van de broer hebben niet gediend ter vervanging of aanvulling van de bijstand die het college wettelijk verplicht was te betalen. Appellant besteedde zo’n € 600,- per maand aan buitensporige en dwangmatige uitgaven voor voeding. De broer heeft de, eigenlijk ten laste van het college komende, kosten van de vaste lasten voor zijn rekening genomen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De hier door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt van 1 januari 2007 tot en met 30 november 2010. 4.2.1. Artikel 11, eerste lid, van de WWB bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. 4.2.2. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. 4.2.3.

Op grond van artikel 19, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, heeft een alleenstaande recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm. 4.2.4. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen gerekend. 4.2.5. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de WWB, zoals dat ten tijde van belang luidde, wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (a) inkomsten betreffen uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31,

tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en (b) betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. 4.3. Niet in geschil is dat de broer appellant in de te beoordelen periode financieel heeft ondersteund door voor hem de vaste lasten van huur, energie en ziektekostenverzekering (vaste lasten) te betalen tot een totaal bedrag van € 592,32 per maand. Appellant leed in die periode aan een eetstoornis, die hem noopte tot dwangmatig kopen en consumeren van grote hoeveelheden voedsel. Hij heeft daar destijds volgens zijn broer tevergeefs hulp voor gezocht. 4.4.1. Appellant heeft gesteld dat hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat het recht op bijstand en de hoogte daarvan niet beïnvloed kunnen worden door de betalingen van zijn broer.

De broer heeft de betalingen verricht om de negatieve gevolgen van de eetstoornis voor appellant weg te nemen en zo te voorkomen dat appellant zou moeten leven zonder ziektekostenverzekering en zonder een dak boven zijn hoofd. 4.4.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. De broer heeft in de periode hier van belang betalingen verricht voor appellant, waardoor appellant zijn vaste lasten niet zelf meer behoefde te voldoen en het daarvoor bestemde deel van de bijstand op andere wijze kon besteden. Appellant heeft daarvan geen mededeling gedaan aan het college. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellant, gelet op het aanvullend karakter van de bijstand, redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed konden zijn op zijn recht op bijstand. Anders dan appellant kennelijk veronderstelt is het ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB niet aan hem om te beoordelen of de betalingen van de broer van belang kunnen zijn voor de bijstandsverlening, omdat het, gelet op de tekst van deze bepaling, om een objectief geformuleerde verplichting gaat. Na melding is het vervolgens aan het college om te bepalen of, en zo ja op welke wijze, met de betalingen bij de verlening van bijstand rekening moet worden gehouden.

Voor zover bij appellant al twijfel kon bestaan over de reikwijdte van de inlichtingenverplichting of het belang van de voor hem gedane betalingen voor de voortzetting van de verleende bijstand, had hij daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met het college om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat appellant door van de betalingen geen mededeling te doen aan het college de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. 4.4.3. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of het college terecht de door de broer verrichte betalingen aan derden heeft beschouwd als middelen van appellant in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB. 4.4.4. Het college heeft zich ter zitting desgevraagd op het standpunt gesteld dat hier van beschikken in de zin van die bepaling sprake is, zij het indirect. Doordat de vaste lasten niet meer door appellant behoeven te worden voldaan, kan hij beschikken over de gelden die hij anders voor de betaling van die lasten had moeten aanwenden. 4.4.5. Gelet op het complementaire karakter van de bijstand wordt in artikel 31, eerste lid, van de WWB een ruime definitie gehanteerd van het begrip middelen (Kamerstukken II, 2002/02, 28 870, nr. 3, blz. 56). Tot de middelen worden in beginsel alle inkomens- en vermogensbestanddelen gerekend die strekken tot vermindering van de bijstand.

Het gaat daarbij bovendien niet alleen om de middelen waarover de betrokkene beschikt (de feitelijk ontvangen middelen), maar ook om die

middelen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken, als uitvloeisel van de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086) moet, mede gelet op artikel 11, eerste lid, van de WWB, de term beschikken zo worden uitgelegd dat dit ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan. 4.4.6. Vaststaat dat het hier niet gaat om feitelijk door appellant ontvangen middelen, omdat de betalingen niet over de kas of de rekening van appellant liepen. De broer heeft de bedragen van zijn eigen rekening opgenomen en vervolgens gestort op de rekening van derden. De betalingen kunnen dan ook niet worden gerekend tot de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB bedoelde middelen waarover betrokkene feitelijk beschikt. 4.5.1. Tot de middelen waarover de betrokkene redelijkerwijs kan beschikken worden in het algemeen slechts gerekend de middelen waarop de betrokkene in beginsel (een rechtens afdwingbare) aanspraak heeft. In die situatie moet vervolgens worden beoordeeld of in redelijkheid kan worden gevergd dat de betrokkene die aanspraak te gelde maakt. 4.5.2. In dit geval had appellant jegens de broer geen aanspraak op diens betaling van zijn vaste lasten.

In zoverre kon appellant dus niet over de daarmee gemoeide middelen beschikken. 4.6.1. Of een betrokkene in een geval dat een derde voor hem rechtstreeks betaalt aan zijn debiteur, niettemin geacht moet worden redelijkerwijs te hebben kunnen beschikken over de betreffende bedragen hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij is het leidend criterium of de betrokkene zelf feitelijk kan of heeft kunnen bewerkstelligen dat deze bedragen nog voor (andere) kosten van zijn levensonderhoud worden aangewend. 4.6.2. Het gaat hier om betalingen waarvan de broer de bestemming heeft bepaald. De broer heeft ervoor gekozen om juist díe betalingen te verrichten die appellant in de gelegenheid stelden zijn huisvesting te behouden en verzekerd te blijven voor ziektekosten. Zoals de broer ter zitting heeft toegelicht, was hij alleen bereid de allernoodzakelijkste kosten te voldoen om te voorkomen dat appellant ten gronde zou gaan. Appellant heeft weliswaar ingestemd met deze betalingen en daarvoor noodzakelijke gegevens verstrekt, terwijl daarmee bovendien in de kosten van het levensonderhoud van appellant werd voorzien, maar hij heeft niet kunnen bewerkstelligen dat deze bedragen zo nodig of desgewenst voor andere kosten van zijn levensonderhoud werden aangewend.

De conclusie moet dan ook zijn dat appellant niet redelijkerwijs over de betreffende bedragen heeft kunnen beschikken. 4.7.1. Gelet op de onder 4.4 tot en met 4.6 gegeven uitleg van de term (redelijkerwijs kunnen) beschikken zijn de betalingen die de broer ten behoeve van appellant aan derden heeft gedaan niet aan te merken als middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB. 4.7.2. Gelet op 4.7.1 berust het bestreden besluit niet op een juiste wettelijke grondslag. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de wet vernietigen. Met het oog op definitieve geschillenbeslechting zal de Raad onderzoeken of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten kunnen worden. Daartoe wordt het volgende overwogen. 4.8.1. Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat een ieder in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in de kosten van het bestaan. De bijstand vult aan wanneer eigen middelen

en andere voorzieningen niet toereikend zijn om in die noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. De WWB is complementair ten opzichte van voorliggende voorzieningen en vervult een sluitstukfunctie. Het in artikel 18, eerste lid, van de WWB neergelegde individualiseringsbeginsel vloeit voort uit het complementariteitsbeginsel en het noodzakelijkheidscriterium. 4.8.2. De betalingen die de broer aan derden heeft gedaan hebben periodiek en structureel plaatsgevonden. Met deze betalingen werd volledig voorzien in bepaalde kosten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant. Doordat appellant deze kosten niet meer zelf behoefde te voldoen uit de bijstandsnorm leverde hem dit een substantiële besparing op. 4.8.3. Op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB is het college gehouden om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokkene. Deze bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging slechts plaats in zeer bijzondere situaties (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8450). 4.8.4.

Gelet op wat in 4.8.2 is overwogen, kan een dergelijke bijzondere situatie hier worden aangenomen. Afstemming op de omstandigheden van appellant is daarom aangewezen in die zin dat geen algemene bijstand behoefde te worden verleend in de specifieke kosten waarin door de broer is voorzien. Als appellant zijn wettelijke inlichtingenverplichting was nagekomen en het college tijdig ervan in kennis had gesteld dat zijn broer de vaste lasten van huur, energie en ziektekostenverzekering tot een bedrag van € 592,32 per maand voor hem betaalde, had het college de bijstand met dat bedrag dienen te verlagen. Het ging hier immers om kosten die in beginsel uit de bijstandsnorm moeten worden voldaan. 4.8.5. Het betoog van appellant dat de betalingen van de broer moeten worden beschouwd als buitenreguliere bijzondere bijstand, verschaft in verband met de hoge uitgaven van appellant voor voeding, slaagt niet. Voor bijzondere bijstand had appellant zich tijdig met een aanvraag moeten wenden tot het college, dat als enige bevoegd is bijzondere bijstand te verlenen. Betalingen door een familielid aan derden gedaan kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere bijstand. 4.9.1. Gelet op wat onder 4.8 is overwogen, kan de verlaging van de bijstand met een maandelijks bedrag van € 592,32 wel standhouden op de in die overwegingen besproken gronden.

Het college was dan ook bevoegd de bijstand over de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 november 2011 te herzien. De vraag of appellant in die periode kosten heeft gemaakt waarvoor bijzondere bijstand had moeten worden verleend kan, nu daartoe geen aanvraag is ingediend, in het kader van de herziening niet meer aan de orde komen. 4.9.2. Het college voert het beleid dat in een geval van schending van de wettelijke inlichtingenverplichting de gemaakte kosten van bijstand altijd worden teruggevorderd, tenzij sprake is van dringende redenen. Daarbij moet het gaan om gevallen waarin de terugvordering een zo grote belasting vormt voor de debiteur dat sprake is van levensbedreigende omstandigheden. Appellant heeft aangevoerd dat de broer hulp heeft geboden waar anderen dit hadden moeten doen, terwijl de broer voldoende heeft gedaan om hulp in te schakelen en dat het onder die omstandigheden onbillijk zou zijn de rekening, al dan niet via appellant, bij de hulpverlenende broer neer te leggen. 4.9.3. Voorop staat dat de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant en niet van zijn broer worden teruggevorderd. De aangevoerde omstandigheden zijn voorts niet het gevolg van het

besluit tot terugvordering en kunnen daarom volgens het beleid geen dringende redenen vormen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Wat betreft de financiële gevolgen van het besluit tot terugvordering wordt vastgesteld dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellant de vordering inlost met een maandelijks bedrag van € 92,62, welk bedrag op zijn lopende bijstandsuitkering wordt ingehouden. Het aangevoerde levert evenmin grond op voor het oordeel dat het college met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van terugvordering had behoren af te zien. 4.10. Gelet op wat onder 4.8 en 4.9 is overwogen dienen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te worden gelaten. 5. Voor dit geding ten overvloede merkt de Raad nog op dat het hem geraden voorkomt dat het college, indien en zolang gegronde redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat appellant zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen te komen, zich met appellant en/of diens broer verstaat om tot een passende oplossing van de persoonlijke problematiek van appellant te komen, bijvoorbeeld door inschakeling van professionele hulp, bijzondere bijstandsverlening en/of toepassing van artikel 57, aanhef en onder a, van de WWB. 6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant.

Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

Relevante gebruikte jurisprudentie in de zaak

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5133 08/5234 WWB (Rectificatie) Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer UITSPRAAK op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 juli 2008, 07/5158 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College) Datum uitspraak: 24 november 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. de Jong, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.W. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Tilburg. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante ontving bijstand sedert 1983, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. 1.2. Nadat tijdens een heronderzoek uit de bankafschriften over de periode januari 2006 tot en met april 2006 was gebleken dat er slechts drie maal betalingen zijn gedaan ten behoeve van de kosten van levensonderhoud, heeft het Team Fraudebestrijding een nader onderzoek naar de financiële situatie van appellante ingesteld.

De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 augustus 2006. De resultaten van het onderzoek waren voor het College aanleiding om bij besluit van 17 augustus 2006 de bijstand te beëindigen (lees: in te trekken) met ingang van 1 augustus 2006 op de grond dat appellante niet de informatie heeft verstrekt die noodzakelijk is voor de voorzetting van de verlening van bijstand. 1.3. Bij besluit van 9 november 2006, voor zover hier van belang, heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 17 augustus 2006 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en - met een verwijzing naar artikel 18 van de WWB - bepaald dat met ingang van 1 augustus 2006 de hoogte van de bijstand € 700,-- per maand bedraagt. 1.4. Bij uitspraak van de rechtbank van 1 juni 2007, 06/6127, heeft de rechtbank - met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 november 2006 wegens een motiveringsgebrek vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Partijen hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. 1.5. Bij besluit van 1 november 2007 heeft het College, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2006 wederom gegrond verklaard en dat besluit herroepen.

Het College heeft verder wederom bepaald dat de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2006 wordt herzien in die zin dat de hoogte van de bijstand wordt vastgesteld op een bedrag van € 700,-- per maand. Daartoe heeft het College overwogen dat appellante in de gehele periode januari 2006 tot en met mei 2007 nauwelijks uitgaven voor levensmiddelen, persoonlijke verzorgingsproducten en kleding heeft gehad, dat zij voor dergelijke

uitgaven door haar familie wordt onderhouden, dat de bijstand met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB op die situatie wordt afgestemd en aan appellante slechts bijstand wordt verleend voor aantoonbare vaste lasten en tot een bedrag van € 75,-- voor persoonlijke uitgaven. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 november 2007 ongegrond verklaard. 3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Artikel 18, eerste lid, van de WWB houdt voor het college de verplichting in om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Genoemde bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Deze verplichting kan meebrengen dat een verlaging van de uitkering dan wel van de toeslag is aangewezen. De Raad heeft reeds eerder overwogen (zie zijn uitspraken van 3 januari 2006, LJN AU9217, en 2 december 2008, LJN BG5928) dat voor een dergelijke verlaging slechts plaats is in zeer bijzondere situaties. 4.2.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat appellante in de periode die onmiddellijk voorafgaat aan het primaire besluit van 17 augustus 2006 weinig geld uitgaf aan levensmiddelen en toiletartikelen. Evenmin is in geschil dat appellante vaak bij familieleden (moeder, zus, dochters) at en dat zij bij haar verjaardag en bij feestdagen toiletartikelen van haar familieleden cadeau kreeg en op deze wijze in staat werd gesteld haar uitgaven voor levensmiddelen en toiletartikelen beperkt te houden. 4.3. Anders dan de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat de in de vorige overweging vermelde feiten en omstandigheden geen zeer bijzondere situatie opleveren die met ingang van 1 augustus 2006 een verlaging van de bijstand tot een bedrag van € 700,-- per maand rechtvaardigt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat algemene bijstand wordt verleend naar een all-in-norm, hetgeen impliceert dat degene die algemene bijstand ontvangt de vrijheid heeft de bijstand te besteden op een wijze die hem goeddunkt. Appellante heeft van die keuzevrijheid gebruik gemaakt om met de hiervoor omschreven, niet met bijstandsverlening onverenigbaar te achten hulp van familieleden haar uitgaven voor levensmiddelen en toiletartikelen beperkt te houden zodat zij de daardoor bespaarde bijstand op een andere wijze kon besteden. 4.4.

De Raad is op grond van het bovenstaande van oordeel dat het besluit van 23 juli 2007 niet op een deugdelijke motivering berust en derhalve in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend, hetgeen ertoe leidt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - met gegrond verklaring van het beroep - het besluit van 1 november 2007 vernietigen, behoudens voor zover daarbij het besluit van 17 augustus 2006 is herroepen. 5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het besluit van 1 november 2007, behoudens voor zover daarbij het besluit van 17 augustus 2006 is herroepen; Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen aan appellante en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- te betalen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het College aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2009. (get.) R.H.M. Roelofs. (get.) .L.G. Boot.

Ten aanzien van objectieve en verifieerbare gegevens zijn heel veel uitspraken te vinden.

ECLI:NL:CRVB:2019:3662 18 1993 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 19 november 2019 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 februari 2018, 17/2743 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.A. Knopper, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Knopper. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Driel. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant was gehuwd en exploiteerde samen met zijn echtgenote vanaf 1 januari 2008 een koeriersbedrijf onder de naam [naam bedrijf] (bedrijf). Op 2 februari 2017 is de inschrijving van het bedrijf bij de Kamer van Koophandel wegens opheffing van de onderneming ambtshalve doorgehaald. 1.2. Appellant heeft zich op 30 november 2016 gemeld voor het aanvragen van bijstand op grond van de Participatiewet, waarna de aanvraag op 1 december 2016 is ingediend. Appellant heeft bij zijn aanvraag als reden opgegeven dat zijn financiële situatie is gewijzigd door echtscheiding.

1.3. Op 19 december 2016 heeft een medewerker van [werkbedrijf] (medewerker), het werkbedrijf voor de arbeidsmarktregio [regio], waar de gemeente Helmond in deelneemt, met appellant een intakegesprek gevoerd. In dat gesprek heeft appellant onder meer verklaard dat hij sinds eind september 2016 geen inkomsten meer uit het bedrijf heeft en tot dan toe heeft geleefd van vrienden die hem contant geld hebben geleend. Bij brief van 23 december 2016 heeft de medewerker appellant onder meer gevraagd om objectieve en verifieerbare gegevens waaruit blijkt hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien in de periode vanaf 1 augustus 2016 te verstrekken. Bij brief van 27 december 2016 heeft appellant hierop gereageerd en aanvullende gegevens overgelegd. Uit de onder meer door appellant overgelegde stortingsbewijzen blijkt dat in de periode van 25 oktober 2016 tot en met 19 december 2016 bedragen tot een totaalbedrag van totaal € 3.200,- op de bankrekening van appellant zijn gestort. Appellant heeft hierover verklaard dat hij van vriend A een bedrag van € 3.200,- heeft geleend. In de bijgevoegde verklaring van vriend A verklaart deze vriend dat hij appellant diverse malen heeft geholpen met geld.

Tevens heeft appellant twee verklaringen overgelegd van vriend B, waarin deze vriend verklaart dat hij en andere vrienden appellant financieel hebben geholpen en dat hij appellant contant geld heeft gegeven. Verder heeft appellant stukken overgelegd waaruit blijkt dat appellant leasecontracten

van twee bedrijfsauto’s heeft afgekocht voor een bedrag van in totaal € 6.480,65. Hij heeft de auto’s vervolgens verkocht voor een bedrag van € 16.940,-. 1.4. Nadat gebleken was dat appellant op 21 en 22 september 2016 van de zakelijke rekening van het bedrijf bedragen van € 10.000,- respectievelijk € 5.000,- had opgenomen heeft de medewerker appellant bij brief van 20 januari 2017 gevraagd met bewijsstukken aan te tonen hoe hij deze bedragen heeft besteed. Bij brief van 23 januari 2017 heeft appellant verklaard dat hij de bedragen van in totaal € 15.000,- contant heeft opgenomen om de leasecontracten te kunnen aflossen. Het bedrag dat resteerde heeft hij in een bakje bij het plastic afval verstopt, waar het vervolgens per abuis door de poetshulp is weggegooid. 1.5. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 31 januari 2017. 1.6. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om de aanvraag van appellant bij besluit van 31 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 augustus 2017 (bestreden besluit), af te wijzen en het voorschot van € 830,- van appellant terug te vorderen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant geen eenduidige en verifieerbare uitleg heeft gegeven over de herkomst van de stortingen op zijn bankrekening.

Daarnaast heeft appellant over de besteding van de door hem in september 2016 contant opgenomen geldbedragen van in totaal € 15.000,- tot een bedrag van € 8.519,35 én over de besteding van de opbrengst van twee door hem verkochte bedrijfsauto’s geen deugdelijke verklaring gegeven. Daarom kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Zoals ter zitting met partijen is besproken is in de partijaanduiding in de aangevallen uitspraak sprake van een kennelijke misslag. Per abuis is het college van burgemeester en wethouders van Deurne als partij vermeld waar dat het college van burgemeester en wethouders van Helmond moet zijn. De aangevallen uitspraak moet worden aangemerkt als gewezen voor het college. 4.2. De te beoordelen periode loopt van 30 november 2016 tot en met 31 januari 2017. 4.3. Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven.

Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 4.4. Appellant heeft aangevoerd dat hij wel aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien en dat hij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Deze beroepsgrond slaagt niet. 4.4.1. Vaststaat dat op de bankrekening van appellant in de periode van 25 oktober 2016 tot en met 19 december 2016 contante bedragen zijn gestort variërend van € 400,- tot € 800,- en tot een totaalbedrag van € 3.200,-. Anders dan appellant heeft aangevoerd heeft hij de herkomst van de

stortingen niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. De door appellant overgelegde verklaringen van vrienden A en B zijn daartoe onvoldoende concreet. Deze vrienden hebben verklaard dat zij appellant contant geld hebben gegeven. Zij noemen geen bedragen en geen data. Uit de door appellant overgelegde stortingsbewijzen van contante bedragen tot een totaalbedrag van € 3.200,- kan de herkomst ervan niet worden afgeleid. Daarbij komt dat appellant heeft verklaard van vriend A een bedrag van € 3.200,- te hebben geleend, terwijl uit de verklaring van vriend B blijkt dat ook hij appellant financieel heeft ondersteund door hem contant geld te geven. Dit betekent dat de omvang van de door appellant van vrienden ontvangen contante gelden onduidelijk is gebleven. 4.4.2. Verder heeft appellant als verklaring over het restant van de in september 2016 contant opgenomen geldbedragen en de contante opbrengst van de in november 2016 verkochte bedrijfsauto’s, tezamen een contant geldbedrag van ruim € 25.000,- gesteld, dat dit geldbedrag door hem is verstopt, waarna het door een derde is weggegooid dan wel - zoals appellant eerst ter zitting heeft gesteld - door een derde is weggenomen. Hij heeft deze verklaring echter niet aannemelijk gemaakt.

Gelet op de in 4.3 weergegeven bewijslastverdeling is het aan appellant om aan de hand van controleerbare en verifieerbare informatie duidelijkheid te verschaffen over zijn financiële situatie. Appellant heeft op geen enkele wijze met objectieve, verifieerbare gegevens onderbouwd wat er met dit geld is gebeurd, zodat niet aannemelijk is dat hij daarover ten tijde van de aanvraag niet meer beschikte. De gestelde omstandigheid dat appellant in bewijsnood verkeert om aan te tonen dat het geld verloren is gegaan, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt. Appellant heeft er zelf voor gekozen om het geld op deze manier te bewaren. Dat geen sprake is geweest van opzet zoals door appellant is gesteld, doet er niet aan af dat de financiële situatie van appellant in de te beoordelen periode niet is vast te stellen. 4.4.3. Uit 4.4.1 en 4.4.2 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen duidelijkheid heeft gegeven over zijn financiële situatie. Ook in hoger beroep heeft hij die niet verstrekt. 4.5. Tegen de terugvordering van het voorschot heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd. Dit behoeft daarom verder geen bespreking. 4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, onder wijziging van de partijaanduiding zoals genoemd in 4.1. 5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Uitspraak meervoudige kamer 05/1377 WWB

U I T S P R A A K ECLI:NL:CRVB:2006:AY4824

op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 januari 2005, 04/320 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College). Datum uitspraak: 20 juni 2006.

I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P. Winkens, advocaat te Hoensbroek, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I.T.H.L. van de Bergh, kantoorgenoot van mr. Winkens. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Bertholet, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. OVERWEGINGEN Appellant ontving vanaf 1 mei 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Bij een heronderzoek in juni 2003 is, voor zover thans van belang, gebleken dat appellant in de periode van 1 februari 2002 tot en met 2 juni 2003 geregeld geldbedragen op zijn girorekening heeft gestort van gemiddeld ruim € 1.100,-- per maand en ook geregeld aanzienlijke geldbedragen van zijn rekening heeft opgenomen. Daardoor ontstond bij het College het vermoeden dat appellant beschikte over een of meer verzwegen inkomstenbronnen. Omdat appellant voor de stortingen en opnames geen bevredigende verklaring kon geven, is het College tot de conclusie gekomen dat het recht op bijstand van appellant als gevolg van schending van de op hem rustende inlichtingenverplichting niet kon worden vastgesteld. Op die grond heeft het College bij besluit van 18 september 2003 het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 februari 2002 tot en met 31 mei 2003 ingetrokken.

Appellant heeft tegen het besluit van 18 september 2003 bezwaar gemaakt bij op 28 oktober 2003 bij het College ingekomen bezwaarschrift. Bij besluit van 20 januari 2004 heeft het College het bezwaar ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 20 januari 2004 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De Raad stelt bij zijn beoordeling voorop dat, gelet op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, het College bij het besluit van 20 januari 2004 terecht toepassing heeft gegeven aan de Abw. De Raad is vervolgens van oordeel dat de in geding gebrachte afschriften van de girorekening van appellant bij de Postbank, welke betrekking hebben op nagenoeg de gehele periode van 10 januari 2002 tot en met 9 juni 2003, het vermoeden rechtvaardigen dat appellant gedurende deze periode nog over een of meer andere inkomstenbronnen beschikte dan alleen de bijstandsuitkering, die in deze periode € 732,92 tot € 760,26 per maand bedroeg. Het ligt op de weg van appellant om dit vermoeden, dat immers is ontstaan als gevolg van zijn handelen, desgevraagd aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens te ontkrachten. De verklaringen die appellant voor zijn financiële transacties heeft gegeven, zijn niet eenduidig.

Aanvankelijk heeft appellant gesteld dat het zou gaan om gokopbrengsten, dan wel leningen aan vrienden en bekenden. Volgens de verklaringen van appellant in het verdere verloop van de procedure zou het hoofdzakelijk gaan om leningen aan familieleden en bekenden. Ter zitting heeft appellant aangegeven dat het kortdurende leningen betrof die appellant telkens kort na de ontvangst van zijn maandelijkse uitkering zou hebben verstrekt aan personen die, in afwachting van hun loon of uitkering, tijdelijk in geldnood zaten. De door appellant ter onderbouwing van deze stelling in het geding gebrachte verklaringen van familieleden en bekenden hebben de Raad niet kunnen overtuigen. Nog daargelaten dat daarmee niet alle opnames en stortingen kunnen worden verklaard, betreft het achteraf opgestelde (standaard)verklaringen die, nu de beweerde transacties steeds per kas zouden zijn verricht, niet kunnen worden geverifieerd. Appellant heeft het vermoeden van het bestaan van een of meer andere inkomstenbronnen met de door hem daarvoor gegeven verklaringen dan ook niet kunnen ontkrachten. De Raad acht het voorts, gelet op de omvang van de geldstromen, niet aannemelijk dat appellant als kredietverlener kon fungeren zonder te beschikken over andere financiële middelen dan uitsluitend de uitkering. Appellant heeft er ook nog op gewezen dat hij een afkoopsom van zijn verhuurder heeft ontvangen.

Het daarmee gemoeide bedrag is echter niet zodanig hoog dat het de middelen waarover appellant kennelijk kon beschikken, kan verklaren. Gelet op het vorenstaande moet worden vastgesteld dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent zijn financiële situatie in de in geding zijnde periode. De Raad is daarom, met de rechtbank, van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de in artikel 65, eerste lid, van de Abw vervatte inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of appellant verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw. Daarmee is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, zodat het College gehouden was tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht ziet ook de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien. Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding

Relevante jurisprudentie ten aanzien van bewijslast en rekening en risico (ook hierover zijn heel veel uitspraken gedaan, dit is slechts een greep).

ECLI:NL:CRVB:2018:3346 Rechtspraak.nl Verrijkte uitspraak

Uitspraak 173701 PW Datum uitspraak: 23 oktober 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2017, 16/6353 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E.B. Jobse, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2018. Namens appellante is mr. Jobse verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante heeft zich op 21 januari 2016 gemeld om een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) in te dienen. Op 10 maart 2016 heeft zij de daartoe strekkende aanvraag ingediend. 1.2. In het kader van de aanvraag heeft appellante afschriften van haar bankrekening met nummer (…)702 over de periode vanaf 1 oktober 2015 overgelegd. Uit deze afschriften is onder meer gebleken dat in de periode van 4 oktober 2015 tot en met 22 februari 2016 kasstortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden op rekening (…)702. 1.3.

Het college heeft bij brieven van 15 maart 2016, 24 maart 2016 en 4 april 2016 aan appellante verzocht informatie over te leggen, waaronder een verklaring hoe zij de afgelopen zes maanden heeft geleefd, bewijsstukken ter onderbouwing van deze verklaring en een toelichting op de herkomst en het doel van de kasstortingen. Appellante heeft naar aanleiding hiervan een verklaring van haar vader overgelegd en een verklaring afgelegd met betrekking tot de stortingen en bijschrijvingen, inhoudende dat zij om haar vaste lasten te betalen geld heeft geleend van haar vader en moeder, van haar ex-partner en van haar ex-schoonmoeder. 1.4. Bij besluit van 6 mei 2016 heeft het college appellante bij wijze van voorschot op de bijstandsverlening een renteloze lening verstrekt van € 594,04. 1.5. Bij besluit van 7 juni 2016 (besluit 1) heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Bij besluit van eveneens 7 juni 2016 (besluit 2) heeft het college het aan appellante verleende voorschot van in totaal € 594,04 van haar teruggevorderd. 1.6.

Bij besluit van 17 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met haar wettelijke inlichtingenverplichting onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over hoe zij vanaf december 2015 in haar levensonderhoud heeft voorzien. Zij heeft geen verklaring overgelegd hoe zij voorafgaand aan de in 1.3 genoemde verzoeken in haar levensonderhoud heeft voorzien en niet inzichtelijk gemaakt waar de kasstortingen en bijschrijvingen op rekening (…)702 op zien. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven.

Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 4.2. Appellante voert aan dat het college in strijd met zijn begeleidingsplicht niet voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij een verklaring moest inleveren van de personen die haar geld geleend hebben en niet kon volstaan met het geven van een toelichting. De handelwijze van het college is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze grond slaagt niet. In de brieven van 26 mei 2016, 25 juni 2016 en 4 juli 2016 heeft het college appellante verzocht om een verklaring te geven, maar ook om deze te onderbouwen met bewijsstukken. Voor zover sprake was van leningen diende appellante dit aan te geven op de bankafschriften en bewijzen daarvan mee te sturen. Appellante mocht er gelet daarop niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij kon volstaan met het verstrekken van een eigen verklaring. Voor zover appellante niet duidelijk was wat er precies van haar werd gevraagd, lag het bovendien op haar weg het college daarover vragen te stellen. Van onzorgvuldig handelen van het college is hier geen sprake. 4.3.1.

Appellante voert daarnaast aan dat zij redelijkerwijs geen informatie kan geven over de herkomst van de stortingen. Het is voor haar onmogelijk om verklaringen van haar moeder, haar ex-partner en haar ex-schoonmoeder te bemachtigen. De benodigde verklaringen zijn in het bezit van de expartner en die wil geen medewerking verlenen. Dit dient niet voor haar rekening en risico te komen, nu zij niet redelijkerwijs over deze verklaringen kan beschikken. 4.3.2. Deze grond slaagt al niet omdat appellante geen begin van bewijs heeft geleverd van de door haar gestelde bewijsnood. Zo blijkt uit niets dat appellante haar ex-partner heeft benaderd om de verklaringen, die hij kennelijk in zijn bezit heeft, aan haar te verstrekken. Appellante heeft bovendien geen inzicht gegeven in de wijze waarop zij in de maanden voorafgaand aan de aanvraag in haar levensonderhoud heeft voorzien. Appellante heeft weliswaar verklaard dat de kasstortingen en bijschrijvingen bedoeld waren om de vaste lasten te voldoen, maar ook indien daarvan zou moeten worden uitgegaan, blijft onduidelijk hoe zij verder in haar levensonderhoud heeft voorzien. De enkele stelling dat appellante bij vrienden en familie at is daartoe ontoereikend.

Nu de herkomst van de kasstortingen niet duidelijk is en appellante geen verklaring heeft gegeven hoe zij overigens in haar levensonderhoud heeft voorzien kon het college het recht op bijstand niet

vaststellen. Dit betekent dat de gronden die specifiek betrekking hebben op het doel van de kasstortingen en de bijschrijvingen geen nadere bespreking behoeven. 4.4. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat uit de latere toekenning van bijstand met ingang van 15 september 2016 volgt dat zij in het kader van haar aanvraag van 10 maart 2016 wel heeft voldaan haar inlichtingenverplichting. Ook deze grond slaagt niet. De toekenning van bijstand met ingang van 15 september 2016 ziet op een latere periode. Bovendien is niet duidelijk op basis van welke feiten en omstandigheden het college tot toekenning van de bijstand per die latere datum is overgegaan. De enkele stelling dat deze toekenning berust op dezelfde stukken als de stukken die in het kader van de aanvraag van 10 maart 2016 zijn overgelegd, vormt geen grond voor het oordeel dat appellante ook over de thans te beoordelen periode recht heeft op bijstand. 4.5. Uit 4.2, 4.3.2 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Integrale tekst van de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3030 op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant) tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 november 2007, 07/122 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van [gemeente] (hierna: College) I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J. J., advocaat te U., hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2009. Voor appellant is verschenen mr. J.. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. V., werkzaam bij [gemeente]. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant heeft op 3 januari 2006 bij het College een aanvraag ingediend om bijstand. Bij besluit van 27 januari 2006 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. 1.2. Bij besluit van 8 juni 2006 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 januari 2006 gegrond verklaard, het besluit van 27 januari 2006 herroepen en appellant alsnog vanaf 3 januari 2006 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. 1.3.

Bij besluit van 24 augustus 2006, voor zover van belang, heeft het College appellant bijstand toegekend vanaf 13 januari 2006 naar de norm voor een alleenstaande. Voorts heeft het College, voor zover van belang, daarbij besloten dat appellant over de periode van 8 februari 2006 tot en met 6 april 2006 geen recht op bijstand heeft wegens verblijf in detentie en dat appellant over de periode van 6 april 2006 tot 16 juni 2006 geen recht op bijstand heeft omdat appellant in die periode stond ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) van [gemeente 2].

1.4. Bij besluit van 28 november 2006, voor zover van belang, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 augustus 2006 gegrond verklaard in die zin dat aan appellant alsnog over de periode van 3 januari 2006 tot 13 januari 2006 bijstand is toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%, en de afwijzing van de bijstand over de periode van 6 april 2006 tot 16 juni 2006 gehandhaafd. 2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 november 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. 3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hierbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van de bijstand over de periode van 6 april 2006 tot 16 juni 2006 in stand zijn gelaten. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht ter zake juiste en volledige inlichtingen te verschaffen aangezien de woon- en leefsituatie van essentieel belang is voor de verlening van bijstand 4.2.

Aan de besluitvorming van het College ligt ten grondslag dat appellant ten tijde in geding in de GBA van [gemeente 2] stond ingeschreven op het adres van de instelling waar hij tot 6 april 2006 gedetineerd was en dat hij niet, dan wel niet tijdig, heeft doorgegeven waar hij daadwerkelijk woonachtig was na de beëindiging van zijn detentie. Daardoor is het naar het oordeel van het College niet meer mogelijk om na te gaan waar appellant in deze periode feitelijk verbleef. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij pas na ontvangst van het besluit van 8 juni 2006 op de hoogte was van de op hem rustende inlichtingenverplichting en dat het College in dat licht bezien zijn verklaring dat hij afwisselend bij zijn ouders en zijn broer in [gemeente] verbleef niet zonder meer naast zich neer kon leggen. 4.3. Niet in geding is dat appellant ten tijde in geding niet woonachtig was op het door hem opgegeven GBA-adres. Het lag derhalve in beginsel op de weg van appellant om aannemelijk te maken waar hij in de periode in geding feitelijk woonachtig was. Door aan de verklaring van appellant dat hij afwisselend bij zijn ouders en zijn broer in [gemeente] verbleef zonder meer voorbij te gaan, heeft het College echter onvoldoende rekening gehouden met de als gevolg van de wijze van besluitvorming door het College bij appellant aanwezige bewijsnood.

De Raad wijst er in dit verband op dat uit hetgeen hiervoor onder 1.1 tot en met 1.3 is weergegeven volgt dat appellant eerst met het besluit van 24 augustus 2006 is tegengeworpen dat hij onvoldoende duidelijkheid had verschaft over zijn woonsituatie in de periode van 6 april 2006 tot 16 juni 2006. De gevolgen daarvan dienen onder de gegeven omstandigheden niet voor rekening en risico van appellant te komen. Daardoor moet naar het oordeel van de Raad de verklaring van appellant over zijn woonsituatie voor waar worden gehouden. Deze verklaring biedt derhalve voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant ten tijde in geding afwisselend woonachtig was op het adres van zijn ouders en zijn broer in [gemeente].

4.4. Het voorgaande betekent dat de afwijzing van de bijstand over de periode van 6 april 2006 tot 16 juni 2006 niet op een deugdelijke motivering berust en derhalve niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak in zoverre en voor zover aangevochten voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 24 augustus 2006 in zoverre te herroepen, en te bepalen dat aan appellant over de periode van 6 april 2006 tot 16 juni 2006 bijstand wordt toegekend naar de norm voor en alleenstaande met een toeslag van 20%. 4.5. Appellant heeft verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet uitbetaalde bijstand. 4.6. Met het voorgaande is gegeven dat appellant als gevolg van het onrechtmatig gebleken besluit van 24 augustus 2006 schade heeft geleden, bestaande in vertraagde uitbetaling van de bijstand. Aangezien niet is gebleken van bijzondere omstandigheden rust op [gemeente] de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. Als uitgangspunt geldt daarbij dat het juiste bedrag aan periodieke bijstand had moeten zijn betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand waarop die bijstand betrekking heeft.

In dit geval is ten onrechte geen bijstand betaald over de periode van 6 april 2006 tot 16 juni 2006, zodat de eerste dag waarop over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering over deze periode wettelijke rente is verschuldigd, dient te worden gesteld op 1 juni 2006, en over de daarop volgende maanden telkens een maand later. De aldus te berekenen rente zal alsnog moeten worden betaald tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. 5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. III.

BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten en voor zover deze betrekking heeft op de afwijzing van de bijstand over de periode van 6 april 2006 tot 16 juni 2006; Herroept het besluit van 24 augustus 2006 in zoverre; Bepaalt dat bijstand aan appellant wordt verleend over de periode van 6 april 2006 tot 16 juni 2006 naar de norm voor en alleenstaande met een toeslag van 20%; Veroordeelt [gemeente] tot vergoeding van schade als hiervoor in 4.6 is aangegeven; Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-, te betalen door [gemeente] aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat [gemeente] aan appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.B.J. van der Ham en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2009

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=7142a52d-25e0-4c23-b7be-977352ec9df1