F05. Beantwoording technische vragen D66
Tekst van het document
Gestelde technische vragen door D66 Tijden de formatieonderhandelingen heeft D66 een aantal technische vragen gesteld over uiteenlopende onderwerpen. In dit document zijn deze vragen en de ambtelijk gegeven antwoorden opgenomen.
Energietransitie 1. 70% lokaal eigendom en/of lokaal opgewekt is dit een streefwaarde en met welke horizon; a) lokale opwek: doel 70% en horizon 2030: Voor de opwek van duurzame elektriciteit heeft de gemeenteraad in 2021 een doelstelling vastgesteld ten behoeve van de Friese Regionale Energiestrategie (RES): Heerenveen wekt in 2030 70% van het elektriciteitsverbruik van onze gemeente (256 miljoen KWh) duurzaam lokaal op. b) lokaal eigendom: streefwaarde 60% en dit geldt ten alle tijden bij ontwikkeling. Het percentage heeft betrekking op eigendom en niet op groei in tijd. Dit is vastgelegd door de gemeenteraad in het zonneparkenbeleid (2022) vastgelegd: - Onder lokaal eigendom verstaan wij: het geheel of gedeeltelijk eigenaar zijn van de energie-opwekker (productie-installatie), bijvoorbeeld als aandeelhouder. Het uitgangspunt is dat lokaal eigendom altijd voor minimaal 50% wordt ingevuld door een publieke partij. Dit kunnen samenwerkende inwoners en/of bedrijven uit de gemeente Heerenveen zijn die zich hebben verenigd en een maatschappelijke doelstelling nastreven, bijvoorbeeld in de vorm van een energiecoöperatie. Het is nadrukkelijk niet toegestaan dat één bedrijf of één inwoner, zoals een lokale ontwikkelaar of grondeigenaar, zelfstandig het lokaal eigendom invult.
- In ons gemeentelijk beleidskader is 50% vastgesteld, maar Provinciale Staten van Fryslân hebben in 2024 in de provinciaalse verordening een eis van 60% lokaal eigendom vastgesteld. - de gemeenteraad heeft in januari 2026 besloten dat “Ook de gemeente kan als publieke partij deze rol vervullen.” - Indien de omgeving expliciet afziet van deelname aan het zonnepark, zijn er in ons beleidskader alternatieven opgenomen voor lokaal eigendom. Een voorbeeld hiervan is financiële participatie. De gemeente doet dit o.b.v. artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet. Daarmee kan een gemeente bij verordening bepalen dat een producent bij de aanleg of uitbreiding van projecten voor wind- en zonne-energie moet streven naar 50% lokaal mede-eigendom. Dit streven is eerder neergelegd in het Nederlandse Klimaatakkoord en op deze manier ook vastgelegd in Nederlandse wetgeving. Lusten en lasten worden zo eerlijker verdeeld. Ook kan lokaal eigendom het draagvlak voor dergelijke energieprojecten vergroten
1
2. Welke maatregelen treffen wij nu om dat te halen en welke risico’s zien wij daarbij; Wij werken aan zonnepanelen op dak (trede 1, voorlichting via de energiecoach), aan initiatieven voor zonneparken in binnenstedelijk gebied (trede 2), op zandwinplassen en infra (trede 3, o.a. het project van RWS voor Opwek Energie op Rijksgronden -OER) en op landbouwgronden (trede 4). Wij werken momenteel reactief mee aan initiatieven (lees: ontwikkelaar is aan zet, wij werken mee als dit past binnen beleid). Hierdoor zullen wij onze doelen niet halen, het aantal initiatieven is (ruim) te laag. Tegelijkertijd is zichtbaar dat de potentie van trede 1 t/m 3 alleen onvoldoende is om de doelstelling volledig te realiseren; daarom is ook inzet op trede 4 noodzakelijk. Daarnaast zien wij ook dat andere inspanningen nodig/kansrijk zijn: - Door ook proactief locaties en kansen voor duurzame opwek te ontwikkelen binnen trede 1 t/m 4 van de zonneladder - En door de mogelijkheden voor windenergie in de Heerenveense energiemix te verkennen, o.b.v. de ruimte die de Provinciale Verordening biedt. De risico’s bestaan uit: onvoldoende netcapaciteit, lasten voor omgeving (moeizame balans tussen lusten en lasten), moeizame totstandkoming van het benodigde lokaal eigendom, realisatietermijnen. 3.
Welke (landelijke) regels belemmeren het halen van de doelen of moeten wij dit nog onderzoeken; Er zijn geen landelijke regels die specifiek deze energie-opwek belemmeren. Wel zijn er natuurlijk veel eisen die nieuwe ontwikkelingen vertragen, zoals stikstofregels. 4. Rol van SHEC hoe kunnen we die continuïteit waarborgen; De SHEC vult het lokaal eigendom in de praktijk in, waardoor een zonnepark ontwikkeld kan worden. Maar ook andere lokale coöperaties kunnen deze rol invullen. De rol van lokale (energie)coöperaties, zoals de SHEC, zijn cruciaal voor het invullen van onze energieambitie. De gemeente kan een samenwerkingsverband zoals de SHEC wel ondersteunen (we hebben wekelijks contact), maar heeft geen direct invloed op haar (voort)bestaan. 5. Welke politieke keuzes moeten er gemaakt worden komende 4 jaar. • Stevig door te werken aan een mix van zonne- en windenergie om de doelstelling voor 2030 haalbaar te houden; • Besluitvorming over vergunningverlening voor zonneparken (meewerken aan initiatieven op trede 1 t/m 4) en windenergieprojecten; • Niet uitsluitend reactief, maar ook proactief locaties en kansen voor duurzame opwek te ontwikkelen binnen trede 1 t/m 4 voor zonneparken; • Het vaststellen en actualiseren van beleidskaders, waaronder voor wind.
Voor de opwek van 70% lokale duurzame elektriciteit zal een keuze voor windenergie nodig zijn, (van verkenning, via gerichte voorstellen, participatie tot vastlegging in beleid). • Per initiatief maatwerk toe te passen waarbij ruimtelijke kwaliteit, draagvlak en energieopbrengst zorgvuldig worden afgewogen.
2
Veiligheid 1. Verlichting Schoterlandseweg. Speelt al jaren. Wat kunnen we hieraan doen? Wie is verantwoordelijk (provincie / gemeente) De Schoterlandseweg is een provinciale weg. De provincie is als wegbeheerder verantwoordelijk voor de veiligheid van de weg en de toepassing van openbare verlichting. 2. Verlichting uitgaansgebied. Vanuit de horeca is de wens om rondom sluitingstijd het verlichtingsniveau te verhogen. Welke acties worden nu al uitgezet? Kan dit meegenomen worden in het verledden? In het lichtbeleid staat het volgende beschreven: “Doelmatige verlichting betekent dat de toegepaste verlichting de juiste ondersteuning biedt aan de functie van de specifieke openbare ruimte”. Op dit moment staan in een groot gedeelte van het uitgaansgebied nog oudere armaturen, waardoor het verlichtingsniveau niet aan te passen is. Vervanging van deze armaturen naar een led-variant staat gepland voor eind 2026. Na vervanging is het mogelijk om een kalender in te stellen en verlichting aan te passen. 3. SUS-team. Samenwerking met horeca. Wat is de effectiviteit en de bekostiging? Waar ligt welke verantwoordelijkheid? Op dit moment is het Sus-team pas drie keer ingezet. Het is daarom nog te vroeg om definitieve uitspraken te doen over de effectiviteit van de inzet.
Wel zijn de eerste signalen vanuit de horeca positief en geven ondernemers aan de zichtbare aanwezigheid en samenwerking als waardevol te ervaren. De meerwaarde van het Sus-team zit met name in de zichtbare aanwezigheid in het uitgaansgebied, het vroegtijdig signaleren van spanningen en overlastsituaties en het de-escalerend optreden richting bezoekers. Door de continue aanwezigheid en korte lijnen met horecaondernemers, portiers, politie en gemeente kan sneller worden ingegrepen bij beginnende incidenten, waarmee escalatie mogelijk wordt voorkomen. De inzet van het Sus-team is nadrukkelijk bedoeld als een aanvullende preventieve maatregel binnen het horecacentrumgebied en niet als vervanging van politie of gemeentelijke handhaving. De bekostiging van de pilot vindt plaats op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid. De gemeente en de deelnemende horecaondernemers dragen ieder 50% van de kosten van de inzet van het Sus-team. Qua verantwoordelijkheden geldt dat de gemeente verantwoordelijk is voor de regie op openbare orde en veiligheid binnen het horecacentrumgebied. De politie blijft verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en het optreden bij incidenten en strafbare feiten. Horecaondernemers blijven verantwoordelijk voor de veiligheid in en direct rondom hun eigen inrichting.
Het Sus-team vervult hierin een ondersteunende en verbindende rol in de openbare ruimte. Het team zich op toezicht, signalering, aanspreken van bezoekers en het inschakelen van politie wanneer dat noodzakelijk is. Door aanwijzing als APVtoezichthouder beschikken zij daarnaast over een beperkte aanvullende bevoegdheid, waaronder het kunnen vragen naar een identiteitsbewijs in het kader van toezicht op de openbare orde en leefbaarheid. Na afloop van de pilot vindt een integrale evaluatie plaats met de horecaondernemers, politie, gemeente en het beveiligingsbedrijf. Op basis daarvan wordt beoordeeld of structurele voortzetting wenselijk en effectief is.
3
4. Ondermijning. Waterbedeffect. Hoe doen de gemeenten het om ons heen? Moeten we meer doen? Het is op deze korte termijn niet mogelijk om een overzicht op te stellen per gemeente. Iedere gemeente om ons heen werkt, met de aan haar toebedeelde middelen, aan de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Om het zogenoemde waterbedeffect — waarbij criminele activiteiten zich verplaatsen naar gemeenten met een minder intensieve aanpak — te voorkomen, wordt in Fryslân intensief samengewerkt. Deze samenwerking krijgt concreet vorm via de Friese Norm. De Friese Norm is een intentieverklaring en beschrijft de (bestuurlijke) ambities van de Provincie Fryslân, het Wetterskip Fryslân, FUMO en de 18 Friese gemeenten in de aanpak van ondermijning. Hiermee wordt beoogd dat criminelen in de hele provincie op eenzelfde niveau van toezicht en handhaving stuiten. In de Perspectiefnota 2026 heeft de gemeenteraad structureel extra middelen toegekend om onder andere de aanpak van ondermijnende criminaliteit te versterken. Zo is er een beleidsregisseur ondermijning aangesteld per 1 juni 2026 en groeit het aantal boa’s van 4,0 naar 7,0 fte.
De actualiteit op dit thema, en ook direct de borging van voldoende capaciteit/middelen, wordt helder weergegeven in een nieuwsbericht van de Rijksoverheid, daterende van 26 mei 2026, zie link: Eerste dreigingsbeeld ondermijning Nederland: ondermijning is het betonrot in de samenleving | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl Nu er extra beleidsmatige capaciteit ingezet gaat worden en de handhavingscapaciteit toeneemt zal de aanpak van ondermijnende criminaliteit lokaal nog steviger vorm gaan krijgen. Ook de inzet van de wet Bibob is een werkbaar instrument om aan de voorkant ondernemers te screenen. De huidige capaciteit om dergelijke onderzoeken uit te voeren is echter niet in lijn met het totaal aantal uit te voeren onderzoeken. Laat staan het instrument in de toekomst ook bij andere thema’s in te zetten. (Bibob onderzoeken worden momenteel alleen standaard gedaan bij aanvragen voor horeca-inrichtingen, speelautomatenhallen, seksinrichtingen en coffeeshops). 5. Femicide en veiligheid van onze regenboog community. Hoe is de doelgroepaanpak georganiseerd? Gemeente Heerenveen is een Regenbooggemeente en voert actief beleid gericht op de acceptatie, inclusie en veiligheid van lhbtiqa+-personen (lesbische, homoseksuele, bi+, transgender, intersekse, queer en aseksuele inwoners). Het beleid rondom deze doelgroep is verankerd in het Uitvoeringsprogramma Wmo Preventieplan 2022–2026.
De inzet richt zich onder andere op: • het vergroten van sociale acceptatie; • het versterken van weerbaarheid; • het bevorderen van (gevoel van) veiligheid. Dit gebeurt onder meer via communicatie, bewustwordingsactiviteiten en preventieve interventies. De regie en samenwerking worden lokaal ondersteund door Regenboogbelang Heerenveen. Deze organisatie: • onderhoudt en versterkt het netwerk van (keten)partners; • faciliteert deskundigheidsbevordering; • stimuleert het gebruik van elkaars aanbod; • ondersteunt de lokale belangengroep RBH. Daarnaast zet de gemeente in op: 4
• • •
zichtbaarheid van seksuele en genderdiversiteit in de openbare ruimte; het stimuleren van lokale initiatieven die bijdragen aan inclusie en participatie; subsidiëring via de regeling emancipatie, diversiteit en inclusie.
Femicide en geweld in afhankelijkheidsrelaties De aanpak van femicide maakt onderdeel uit van de bredere Friese aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties (GIA). Binnen deze aanpak werken gemeenten, zorg- en veiligheidsorganisaties nauw samen. Dit met een duidelijke structuur van signalering, ondersteuning en opschaling: van inzet via gebiedsteams tot specialistische interventies via de Friese Aanpak Huiselijk Geweld (FAHG) en het MDA++ bij complexe en risicovolle situaties. De regionale regie ligt bij Sociaal Domein Fryslân (SDF). Vanuit deze samenwerking worden onder andere Veilig Thuis, Fier (vrouwenopvang en crisisdienst), het Centrum Seksueel Geweld en het Regionaal Netwerk Zorg-Straf ingezet. Hiermee wordt zowel hulpverlening als bescherming van slachtoffers georganiseerd, met een sterke verbinding tussen zorg en straf. Specifiek voor gendergerelateerd geweld en femicide wordt aanvullend ingezet op gerichte instrumenten en pilots, zoals de pilot Slachtofferdevice, de casustafel hoogrisicozaken stalking en intieme terreur en de verkenning van de inzet van Aware. Deze zijn gericht op vroegsignalering en het doorbreken van escalatiepatronen. Femicide ontstaat in Nederland vrijwel altijd na een patroon van intieme terreur. Omdat deze patronen vaak herkenbaar zijn, wordt nadrukkelijk ingezet op tijdig signaleren en interveniëren.
Tegelijkertijd vraagt de aanpak ook om bredere inzet op bewustwording, omdat gendergerelateerd geweld samenhangt met maatschappelijke normen en ongelijkheid. Daarom wordt ook gewerkt aan het vergroten van politieke en maatschappelijke aandacht voor dit thema, onder andere via campagnes en bijeenkomsten zoals het regiobezoek van de Regeringscommissaris Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag op 20 mei 2026. Samengevat De doelgroepaanpak is integraal georganiseerd, met een sterke regionale samenwerking en lokale inbedding. Er wordt ingezet op preventie, bewustwording, signalering en interventie, met specifieke aandacht voor zowel de veiligheid van de regenboogcommunity als de aanpak van gendergerelateerd geweld en femicide. 6. Wolf. Wat kan de gemeente doen ten aanzien van de wolf. Wat is de bevoegdheid van de burgemeester? Ontwikkelingen wetgeving? De formele bevoegdheid ten aanzien van het faunabeheer en de omgang met de wolf ligt primair bij de provincie. Wel heeft de gemeente een rol in het bredere beleidsveld. Vanuit de lokale verantwoordelijkheid voor openbare orde en veiligheid zijn wij alert op de maatschappelijke impact die de wolf heeft op onze inwoners, met name in relatie tot de gevoelens van onveiligheid, incidenten en spanningen. Vorig jaar is een lokaal handelingskader opgesteld.
Het handelingskader biedt een overzicht van de geldende wet- en regelgeving, inclusief recente wijzigingen in de beschermingsstatus van de wolf en maakt duidelijk wat de gemeente wel en niet mag doen. De gemeente heeft een duidelijk standpunt geformuleerd, namelijk: “Erkenning van de ecologische waarde van de wolf, maar ook het standpunt dat de regio niet geschikt is voor duurzame vestiging.”
5
In het handelingskader worden ook handelingsopties benoemd op het gebied van ruimtelijke ordening en maatschappelijke onrust, waaronder het individueel beoordelen van aanvragen voor wol werende maatregelen en het optreden bij verstoring van de openbare orde. Hierbij aangevuld dat wanneer er aanvragen worden ingediend bij de gemeente, deze met voorrang en met maatwerk opgepakt gaan worden. In Friesland is een ‘Stuurgroep Wolf’ ingesteld. De stuurgroep bestaat uit vijf leden: twee burgemeesters, twee wethouders en de gedeputeerde. Onze burgemeester heeft hierin een vaste zetel (1 zetel is voor de voorzitter van de vereniging Friese Gemeenten). Stand van zaken AMvB wolf • De AMvB (formeel: Besluit bescherming wolf en goudjakhals) • is nog niet in werking getreden. • De staatssecretaris heeft aangegeven: o De AMvB op korte termijn opnieuw te beoordelen o De Tweede Kamer hierover nader te informeren (medio 2026) Inhoudelijk doel van de AMvB De AMvB moet: • De verlaging van de beschermingsstatus van de wolf in de EU • (juli 2025) vertalen naar Nederlandse wetgeving • Meer mogelijkheden bieden om: o in te grijpen bij incidenten o probleemwolven te verstoren, vangen of (in uiterste geval) te doden • Tegelijk blijft de wolf: o een beschermde soort o en gelden voorwaarden zoals de gunstige staat van instandhouding. 7. Verkeersveiligheid.
Welke inspanning is nodig om de fiets meer voorrang te geven? Verkeersveiligheidsmaatregelen worden grotendeels gecombineerd met beheer- en onderhoudswerkzaamheden. Er zijn momenteel nauwelijks middelen voor verkeersveiligheid buiten gedefinieerde projecten. Projecten waarvoor middelen gereserveerd zijn om de situatie voor fietsers te verbeteren zijn de doorfietsroutes tussen Heerenveen en Joure en Drachten, kruispunt Haskeruitgang-Wederik en twee kruispunten op de Burgemeester Falkenaweg. Het onderwerp past goed in de lijn van de vastgestelde Mobiliteitsvisie. Om meer inspanning te leveren om de fiets meer voorrang te geven, en dus te versnellen, is specifiek budget nodig voor fietsmaatregelen. Een voorstel voor meer fietsvoorrang kan deel uitmaken van het nog op te stellen uitvoeringsprogramma. Op deze manier kan een plus worden gezet op beheer- en onderhoudswerkzaamheden of kunnen specifieke maatregelen worden getroffen ten behoeve van de fietsveiligheid of doorstroming.
6
Volksgezondheid en milieu 1. Gezonde leefomgeving. Hoe creëren we meer ruimte om te bewegen? De gemeenteraad heeft op 5 maart 2026 de visie Sport & Bewegen – “Bewegen is meedoen!” vastgesteld. In deze visie is de ambitie neergelegd om de sport- en beweegdeelname onder inwoners te vergroten. De inzet richt zich nadrukkelijk op zowel breedtesport als laagdrempelige vormen van bewegen, zoals wandelen en fietsen. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan verschillende doelgroepen, waaronder kinderen, jongeren, ouderen en kwetsbare groepen zoals LHBTIQ+ inwoners, mensen met een laag inkomen, mensen met een beperking en inwoners met mentale gezondheidsuitdagingen. Om deelname te stimuleren wordt ingezet op het wegnemen van belemmeringen van sociale, financiële en fysieke aard. De openbare ruimte biedt kansen om sporten en bewegen verder te stimuleren. Door deze bewust en uitnodigend in te richten, kan zij inwoners verleiden tot meer beweging in het dagelijks leven. Denk hierbij aan toegankelijke sport- en speelvoorzieningen, aantrekkelijke schoolpleinen en laagdrempelige ontmoetings- en beweegplekken voor alle leeftijden. Op deze manier kan de openbare ruimte een wezenlijke bijdrage leveren aan het realiseren van de ambities op het gebied van sport en bewegen. Daarnaast ondersteunt de gemeente sportverenigingen via onder andere de inzet van een verenigingsondersteuner.
Op individueel niveau wordt de beweegmakelaar ingezet, waarvan de rol in de komende periode verder wordt versterkt. De gemeente benut daarnaast actief haar profiel als sportgemeente, onder andere door samenwerking met partners zoals Sport Fryslân, Topsport Noord, Thialf, het Kernteam Lokaal Sportakkoord II, Firda en SC Heerenveen. De ambities uit de visie worden nader geconcretiseerd in het nog vast te stellen uitvoeringsplan Sport & Bewegen. 2. Preventie. Wat is er nodig om de kanteling te maken van curatief naar preventief. Waar staan we? Welke rol kunnen voorzorgcirkels hierin spelen? De beweging van curatief naar preventief vraagt om een langdurige inzet en omslag in denken, organiseren en financieren. Het betekent dat we eerder inzetten op het voorkomen van problemen, in plaats van het oplossen ervan achteraf. Daarvoor zijn drie elementen cruciaal: • Sterke sociale (pedagogische) basis: investeren in voorzieningen, ontmoetingsplekken en ondersteuning dichtbij inwoners, zodat problemen vroeg worden gesignaleerd en aangepakt. • Samenwerking over domeinen heen: betere verbinding tussen zorg, medisch domein, welzijn en het informele netwerk, gericht op gezamenlijke verantwoordelijkheid in plaats van afzonderlijke systemen.
• Langjarig en ontschot financieren: ruimte om middelen flexibel en preventief in te zetten, zonder dat deze primair gekoppeld zijn aan zorggebruik of indicaties. In Heerenveen zijn hierin al belangrijke stappen gezet, onder andere via de ontwikkeling van meedoenlocaties en OKO (opgroeien in een kansrijke omgeving), de inzet vanuit preventie en gezondheidsbeleid en de aansluiting bij landelijke en regionale programma’s zoals GALA en AZWA. Tegelijkertijd staan we nog aan het begin van de daadwerkelijke kanteling: het effect van preventie wordt vaak pas op langere termijn zichtbaar, terwijl systemen en bekostiging nog sterk curatief zijn ingericht.
7
Het gedachtengoed achter voorzorgcirkels – waarbij mensen in de directe leefomgeving naar elkaar omzien en elkaar ondersteunen – kan hierin een waardevolle rol spelen. Het is één van de manieren om het informele netwerk rond inwoners te versterken en zo preventie dichter bij huis vorm te geven. Deze benadering draagt bij aan: • het vergroten van onderlinge betrokkenheid en samenredzaamheid; • het eerder signaleren van hulpvragen; • het ontlasten van professionele zorg. Voorzorgcirkels als concrete aanpak zijn niet de enige oplossing en zijn ook nog niet breed ingevoerd, maar ze illustreren wel de richting waarin we willen bewegen: een samenleving waarin inwoners, informele netwerken en professionals samen optrekken. Daarmee vormen ze geen vervanging van professionele ondersteuning, maar een aanvulling die helpt om de beweging naar preventie lokaal en praktisch invulling te geven. In de praktijk zetten we als gemeente al op meerdere manieren in op het versterken van preventie en het informele netwerk. Hieronder enkele voorbeelden. •
•
•
•
Versterken van de sociale basis We investeren in laagdrempelige voorzieningen en ontmoetingsplekken, zoals meedoenlocaties. Daarnaast werken we aan initiatieven zoals de gezonde wijkaanpak en Welzijn op Recept, waarmee gezondheid en welzijn dichter bij inwoners worden georganiseerd. Verbinding tussen formeel en informeel We versterken de samenwerking tussen zorg, welzijn en het informele netwerk, waaronder ook mantelzorgers en Buurtgezinnen. Dit gebeurt onder andere door het ondersteunen en waarderen van mantelzorgers en in gebiedsgerichte samenwerkingsnetwerken, waarin partijen uit zorg en welzijn gezamenlijk optrekken en signalen vroegtijdig oppakken. Preventieve programma’s en aanpakken We zetten in op thema’s als mentale gezondheid, een gezonde leefstijl en het versterken van veerkracht, in samenwerking met partners zoals GGD, welzijn en sport- en zorgaanbieders. Denk aan concrete thema’s zoals de aanpak van eenzaamheid, de ketenaanpak overgewicht en de ketenaanpak valpreventie. Ruimte voor initiatieven vanuit de samenleving We ondersteunen initiatieven van inwoners en organisaties die bijdragen aan onderlinge betrokkenheid en samenredzaamheid. In veel wijken bestaan al voorbeelden waarbij inwoners naar elkaar omzien en elkaar ondersteunen.
Opbouwwerkers en wijkmanagers spelen hierin een belangrijke rol door initiatieven te stimuleren, te verbinden en waar nodig te ondersteunen.
3. Ziekenhuis. Welke invloed heeft de gemeente op het behoud van het ziekenhuis? De invloed van gemeenten op de plaats- en locatiebepaling van ziekenhuizen is beperkt. Deze verantwoordelijkheid ligt primair bij zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Wel zet de gemeente zich actief in om, binnen de bestaande mogelijkheden, bij te dragen aan de toegankelijkheid en toekomstbestendigheid van de zorg. In het kader van het Fries 8
Integraal Zorgakkoord (FrIZA) wordt samengewerkt met regionale partners aan gezondheidsbevordering. Een belangrijke opgave hierin betreft de toekomst van de medisch-specialistische zorg, waarbij ziekenhuizen, zorgverzekeraars, huisartsen en thuiszorgorganisaties gezamenlijk werken aan passende zorg voor nu en in de toekomst. Daarnaast heeft de gemeente, naar aanleiding van de door de raad aangenomen motie over het behoud van het ziekenhuis, diverse acties ondernomen. Zo zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd en zijn bewonersbijeenkomsten georganiseerd om signalen en wensen op te halen. Ook is het reguliere bestuurlijke en ambtelijke overleg met betrokken partijen geïntensiveerd. Tot slot is de gemeente aangesloten bij het netwerk van gemeenten met een regionaal ziekenhuis (GRZ). Vanuit dit netwerk wordt gezamenlijk opgetrokken richting de landelijke overheid en andere relevante partijen, onder andere via lobbyactiviteiten, om het belang van streekziekenhuizen nadrukkelijk onder de aandacht te brengen. 4. Zeer zorgwekkende stoffen (zzs) in water en stand van het onderzoek. In 2025 is gebleken dat er verhoogde concentraties PFAS (een groep Zeer Zorgwekkende Stoffen, ZZS) aanwezig zijn in het afvalwater bij de rioolwaterzuiveringsinstallatie in Heerenveen. Uit eerste onderzoek blijkt dat deze stoffen afkomstig zijn van zowel directe als indirecte lozingen.
Vooral bij enkele directe lozingen zijn hogere concentraties gevonden, maar het is nog niet precies duidelijk welke bronnen hoeveel bijdragen. Omdat dit beeld nog onvolledig is, is vervolgonderzoek nodig. Voor de indirecte lozingen heeft de gemeente ervoor gekozen dit onder te brengen bij de FUMO, via het regionale ZZS project. Dit project is begin 2026 gestart. De eerdere pilot naar indirecte lozingen is inmiddels afgerond en de resultaten zijn gedeeld met betrokken bedrijven. Zij zijn gewezen op hun verplichting om de uitstoot van deze stoffen zoveel mogelijk te beperken. Op dit moment verzamelt de FUMO extra informatie bij bedrijven om beter inzicht te krijgen in mogelijke bronnen van ZZS. Op basis daarvan wordt bepaald waar verder onderzoek nodig is. Met deze aanpak wordt stap voor stap gewerkt aan beter inzicht in de herkomst van deze stoffen en het verminderen van de uitstoot naar het water. Wat betreft het oppervlaktewater en de vervuiling daarin is Wetterskip Fryslân het bevoegde gezag. Zij hebben recent meerdere punten door de gehele provincie oppervlaktewater bemonsterd. Hieruit blijkt dat overal in meer of mindere mate PFAS wordt aangetroffen. Echter, PFAS is maar 1 van vele ZZS stoffen. Over het vervolg op deze constateringen is momenteel nog niets te zeggen. 5.
ZZS (Zeer Zorgwekkende Stoffen) in de bodem (staalslakken etc) Op dit moment is er binnen de gemeentegrenzen van Heerenveen één locatie bekend met ZZS/PFAS verontreiniging. Deze locatie ligt op het bedrijventerrein Haskerveen. Hier is (sterk) vervuilde grond aangetroffen met PFAS. Het terrein is afgezet met hekken en er wordt momenteel verder onderzoek gedaan naar de bron en de omvang van de vervuiling. Daarnaast is er een locatie in Akkrum. Op deze locatie zijn in het verleden staalslakken gebruikt onder de erfverharding en gebouwen. Door een kapotte terrein verharding vindt er uitloging plaats naar het oppervlaktewater, waardoor er een verhoogde Ph-waarde is aangetoond. Ook deze locatie is afgezet en wordt verder onderzocht.
9
Daarnaast neemt de gemeente Heerenveen PFAS standaard mee bij bodemonderzoek. Normaal gesproken maakt PFAS geen deel uit van het standaard analysepakket, maar Heerenveen doet dit bewust wel. Op die manier ontstaat een beter beeld van waar en in welke mate PFAS verontreiniging voorkomt. 6. Is inzichtelijk waar wateroverlast en hittestress een risico zijn? Hoe groot zijn de risico’s? Waar liggen de risico’s? Vanuit de uitgevoerde klimaatstresstesten en analyses van de Friese klimaatatlas is inzichtelijk gemaakt waar risico’s optreden voor: • Wateroverlast; • Hittestress; • Droogte en; • Overstroming. De Friese klimaatatlas is online te raadplegen via Friese Klimaatatlas. Voor de gemeente Heerenveen is een verdiepende analyse gemaakt. Dit is vastgelegd in het Beleidsplan klimaatadaptatie bebouwd gebied en het Uitvoeringsplan klimaatadaptatie bebouwd gebied 2025-2029. Het doel is om in 2050 klimaatadaptief te zijn. We willen ons voorbereiden op de verwachte klimaatverandering en de effecten hiervan op de leefomgeving en het dagelijks leven. Bij hevige neerslag kan water op straat blijven staan en in sommige gevallen zelfs woningen en bedrijfsgebouwen binnenstromen, met schade en ontwrichting als gevolg.
Hittestress ontstaat doordat bebouwde gebieden met veel verharding en weinig groen veel warmte vasthouden, waardoor deze gebieden tijdens hittegolven veel warmer worden dan omliggende gebieden. Dit leidt tot gezondheidsproblemen, hogere sterfte onder kwetsbare groepen en extra belasting van infrastructuur en energievoorzieningen. De risico’s in de gemeente Heerenveen concentreren zich met name in sterk versteende wijken en buurten van de grotere plaatsen met weinig groen, dichtbebouwde gebieden met veel verharding, oude rioleringssystemen en lager gelegen gebieden/polders. In het uitvoeringplan Klimaatadaptatie Bebouwd gebied 2025-2029 zijn de grotere knelpunten nader gespecificeerd. 7. Welke inspanningen worden gedaan ter verhoging van de biodiversiteit (houtwallen, bloemrijke bermen)? Is dit een verandering van werkwijze of moet er geïnvesteerd worden? Er wordt ecologisch beheer toegepast, maar verdere ontwikkeling en verbetering, vraagt zowel om aanpassingen in beheer als extra investeringen en onderzoek. Wijziging in werkwijze kan hogere beheerkosten met zich meebrengen. Toelichting De gemeente Heerenveen is gestart met het systematisch in kaart brengen van de ecologische omstandigheden in de dorpen om de biodiversiteit te verbeteren (binnen huidige begroting); het buitengebied volgt later.
Dit gebeurt met de methode Basiskwaliteit Natuur (BKN) in de Bebouwde Omgeving, waarbij gekeken wordt naar bodem, water, lucht, soorten en beheer. De resultaten vormen een objectieve basis voor maatregelen in inrichting, beheer en onderhoud. Dit geeft ook een belangrijke aanzet tot het behalen van de eerste deadline van de Natuurherstelwet. Deze vereist dat Nederland 10
in 2030 minimaal 30% van gebieden op land, aan de kust, in zoet water, bos en landbouwgebieden, in steden en zee zijn hersteld en beschermt. Vooruitlopend op de uitkomsten van de BKN zijn de volgende opgaven voor het behouden en versterken van de biodiversiteit al te benoemen: • Een groot deel van de bermen in de gemeente Heerenveen wordt ecologisch beheerd met goede resultaten. De bermen rondom Aldeboarn en Akkrum (voormalige gemeente Boarsterhim) worden geklepeld en dat is (zeer) schadelijk voor de biodiversiteit. Een omschakeling naar ecologisch maaibeheer is voor behoud en versterking van de biodiversiteit nodig. Tot op heden is, gezien de financiële consequenties, geen uitvoering gegeven aan deze maatregel. • Binnen dorpen en wijken is relatief veel niet functionele verharding aanwezig, de wens is deze verharding te vervangen door groen. Dit zorgt voor het beter vasthouden van water (sponswerking, tegengaan van verdroging), een gezond bodemleven, minder hitte en meer leefruimte voor (bestuivende) insecten als graslandvlinders, wilde bijen enz., ook draagt vergroening bij aan een aantrekkelijke gezonde leefomgeving. Er is een start gemaakt maar een vervolg is nodig. • Er zijn verschillende mogelijkheden om inwoners meer te betrekken bij het versterken van de biodiversiteit, capaciteit (uren) en budget zijn nu beperkt waardoor de mogelijkheden nu niet optimaal worden benut.
•
Voor de dorpen worden de ecologische omstandigheden onderzocht Basis Kwaliteit Natuur (BKN). Dit resulteert in een overzicht van maatregelen die bijdragen aan het verbeteren van de ecologische kwaliteit en daarmee aan de versterking van de biodiversiteit. In aansluiting hierop is onderzoek naar de BKN in het buitengebied gewenst, om ook daar gericht te kunnen werken aan behoud en versterking van biodiversiteit.
•
Klimaatverandering. Veldbezoek dit voorjaar wijst op een mogelijke afname van orchideeën in de graslanden en bermen die de gemeente Heerenveen beheert. Mogelijke oorzaken zijn verdroging en/of verrijking van de bodem. De oorzaak moet worden onderzocht waarna herstelmaatregelen getroffen kunnen worden. Verdroging is binnen het boom- en plantsoenbeheer een groeiend punt van zorg, voor duurzaam behoud van groen in de dorpen is investering in groeiplaatsverbetering en omvorming naar klimaatbestendig groen in de toekomst noodzakelijk. Invasieve exoten op land en in het water vragen om bestrijding en beheer, waar het kan geheel verwijderen en waar dat niet lukt inzetten op het beperken van de gevolgen. Verwachting is dat de druk van invasieve exoten op het ecosysteem gaat toenemen.
•
11
8. Wat is de stand van zaken rondom lelieteelt en de gewasbeschermingsmiddelen? De dynamiek op het onderwerp de volle aandacht heeft, dat we net als ons omringende gemeenten bezig zijn met welke mogelijkheden we hebben als het gaat om bescherming van de gezondheid van onze inwoners, met oog voor de belangen van onze agrariërs. Over gezondheidsrisico’s door gewasbeschermingsmiddelen bestaat veel discussie, waarbij de aanwijzingen dat er sprake van kan zijn sterker worden. Binnen onze gemeente en andere gemeenten is geen kennis voorhanden om daar zelfstandig een oordeel over te vellen. Wij moeten afgaan op wat andere instanties daarover publiceren. Tot nu toe lijkt er wel een statistisch verband te bestaan maar nog geen causaal verband. Vanuit het voorzorgprincipe onderzoeken we dan ook of we maatregelen kunnen treffen. In het ontwerpprogramma Buitengebied is een beleidslijn opgenomen vanuit jurisprudentie over hoe om te gaan met nieuwe activiteiten en gevoelige bestemmingen. Deze afweging/onderbouwing, Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties, ook wel Etfal genoemd, wordt bij alle nieuwe initiatieven toegepast. Het programma Buitengebied bevat geen (en kan ook geen regels bevatten) om burgers en bedrijven te binden. Dergelijke regels kunnen worden ingevoerd met een voorbereidingsbesluit of een wijziging van het omgevingsplan.
12