CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Vergelijkend overzicht van oude en nieuwe verordening.

Raadsvergadering 14 december 2023, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Verordening Jeugdhulp4.503 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening jeugdhulp gemeente Heerenveen 2014

Verordening Jeugdhulp gemeente Heerenveen 2024

In deze kolom is af en toe de volgorde van de subartikelen gewijzigd om de betreffende bepalingen op dezelfde hoogte te plaatsen als de vervangende tekst in de nieuwe verordening. Er zijn geen teksten weggelaten en ook is de volgorde van de artikelen niet aangepast. Toelichting op wijzigingen in artikel 1: 1. Termen en definities zijn in overeenstemming gebracht met de meest recente ontwerpverordening van de VNG; 2. Enkele termen komen in de nieuwe verordening niet terug omdat de werkwijze bij verstrekking van jeugdhulp via de gemeente minder uitgebreid is beschreven (want: gedelegeerd aan het college van B&W; zie artikel 4 e.v.). Artikel 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

- vrij toegankelijke Jeugdhulp: een voor de doelgroep – zoals omschreven in artikel 2.1 – vrij toegankelijke (algemene) voorziening;

- algemene voorziening: algemene voorziening voor jeugdhulp, als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

- niet vrij toegankelijke Jeugdhulp en niet vrij toegankelijke voorziening: Jeugdhulp die niet door de vrij toegankelijke Jeugdhulp geboden kan worden als bedoeld in artikel 2, tweede lid. Hiervoor is een beschikking nodig;

- individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening voor jeugdhulp als bedoeld in artikel 2, tweede lid;

- andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

- andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

- gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 6; - hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; - melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid; - pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de niet vrij toegankelijke voorziening behoort van derden te betrekken;

- pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

- wet: Jeugdwet.

- wet: Jeugdwet.

Toelichting op wijzigingen artikel 2: nieuwe redactie conform ontwerp VNG.

Artikel 2. Vormen van jeugdhulp

Artikel 2. Vormen van jeugdhulp

1. Vrij toegankelijke Jeugdhulp: Jeugdhulp waar elke jeugdige toegang toe heeft zonder dat hier een beslissing van het college voor gevraagd wordt. Omdat de ontwikkeling van Jeugdhulp nog volop in ontwikkeling is, kan het college bepalen dat de vrij toegankelijke Jeugdhulp aangepast of uitgebreid wordt.

1. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. informatie ten behoeve van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; b. advies ten behoeve van opgroei- en opvoedingsproblemen.

2. Niet vrij toegankelijke Jeugdhulp: vormen van hulp die niet door het Centrum voor Jeugd en Gezin zelfgeboden wordt en waar een beschikking voor nodig is. Het gaat dan om gespecialiseerde Jeugdhulp die regionaal of landelijk geboden wordt.

2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a.(hoog)specialistische jeugdhulp; b. dyslexiehulp; c. residentieel verblijf voor jeugdigen; d. crisiszorg; e. pleegzorg; f. gesloten jeugdhulp; g. Jeugdbescherming en h. Jeugdreclassering.

3. Het college stelt bij nadere regeling vast welke overige en niet vrij toegankelijke voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn.

3. Het college stelt beleidsregels vast over individuele voorzieningen die op basis van het tweede lid beschikbaar zijn.

Toelichting op wijzingen artikel 3: geen wijzigingen. Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de aanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

2. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen niet vrij toegankelijke voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 9.

2. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

Toelichting op wijzigingen artikelen 4 t/m 8 (oud) c.q. 4 t/m 6 (nieuw):: De VNG-conceptverordening kent twee varianten: één waarbij de werkwijze via de gemeentelijke Toegang in de Verordening (dus: door de raad) wordt vastgesteld; en één waarbij deze via beleidsregels door het college worden vastgesteld. In de nieuwe verordening is gekozen voor de tweede optie. Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag

Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente

1. Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college.

Het college stelt bij nadere regeling beleidsregels met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Het college geeft daarbij aan op welke wijze hij jeugdigen en ouders informeert

2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

over de mogelijkheid en het belang om in bepaalde gevallen een beroep op jeugdhulp te doen. Artikel 5. Criteria voor een individuele voorziening

3. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk6 van de wet.

1. Onverminderd dat jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een algemene voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.

4.Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een vrij toegankelijke voorziening.

2. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening.

Artikel 5. Vooronderzoek

Artikel 6. Deskundig oordeel en advies

1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 7, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met de jeugdige of zijn ouders een afspraak voor een gesprek.

Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

2.Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodigzijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3.Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel 6. Gesprek 1.Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige of zijn ouders,zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e. de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een vrij toegankelijke voorziening; f. de mogelijkheden om een niet vrij toegankelijke voorziening te verstrekken; g. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen niet vrij toegankelijke voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werken inkomen; h. hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuigingen de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. 2.Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemmingom hun persoonsgegevens te verwerken. 3.Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek. Artikel 7. Verslag 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 6. 2. Binnen zeven werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd. Artikel 8. Aanvraag 1.

Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om niet vrij toegankelijke ondersteuning schriftelijk indienen bij het college. 2. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de jeugdige of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven.

Toelichting op wijzingen artikel 9 (oud) c.q. 7 (nieuw): nieuwe redactie conform ontwerp VNG. Artikel 9. Inhoud beschikking Artikel 7. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een niet vrij toegankelijke voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt

1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en

verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:

c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:

3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:

a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;

a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

4. Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige of zijn ouders daarover in de beschikking geïnformeerd.

Toelichting op wijzingen artikel 10 (oud) c.q. 8 (nieuw): nieuwe, uitgebreide redactie, conform actuele ontwerpverordening VNG. Belangrijke nieuwe bepalingen zijn: Vastlegging dat PGB-uurtarief (ook voor niet-professionele hulp uit het netwerk) altijd minimaal het wettelijk minimum-uurloon is); Vastlegging (conform art. 8 Regeling Jeugdwet) van een mogelijke tegemoetkoming voor niet-verplichte jeugdhulp uit het sociaal netwerk van maximaal € 141,- per maand + onkosten; Overige voorwaarden voor het betrekken van PGB-hulp uit het eigen netwerk (niet-professionele hulp) worden vastgesteld in beleidsregels. Artikel 10. Regels voor pgb

Artikel 8. Regels voor pgb

1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1. van de wet.

1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet.

2. Het tarief voor een pgb:

2. De hoogte van een pgb:

a. is gebaseerd op een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan over hoe zij het pgb gaan besteden; b. is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen, en c. bedraagt maximaal 75% van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate niet vrij toegankelijke voorziening in natura.

a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet: 1°. welke jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, en 2°. indien van toepassing, welke hiervan de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

3.De hoogte van een pgb is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten.

b. wordt berekend op basis van een tarief of prijs: 1°. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de jeugdige of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken; 2°. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de jeugdige of zijn ouders de jeugdhulp willen betrekken, en 3°. waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het derde lid gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de jeugdige of zijn ouders de mogelijkheid heeft om de betreffende jeugdhulp te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura.

4.De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk:

3. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het eigen sociale netwerk: a. het tarief of de prijs, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, bedraagt voor jeugdhulp verleend door een derde, niet zijnde op onverplichte basis verleende jeugdhulp door een hulp uit het sociale netwerk als bedoeld in artikel 8 van de Regeling Jeugdwet, 100% van het wettelijke minimumloon of zoveel meer, tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura, als noodzakelijk is om: 1°. te verzekeren dat het budget de jeugdige of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp te betrekken of verlenen, en 2°. op gepaste wijze rekenschap te geven van de gezinssituatie en van de relevante werkervaring en kwalificaties van deze persoon; b. een hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 8 van de Regeling Jeugdwet kan voor op onverplichte basis verleende jeugdhulp enkel een tegemoetkoming van € 141,- per kalendermaand worden betaald, voor zover van toepassing aangevuld met een tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen,

a. dat deze persoon maximaal 25% van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate niet vrij toegankelijke voorziening betaald krijgt voor zijn diensten; b. dat deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt, en c. dat tussenpersonen of belangbehartigers niet uit het pgb mogen worden betaald.\

5.De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een ongekwalificeerde ondersteuner (werkstudenten, ZZP’ers zonder gespecialiseerde opleiding) onder de voorwaarde dat deze persoon maximaal 50% van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate niet vrij toegankelijke voorziening betaald krijgt voor zijn diensten.

levensmiddelen, kleding of reiskosten ten behoeve van de hulp overeenkomstig de door het college daarvoor vastgestelde bedragen, en c. deze persoon heeft aangegeven dat het leveren van de jeugdhulp voor hem niet tot overbelasting leidt, en d. tussenpersonen of belangbehartigers worden niet uit het pgb betaald. 4. In beleidsregels werkt het college uit: a. op basis van welke tarieven de jeugdhulp in de vorm van PGB kan worden uitgevoerd b. welke kwaliteitseisen worden verlangd van aanbieders voor het aanbieden van jeugdhulp op basis van een pgb.

Artikel 9. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 10, derde lid, onder d. 3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Toelichting op wijzingen artikel 11 (oud) c.q. 10/11 (nieuw): nieuwe, uitgebreide redactie, conform actuele ontwerpverordening VNG. Artikel 11. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Artikel 10. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 1. Het college informeert de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

1. Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een niet vrij toegankelijke voorziening.

2. Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen de jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb.

2. Onverminderd artikel 8.1.4van de wet kan het college een beslissing aangaande een niet vrij toegankelijke voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de niet vrij toegankelijke voorziening of op het pgb zijn aangewezen;

b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

c. de niet vrij toegankelijke voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

c. de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, of

d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de niet vrij toegankelijke voorziening of het pgb, of

e. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening of het pgb.

e. de jeugdige of zijn ouders de niet vrij toegankelijke voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

4. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokkenen de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten niet vrij toegankelijke voorziening of het ten onrechte genoten pgb.

5. Indien het college een beslissing als bedoeld in het derde lid onder a, heeft herzien dan wel ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde terugvorderen van het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget. 6. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen.

Artikel 11. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s 5.Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.

Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

Toelichting op wijzigingen artikel12: geen wijzigingen. Artikel 12. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Artikel 12. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijskwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voerenkinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

Het college houdt in het belang van een goede prijskwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

a. de aard en omvang van de te verrichten taken;

a. de aard en omvang van de te verrichten taken;

b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

c. een redelijke toeslag voor overheadkosten;

c. een redelijke toeslag voor overheadkosten;

d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

d. een voor de sector reële mate van nonproductiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

e. kosten voor bijscholing van het personeel.

e. de kosten voor bijscholing van het personeel.

Toelichting op wijziging artikel 13 (oud): ontbreekt in conceptverordening-VNG omdat deze bepalingen al vastliggen in de Jeugdwet. Artikel 13. Vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Toelichting op wijzigingen artikel14 (oud) c.q. 13 (nieuw): geen wijzigingen. Artikel 14. Klachtregeling

Artikel 13. Klachtregeling

Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

Toelichting op wijzigingen in artikel 15 (oud) c.q. 14 (nieuw): redactie conform conceptverordening VNG; lid 3 (nieuw) geconcretiseerd naar vigerende regeling Heerenveen. Artikel 15. Inspraak en medezeggenschap

Artikel 14. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uitte brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffendejeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

4. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

1. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3. Het college geeft uitvoering aan lid 1 en 2 door middel van de Verordening Participatieraad.

Toelichting op nieuw 15: nieuwe suggestie in conceptverordening VNG. Artikel 15. Evaluatie De Verordening wordt eenmaal per vier jaren geëvalueerd of zoveel eerder indien wettelijk noodzakelijk. Artikel 16. Hardheidsclausule Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere en onvoorziene hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening, indien daar zeer dringende redenen voor zijn.

Toelichting op wijzigingen artikel17 (oud) c.q. 16 (nieuw): geen wijzigingen. Artikel 16. Intrekking oude verordening 1. De Verordening jeugdhulp 2014 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op jeugdhulp die is verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp 2014, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp 2014 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp 2014 wordt beslist met inachtneming van die verordening. Artikel 17. Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 17. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Heerenveen.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Heerenveen 2024.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=fbf264bf-2fd0-4855-b7ba-c44a203b9e1e