CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 ecologisch onderzoek

Raadsvergadering 26 oktober 2021, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Kerkelaan naast nummer 2 te Katlijk4.209 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

2020 QuickScan Wet natuurbescherming Romte4 Ontwikkeling W.A. Nijenhuisweg 1 te Katlijk

COLOFON BUREAU FAUNAX Badweg 40 B 8401 BL Gorredijk 0513-435024 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus

QuickScan Wet natuurbescherming Romte4 Ontwikkeling W.A. Nijenhuisweg 1 te Katlijk Gorredijk, augustus 2020

In opdracht van: Romte4 Contactpersoon: Mevr. P.A. van der Wal Uitvoering: Bureau FaunaX Rapportage: Mevr. A. Wieringa Foto’s: Bureau FaunaX Autorisatie: Dhr. E.P. de Boer Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied

© Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2020). QuickScan Wet natuurbescherming, Ontwikkeling W.A. Nijenhuisweg 1 te Katlijk. Rapport 20136 Bureau FaunaX, Gorredijk.

Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.

INHOUDSOPGAVE 1. 2.

INLEIDING ..................................................................................................................... 1 RESULTATEN QUICKSCAN ........................................................................................... 3 2.1 Flora ............................................................................................................................... 3 2.2.

3.

Vogels ........................................................................................................................... 4 2.2.1.

Jaarrond beschermde vogelnesten ............................................................... 4

2.2.2.

Overige (broed)vogelsoorten .........................................................................5

2.3.1

Vleermuizen ...................................................................................................5

2.3.2.

Overige zoogdiersoorten ...............................................................................5

2.4

Reptielen en amfibieën .................................................................................................5

2.5

Vissen ........................................................................................................................... 6

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ...............................................................................8 3.2.1. Algemeen voorkomende broedvogels .......................................................... 8 3.2.2.

Vrijgestelde- en niet beschermde soorten: de zorgplicht ............................ 8

4. BRONNEN EN LITERATUUR .........................................................................................9 BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Wnb Soortbescherming ......................................................................................................- 1 Vogels en verstoring .................................................................................................- 1 Vrijgestelde soorten provincie Fryslân .....................................................................- 1 Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 2 Zorgplicht art 1.11 Wnb............................................................................................. - 2 Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 3 Natura2000-gebieden .............................................................................................. - 3 Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 3 Natuur Netwerk Nederland/ Ecologische Hoofd Structuur ............................................ - 3 -

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

Men is voornemens in de achtertuin aan de W.A. Nijenhuisweg 1 te Katlijk een tweede woning te realiseren. Hierbij zullen de bomen van de achtertuin behouden blijven. Omdat een deel van bovenstaande maatregelen een ruimtelijke ingreep betreft, dient een toetsing te worden uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze toetsing vindt eerst plaats in de vorm van een QuickScan gebaseerd op het onderdeel soortbescherming. In het kader daarvan is door Bureau FaunaX een analyse gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer aanwezige beschermde natuurwaarden. Hierbij ligt de focus op flora en alle diergroepen waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat beschermde soorten voor kunnen komen in het plangebied. Tevens is een inschatting gemaakt van de eventuele effecten van de voorgenomen plannen op in de omgeving liggende beschermde natuurgebieden (Natura 2000 en EHS/ NNN) (onderdeel gebiedsbescherming).

1.2

Doel

Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.

Komen binnen het plangebied (biotopen van) beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de realisatie van de initiatieven en het in gebruik hebben ervan op deze beschermde natuurwaarden? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkómen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?

Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.

1.3

Onderzoeksopzet

Soorten In opdracht van Romte4 heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische QuickScan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze QuickScan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische QuickScan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze QuickScan is uitgevoerd op woensdag 19 augustus 2020 en vond plaats onder zomerse weersomstandigheden (26°C en helder). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten.

1

Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent de Ecologische Hoofdstructuur, ganzenfoerageergebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.

1.4 Ligging en karakteristiek van het plangebied Het plangebied betreft een achtertuin of het erf van W.A. Nijenhuisweg 1 te Katlijk (figuur 1.1). Het terrein ligt centraal binnen de bebouwde kom. Het plangebied bestaat uit een grasveld met enkele (fruit/dennen) bomen en heggen met daarnaast een houtopslag, omringd met paden. Het erf wordt omringd door een bomensingel en drooggevallen sloten en andere woningen. Het planvoornemen is om in de achtertuin een tweede woning te realiseren. De toegang naar de nieuwe woning zal vanuit de Kerkelaan aan de oostkant van het terrein lopen. De bomen rondom en op het terrein zullen behouden blijven. Aan de sloten zal niet gewerkt worden.

Figuur 1.1. Ligging van het plangebied, rode stip (bron: Google Maps).

2

2. RESULTATEN QUICKSCAN 2.1

Flora

Het plangebied wordt gekenmerkt door grasland met soorten zoals Engels raaigras, madelief, perzikkruid, paardenbloem, havikskruid, witte klaver, hondsdraf en andere voedselrijke soorten (figuur 2.1). Het plangebied is vanwege habitateigenschappen ongeschikt voor beschermde flora en deze zijn ook niet aangetroffen.

Figuur 2.1. Impressie aangetroffen flora binnen het plangebied.

Op basis van de waargenomen soorten en de (habitat)eigenschappen van het plangebied is het voorkomen van beschermde plantensoorten uit te sluiten.

3

2.2. Vogels 2.2.1. Jaarrond beschermde vogelnesten Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten of horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. Deze nesten zijn niet aangetroffen. Nesten van beschermde soorten die in gebouwen verblijven, zoals gierzwaluw en huismus, zijn hier niet van toepassing, aangezien de werkzaamheden in het plangebied niet rond de bestaande bebouwing plaats vindt. In en rond de bestaande bebouwing van het plangebied (o.a. in heggen en takkenhopen) werden gelukkigerwijze opvallend grote aantallen huismussen aangetroffen (> 20 individuen, figuur 2.2). De takkenhopen vormen een belangrijk onderdeel van het functioneel leefgebied voor de lokale kolonie. Deze kolonie zal naar verwachting geen effecten ondervinden van de geplande werkzaamheden.

Figuur 2.2. Impressie huismuskolonie (rood gemarkeerd).

 

4

Aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden kan op voorhand worden uitgesloten. Rond de bestaande bebouwing, maar buiten de invloed van de werkzaamheden, bevindt zich wel een vitale huismuskolonie.

2.2.2. Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor (weide)broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De bomen en struiken in en rondom het plangebied bieden mogelijkheden voor broedvogels (zoals de aangetroffen kleine bonte specht, lijster en merel) om in te nesten, die door de werkzaamheden gedeeltelijk verstoord zullen worden. Negatieve effecten van de werkzaamheden op broedvogels kunnen daarom op voorhand niet worden uitgesloten. 

2.3

Er kan bij voorbaat niet worden uitgesloten dat zich binnen het plangebied/invloedssfeer van de werkzaamheden nestplaatsen bevinden van algemene vogelsoorten waarvan de nesten tijdens het broedseizoen beschermd zijn (alle broedvogels zijn tijdens het broedseizoen beschermd).

Zoogdieren

2.3.1 Vleermuizen Het plangebied is tijdens het veldbezoek beoordeeld op waarden voor vleermuizen. Hierbij is de nadruk gelegd op de aanwezigheid van mogelijke verblijfplaatsen. Ook is gekeken of doorof langs het plangebied essentiële vliegroutes van vleermuizen kunnen lopen. Vleermuizen verblijven in Nederland voornamelijk in gebouwen of boomholten, welke ontbreken binnen het plangebied. Hierdoor kunnen negatieve gevolgen van de werkzaamheden op vleermuis verblijfplaatsen op voorhand worden uitgesloten. Bomenrijen, watergangen en andere verbindende elementen in de omgeving kunnen door vleermuizen gebruikt worden als vliegroutes tussen verblijfplaatsen en foerageergebied. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes kunnen op voorhand worden uitgesloten, aangezien de omgeving voldoende alternatieven biedt.  

Negatieve effecten op vleermuis verblijfplaatsen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er kan op voorhand worden uitgesloten dat met de beoogde werkzaamheden essentiële vliegroutes verloren zullen gaan.

2.3.2. Overige zoogdiersoorten Het plangebied is eveneens gecontroleerd op waarden voor overige zoogdiersoorten. Binnen het plangebied zijn geen indicaties van holen of sporen aangetroffen. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten kan op voorhand worden uitgesloten. Voor vrijgestelde soorten geldt zorgplicht.  

Aanwezigheid van verblijfplaatsen van overige beschermde zoogdiersoorten kan op voorhand worden uitgesloten. Voor voorkomende vrijgestelde soorten geldt de zorgplicht.

2.4 Reptielen en amfibieën Het plangebied betreft hopen takken en een sloot. De hopen takken zijn geschikt als habitat voor slangen. De drooggevallen sloten kunnen voor amfibieën geschikt zijn, mits deze water dragend zijn. De dichtstbijzijnde verspreidingsgegevens van beschermde reptielen en amfibieën bevinden zich voornamelijk bij de Katlijkerheide op 500 m van het plangebied, (bron: NDFF) of buiten het dorp. 5

Gezien de afstand tussen dit gebied, het plangebied en het tussenliggend agrarisch land, kan met aan waarheid grenzende zekerheid op voorhand worden uitgesloten dat deze soortgroepen negatieve effecten van de werkzaamheden zullen ondervinden. Op basis van verspreidingsgegevens kan op voorhand worden uitgesloten dat de werkzaamheden negatieve effecten zullen hebben voor beschermde amfibieën. Voor de vrijgestelde soorten amfibieën geldt zorgplicht. 

2.5

De aanwezigheid van beschermde reptielen en amfibieën kan op basis van verspreidingsgegevens worden uitgesloten.

Vissen

Het plangebied is vanwege de droogvallende sloten ongeschikt voor beschermde vissen. Daarnaast worden er geen werkzaamheden aan de sloot verricht, en kan op voorhand worden uitgesloten dat beschermde vissoorten negatieve effecten van de werkzaamheden zullen ondervinden. 

Op basis van de habitatgeschiktheid kan het voorkomen van beschermde vissoorten worden uitgesloten.

2.6 Ongewervelden Het plangebied bevat geen waardplanten of watervegetatie die essentieel zijn bij de voortplanting van beschermde insecten. Op basis hiervan kunnen negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde ongewervelden binnen het plangebied worden uitgesloten. 

Door afwezigheid van essentiële voortplantingsvegetatie kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden negatieve gevolgen zullen hebben op beschermde ongewervelden.

2.7 Gebiedsbescherming Het plangebied valt niet onder de NNN/EHS, ganzenfoerageergebieden of weidevogelgebieden. 

Het plangebied valt niet onder de NNN/EHS, ganzenfoerageergebieden of weidevogelgebieden aangesteld door de provincie Fryslân. Een toetsing naar een mogelijk conflict tussen gebiedsbescherming en het initiatief is niet van toepassing.

2.7.1 Stikstofgevoeligheid Het plangebied ligt nabij Natura 2000-gebieden Deelen (10,2 km), Rottige Meenthe & Brandemeer (11,4 km) en Drents-Friese Wold & Leggelderveld (14,7 km), zie figuur 2.3. Voor de laatste twee gebieden zijn zowel habitattypen als habitatsoorten aangewezen zoals meren met krabbenscheer en fonteinkruiden en stuifzandheiden met struikhei, en meervleermuis en kamsalamander. Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden komt er naar alle waarschijnlijkheid extra stikstof vrij door bijvoorbeeld het inzetten van mobiele werkvoertuigen zoals graafmachines. Deze extra stikstofemissie heeft mogelijk een effect op het voorgenoemde gebieden welke zijn aangewezen voor diverse (stikstof)geschikte habitattypen en soorten. Gezien de relatief grote afstand tot de Natura 2000-gebieden, kan naar ons inzicht worden uitgesloten dat de extra stikstofemissie significant negatieve effecten zal veroorzaken binnen het voorgenoemde gebied en is een Aerius-berekening niet van toepassing. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen en bepaalt of het uitvoeren van deze berekening benodigd is. 6

Een Aerius-berekening in het kader van Natura 2000 is naar onze mening niet nodig.

Figuur 2.3. Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden (bron: Natura 2000 kaart, provincie Fryslân.

2.7.2. Houtopstanden Als er een houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Er worden geen bomen binnen het plangebied gekapt, dus er is naar onzes inziens dan ook geen meld- en/of herplantingsplicht. 

Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.

7

3. SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1

Overzicht beschermde soorten

In onderstaand tabel 3.1 worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn dan ook alleen de soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in het plangebied. Soortgroep Soort Aanwezigheid Art. 3.1 Art. 3.5 Art. 3.10 Vrijgesteld Advies Vogels Algemene broedvogels Mogelijk X Werken buiten broedtijd Vogels Algemeen voorkomende Zoogdieren Mogelijk X X Zorgplicht soorten Amfibieën

3.2

Effectbespreking en aanbevelingen

Het project kan naar onzes inziens doorgang vinden binnen het kader van de Wet natuurbescherming, mits men zich houdt aan de hieronder volgende aanbevelingen.

3.2.1. Algemeen voorkomende broedvogels Het plangebied biedt mogelijkheden voor vogels om te broeden; in de bomen en struiken. Het gaat hier om soorten waarvan nesten alleen beschermd zijn tijdens het broedseizoen. Wij adviseren daarom om de werkzaamheden buiten de broedtijd uit te voeren. De broedtijd loopt grofweg van 15 maart tot 15 juli. Er is echter geen standaard voor deze periode. Sommige soorten kunnen eerder of later in het jaar broeden. Wat van belang is, is of er een broedgeval is en of er sprake is van wezenlijke verstoring van het betreffende broedgeval. Eventueel kan tijdens de broedtijd gewerkt worden, dit dient dan te gebeuren onder begeleiding van een ecoloog.

3.2.2. Vrijgestelde- en niet beschermde soorten: de zorgplicht Er kunnen een aantal niet beschermde of vrijgestelde soorten voorkomen in het plangebied, zoals verschillende soorten kleine zoogdieren en amfibieën, maar ook het functioneel leefgebied van de aangetroffen kolonie huismussen. Voor schade aan deze soorten geldt in principe een vrijstelling. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door voorafgaand aan de werkzaamheden dekking te verwijderen. Hierdoor worden eventueel aanwezige dieren vooraf bewogen een andere verblijfplaats te zoeken.

3.3

Overzicht vervolgstappen

De werkzaamheden kunnen binnen de kaders van de Wet natuurbescherming worden uitgevoerd, mits aan de hieronder genoemde vervolgstappen wordt voldaan. Voor meer detaillering en uitleg, zie de paragrafen hiervoor.  

8

Algemeen voorkomende broedvogels: Werken buiten de broedtijd (grofweg 15 maart 15 juli). Vrijgestelde soorten: Het naleven van de zorgplicht.

4. BRONNEN EN LITERATUUR Alterra (2015). Synbiosis kaartenmachine Natura 2000 | Beschermde gebieden. Via: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.W. van Delft 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland.Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey- Nederland, Leiden FLORON (2015) Verspreidingsatlas planten. Via http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Korsten, E. en Regelink, J.R. (2010). Cursus herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en ander ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen Melis, J. & M.Koopmans, 2015. Fiskatlas Fryslân, verspreiding en ecologie van zoetwatervissen in Fryslân. Bornmeer, Gorredijk. Natura 2000 gebieden https://www.natura2000.nl/gebieden/friesland Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur. Vleermuisprotocol 2013, 27 maart 2013.

www.gegevensautoriteitnatuur.nl en www.netwerkgroenebureaus.nl Planologische Ecologische Hoofdstructuur en Natura2000 kaarten provincie Fryslân https://fryslan.maps.arcgis.com/home/webmap/viewer.html?webmap=87336a0a24ff4270aa281 ada0f542f17 https://fryslan.maps.arcgis.com/apps/Minimalist/index.html?appid=c7d65da54439463bbf916d 335880dd91 RAVON (2009). Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën. In opdracht van het ministerie van LNV, Gegevensautoriteit Natuur. https://www.verspreidingsatlas.nl

9

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.

Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.

Vogels en verstoring Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).

Vrijgestelde soorten provincie Fryslân Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de provincie Fryslân vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Fryslân is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-6515.html.

-1-

Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming provincie Fryslân.

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat

Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de provincie Fryslân, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a.

in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden. Dit is vooral van toepassing bij de vrijgestelde zoogdieren. Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet er alles aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen). Indien bovengenoemde soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet nodig.

Zorgplicht art 1.11 Wnb Echter, dit is niet nodig omdat nog steeds een inspanning wordt geleverd om deze soorten zo min mogelijk schade te doen, zoals is omschreven in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, meer algemeen bekend als de zorgplicht. Hoewel overtredingen niet strafbaar zijn gesteld, kan het uitvoeren van de zorgplicht wel worden gehandhaafd door toepassing van een bestuursdwang. Dat betekent dat de uitvoerende gedwongen kan worden herstelacties uit te voeren.

-2-

Wnb Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en Natura2000-gebieden.

Natura2000-gebieden Projecten of activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor, of verband houden met, het beheer van de natuurwaarden van Natura2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) en mogelijk negatieve effecten hebben op deze waarden, dienen vanuit de Wet natuurbescherming getoetst te worden. Deze toetsing vindt enkel plaats in het geval de uitvoering van een project plaatsvindt binnen de invloedssfeer van een N2000-gebied en verwacht wordt dat deze uitvoering (mogelijk) negatieve effecten heeft op soorten of habitattypen waarvoor het N2000-gebied is aangewezen.

Wnb Houtopstanden De Boswet is in 2015 gewijzigd en per 1 januari 2017 opgenomen in de nieuwe Wet Natuurbescherming. Die wet zal op den duur weer (beleidsneutraal) in de Omgevingswet opgenomen worden. De, voor gemeenten, belangrijkste wijziging van de wet is de beperking in het stellen van regels ten aanzien van houtopstanden buiten de begrenzing zoals aangegeven op de kaart Begrenzing Bebouwde kom Boswet. Dit heeft effect op o.a. gemeentelijk kapbeleid. De provincie heeft, als bevoegd gezag, een provinciale verordening opgesteld voor de uitvoering van de Wet Natuurbescherming. Dat is in overleg met de Friese gemeenten gedaan. De APV, afd. 3 Het bewaren van houtopstanden, oftewel de kapverordening, vormt de basis voor het nader uitgewerkte kapbeleid. Tevens zijn in de APV regels opgenomen ten aanzien van de Bomenlijst. De bescherming van arealen bos en houtopstanden valt dus onder de Wnb, mochten deze groter zijn dan 10 are (1000 m2) of bestaan uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert soms voor ‘buiten de bebouwde kom’ een andere begrenzing dan voor de Weg- en verkeerswet. Bij twijfel kan hierover bij de gemeente informatie worden aangevraagd.

Als de houtopstand groter dan 10 are is of bestaat uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom, dan is er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan. Niet alle boomsoorten vallen onder deze wetgeving. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd, indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd.

Natuur Netwerk Nederland/ Ecologische Hoofd Structuur Strikt genomen valt de EHS/NNN niet onder de Wet natuurbescherming aangezien dit bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) maakt onderdeel uit van het rijksbeleid voor het creëren en vormgeven van een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De provincies krijgen echter zelf de gelegenheid om dit naar eigen inzicht zo goed mogelijk aan te wijzen, inrichten en beheren. Indien een ruimtelijke ingreep binnen de begrenzing van het NNN plaatsvindt moet een 'nee, tenzij' procedure worden doorlopen en zal bij doorgang van de ingreep in de regel compensatie en mitigatie noodzakelijk zijn.

-3-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=4cbc8de0-237d-4489-99ac-7d82fd3de107