bijlage 4. aanvraag en bijlagen
Tekst van het document
Publiceerbare aanvraag/melding omgevingsvergunning
Formulierversie 2020.01
Aanvraaggegevens Algemeen Aanvraagnummer
6575429
Aanvraagnaam
Aanvraag vervanging stal Leeuwarderstraatweg 222
Uw referentiecode
-
Ingediend op
16-03-2022
Soort procedure
Reguliere procedure
Projectomschrijving
Het vervangen van een stalgebouw aan de Leeuwarderstraatweg 222, 8469 AC, Nieuwebrug
Opmerking
-
Gefaseerd
Nee
Blokkerende onderdelen weglaten
Nee
Kosten openbaar maken
Nee
Bijlagen die later komen
de constructie tekening en de ruimtelijke onderbouwing volgt later
Bijlagen n.v.t. of al bekend
de overige bijlagen zijn (in mijn beleving) niet van toepassing.
Geen
16 maart 2022
Geen
Bevoegd gezag
Datum aanvraag: 16 maart 2022
Naam:
Gemeente Heerenveen
Bezoekadres:
Crackstraat 2 8441 ES Heerenveen
Postadres:
Postbus 15000 8440 GA HEERENVEEN
Telefoonnummer:
0513-617617
Faxnummer:
0513-617475
E-mailadres:
vergunningen@heerenveen.nl
Website:
www.heerenveen.nl
Contactpersoon:
Dienst Publiek en Veiligheid
Aanvraagnummer: 6575429
Bevoegd gezag: Gemeente Heerenveen
Pagina 1 van 6
Overzicht bijgevoegde modulebladen
Aanvraaggegevens Locatie van de werkzaamheden Werkzaamheden en onderdelen Overige veranderingen aan bestaande bouwwerken • Bouwen Bijlagen
Datum aanvraag: 16 maart 2022
Aanvraagnummer: 6575429
Bevoegd gezag: Gemeente Heerenveen
Pagina 2 van 6
Locatie 1
Kadastraal perceelnummer
Burgerlijke gemeente
Heerenveen
Kadastrale gemeente
Oldeboorn
Kadastrale sectie
F
Kadastraal perceelnummer
1269
Bouwplannaam
stal vervangen
Bouwnummer
1
Gelden de werkzaamheden in deze aanvraag/melding voor meerdere adressen of percelen?
Datum aanvraag: 16 maart 2022
Aanvraagnummer: 6575429
Ja Nee
Bevoegd gezag: Gemeente Heerenveen
Pagina 3 van 6
Bouwen
Overige veranderingen aan bestaande bouwwerken
1
Woonboten en drijvende objecten
Betreft het bouwwerk een drijvend object? 2
Ja Nee
Woning
Gaat het om de bouw van één of meer woningen? 3
Ja Nee
De bouwwerkzaamheden
Wat is er op het bouwwerk van toepassing? Eventuele toelichting
Het wordt geheel vervangen Het wordt gedeeltelijk vervangen Het wordt nieuw geplaatst De huidige stal is nu zowel aan de woning als aan de kapschuur vast gebouwd. We willen dit graag vervangen en niet opnieuw aan de woning aanbouwen, maar wel weer aan/dicht tegen de kapschuur. Er gaat dan een bijgebouw 18,32 x 7 (=128m2) + de vierkante uitbouw van ca. 5x 3 (= 15m2) weg, er komt ca 140m2 stal voor terug. Tevens het verzoek om de rijbak te legaliseren en een verlichting aan 1 zijde aan te brengen (welke van de aangrenzende percelen af schijnt).
Hebt u voor deze bouwwerkzaamheden al eerder een vergunning aangevraagd? 4
5
6
Plaats van het bouwwerk
Waar gaat u bouwen?
Bijgebouw
Naam van het bijgebouw of bouwwerk
oude stal
Seizoensgebonden en tijdelijke bouwwerken
Gaat het om een seizoensgebonden bouwwerk?
Ja Nee
Gaat het om een tijdelijk bouwwerk?
Ja Nee
Gebruik
Waar gebruikt u het bouwwerk en/ of terrein momenteel voor? Geef aan waar u het bouwwerk en/ of terrein momenteel voor gebruikt.
Datum aanvraag: 16 maart 2022
Ja Nee
Aanvraagnummer: 6575429
Wonen Overige gebruiksfuncties stal / opslag
Bevoegd gezag: Gemeente Heerenveen
Pagina 4 van 6
Waar gaat u het bouwwerk voor gebruiken?
Wonen Overige gebruiksfuncties
Geef aan waar u het bouwwerk voor gaat gebruiken. 7
stal voor het hobby matig houden van 2 tot 4 paarden
Gebruiksfuncties
In onderstaande tabel staan in de eerste kolom mogelijke gebruiksfuncties die in een bouwwerk kunnen voorkomen. Vul voor alle gebruiksfuncties die voor u van toepassing zijn het aantal personen, de totale gebruiksoppervlakte en de totale vloeroppervlakte van het verblijfsgebied in m2 in hele getallen in.
8
Gebruiksfunctie
Aantal personen
Gebruiksoppervlakte (m2)
Verblijfsoppervlakte (m2)
Bijeenkomst
0
-
-
Cel
0
-
Gezondheidszorg
0
-
Industrie
0
-
Kantoor
0
-
Logies
0
-
Onderwijs
0
-
Sport
0
-
Winkel
0
-
Overige gebruiksfuncties
0
140
Geen
-
Geen
-
Geen
-
Geen
-
Geen
-
Geen
-
Geen
-
Geen
-
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
0
Uiterlijk bouwwerk/welstand
Beschrijf van de onderstaande onderdelen de materialen en kleuren die u voor het bouwwerk gebruikt. U mag het veld leeg laten als u materialen en kleuren in de bijlagen vermeldt Onderdelen
Materiaal
Kleur
Gevels
kunststof/hout
donker
- Plint gebouw
-
-
- Gevelbekleding
-
- Borstweringen
-
- Voegwerk
-
Kozijnen
kunststof/hout
donker
- Ramen
kunststof/hout
donker
- Deuren
kunststof/hout
donker
- Luiken
glas
doorzichtig
Balkonhekken
nvt
evt
Dakgoten en boeidelen
zink
zink kleur
Dakbedekking
platen
donker
Geen
-
Geen
Geen
Geen
Geen
Geen
Dakbedekking zal bestaan uit platen met dezelfde uitstraling/kleur als de huidige kapschuur. De mestplaat zal voorzien worden van een vloeistofkerende omwalling om te voorkomen dat vocht/mest zicht buiten de mestplaat verspreid.
Mondeling toelichten
Ik wil mijn bouwplan mondeling toelichten voor de welstandscommissie/ stadsbouwmeester.
Datum aanvraag: 16 maart 2022
-
Geen
Vul hier overige onderdelen en bijbehorende materialen en kleuren in.
9
-
Geen
Aanvraagnummer: 6575429
Ja Nee
Bevoegd gezag: Gemeente Heerenveen
Pagina 5 van 6
Bijlagen Formele bijlagen Naam bijlage
Bestandsnaam
Type
Datum ingediend
Bouwtekening_kapschuur_pdf
Bouwtekening kapschuur.pdf
Plattegronden, doorsneden en detailtekeningen bouwen
16-03-2022
In behandeling
Bouwtekening_woning_pdf
Bouwtekening woning.pdf
Plattegronden, doorsneden en detailtekeningen bouwen
16-03-2022
In behandeling
Nieuwebrug_foto_van_wat_weg_gaat_jpg
Nieuwebrug foto van wat weg gaat.jpg
Welstand
16-03-2022
In behandeling
Plattegrond___png
Plattegrond .png
Plattegronden, doorsneden en detailtekeningen bouwen
16-03-2022
In behandeling
Anders
16-03-2022
In behandeling
Huidige_bijgebouwen_pdf Huidige bijgebouwen.pdf
Datum aanvraag: 16 maart 2022
Status document 16 maart 2022
16 maart 2022
16 maart 2022
16 maart 2022
16 maart 2022
20211208_01_Situatie_met_verlichting_pdf
20211208_01 Situatie Plattegronden, met verlichting.pdf doorsneden en detailtekeningen bouwen
16-03-2022
In behandeling
afbeelding_LED_armatuur_png
afbeelding LED armatuur.png
Anders Installaties
16-03-2022
In behandeling
stal_14x10mtr_pdf
stal 14x10mtr.pdf
Plattegronden, doorsneden en detailtekeningen bouwen
16-03-2022
In behandeling
Hobbymatig_houden_van_Paarden_pdf
Hobbymatig houden van Paarden.pdf
Anders Bestemmingsplan, beheersverordening en bouwverordening
16-03-2022
In behandeling
Aanvraagnummer: 6575429
Bevoegd gezag: Gemeente Heerenveen
16 maart 2022
16 maart 2022
16 maart 2022
16 maart 2022
Pagina 6 van 6
Quickscan Soorten Leeuwarderstraatweg 222, Nieuwebrug
Quickscan Leeuwarderstraatweg 222, Nieuwebrug
In opdracht van: Foto’s: Witteveen Groenprojecten en Advies
Auteur
Datum
Versie
Documentnummer
oktober-2022
Definitief
22022.10.002.1.QS.D
Adres
internet
Telefoon
Skilpaed 42
witteveenadvies.nl
0517-842038
info@witteveenadvies.nl
Geaccordeerd
M. Klein
9035 AN Dronrijp 1
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
6
7
Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1
Leeswijzer .......................................................................................................................... 4
1.2
Verantwoording en geldigheid onderzoeksgegevens......................................................... 4
Wettelijk kader .......................................................................................................................... 6 2.1
Broedvogels en nesten ....................................................................................................... 6
2.2
Zorgplicht ........................................................................................................................... 7
Onderzoeksopzet ...................................................................................................................... 8 3.1
Brononderzoek .................................................................................................................. 8
3.2
Oriënterend veldbezoek..................................................................................................... 8
3.3
Effectenbeoordeling .......................................................................................................... 8
Plangebied................................................................................................................................. 9 4.1
Huidige situatie .................................................................................................................. 9
4.2
Planontwikkeling .............................................................................................................. 10
Beschermde soorten ................................................................................................................. 11 5.1
Planten ............................................................................................................................. 11
5.2
Vogels ............................................................................................................................... 11
5.3
Vleermuizen ...................................................................................................................... 14
5.4
Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................. 15
5.5
Amfibieën ......................................................................................................................... 18
5.6
Reptielen........................................................................................................................... 19
5.7
Vissen ............................................................................................................................... 19
5.8
Ongewervelden................................................................................................................. 19
Effectenbeoordeling en conclusie ............................................................................................. 21 6.1
Effectenbeoordeling per soortgroep ................................................................................. 21
6.2
Conclusie ..........................................................................................................................22
Advies vervolgtraject ................................................................................................................ 23
Verwijzingen ....................................................................................................................................25 Bijlagen ........................................................................................................................................... 26 Bijlage 1 Wet natuurbescherming ................................................................................................. 27 Bijlage 2 Foto’s impressie gebied .................................................................................................. 32 Bijlage 3: Foto’s omgeving van Funda ........................................................................................... 35
2
3
1 Inleiding In opdracht van dhr. heeft Witteveen Groenprojecten en Advies een Quickscan Soorten uitgevoerd voor de stal aan de Leeuwarderstraatweg 222 in Nieuwebrug (provincie Fryslân). Aanleiding voor deze quickscan is de ingeplande sloop van de schuur. De quickscan vormt de eerste fase in het kader van toetsing van plannen aan de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). De Quickscan Soorten gaat alleen over het onderdeel soortenbescherming van de Wnb; gebiedsbescherming en houtopstanden worden niet behandeld. De voorliggende quickscan leent zich niet direct voor een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag voor de geplande ingrepen. Het doel van de quickscan is - om op basis van brononderzoek en een oriënterend veldonderzoek een inschatting te maken of: • •
•
Beschermde planten- en diersoorten in het plangebied of directe omgeving van het plangebied kunnen voorkomen; De planontwikkeling mogelijk effect(en) heeft op de al dan niet aanwezige beschermde planten- en diersoorten en daarmee mogelijk strijdig is met de soortenbescherming conform de Wnb; Een noodzaak aanwezig is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de mogelijk voorkomende beschermde planten- en diersoorten, door een gerichte veldinventarisatie volgens de geldende protocollen;
Zowel bij mogelijke effecten als bij onvoldoende gegevens over de mogelijke aanwezige beschermde soorten of gebieden, volgt doorgaans het advies voor het uitvoeren van een nader onderzoek en/of toetsing. Op basis daarvan kan een vergunning en/of ontheffing bij het bevoegd gezag aangevraagd worden. Als in het plangebied geen beschermde soorten of functies (onder andere verblijfplaatsen) aanwezig zijn - en het plangebied geen functie heeft voor deze soorten - is het aanvragen van een ontheffing en het nemen van soortgerichte maatregelen niet noodzakelijk. Bij het voorkomen van algemene (niet strikt beschermde) soorten geldt wel de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb; zie ook hoofdstuk 2).
1.1 Leeswijzer Na een beknopte beschrijving van het wettelijk kader waar deze quickscan betrekking op heeft in hoofdstuk 2, volgt de onderzoeksopzet in hoofdstuk 3. Het plangebied en de planvorming staan beschreven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 gaat over de (potentieel) aanwezige soorten, waarna in hoofdstuk 6 een effectenbeoordeling en conclusie volgt. Een advies over het vervolgtraject staat in hoofdstuk 7. In bijlage I staat een uitgebreider overzicht van de bepalingen uit de Wet natuurbescherming en een foto impressie van het plangebied is te vinden in bijlage II.
1.2 Verantwoording en geldigheid onderzoeksgegevens Witteveen Groenprojecten en Advies is niet aansprakelijk voor (vervolg-)schade welke kan voortkomen op basis van de inhoud en resultaten van de opgestelde quickscan. Dit rapport is opgesteld op verzoek van en is haar eigendom. Wijzigingen van de plannen (ontwerp, plangebied, methode, materiaal, uitvoeringsperiode en tijdstip) kunnen van invloed zijn op de effectenbeoordeling en conclusie van het uitgevoerde onderzoek, alsmede het advies voor het vervolgtraject. 4
Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegd gezag hanteert over het algemeen de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”
5
2 Wettelijk kader In het onderdeel soortenbescherming van de Wnb zijn drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten (zie tabel 1). De eerste twee beschermingsregimes sluiten nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit de (Europese) Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime en worden ook wel ‘nationaal beschermde soorten’ genoemd. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijst met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Tabel 1: Op hoofdlijn verboden per beschermingsregime Soorten
Vogelrichtlijn
Habitatrichtlijn soorten uit bijlage I en II van de Bern conventie en bijlage I van de Bonn conventie
Andere beschermde soorten
Artikel Wnb
3.1
3.5
3.10
Verboden Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk vernielen, wegnemen of beschadigen van nesten/eieren Lid 3. Eieren rapen/onder zich hebben Lid 4 & 5. Opzettelijk verstoren (indien van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding) Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk verstoren Lid 3. Eieren te rapen of vernielen Lid 4. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen Lid 5. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten Lid 1 a. Opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden (vernoemd in bijlage van de wet onderdeel A) Lid 1 b. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van soorten (als bedoeld in bijlage van de wet onderdeel A) Lid 1 c. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten (als bedoeld in bijlage van de wet onderdeel B)
Binnen de categorie ‘andere beschermde soorten’ hebben provincies de bevoegdheid om eigen beleid te voeren. Zo geldt er soms een vrijstelling met betrekking tot inrichting en beheer voor sommige soorten in de ene provincie, terwijl dit in andere provincies niet het geval is.
2.1 Broedvogels en nesten De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen van vogels. Het gaat erom of er een broedgeval is. Over het algemeen is de kans op broedgevallen het grootst tussen 15 maart en 15 juli, waarbij watervogels tot september broedend kunnen worden aangetroffen. Al naar gelang de weersomstandigheden kan het broedseizoen eerder beginnen en langer doorgaan. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken of jaarlijks opnieuw gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Dit betekent dat nesten van deze vogels niet mogen worden verplaatst, beschadigd en vernietigd zonder ontheffing; ook buiten het broedseizoen. Tevens geldt dat werkzaamheden zonder ontheffing niet zijn toegestaan die het gebruik van het nest onmogelijk maken, terwijl het nest zelf niet wordt aangetast. Denk daarbij aan het verwijderen van essentiële beschutting tegen roofdieren of hinderlijk lichtval. Maar ook het verdwijnen van essentieel foerageerhabitat. Dit is dan een aantasting van de verblijfplaats.
6
Vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen (wanneer het nest bezet is) onder de bescherming van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb.
2.2 Zorgplicht Een belangrijk onderdeel is de zorgplicht (artikel 1.11), waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving, ongeacht beschermingsniveau. Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: • • •
Dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel; De noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen; of Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Het nalaten van de zorgplicht (voor alle in het wild levende dieren en planten) is een overtreding van de Wnb. In geval van overtreding van verboden zoals het opzettelijk doden van beschermde individuen, vernielen jaarrond beschermde nesten, eieren of beschermde leefgebieden bestaat er voor het bevoegd gezag een beginselplicht tot handhaving. Dat kan leiden tot bestuursrechtelijke maatregelen in de vorm van een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom of een BSBm (Bestuurlijke strafbeschikking milieu). Overtreding van deze verboden is bovendien een economisch delict en kan leiden tot strafrechtelijke vervolging.
7
3 Onderzoeksopzet De methodiek voor de quickscan bestaat uit drie onderdelen: brononderzoek, een oriënterend veldbezoek en een effectenbeoordeling.
3.1 Brononderzoek Grote delen van Nederland zijn in de afgelopen jaren onderzocht op aanwezige soorten. De gegevens afkomstig van deze onderzoeken worden grotendeels gepubliceerd in boeken (soortverspreidingsatlassen), rapportages of zijn op internet te raadplegen. De geraadpleegde literatuur en internetbronnen staan weergegeven onder Verwijzingen. Tevens is gebruikgemaakt van gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze databank is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in een bepaald gebied. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn gevalideerd. Van de afgelopen tien jaar zijn de beschikbare gegevens over het (mogelijk) voorkomen van beschermde natuurwaarden in en binnen de invloedsfeer van het plangebied voorafgaand aan het veldbezoek geanalyseerd. Hierbij zijn de gegevens uit het NDFF binnen een straal van 2 kilometer in stedelijk gebied, 5 kilometer in landelijk gebied en 20 kilometer voor vleermuizen als uitgangspunt genomen. Tijdens het veldbezoek is daarna doelgericht gekeken of er geschikt habitat, soorten en/of sporen van deze soorten aanwezig zijn in het plangebied
3.2 Oriënterend veldbezoek Inzicht in het voorkomen van beschermde soorten wordt verkregen door het uitvoeren van een oriënterend veldbezoek. Met dit veldbezoek kan beoordeeld worden of de planten- en diersoorten die in de bestaande bronnen naar voren zijn gekomen, ook daadwerkelijk in het gebied voorkomen of verwacht kunnen worden (habitatgeschiktheid). Daarnaast kan worden beoordeeld of ook andere beschermde soorten voorkomen of te verwachten zijn op basis van de aanwezige terreinkenmerken en beheer. Het oriënterend veldbezoek is door Witteveen Groenprojecten en Advies op 10 oktober 2022 uitgevoerd door werkzaam als Adviseur ecologie. Ten tijde van de inspectie was het zonnig en droog, 10°C met een matige zuiderwind (3 Bft).
3.3 Effectenbeoordeling De aanwezige habitattypen, de omvang van de werkzaamheden en de veranderingen die worden aangebracht in het plangebied vormen de basis voor de effectenbeoordeling. Op basis van de effectenbeoordeling wordt beoordeeld of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Met betrekking tot effecten wordt onderscheidt gemaakt tussen tijdelijke effecten (tijdens de uitvoering van de werkzaamheden) en langdurige, permanente effecten (na de uitvoering). De volledigheid van de effectenanalyse is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens, de mate van de toegankelijkheid van het plangebied, en de volledige bekendheid van de uit te voeren werkzaamheden en planning daarvan. In de effectenbeoordeling wordt ervan uitgegaan dat de werkzaamheden gedurende de daglichtperiode worden uitgevoerd. Wanneer aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, is dat aangegeven.
8
4 Plangebied 4.1 Huidige situatie Het plangebied betreft een schuur met zadeldak, deels bedekt met pannen en deels asbest golfplaten, uit bouwjaar ca. 1950. De schuur bevind zich aan de achterzijde van een woning uit bouwjaar 2004, en wordt momenteel gebruikt als paardenstal. Rondom de schuur bevind zich een hoge diversiteit aan plantsoorten en structuren; houtwallen, solitaire bomen, hagen, heesters, vaste planten en gazon. Het dak op de zuidkant van het plangebied is bedekt met dakpannen en de noordkant met golfplaten (zie figuur 2). Verder loopt er om het woonerf een permanent watervoerende watergang met natuurlijke overs. Gedurende de quickscan was alles goed zichtbaar en waren alle gaten en gleuven goed te onderzoeken. Echter kon de bovenkant van enkele balken en de houten plaat boven de stal niet goed worden geïnspecteerd.
Figuur 1.
Plangebied (geel kader) en onderzoeksgebied (blauw kader). Bron achtergrondkaart: Pdok.nl
Figuur 2.
Overzicht plangebied.
9
4.2 Planontwikkeling De geplande planontwikkeling (geel kader, figuur 3) bestaat uit de sloop van de schuur. Hierbij betreft het alleen de schuur in het gele kader en niet de naastgelegen schuur. Het dak, aan de voorzijde van de stal, bestaat namelijk nog voor een groot deel uit asbest. Hiervoor in de plaats wordt een nieuwe schuur/stal gerealiseerd.
Figuur 3.
Geplande planontwikkeling (geel kader).Bron achtergrondkaart: Pdok.nl
10
5 Beschermde soorten In dit hoofdstuk is per soortengroep aangegeven of beschermde soorten in de omgeving van het plangebied voorkomen en of deze in het plangebied (op basis van het veldbezoek) worden verwacht. Bij de grotere paragrafen is aan het eind een beknopte samenvatting opgenomen.
5.1 Planten Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF) tussen september 2012 en september 2022 is binnen 5 kilometer van het plangebied een waarneming van strikt beschermde planten bekend. De drijvende waterweegbree bevindt zicht in helder, voedselarm tot matig voedselrijk, zwak zuur water. Ze komen voor in verschillende wateren, van diepe meren en stromende beken tot ondiepe plassen en vennen. In het onderzoeksgebied bevinden zich enkele wateren maar deze zijn ongeschikt voor de drijvende waterweegbree door het voedselrijke karakter van deze wateren. Daarnaast zal de sloop van de schuur geen invloed hebben op deze wateren. Om deze rede wordt de soort uitgesloten binnen het plangebied. Op basis van de ongeschiktheid van het leefgebied voor de drijvende waterweegbree en de afwezigheid van beschermde plantensoorten tijdens veldbezoek worden ze binnen het plan- en onderzoeksgebied uitgesloten.
5.2 Vogels Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF) tussen 2012 en 2022 zijn binnen 5 kilometer van het plangebied waarnemingen van strikt beschermde vogels bekend. Dit zijn zowel algemene broedvogels (zoals kievit, bruine kiekendief, merel, koolmees en turkse tortel) en vogels met een jaarrond beschermd nest. Het gaat hierbij om de volgende vogelsoorten; boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer en wespendief. Daarnaast zijn vogelsoorten waargenomen die een jaarrond beschermd nest hebben bij zwaarwegende ecologische redenen (zogenaamde categorie 5 soorten). Het gaat dan om de volgende vogelsoorten; blauwe reiger, boerenzwaluw, boomkruiper, boomklever, bonte vliegenvanger, brilduiker, ekster, gekraagde roodstaart, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, oeverzwaluw, koolmees, pimpelmees, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai en zwarte roodstaart. Soorten met jaarrond beschermde nesten: •
•
•
De buizerd, boomvalk, havik, slechtvalk en sperwer foerageren in halfopen (agrarisch) gebied met bos of bosschage in de directe omgeving. Deze soorten broeden overwegend in bomen (Sovon.nl). Er zijn geen (potentiële) nesten binnen het plangebied aangetroffen; de aanwezigheid van broedplaatsen wordt uitgesloten. De gierzwaluw heeft haar verblijfplaats in gebouwen onder makkelijk toegankelijk dakbedekking (zoals dakpannen) en nestkasten, op minimaal drie meter hoogte (Sovon.nl). Er zijn in het plangebied geen nesten van de gierzwaluw aangetroffen. Omdat er geen ruimte onder de dakpannen aanwezig zijn (figuur 5) en het dak onder een scherpere hoek dan 45 graden zit, zal dit ook geen geschikte broedplaats zijn. De aanwezigheid van broedplaatsen is daardoor uitgesloten. Mogelijke aanwezigheid van broedplaatsen in de naastgelegen boerderij wordt niet uitgesloten. De grote gele kwikstaart maakt zijn nest in natuurlijke oevers langs snelstromende beken. Ook in bebouwd gebied nestelen ze onder bruggen of aan gebouwen. Deze vogels 11
•
foerageren niet ver van hun nest (Sovon.nl). Er zijn geen (potentiële) nesten binnen het plangebied aangetroffen; de aanwezigheid van broedplaatsen wordt uitgesloten. De huismus nestelt zich met name onder dakpannen en dakgoten, maar komt ook in schuren en stallen voor op richels (van bijvoorbeeld dakbalken) als er toegang is tot de schuur/stal via gaten en kieren rond de dakrand (Sovon.nl). De grote kieren en gaten van de openingen zijn zelf ongeschikt in verband met de grote mate van tocht (zie figuur 4). Huismussen kunnen niet onder de dakpannen schuilen of nestelen omdat hier geen onderdak of dakscherm aanwezig is (zie figuur 5). Huismussen hebben echter wel toegang tot de schuur via deze openingen. De dakbalken in de schuur zouden geschikt kunnen zijn als nestlocatie (zie figuur 6). Een deel van de balken was niet goed te inspecteren. Tijdens het veldbezoek zijn zowel binnen het plangebied als binnen het onderzoeksgebied geen waarneming gedaan van de huismus en/of nesten. Het veldbezoek vond echter plaats buiten de actieve periode. Vanwege de geschiktheid van de schuur kan de aanwezigheid van de huismus niet worden uitgesloten.
Figuur 4: grote openingen
Figuur 5: links dakpannen vanaf de buitenkant en rechts een foto van de achterkant van de dakpannen
Figuur 6: houten balken binnen in de schuur
12
•
•
•
•
•
De kerkuil broedt over het algemeen op agrarisch gebied, maar incidenteel ook in steden (Sovon.nl). Ze bouwen het nest in gebouwen zoals schuren en kerken. Hij foerageert in (half)open cultuurlandschappen (Vogelbescherming.nl). De schuur is te laag om geschikt kunnen zijn voor de kerkuil. Daarnaast staan er paarden (overdag niet) in de schuur, die geven te veel verstoring in combinatie met de lage nok. Tevens beschikt de schuur niet over goede invliegmogelijkheden (de schuurdeur is in de nacht dicht en de kozijnen zijn van ramen voorzien). De aanwezigheid van de kerkuil wordt daardoor uitgesloten. De ooievaar broedt vrijwel alleen in menselijke omgeving, op voor de ooievaar speciaal gemaakte broedplatforms, op zelfgebouwde nesten op gebouwen, of incidenteel nestelend in bomen (Sovon.nl). Er zijn geen (potentiële) nesten binnen het plangebied en onderzoeksgebied waargenomen; de aanwezigheid van broedplaatsen wordt uitgesloten. De ransuil bewoont een groot scala aan leefgebieden, variërend van agrarische gebieden tot open bos, bosranden, parken, duinen, heiden, hoogvenen en moerasgebieden. De ransuil jaagt bij voorkeur in het open veld, langs wegbermen en op plekken met kaalslag in bos. De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen. Daarnaast in houtwallen, boomgroepen, hagen en zelfs solitaire bomen (Sovon.nl).
Er zijn geen (potentiële) nesten binnen het plangebied en onderzoeksgebied aangetroffen; de aanwezigheid van broedplaatsen wordt uitgesloten. De roek bevindt zich vaak in vrijstaande, hoge groepen bomen met gevorkte takken, langs snelwegen, treinsporen of kanalen; ook wel in dorpen. In de buurt liggen vaak graslanden waar ze hun voedsel zoeken (Sovon.nl). Er zijn geen (potentiële) nesten binnen het plangebied en onderzoeksgebied aangetroffen; de aanwezigheid van broedplaatsen wordt uitgesloten. De wespendief komt vooral voor in loofbossen en gemengde bossen, met open plekken, heide, hoogvenen en graslandjes. Ook in moerasbos en kleinschalig cultuurland met bos. Hij broedt in de kruin van hoge loof- en naaldbomen (Vogelbescherming.nl). Er zijn geen (potentiële) nesten binnen het plangebied en onderzoeksgebied aangetroffen; de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen wordt uitgesloten.
Categorie 5 soorten Op basis van de omgeving van het plangebied (beschikbaar habitat voor categorie 5 soorten) wordt geconcludeerd dat er geen zwaarwegende ecologische redenen zijn voor de genoemde categorie 5 soorten. Er zijn tijdens het veldbezoek geen (potentiële) nesten of individuen horende bij categorie 5 soorten vastgesteld. Algemene broedvogels Algemene broedvogels kunnen nestelen in de bosschages en bomen langs de randen van het plangebied en grondbroeders binnen het plangebied (geschikt habitat). Tijdens het veldbezoek zijn geen broedgevallen aangetroffen of waarnemingen gedaan die broedgevallen indiceren binnen het plangebied en binnen het onderzoeksgebied. Het is goed mogelijk dat dit in de loop van het broedseizoen alsnog gebeurd. Samenvatting Er zijn potentiële nestlocaties van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest aanwezig binnen het plangebied. Het gaat hierbij om de huismus. Tijdens het veldbezoek is geen potentieel nest waargenomen binnen het plangebied. Er zijn tevens geen waarneming gedaan van de huismus, wel 13
zouden de balken geschikt kunnen zijn. Omdat de quickscan in de herfst is uitgevoerd (buiten de actieve periode) kan de aanwezigheid van de soort niet volledig worden uitgesloten.
5.3 Vleermuizen Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF) tussen 2012 en 2022 zijn binnen 20 kilometer van het plangebied waarnemingen van vleermuizen bekend. Dit zijn volgende soorten; baardvleermuis, bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en watervleermuis. Alle vleermuizen en hun (essentiële) habitats zijn strikt beschermd onder de Wnb (artikel 3.5) •
•
•
•
•
De baardvleermuis wordt vooral aangetroffen in bossen, aan bosranden en in kleinschalige gesloten landschappen. De verblijfplaatsen van de baardvleermuis is in bomen, nest- of vleermuiskasten, zolders of achter gevelbetimmering en vensterluiken van gebouwen. Dit zijn ruimtes met een constante temperatuur, zoals (maar niet enkel) spouwmuren. Ze jagen vooral in open ruimtes, zoals boven paden, beken, open plekken en langshoutwallen. Baardvleermuis keren zelden terug naar hun verblijfplaats in de nacht, maar rusten tijdens de jacht regelmatig aan een boomstam of hangend aan een tak. In de schuur bevindt zich geen geschikte verblijfplaats voor de baardvleermuis. De dakpannen zijn ongeschikt door het ontbreken van een onderdak. Daarnaast beschikt de schuur niet over spouwmuren, maar enkel over een houten muur. De baardvleermuis wordt daardoor uitgesloten in het plangebied. Het plangebied en omgeving voldoet niet aan de eisen van de baardvleermuis. De bosvleermuis jaagt langs bosranden, boven boomkronen, op open plekken in het bos en in parken. De bosvleermuis wordt zowel in huizen als in bomen aangetroffen. Over het algemeen worden ze in bomen waargenomen, er is Nederland enkele malen een solitaire vleermuis aangetroffen. Ze zijn na 1990 zelden waargenomen in Friesland. Het plangebied voldoet niet aan de eisen van de bosvleermuis.
De franjestaart komt voor in bosrijke gebieden met waterrijke gedeeltes. Ze verblijven voornamelijk in bomen maar zijn enkele keren ook waargenomen in gebouwen. In deze gebouwen bevinden ze zich in spleetvormige ruimtes in zolders, kerken en boerderijen. In de schuur bevindt zich geen geschikte verblijfplaats voor de franjestaart. De dakpannen zijn ongeschikt door het ontbreken van een onderdak. Daarnaast beschikt de schuur niet over spouwmuren, maar enkel over een houten muur. De franjestaart is een vrij zeldzame soort die weinig is waargenomen in Friesland. Bij gebrek aan deze eisen binnen het plangebied wordt de franjestaart uitgesloten. De gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis hebben hun verblijfplaatsen in gebouwen. Dit zijn ruimtes met een constante temperatuur, zoals (maar niet enkel) spouwmuren. Tijdens het veldbezoek zijn er geen directe sporen aangetroffen van vleermuizen. De dakpannen zijn ongeschikt als verblijfplaats door het ontbreken van een onderdak en de gaten zijn te groot en tochtig. Daarnaast beschikt de schuur niet over spouwmuren, maar enkel over een houten muur. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van deze vleermuizen is daarom uitgesloten in het plangebied. Wel kunnen deze vleermuizen het onderzoeksgebied gebruiken als foerageergebied.
Door de vele open gebieden, wateren en bosschages in de directe omgeving is het onderzoeksgebied niet essentieel. De rosse vleermuis en de watervleermuis zijn uitgesproken boom bewonende soorten. Doordat in het plangebied geen ingrepen worden uitgevoerd op de bestaande bosschage kan deze soort uitgesloten worden. 14
•
De tweekleurige vleermuis is een gebouw bewonende soort, waar weinig over het gebruik van verblijfplaatsen bekend is. De enige bekende verblijfplaatsen van de soort in Nederland is waargenomen in hoogbouw in Utrecht en Groningen. In de winter worden waarnemingen voornamelijk langs de kust gedaan. De soort wordt uitgesloten in het plangebied omdat het hier niet om hoogbouw gaat.
Samenvatting Het is uitgesloten dat vleermuizen een verblijfplaats hebben binnen het plangebied. Er zijn geen geschikte (potentiële) verblijfplaatsen waargenomen. Echter is het wel mogelijk dat enkele bovenstaande vleermuizen het land rond de schuur gebruiken als foerageergebied. Dit onderzoeksgebied is niet essentieel omdat er rond het onderzoeksgebied veel open plekken, wateren en bosschages liggen. Hiervoor dient tijdens de werkzaamheden gewerkt te worden volgens de zorgplicht.
5.4 Grondgebonden zoogdieren Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF) tussen 2012 en 2022 zijn binnen 5 kilometer van het plangebied waarnemingen van beschermde grondgebonden zoogdieren bekend. Dit zijn de soorten aardmuis, bunzing, das, dwergspitsmuis, egel, haas, hermelijn, konijn, otter, ree, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat zijn nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 van de Wnb) waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân (provincie Fryslân, 2016). De otter, das en boommarter kennen geen vrijstelling en is beschermd onder (artikel 3.5 lid 1 van de Wnb). Tijdens het verkennend veldonderzoek is het plangebied beoordeeld op habitatgeschiktheid voor bovenstaande soorten en niet-vrijgestelde beschermde grondgebonden zoogdieren. •
•
•
•
De aardmuis komt voor in allerlei soorten terreinen, bij voorkeur in vochtige en ruige terreinen met een weelderige kruidlaag zoals hoog grasland, verwilderde akkers, jonge bosaanplant, begroeid braakland, grienden, hoogveen, bosranden, vochtige heide, pijpenstrootjesvelden en moerassen. Dit habitat ontbreekt binnen het plangebied. De aanwezigheid van de aardmuis wordt daarom binnen het plangebied uitgesloten. Daarnaast kent de aardmuis een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Dit habitat ontbreekt in het plangebied en de directe omgeving. De aanwezigheid van de boommarter wordt daarom binnen het plangebied uitgesloten. De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte leefgebieden. Zelfs in afgravingen en onder gebouwen worden soms verblijfplaatsen van de das aangetroffen. De waarnemingen van de das zijn grotendeels aan de andere kant van snelwegen de A32 en de A7 gedaan. Een enkele das is waargenomen aan de zijde van de snelweg waar het plangebied ligt.
Echter is dit de enige waarneming en gaat dit hoogstwaarschijnlijk om een dwalend exemplaar. Bovendien wordt het leefgebied van de das afgesloten van het plangebied door vaarwater. De aanwezigheid van een verblijfplaats wordt om deze reden dan ook binnen het plangebied uitgesloten. De dwergspitsmuis komt in allerlei soorten biotopen voor, als er maar bode bedekkende vegetatie aanwezig is en de bodem vochtig en koel is. Vaak is de vegetatie ook hoog en dicht. Dwergspitsmuizen graven zelf geen gangen, maar gebruiken die van andere kleine 15
•
•
•
•
•
•
•
zoogdieren. Het nest van een dwergspitsmuis is een bal van gras die zich meestal bovengronds bevindt. Dit habitat ontbreekt in het plangebied, de aanwezigheid van de dwergspitsmuis wordt daarom binnen het plangebied uitgesloten. Wel kan de dwergspitsmuis zich in het onderzoeksgebied bevinden. Echter kent de dwergspitsmuis een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De bunzing komt voor in verschillende landschappen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Vooral in de winter komt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen voor: daar kunnen ze tussen strobalen en op hooizolders warm blijven, en muizen en ratten bemachtigen. Op basis van het veldbezoek is de aanwezigheid van geschikt habitat uitgesloten binnen het plangebied. In de omgeving van het plangebied wordt de bunzing niet uitgesloten. Echter is de bunzing ook vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân. De egel komt voor in bosgebieden, langs bosschages en in gras. De egel gaat in winterslaap onder open bladeren en takken (Zoogdiervereniging.nl).
Het plangebied kent geen habitat voor de egel en kan daardoor worden uitgesloten. Wel kan de egel voorkomen in de omgeving van het plangebied. Echter is de egel vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân. De haas heeft een voorkeur voor kleinschalig gras- en bouwland, open veld als akkers en weilanden maar komt ook wel voor in open bos, heide en kwelders. Ze maken legers (ondiepe uithollingen) in bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen (Zoogdiervereniging.nl). Dit habitat ontbreekt in het plangebied. De aanwezigheid van de haas wordt daarom uitgesloten. Wel kan de haas voorkomen in de omgeving van het plangebied. Echter is de haas vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân. De hermelijn heeft een voorkeur voor kleinschalige landschappen, gebruikte takkenhopen en oude holen van bijvoorbeeld, muizen, mol, konijn, vos en das welke over het algemeen in de dekking van bosschages, heggen of andere lijnvormige elementen liggen (Broekhuizen et al., 2016). Het gebouw, binnen het plangebied, voorziet de hermelijn niet van deze behoefte en kan daardoor worden uitgesloten. In de omgeving van het plangebied kan de soort wel voorkomen. Echter is de hermelijn vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân.
Het konijn leeft in holen en kennen een voorkeur voor zandige bodems waar zij makkelijk kunnen graven. Ze hebben een voorkeur voor halfopen landschappen zoals perken, tuinen en bosranden en mijden vochtige terreinen zoals moeras en veen of zware klei, omdat ze daarin geen holen kunnen graven (Zoogdiervereniging.nl). In het gebouw, binnen het plangebied, ontbreekt dit habitat. De aanwezigheid van het konijn wordt daarom uitgesloten. Wel kan het konijn voorkomen in de omgeving van het plangebied. Echter is het konijn vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân. De otter leeft in oeverzones van zoete wateren met voldoende rust, voedsel en dekking (Zoogdiervereniging.nl). Dit habitat ontbreekt in het plangebied en het onderzoeksgebied. De aanwezigheid van de otter wordt daarom uitgesloten. Het ree leeft in bosachtige streken met open plekken en aangrenzende velden, maar ook in heidevelden, rietvelden, duinen en akkerbouwgebieden. Het ree is een cultuurvolger en past zich gemakkelijk aan cultuurlandschap aan. Voorwaarde is dat er voldoende voedsel, dekking en rust aanwezig is (Zoogdiervereniging.nl). Op basis van het veldbezoek is de 16
•
•
•
•
•
aanwezigheid van geschikt habitat uitgesloten binnen het plangebied. De aanwezigheid van de ree wordt daarom uitgesloten. Wel kan de ree foeragerend voorkomen in de omgeving van het plangebied. Echter is de ree vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân. De steenmarter heeft de voorkeur voor parklandschap, maar komt ook voor in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en in grote steden. Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang (Broekhuizen et al., 2016). Op basis van het veldbezoek is de steenmarter uit te sluiten binnen het plangebied. De paarden zorgen ervoor dat de steenmarter geen geschikt leefgebied kan vinden in de schuur. Er zijn tevens geen aanwijzingen aangetroffen die indiceren dat de steenmarter gebruik maakt van de schuur. Daarbij is de steenmarter is een vrijgestelde soort in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân. De veldmuis leeft in gegraven gangenstelsels in veelal open gebieden met grassen en/of granen. Ze komen voor in graanakkers, wegbermen, dijken, slootkanten en graslanden.
Daarbij hebben ze een voorkeur voor drogere gebieden met korte begroeiing (Zoogdiervereniging.nl). Het gebouw, binnen het plangebied, voorziet niet in het gevraagde habitat. Om deze reden wordt de soort dan ook uitgesloten. Wel kan de veldmuis voorkomen in de omgeving van het plangebied. Echter is de veldmuis een vrijgestelde soort in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân. De vos komt in vele leefgebieden voor, zowel in bos en parken, heide en venen, duinen, polders en landbouwgebieden maar ook aan de randen van of in dorpen en steden. Hij leeft waar voldoende voedsel en dekking is en jaagt bij voorkeur in het overgangsgebied van biotopen omdat daar het meeste voedselaanbod is (Zoogdiervereniging.nl). Dit habitat ontbreekt in het plangebied. De aanwezigheid van de vos wordt daarom uitgesloten. Wel kan de vos voorkomen in de omgeving van het plangebied. Echter is de vos ook vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân. De woelrat komt met name voor in de buurt van schoon, stilstaand zoet water, zoals beken, rivieren, sloten, greppels en meren. Hij heeft een voorkeur voor gebieden met een gelijkmatige waterstand met steile oevers die begroeid zijn en die meerdere vegetatielagen hebben (Zoogdiervereniging.nl). Dit habitat ontbreekt in het plangebied. De aanwezigheid van de woelrat wordt daarom uitgesloten.
De wezels leven in veel verschillende biotopen. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen (Zoogdiervereniging.nl). Op basis van het veldbezoek is de aanwezigheid van voortplantingshabitat uitgesloten. Wel kunnen wezels voorkomen in de omgeving van het plangebied.
Samenvatting Het is uitgesloten dat strikt beschermde grondgebonden zoogdieren aanwezig zijn binnen het plangebied. Echter is het wel mogelijk dat enkele grondgebonden zoogdieren het land rond de schuur gebruiken als foerageergebied. Dit onderzoeksgebied is niet essentieel omdat er rond het onderzoeksgebied veel open plekken, wateren, struwelen en bosschages liggen. Wel dient tijdens de werkzaamheden gewerkt te worden volgens de zorgplicht. Dit geldt ook voor de soorten die worden vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkeling.
17
5.5 Amfibieën Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF) zijn binnen 5 kilometer van het plangebied een waarnemingen van een strikt beschermde amfibie bekend. Dit is de bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en de meerkikker. De bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meer kikker zijn beschermde soorten (artikel 3.10 van de Wnb). Hiervoor geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling in de provincie Fryslân (Provincie Fryslân, 2016). •
•
•
•
•
•
De bastaardkikker heeft voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. De bastaardkikker is weinig kieskeurig en komt in allerlei uiteenlopend habitat voor (Ravon.nl). Binnen het plangebied is er voor deze soortgroep geen geschikt overwinteringshabitat waargenomen. Daarom wordt de aanwezigheid uitgesloten. Op de grenzen van het onderzoeksgebied bevindt zich wel open water waar de bastaardkikker zou kunnen voorkomen. Echter is de bastaardkikker een vrijgestelde soort in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân Buiten het voortplantingsseizoen leven bruine kikkers op het land. Een deel van de populatie overwintert op land, een deel in het water. De bruine kikker heeft een sterke binding met bos en struweel. De bruine kikker heeft een zeer ruime habitatkeuze en dringt ook door tot in stad en dorp. Binnen het plangebied is er voor deze soort geen overwinteringshabitat waargenomen. Daarom wordt de aanwezigheid uitgesloten. Op de grenzen van het onderzoeksgebied bevindt zich wel open water waar de bruine kikker zou kunnen voorkomen. Echter is de bruine kikker een vrijgestelde soort in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân De gewone pad komt in vele habitats voor en heeft een voorkeur voor kleinschalig, gevarieerd landschap.
Ze schuwen de mens niet en komen voor in tuinen, parken en ruderale terreintjes. De soort ontbreekt alleen op plaatsen waar geen voortplantingswateren voorhanden zijn (Ravon.nl). Binnen het plangebied is er voor deze soortgroep geen geschikt voortplantingshabitat waargenomen. Op de grenzen van het onderzoeksgebied bevindt zich wel open water waar de gewone pad zou kunnen voorkomen. Echter is de gewone pad een vrijgestelde soort in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân De heikikker maakt vaak gebruik van gebieden met geschikt voortplantingswater in de buurt van een bos, heide, hoogveen, laagveen en half-natuurlijk grasland. (Ravon.nl). Dit habitattype komt niet voor binnen of rondom het plangebied. Daarom kan de heikikker binnen het plangebied uitgesloten worden. Het voortplantingsbiotoop van de kleine watersalamander bestaat uit allerlei soorten ondiep stilstaand en zwak stromend water. Het moet niet al te groot of beschaduwd zijn en wat onderwatervegetatie bevatten (Ravon.nl). Binnen het plangebied is er voor deze soortgroep geen geschikt habitat waargenomen. Daarom wordt de aanwezigheid hiervan uitgesloten. Op de grenzen van het onderzoeksgebied bevindt zich wel open water waar de kleine watersalamander zou kunnen voorkomen.
Echter is de kleine watersalamander een vrijgestelde soort in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân De meerkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het water is vaak vrij omvangrijk of maakt deel uit van een groter complex van wateren (Ravon.nl). Binnen het plan- en onderzoeksgebied is er voor deze soortgroep geen geschikt habitat waargenomen. Daarom wordt de aanwezigheid hiervan uitgesloten.
18
Samenvatting Het is uitgesloten dat strikt beschermde amfibieën aanwezig zijn binnen het plangebied. Enkele soorten kunnen voorkomen aan de grenzen van het onderzoeksgebied, echter zijn deze soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkeling in de provincie Fryslân. Voor deze soorten dient wel gewerkt te worden volgens de zorgplicht.
5.6 Reptielen Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF) tussen 2012 en 2022 is binnen 5 kilometer van het plangebied een enkele waarnemingen van strikt beschermde reptielen bekend. Dit gaat om de ringslang. •
De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Ringslangen zonnen vaak op dijkjes in de buurt van water, waar ze jagen op voornamelijk amfibieën en soms andere gewervelde dieren waaronder vissen. In het plangebied en onderzoeksgebied is geen geschikt habitat aanwezig voor de ringslang, hierdoor kan de ringslang worden uitgesloten.
Samenvatting Het is uitgesloten dat strikt beschermde reptielen aanwezig zijn binnen het plangebied en binnen de invloedssfeer van het plangebied.
5.7 Vissen Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF) tussen 2012 en 2022 zijn binnen 5 kilometer van het plangebied geen waarnemingen van strikt beschermde vissen bekend. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde vissen waargenomen. Op basis van de verspreidingsgegevens en het veldbezoek worden beschermde vissen binnen het plan- en onderzoeksgebied uitgesloten.
5.8 Ongewervelden Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF) tussen 2018 en 2022 zijn binnen 5 kilometer van het plangebied waarnemingen van strikt beschermde libellen, dagvlinders of andere beschermde ongewervelden bekend, namelijk de Habitatrichtlijnsoort (artikel 3.5 van de Wnb) de gevlekte witsnuitlibel, gestreepte waterroofkever, groene glazenmaker, noordse winterjuffer. •
•
De gevlekte witsnuitlibel is te vinden bij verlandingszones van laagveenmoerassen. Daarnaast kunnen ze voorkomen in bosplassen en verlandingszones van hoogveen- en heidevennen op de hoge zandgronden en randzones van hoogveen. Het water moet helder, ondiep (één meter of minder), matig voedselrijk en beschut gelegen zijn. Zowel vegetatie loze als dichtgegroeide wateren worden gemeden. De vennen en bosplassen waar voortplanting plaats heeft, zijn (deels) omringd door bomen en hebben een matige tot rijke oevervegetatie (Vlinderstichting.nl). Desbetreffend habitat ontbreekt in het plangebied en onderzoeksgebied. Daarom is het gebied uitgesloten als voortplantingsverblijfplaats voor de gevlekte witsnuitlibel. De gestreepte waterroofkever komt voor op zandgronden, waar de soort vroeger wijdverspreid voorkwam, resteert nog één vindplaats. Alleen in de grote laagveengebieden heeft de soort zich kunnen handhaven. Deze wateren hebben meestal vrij spaarzame vegetatie van drijvende en submerse waterplanten waarbij een krooslaag afwezig dient te 19
•
•
zijn (nederlandesoorten.nl). Desbetreffend habitat ontbreekt in het plangebied en onderzoeksgebied. Daarom is het gebied als voortplantingsverblijfplaats van de gestreepte waterroofkever uitgesloten. De groene glazenmaker komt voor in stilstaande wateren met dichte krabbenscheervelden, plassen, sloten en petgaten in laagveengebieden en sloten in veenweidegebieden. Desbetreffend habitat ontbreekt in het plan- en onderzoeksgebied en dus is de voortplantingsverblijfplaats van de groene glazenmaker uitgesloten De noordse winterjuffer komt voor in petgaten en sloten in laagveenmoerassen, meestal met lisdodde en riet. Daarnaast ook plassen met brede rietkraag of andere laagveenachtige vegetatie. Ze overwinteren in beschutte plaatsen in heidevelden, velden van pijpenstrootje, halfopen (moeras)bossen met ondergroei van pijpenstrootje. Desbetreffend habitat ontbreekt in het plan- en onderzoeksgebied en dus is de voortplantingsverblijfplaats van de noordse winterjuffer uitgesloten.
Samenvatting Het is uitgesloten dat strikt beschermde ongewervelde aanwezig zijn binnen het plangebied en binnen de invloedssfeer van het plangebied.
20
6 Effectenbeoordeling en conclusie In dit hoofdstuk worden de effecten op de verwachte natuurwaarden besproken op basis van de in hoofdstuk 4.2 omschreven planontwikkeling. Op basis van de verwachte effecten wordt inzicht gegeven over de kans dat de werkzaamheden leiden tot een overtreding van de Wnb (paragraaf 6.1). Waar een overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten wordt waar mogelijk een praktisch advies gegeven om de werkzaamheden alsnog zonder ontheffing (en overtreding) te kunnen laten doorgaan. In sommige gevallen kan nader onderzoek noodzakelijk zijn. Deze informatie wordt overzichtelijk gepresenteerd in paragraaf 6.2, waarna advies over het vervolgtraject gegeven wordt in hoofdstuk 7.
6.1 Effectenbeoordeling per soortgroep Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Het is mogelijk dat er binnen het plangebied broedlocaties aanwezig zijn van jaarrond beschermde nesten van de huismus. De geplande activiteiten kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van (nesten van) broedende vogels. Omdat de inventarisatie buiten de actieve periode is gedaan is de kans aanwezig dat ze gedurende de controle verscholen zaten op de plekken die niet volledig te inspecteren waren. Voor de soortgroep vogels met jaarrond beschermde nesten is wél nader onderzoek of ontheffing op de Wnb nodig. Mogelijk komt dit project in aanmerking voor de regeling kleine initiatieven, zie advies hoofdstuk 7.
21
6.2 Conclusie Soortgroep Broedvogels
Vleermuizen
Geschikt habitat Ja
Ingreep verstorend Mogelijk
Nader onderzoek Nee
Ontheffingsaanvraag Nee
Jaarrond beschermd
Ja
Mogelijk
Ja
Mogelijk
Verblijfplaatsen Foerageergebied
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Algemeen
Vliegroutes Grondgebonden zoogdieren Amfibieën Reptielen Vissen Ongewervelden Planten
Bijzonderheden/ opmerkingen Broedvogelcheck bij activiteiten in het broedseizoen. Tijdens het veldbezoek zijn potentieel geschikte locaties aangetroffen voor de huismus. Geen essentieel foerageergebied -
De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van beschermde plantensoorten, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, ongewervelden en vissen. Op basis van het brononderzoek en het oriënterend veldbezoek kunnen de volgende conclusies met betrekking tot beschermde natuurwaarden worden getrokken: • •
Het plangebied heeft mogelijk een functie voor algemene en jaarrond beschermde nesten van de huismus. Het plangebied heeft geen functie voor grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, reptielen, ongewervelden, vissen en planten. Enkele soorten kunnen het onderzoeksgebied gebruiken als foerageergebied. Echter dient het niet als essentieel foerageergebied. Voor deze soorten geldt net als voor alle in het wild levende planten en dieren de zorgplicht.
22
7 Advies vervolgtraject Optie 1 Nader onderzoek en mogelijke ontheffing Voor de huismus dient nader onderzoek uitgevoerd te worden en is een mogelijke ontheffing nodig. Nader onderzoek voor de nesten van de huismus is nodig om de potentiële broedlocaties te controleren. Op het moment van het veldonderzoek zijn geen nesten aangetroffen, maar niet alles was goed te inspecteren. De periode waarin het onderzoek moet gebeuren loopt van begin april tot en met augustus. Met dit onderzoek kan uitsluitsel gegeven worden of de schuur daadwerkelijk gebruikt wordt als broedlocatie. Optie 2 Regeling kleine initiatieven Om financiële onderzoek last en de doorlooptijd te versnellen heeft de provincie Fryslân de regeling “kleine initiatieven” in het leven geroepen. Deze regeling is van toepassing op initiatieven waar de kans op beschermde soorten, of verblijfplaatsen van beschermde soorten, in het plangebied klein is. Met dit initiatief worden mitigerende/compenserende maatregelen getroffen voor de potentieel aanwezige soorten. Deze maatregelen moeten worden afgestemd met de eisen die de provincie stelt aan de geplande werkzaamheden. Het is aan de provincie als bevoegd gezag te bepalen of dit project hiervoor in aanmerking komt. Deze regeling is mogelijk toepasbaar voor dit initiatief; het slopen en vervangen van de schuur.
De werkzaamheden vinden plaats waar mogelijk nesten van de huismus kunnen zitten. Er zijn geen sporen en/of individuen aangetroffen. De kans op de aanwezigheid van de huismus wordt klein geschat, maar kan niet volledig worden uitgesloten. Om aan de ‘Regeling Kleine Initiatieven’ van Provincie Fryslân te kunnen voldoen, moeten onderstaande maatregelen worden nageleefd: Potentiële nestgelegenheid huismus: • • •
•
Werken met een ecologisch werkprotocol Werken in de minst kwetsbare periode (buiten broedseizoen), tussen 1 september en 1 maart. Werken in het broedseizoen is mogelijk mits de nestlocaties ongeschikt worden gemaakt. Dit door onbewoonde nesten te verwijderen in de winterperiode (oktober tot februari), voorafgaand aan de invallende vorst. Hierbij is ecologische begeleiding nodig. Mitigerende maatregelen treffen in de directe omgeving door schuilgelegenheid aan te bieden in de vorm van nestkasten, etc. Dit voorafgaand aan het ongeschikt maken van de nestlocaties. Gewenningsperiode dient in acht te worden genomen. Ook de directe omgeving dient geschikt te blijven of worden gemaakt (schuilgelegenheden, voedsel, water)
Zorgvuldig werken (zorgplicht) Voor alle aanwezige soorten, ook die niet beschermd zijn via de Wnb, geldt altijd de zorgplicht (artikel 1.11). In de zorgplicht wordt gesteld dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit betekent dat tijdens de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van diverse 23
algemene soorten. Aanwezige dieren dienen de gelegenheid te krijgen om het terrein zelfstandig te verlaten. Indien deze dieren het terrein niet zelfstandig kunnen verlaten, dienen deze te worden verplaatst naar geschikt habitat buiten de ingreep. De voorkeur gaat uit naar het uitvoeren van werkzaamheden in de minst kwetsbare periode. Werken binnen het broedseizoen? Broedvogelcheck! Geadviseerd wordt om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het broedseizoen is een globale periode (in ieder geval tussen 15 maart en 15 augustus, maar kan eerder beginnen en langer doorgaan), waarin de kans op broedgevallen groot is. Omdat alle broedgevallen beschermd zijn, vallen ook broedgevallen buiten deze globale periode onder het verstoringsverbod. Mocht ervoor gekozen worden de werkzaamheden toch in het broedseizoen te laten plaatsvinden, dan dient voorafgaand aan de werkzaamheden (zo kort mogelijk tot hooguit vijf dagen voor aanvang) een deskundige op het gebied van vogels te worden ingezet. De deskundige (ter zake kundige; ecoloog) stelt vast of er broedsels aanwezig zijn en - zo ja - of deze worden verstoord door de geplande werkzaamheden. Het resultaat van deze controle kan gevolgen hebben voor de uitvoering en planning indien er broedsels worden aangetroffen.