Bijlage 3 Toelichting wijzigingen APV 2026
Tekst van het document
Toelichting wijzigingen APV 2026 Hieronder worden de voorgestelde wijzigingen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) artikelsgewijs toegelicht.
Exploitatievergunning – verklaring omtrent gedrag Artikel 2:28 Met het nieuwe tweede lid wordt geregeld dat bij de aanvraag om een exploitatievergunning een verklaring omtrent het gedrag (VOG) van de exploitant en de leidinggevende wordt overgelegd. Tegelijkertijd vervalt onderdeel b van het oude tweede lid. Deze verplichting heeft een procedureel karakter en dient ter ondersteuning van de beoordeling of wordt voldaan aan de eis dat geen sprake is van slecht levensgedrag. De VOG vormt daarbij geen zelfstandige weigeringsgrond, maar is één van de gegevens die de burgemeester bij deze beoordeling kan betrekken. Indien de vereiste VOG niet wordt overgelegd, is sprake van een onvolledige aanvraag. De aanvrager wordt dan in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen. Blijft aanvulling uit, dan kan de aanvraag op grond van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling worden gelaten. Met deze wijziging wordt de tekst van de APV in overeenstemming gebracht met de bestaande uitvoeringspraktijk.
Ontheffing sluitingstijd openbare inrichtingen Artikelen 2:29 en 2:29a Met de wijziging en aanvulling van artikel 2:29 en de toevoeging van artikel 2:29a wordt voorzien in een expliciete bevoegdheid om ontheffing te verlenen van de sluitingstijden van openbare inrichtingen en van terrassen bij openbare inrichtingen. Voorheen bood de APV deze mogelijkheid niet. Deze ontheffingsbevoegdheid stelt de burgemeester in staat om maatwerk te leveren in situaties waarin strikte toepassing van de sluitingstijden niet wenselijk is. Hierdoor kan beter worden ingespeeld op bijzondere gelegenheden en specifieke omstandigheden. Te denken valt aan grootschalige (internationale) sportevenementen, waarbij wedstrijden vanwege tijdsverschillen met Nederland in de nachtelijke uren plaatsvinden en het wenselijk kan zijn dat horecagelegenheden onder voorwaarden langer geopend zijn.
De bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing berust bij de burgemeester, gelet op diens verantwoordelijkheid voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Bij de beoordeling van een aanvraag vindt steeds een concrete en zorgvuldige belangenafweging plaats, waarbij onder meer de aard van de gelegenheid, de locatie, het tijdstip en de mogelijke effecten op de omgeving worden betrokken. Op besluiten tot het verlenen van een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Dit is expliciet vastgelegd om onduidelijkheid over de toepasselijkheid van deze regeling te voorkomen.
Aanwezigheid leidinggevende Artikel 2:30a In de praktijk blijkt dat tijdens openingstijden van horecabedrijven niet altijd een verantwoordelijke leidinggevende aanwezig is. In dergelijke gevallen ontbreekt een direct aanspreekpunt voor toezichthouders, wat het effectief optreden bij overtredingen, overlast of verstoring van de openbare orde bemoeilijkt. De huidige APV bevat geen expliciete bepaling die de aanwezigheid van een leidinggevende tijdens openingstijden verplicht stelt. Met de toevoeging van artikel 2:30a wordt deze verplichting vastgelegd. Hiermee wordt een duidelijk en handhaafbaar normenkader gecreëerd.
Bestrijding van heling van goederen Artikelen 2:66, 2:68 en 2:69 Met de bepalingen in deze afdeling wordt beoogd heling van goederen te voorkomen en te bestrijden. Heling vormt een belangrijke faciliterende factor bij vermogenscriminaliteit. Door administratieve verplichtingen op te leggen aan handelaren en toezicht- en handhavingsbevoegdheden toe te kennen aan de burgemeester, wordt de herkomst van goederen beter controleerbaar. De regeling sluit aan bij het Wetboek van Strafrecht en volgt met deze wijziging volledig het VNG-model. Artikel 2:69 is vervallen. De inhoud van dit artikel is opgenomen in artikel 2:68, onderdeel d, overeenkomstig het VNG-model.
Drugsoverlast – wijziging Opiumwet Artikelen 2:74 en 2:74a Met ingang van 1 juli 2025 is artikel 2a (en lijst Ia) aan de Opiumwet toegevoegd. Hiermee zijn nieuwe psychoactieve stoffen (zogenaamde designerdrugs) onder de werking van de Opiumwet gebracht. Het betreft groepen stoffen die sterk lijken op middelen die zijn geplaatst op lijst I van de Opiumwet. De artikelen 2:74 en 2:74a van de APV zijn gericht op het voorkomen van hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid als gevolg van drugshandel en drugsgebruik in de openbare ruimte. Hoewel de bedoelde designerdrugs kunnen worden aangemerkt als ‘daarop gelijkende waar’ in de huidige APV-bepalingen, is het wenselijk deze stoffen expliciet te benoemen. Met deze wijziging wordt de APV in lijn gebracht met de gewijzigde Opiumwet en wordt de handhaafbaarheid verduidelijkt.
Gebiedsontzegging Artikel 2:78 Dit artikel is op een aantal onderdelen gewijzigd. Eerste lid In het eerste lid is de bestaande formulering ‘bevel om zich niet op een openbare plaats op te houden’ vervangen door ‘het opleggen van een tijdelijk verbod om op een openbare plaats aanwezig te zijn’. Juridisch gezien betreft een gebiedsontzegging geen bevel in de zin van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, maar een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Op een dergelijk besluit zijn de waarborgen van de Awb van toepassing. Tweede lid Het huidige tweede en derde lid zijn samengevoegd tot één lid. Vierde lid De Commissie Feiten en Tarieven van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) heeft aangegeven bereid te zijn een feitcode te koppelen aan overtreding van een gebiedsontzegging, mits dit expliciet is geregeld. Met het nieuwe vierde lid, in combinatie met de strafbaarstelling in artikel 6:1 van de model-APV, wordt het mogelijk een bestuurlijke boete op te leggen bij overtreding van een gebiedsontzegging. Voor afdoening met een feitcode is vereist dat bij het proces-verbaal een kaart van het betrokken gebied wordt gevoegd. Hiermee kan worden getoetst of de ontzegging in
persoon is uitgereikt en of het gebied waarop de ontzegging ziet voldoende kenbaar is gemaakt. Vijfde lid In het vijfde lid is een voorrangsbepaling opgenomen voor het geval de officier van justitie een gebiedsontzegging oplegt op grond van artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering.
Regulering sekswerk, seksbranche en aanverwante onderwerpen Artikelen 3:1 tot en met 3:22 (hoofdstuk 3) Op 11 november 2025 heeft het college ingestemd met de implementatie van het beleidskader sekswerk, dat mede tot stand is gekomen in samenhang met de regionale aanpak binnen Sociaal Domein Friesland. In de bijbehorende handreiking zijn nieuwe modelartikelen opgenomen voor hoofdstuk 3 van de APV. Met de voorliggende wijziging worden de bestaande bepalingen geactualiseerd en in lijn gebracht met deze modelartikelen. Deze actualisatie sluit aan bij landelijke ontwikkelingen, waarbij wordt ingezet op een meer uniforme regulering, verbetering van toezicht en handhaving en versterking van de positie en veiligheid van betrokkenen. Door aan te sluiten bij Sociaal Domein Friesland wordt bovendien geborgd dat beleid en regelgeving zijn ingebed in een bredere, integrale aanpak op het snijvlak van zorg, veiligheid en preventie. Met deze wijziging wordt hoofdstuk 3 van de APV toekomstbestendig ingericht en beter afgestemd op het geldende beleid en de regionale en landelijke ontwikkelingen. Op enkele onderdelen bevat het model verschillende varianten. Bij de overname van deze bepalingen is telkens gekozen voor de variant die het meest aansluit bij de huidige tekst en systematiek van de APV.
Hiermee wordt beoogd de bestaande regeling zoveel mogelijk ongewijzigd voort te zetten en geen inhoudelijke beleidswijzigingen aan te brengen. De wijzigingen betreffen in hoofdzaak een actualisatie en herstructurering van de bestaande regeling. De systematiek van het hoofdstuk is aangepast, de opbouw is verduidelijkt en begrippen zijn geactualiseerd en geharmoniseerd met landelijke en regionale modellen. Daarnaast is het vergunningstelsel verduidelijkt door de vergunningplicht expliciet te koppelen aan het seksbedrijf, met de mogelijkheid de vergunning mede te laten gelden voor een seksinrichting. Deze aanpassing sluit aan bij de bestaande praktijk en brengt geen verruiming van toegestane vormen van sekswerk met zich mee. Verder zijn bestaande bevoegdheden van het college, zoals het aanwijzen van gebieden waar seksinrichtingen zijn toegestaan en het vaststellen van een maximumaantal
seksinrichtingen, expliciet vastgelegd. Hiermee is sprake van codificatie van bestaande sturingsmogelijkheden; er is geen sprake van nieuw beleid. De weigerings- en intrekkingsgronden zijn inhoudelijk grotendeels gelijk gebleven, maar zijn uitgebreider en duidelijker geformuleerd. Dit draagt bij aan de rechtszekerheid en aan een betere handhaafbaarheid. Tot slot bevat hoofdstuk 3 een meer uitgewerkte regeling ter bescherming van de positie en veiligheid van sekswerkers, onder meer via het bedrijfsplan en aanvullende verplichtingen voor exploitanten. Deze aanscherpingen sluiten aan bij landelijke en regionale ontwikkelingen en vormen een beperkte inhoudelijke versterking van het bestaande kader.
Evenementenbeleid – verbod op moeilijk inzamelbare materialen Artikel 4:9b In het toekomstige evenementenbeleid worden regels opgenomen over afval, een opruimplicht en het gebruik van materialen. Dit beleid biedt echter onvoldoende grondslag om handhavend op te treden. Daarom is het noodzakelijk om bepaalde onderdelen expliciet in de APV vast te leggen. Het evenementenbeleid kan vervolgens dienen als nadere uitwerking bij de vergunningverlening. In de APV zijn reeds bepalingen opgenomen over een opruimplicht (artikel 2:6) en een verbod op ballonnen (artikel 4:9a). Een verbod op het gebruik van moeilijk inzamelbare materialen, zoals confetti, serpentines, snippers, zwaaivlaggetjes en ander feestmateriaal, ontbrak echter. Met het nieuwe artikel 4:9b wordt dit materiaalgebruik algemeen en handhaafbaar gereguleerd. De genoemde artikelen gelden algemeen en zijn niet beperkt tot evenementen. Gezamenlijk vormen zij een samenhangend normenkader voor het gebruik en de verspreiding van materialen in de openbare ruimte. Hiermee wordt voorzien in een duidelijk handhavingskader voor zowel evenementen als niet-vergunningplichtige activiteiten.