Bijlage 3 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
omgevingsvergunning Frankrijkdreef 5 Heerenveen concept
omgevingsvergunning Ruimtelijke onderbouwing
Frankrijkdreef 5 Heerenveen concept 14-11-2023
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
4
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het projectgebied 1.3 Huidig planologisch regime
4 4 4 4
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Nieuwe situatie
6 6 6
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
11 11 12 13
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Bedrijven en milieuzonering 4.2 Verkeer en parkeren 4.3 Ecologie (soorten- en gebiedsbescherming) 4.4 Archeologie en cultuurhistorie 4.5 Bodemkwaliteit 4.6 Water 4.7 Externe veiligheid 4.8 Luchtkwaliteit 4.9 Geluid 4.10 M.e.r. (beoordelings)plicht
14 14 15 15 16 17 18 19 19 20 20
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
21 21 21
3
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Morssinkhof Plastics Heerenveen BV, gesitueerd aan de Frankrijkdreef 5 in Heerenveen, is voornemens om ten behoeve van hun bedrijfsvoering 8 silo's te plaatsen voor de opslag van plastic regranulaat. Het plan past niet binnen de kaders van de geldende beheersverordening. Er wordt daarom een omgevingsvergunning aangevraagd voor het handelen in strijd met regels uit de beheersverordening conform artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ten behoeve van deze aanvraag omgevingsvergunning dient een goede ruimtelijke onderbouwing te worden opgesteld. Deze rapportage voorziet hierin.
1.2
Ligging van het projectgebied
Het projectgebied is gelegen aan de noordkant van het bedrijfsperceel van het bedrijf. Dit bedrijfsperceel is kadastraal bekend als 'Tjalleberd F 2331'. Het perceel ligt aan de rand van het bedrijventerrein boven de A7 ten noord-westen van de gemeente Heerenveen.
Figuur 1. Luchtfoto met projectgebied rood omkaderd. (bron: Google Maps)
1.3
Huidig planologisch regime
Binnen het projectgebied geldt de beheersverordening 'Joure, Langweer, Nijehaske, Oudehaske en het Buitengebied'. Deze beheersverordening is opgesteld door de gemeente Skarsterlân en is vastgesteld op 26 juni 2013. Voor het projectgebied is besluitsubvak 25 van toepassing. In de beheersverordening is vastgelegd dat de geldende planregels behoren tot het bestemingsplan 'Partiële herziening bestemmingsplannen (Parapluplan ontheffingen)'. Daarnaast is in de beheersverordening geregeld dat de planregels van het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein noordzijde A7 2001' gelden ter plaatse van het projectgebied.
4
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
Figuur 2. Uitsnede Ruimtelijkeplannen.nl)
plankaart
bestemmingsplan
'Bedrijventerrein
noordzijde
A7
2001'
(bron:
Een deel van het projectgebied valt binnen het bouwvlak en een deel valt erbuiten. In het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein noordzijde A7 2001' geldt ingevolge art. 4.3 sub b onder 2 en 3 voor andere bouwwerken dan gebouwen een maximale bouwhoogte buiten het bebouwingsvlak van 3 meter en binnen het bebouwingsvlak 8 meter. Daarnaast is voor binnen het bebouwingsvlak een vrijstelling van het college mogelijk tot 20 meter. De plaatsing van 8 silo's met een bouwhoogte van 24 meter past niet binnen de regels van dit bestemmingsplan en daarmee niet binnen de regels van de beheersverordening. Binnen de regels die gelden op grond van de huidige beheersverordening is het niet mogelijk om 8 silo's met een hoogte van 24 meter te plaatsen. Hiervoor zal dus een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met de beheersverordening moeten worden aangevraagd.
5
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Het projectgebied is onderdeel van het bedrijfsperceel van Morssinkhof Plastics Heerenveen BV. Op dit moment is er in het projectgebied geen bedrijfsbebouwing aanwezig. Het projectgebied is onderdeel van het verharde buitenterrein van het bedrijfsperceel en ligt tegen de noordelijk zijde van de huidige bedrijfsbebouwing aan. Zie de afbeelding hieronder.
Figuur 3. Bestaande situatie in het projectgebied. (bron: pdok.nl)
2.2
Nieuwe situatie
In de nieuwe situatie worden de 8 silo's van 24 meter tegen de reeds bestaande bedrijfsbebouwing geplaatst. Zie voor een impressie de afbeeldingen hieronder.
6
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
Figuur 4. Uitsnede situatieschets nieuwe silo's. (bron: Marku Bouw B.V.)
Figuur 5. Aanzicht oostgevel met nieuwe silo's. (bron: Marku Bouw B.V.)
Figuur 6. Aanzicht zuidgevel met nieuwe silo's. (bron: Marku Bouw B.V.)
Figuur 7 Aanzicht westgevel met nieuwe silo's. (bron: Marku Bouw B.V.)
7
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
Figuur 8. Aanzicht noordgevel met nieuwe silo's. (Bron: Marku Bouw B.V.) Landschappelijke inpassing Gezien de ligging aan de rand van het bedrijventerrein is het van belang om te onderzoeken welke impact de nieuwe silo's hebben op het landschap. Om een goed beeld te krijgen van de landschappelijke gevolgen zijn foto-realistische visualisaties gemaakt. Zie hiervoor de afbeeldingen hieronder.
Figuur 9. Bestaande situatie vanaf Lange Ekers 14
8
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
Figuur 10. Nieuwe situatie vanaf Lange Ekers 14
Figuur 11. Bestaande situatie vanaf Siebe de Ruiterweg 3
9
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
Figuur 12. Nieuwe situatie vanaf Siebe de Ruiterweg 3. (Verduidelijkt met een zwarte pijl)
Figuur 13. Bestaande situatie vanaf Welleweg 4
10
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
Figuur 14. Nieuwe situatie vanaf Welleweg 4 Gelet op de foto-realistische visualisaties kan worden beoordeeld dat deze ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de aanwezige landschapswaarden rondom het projectgebied. De hoogte sluit grotendeels aan bij de al bestaande bebouwing, de aanwezige hoogspanningsmasten en/of de bomenrij in het geval van het zicht vanaf de Siebe de Ruiterweg.
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. In zijn totaliteit kent de NOVI 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk.
Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten: 1.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
11
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
2. 3. 4.
Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. 2. 3.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en. Afwentelen wordt voorkomen.
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgeving-inclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economische sterk Nederland. Het project is niet strijdig met de NOVI. 3.1.2
De ladder voor duurzame verstedelijking
Bij gebiedsontwikkeling is 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang. Hierbij hanteert het Rijk de ladder voor duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder voor duurzame verstedelijking bestaat uit drie treden. Daarbij gaat het om: "eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid." Voorliggend project maakt geen nieuwe stedelijke functies mogelijk. Toetsing aan 'de ladder' kan hierdoor achterwege blijven. 3.1.3
conclusie nationaal beleid
Voorliggend project dat ziet op het plaatsen van 8 silo's wordt wat betreft vigerend nationaal beleid uitvoerbaar geacht.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Provincie Fryslân 'De romte diele'
De hoofdambitie van de provincie voor de Friese leefomgeving is brede welvaart in een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. In de Omgevingsvisie werkt de provincie de provinciale ambities, opgaven, doelen en werkwijze voor de komende jaren uit. De werkwijze is gestoeld op negen principes: Inhoudelijke principes: 1. 2. 3. 4.
zuinig ruimtegebruik; omgevingskwaliteit als ontwerpbasis; koppelen van ambities; gezondheid en veilig;
Samenwerkingsprincipes 1. 2. 3.
rolbewust; decentraal wat kan; ja, mits;
12
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
4. 5.
aansluiting zoeken; sturen op proces, ruimer op inhoud.
Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken: 1. 2. 3. 4.
Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; Fryslân wordt klimaatadaptief ingericht; Fryslân versterkt de biodiversiteit.
Om opgave 1 aan te pakken is één van de doelstellingen om de economie meer circulair te maken en minder grond- en hulpstoffen te laten verspillen. Het laten optimaliseren van de bedrijfsvoering van een bedrijf dat kunstoffen recyclet sluit aan bij deze doelstelling. 3.2.2
Verordening Romte Fryslân
Op 18 juni 2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De regels van de verordening staan niet in de weg van de plaatsing van 8 silo's op een bestaand bedrijfsperceel. 3.2.3
Conclusie provinciaal beleid
De plaatsing van 8 silo's op een bestaand bedrijventerrein wordt wat betreft vigerend provinciaal beleid uitvoerbaar geacht.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Heerenveen 2040
Op 8 juli 2021 is de Omgevingsvisie Heerenveen 2040 vastgesteld. In de visie is beschreven wat voor gemeente Heerenveen wil zijn in 2040 en wat de gemeente daarvoor gaat doen tot 2030. De gemeente richt zich daarbij op vier speerpunten: Heerenveen als centrum voor (top)sport, werk en voorzieningen; Toekomstbestendige woningen; Gezonde, klimaatbestendige en leefbare wijken en dorpen; Kwaliteit en veerkracht van het landschap. Wat betreft het bedrijventerrein Haskerveen constateert de Omgevingsvisie de volgende ontwikkeling en opgave: 'Op Haskerveen ontstaat een concentratie van partijen die actief zijn op het gebied van hergebruik van kunststoffen/plastics. O.a. de Kunststofscheidingsinstallatie (KSI) van Omrin, Midwaste en HVC is hier gerealiseerd. Dit heeft een aantrekkende werking op partijen die deze reststoffen weer verwerken tot nieuwe producten (bv. Morssinkhof). Ook het Nationaal Testcentrum Circulaire Plastics (proeffabriek voor mechanische recycling) is hier gevestigd. Daarmee kan het gebied een prominente rol gaan spelen in de ontwikkeling van Heerenveen tot circular valley.' Gezien de ambitie om de bedrijven op Haskerveen een prominente rol te laten spelen in de ontwikkeling van Heerenveen tot circulair valley, sluit deze ontwikkeling aan bij de Omgevingsvisie. 3.3.2
Uitvoeringsagenda Circular Valley 2022
De gemeente Heerenveen is bezig met het project 'Circular Valley'. In de uitvoeringsagenda Circular Valley 2022 wordt gesteld dat bedrijven gevestigd in de gemeente Heerenveen een voorbeeld zijn wat betreft circulaire inkoop en hun reststromen. Grondstoffen en producten worden zoveel mogelijk circulair ingekocht. Reststromen worden zoveel mogelijk in de regio behouden en hergebruikt. Daarnaast pakken
13
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
Heerenveense bedrijven vraagstukken vraag-aanbodkoppelingen gemaakt.
als
energie
en
water
collectief
op,
zo
worden
er
De sector ‘afvalinzameling, -sortering en -verwerking’ is sterk vertegenwoordigd in de Heerenveense economie en daarbinnen ook het onderdeel ‘kunststoffen’ met bedrijven zoals Omrin, Morssinkhof, NTCP, Spelt, Suez. In Heerenveen vestigen zich ook nieuwe bedrijven die zich bezighouden met interessante innovaties op het gebied van recycling. Het project ‘Het Schone Noorden’ waarin vanuit de provincie Friesland, Groningen en Drenthe, samen met bedrijfsleven, kennisinstellingen wordt gebouwd aan hét Europese ecosysteem voor circulaire kunststoffen is vanuit deze bijzondere positie ontstaan. In Heerenveen ontstaan hierdoor bijzondere kansen richting een circulaire economie. Deze ontwikkeling zorgt ervoor dat een bedrijf dat een bijdrage levert aan de circulaire economie haar bedrijfsvoering kan optimaliseren. De bouw van de silo's sluit aan bij de uitvoeringsagenda Circular Valley 2022. 3.3.3
Conclusie gemeentelijk beleid
De plaatsing van 8 silo's ter optimalisatie van de bedrijfsvoering van een bedrijf dat bijdraagt aan een circulaire economie past binnen het bestaande gemeentelijke beleid.
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Bedrijven en milieuzonering
Normstelling en beleid Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, als uitgangspunt van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is het waarborgen van voldoende afstand tussen hinderveroorzakende functies, zoals bedrijven en voorzieningen, en hindergevoelige functies, zoals woningen, noodzakelijk. Bij de ruimtelijkfunctionele afstemming hiervan kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand tussen een hinder veroorzakend bedrijf en een gevoelige functie (zoals een woning) waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden met functiescheiding (omgevingstype 1: rustige woonwijk dan wel rustig buitengebied) en gebieden waarbij functies meer worden gemengd (zoals een stadscentrum). De grootst aangegeven afstand is bepalend voor de aan te houden afstand. Als aan de gestelde richtafstanden tussen de omliggende bedrijven en de gevoelige functie wordt voldaan, is op dit punt sprake van een goede ruimtelijke ordening. De richtafstanden zijn ’niet hard’ en met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken.
De richtafstanden zijn overigens niet alleen gekoppeld aan de milieucategorie van een te beoordelen bedrijf/voorziening maar ook aan de karakterisering van de omgeving. Zo kan in geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging in plaats van functiescheiding, worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Hiertoe kan de minimale richtafstand met één afstandsstap worden verkleind. Toetsing Omdat het gaat om de plaatsing van 8 silo's met plasticregranulaat, wordt er geen gevoelige functie mogelijk gemaakt. Om die reden hoeft niet getoetst te worden of omliggende bedrijven en andere activiteiten van invloed zijn op het leefklimaat ter plaatse van het projectgebied. Andersom kan het project ook effect hebben op de omgeving. Omdat het enkel gaat om het plaatsen van 8
14
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
silo's, die niet leiden tot milieueffect op de omgeving (wat betreft geluid, geur, stof en gevaar), en de dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning zich bevindt op 120 meter afstand, is er ruim voldoende afstand tussen de voorgenomen bedrijfsactiviteit en deze woning. Conclusie Voorliggend project wordt wat betreft bedrijven en milieuzonering uitvoerbaar geacht.
4.2
Verkeer en parkeren
Normstelling Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). In publicatie nr. 381: Toekomstbestendig parkeren (2018) van CROW (het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte) zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen. Er zijn kencijfers omtrent de ritproductie voor woon-, werk- en voorzieningenfuncties per weekdagetmaal gegeven en ook parkeerkencijfers, met een minimale en maximale aan te houden bandbreedte. Onderzoek Bij de beoordeling of er voldoende parkeergelegenheid bestaat hoeft alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het project. Dat betekent dat een eventueel bestaand tekort buiten beschouwing kan worden gelaten. De realisatie van 8 silo's leidt niet tot een grotere parkeerbehoefte. Conclusie Het project leidt niet tot een verslechtering van de verkeerssituatie in het projectgebied. Wat betreft verkeerseffecten wordt het project dan ook uitvoerbaar geacht.
4.3
Ecologie (soorten- en gebiedsbescherming)
Normstelling en beleid In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot geldende wet- en regelgeving op het terrein van soortenbescherming en gebiedsbescherming. Deze beoordeling vindt plaats in relatie tot de Wet natuurbescherming (Wnb) en het provinciale gebiedsgerichte natuurbeleid. Voor wat betreft de effecten op natuurwaarden moet onder meer aangegeven worden of er als gevolg van een plan vergunningen of ontheffingen noodzakelijk zijn en, zo ja, of deze verkregen kunnen worden. Onderzoek Het projectgebied beslaat enkel een deel van een verhard bedrijfsperceel, tegen de bestaande bedrijfbebouwing aan. Op deze plek zijn geen beschermde diersoorten te verwachten. De plaatsing van 8 silo's zal geen significante verstoring opleveren voor beschermde diersoorten. Stikstof Voor de invloed van het plan op het gebied van stikstofdepositie kan zowel de aanlegfase als de gebruiksfase relevant zijn. Effecten van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de aanlegfase kunnen als verwaarloosbaar worden beschouwd, gezien de de geringe omvang van de werkzaamheden en ruime afstand tot het dichtstbij gelegen stikstofgevoelige gebied (3,5 km tot Deelen).
Ook in de gebruiksfase zijn de effecten verwaarloosbaar, omdat het aantal verkeerswegingen als gevolg van dit plan niet zal toenemen.
15
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
Conclusie Het aspect ecologie (soorten- en gebiedsbescherming) levert geen noemenswaardige belemmeringen op voor dit project.
4.4
Archeologie en cultuurhistorie
Normstelling en beleid De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze op 1 januari 2024 inwerkingtreedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het projectgebied te bevatten. Voor zover in het projectgebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Onderzoek archeologie Op basis van de Friese Archeologische MonumentenKaart Extra (FAMKE) is in beeld gebracht of in het gebied archeologische waarden aanwezig zijn.
De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.). IJzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.)
Figuur 15. Uitsnede FAMKE Ijzertijd - Middeleeuwen, projectgebied met 'kruisje' aangegeven (bron: Archeologische kaart FAMKE) In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. Het gaat hier dan met name om vroeg en vol-middeleeuwse veenontginningen. Daarbij bestaat de kans dat er zich huisterpjes uit deze tijd in het plangebied bevinden. Ook de wat oudere boerderijen kunnen archeologische sporen of resten afdekken, hoewel de veengronden eromheen al afgegraven zijn. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een historisch en karterend onderzoek te
16
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroeg-middeleeuwse ontginningen. Steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.)
Figuur 16. Uitsnede FAMKE steentijd - bronstijd, projectgebied met 'kruisje' aangegeven (bron: Archeologische kaart FAMKE) In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen uit de steentijd bevinden, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 2.500 m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren, waarbij minimaal zes boringen per hectare worden gezet, met een minimum van zes boringen voor gebieden kleiner dan een hectare. Het project beslaat een oppervlakte van minder dan 2.500 m², archeologisch onderzoek kan derhalve achterwege worden gelaten. Onderzoek overige cultuurhistorische waarden De gemeente Heerenveen heeft haar cultuurhistorisch erfgoed beschermd door middel van de Erfgoednota. In de erfgoednota is het cultuurhistorisch erfgoed in beeld gebracht. Daarnaaast is een lijst van gemeentelijke monumenten opgenomen. Het projectgebied en het gebied waar deze in ligt (bedrijventerrein Haskerveen), is niet opgenomen als cultuurhistorische waarde. Het plaatsen van de silo's op deze locatie heeft geen invloed op het aspect cultuurhistorie. Conclusie Het project kan op het gebied van archeologie en cultuurhistorie uitvoerbaar geacht worden.
4.5
Bodemkwaliteit
Normstelling en beleid Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet in ieder geval een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming (Wbb) van toepassing. Hierin is geregeld dat als ter plaatse van een projectgebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen er
17
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
sprake is van een saneringsgeval. Voor te ontgraven en eventueel buiten een projectgebied af te voeren gronden kan op basis van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) een milieuhygiënische verklaring van de gronden noodzakelijk zijn (en deze is met bodemonderzoek te verkrijgen). Dit is echter sterk afhankelijk van de toepassingslocatie. Onderzoek In 2017 is in het projectgebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Aanleiding voor het uitvoeren van het onderzoek was de voorgenomen uitgifte van een aantal bedrijfskavels, waaronder de bedrijfskavel waar het projectgebied zich bevindt. Doel van het bodemonderzoek was het bepalen, c.q. actualiseren van de algemene milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater), en daarmee vast te stellen of dit belemmeringen opleverde voor deze gronduitgifte. De rapportage van het onderzoek is als Bijlage 1 bij deze onderbouwing gevoegd. Het projectgebied bevindt zich op 'kavel 1', zoals het deelgebied waar de bedrijfskavel in ligt, in de onderzoeksrapportage wordt genoemd. Op basis van de bekende gegevens, is het onderzoek uitgevoerd volgens de NEN 5740 ‘Bodem – Landbodem’ - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond.
Aangezien op of nabij de locatie in voorgaand onderzoek slechts lichte verontreinigingen zijn aangetroffen, is bij de onderzoeksstrategie uitgegaan van een ‘onverdachte niet-lijnvormige locatie’. Resultaten Op kavel 1 zijn in de mengmonsters MM1bg, MM2bg, MM4bg van de bovengrond, alsmede in de mengmonsters MM5og, MM6og, MM7og van de ondergrond, geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen gemeten. In bovengrondmengmonster MM3bg zijn licht verhoogde gehalten aan kwik en molybdeen aangetoond. In de grondwatermonsters uit de peilbuizen 01, 13 en 21 zijn licht verhoogde concentraties van metalen aangetroffen. Ten aanzien van de licht verhoogde concentraties aan metalen in het grondwater wordt verwacht, dat deze een natuurlijke oorsprong hebben. Ook zou sprake kunnen zijn van een (nog) niet volledig hersteld chemisch bodemevenwicht, na plaatsing van de peilbuis. Opgemerkt wordt, dat in voorgaand onderzoek tevens licht verhoogde waarden voor metalen in het grondwater werden aangetroffen. Aangezien slechts sprake is van een overschrijding van de streefwaarde wordt aanvullend onderzoek, ongeacht de uiteindelijke oorzaak, niet noodzakelijk geacht. Voor alle onderzochte kavels geldt, dat de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering hoeft te vormen voor de beoogde uitgifte en ontwikkeling hiervan.
Conclusie Gezien de conclusie van eerder uitgevoerd bodemonderzoek, wordt het project op het gebied van bodemkwaliteit uitvoerbaar geacht.
4.6
Water
Wet- en regelgeving Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema’s waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. WATERWET De Waterwet bundelt de waterwetgeving. Daarnaast heeft het Nationaal Waterplan (NWP), waarvan de
18
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
eerste versie tegelijk met de Waterwet is verschenen, een formele rol in de ruimtelijke ordening. Het eerste Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro. Normstelling en beleid De waterbeheerder in het projectgebied en in de directe omgeving van het projectgebied is het Wetterskip Fryslân. In 2022 heeft het Wetterskip Fryslân het waterbeheerplan 2022-2027 gepubliceerd, hier wordt het beleid van de waterbeheerder ten aanzien van het waterbeheer in bebouwd gebied toegelicht. Het beleid is gesplitst in drie thema's: waterveiligheid, voldoende water en schoon water. Onderzoek/Wateradvies Bij het Wetterskip Fryslân is op 1 september 2023 een digitale watertoets ingevuld. Documentatie hieromtrent is als bijlage opgenomen (zie Bijlage 2). Op basis van de watertoets dient de verkorte procedure bij het Wetterskip Fryslân te worden gevolgd. Het plan is aangemeld bij het Wetterskip. Conclusie Uit oogpunt van het aspect water gelden geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het project, mits de aanwijzingen uit de watertoets gevolgd worden.
4.7
Externe veiligheid
Wet- en regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het aandachtsveld richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving waaraan een ruimtelijk besluit moet worden getoetst. Vaak zijn de volgende besluiten relevant: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim; beter bekend als het Activiteitenbesluit). Een silo is geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (er zijn geen personen aanwezig). Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn dan ook geen belemmeringen aan de orde. Daarnaast zorgt de opslag van plastic regranulaat niet voor extra risico's voor de omgeving. Conclusie Voor het aspect externe veiligheid treden geen belemmeringen op door dit project.
4.8
Luchtkwaliteit
Normstelling en beleid In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ), fijn stof (PM10 ) en zeer fijn stof (PM2,5 ) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5 . Projecten met een invloed van 'niet in betekende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van
19
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10 ). Deze grens komt overeen met 1.401 auto's, dan wel 109 vrachtwagens per weekdagetmaal (Grenswaarde in 2017). PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10 . Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden. Toetsing De opslag van plastic regranulaat in silo's heeft geen negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit. Door de ontwikkelingen vinden namelijk niet extra verkeersbewegingen plaats. Hierdoor kan worden gesteld dat deze ontwikkeling niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Conclusie De uitvoerbaarheid van voorliggend project wordt niet door onaanvaardbare gevolgen voor de luchtkwaliteit belemmerd.
4.9
Geluid
Wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere spoorweglawaai, industrielawaai en wegverkeerslawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Toetsing Het ingebruik hebben van de silo's leidt niet of zeer beperkt tot extra geluidbelasting op de omgeving. Vanwege dit feit, en de grote afstand tot omliggende woonbebouwing (de dichtstbij gelegen woning ligt op 120 meter afstand) leidt het plan niet tot geluidshinder voor de omgeving. Daarnaast is een silo geen geluidgevoelig object, waardoor onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder ook achterwege kan blijven. Conclusie Dit project wordt uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet belemmerd door het geluidsaspect.
4.10 M.e.r. (beoordelings)plicht Wet- en regelgeving De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-verantwoording houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds de hiervoor beschreven onderzoeken. Toetsing Het project bevat geen activiteit die in kolom D van het Besluit m.e.r. is opgenomen. Er is dan ook geen sprake van het overschrijden van drempelwaarden in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor het project geldt daarom geen plan-MER-plicht en een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is ook niet aan de orde. Conclusie Voorts kan op basis van voorgaande verantwoording van de omgevingsaspecten in redelijkheid worden aangenomen dat geen onaanvaardbare milieueffecten in het projectgebied hoeven te worden verwacht.
20
Frankrijkdreef 5 Heerenveen
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De kosten die gepaard gaan met het project worden door de initiatiefnemer gedragen. De kosten die ook uit dit project kunnen voortvloeien, zijn aanvragen voor een tegemoetkoming in schade. Aanvragen om tegemoetkoming in schade kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. De gemeente zal daarom met de initiatiefnemer een overeenkomst sluiten, zoals bedoeld in artikel 6.4a Wro. Daarmee kan worden voorkomen dat de gemeenschap de kosten moet betalen die worden gemaakt in het belang van de aanvrager. Een exploitatieplan is voor deze ruimtelijke onderbouwing niet nodig.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Procedure omgevingsvergunning
In art. 3.10 Wabo is bepaald dat voor de in deze ruimtelijke onderbouwing bedoelde omgevingsvergunning de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in dit artikel van toepassing is. Na aankondiging in de Staatscourant en publicatie op www.overheid.nl wordt het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen op het ontwerp naar voren brengen. Deze procedure is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), afdeling 3.4. De beslistermijn op de ontwerpomgevingsvergunning van zes maanden begint te lopen daags na ontvangst van de aanvraag (art. 3.12, lid 7 Wabo). Deze beslistermijn mag eenmaal verlengd worden, met ten hoogste zes weken (art. 3.12, lid 8 Wabo). Na vaststelling van de omgevingsvergunning maakt het bevoegd gezag het vaststellingsbesluit bekend. De mededeling van het definitieve besluit wordt tevens langs elektronische weg gedaan en beschikbaar gesteld (art. 6.14 Bor jo. Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012). Op de ontwerpomgevingsvergunning moet tevens het overleg als bedoeld in art. 3.1.1 Bro worden gevoerd (art. 6.18 Bor).
Indien door Gedeputeerde Staten of de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze is ingediend en deze zienswijze niet volledig is overgenomen, wordt het vaststellingsbesluit na zes weken na de vaststelling van de omgevingsvergunning bekendgemaakt. Uiterlijk zes weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbank en eventueel hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). 5.2.2
Overleg ex. Art. 3.1.1 Bro
In het kader van het bestuurlijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt deze ruimtelijke onderbouwing aan verschillende maatschappelijke instanties voorgelegd voor een reactie. In het geval overduidelijk is dat er geen belangen van toepassing zijn, kan hiervan worden afgezien. 5.2.3
Tervisielegging ontwerp
Met het ter visie leggen van de ontwerpomgevingsvergunning stelt de gemeente een ieder in de gelegenheid om kennis te kunnen nemen van, alsmede te reageren op, de inhoud van het planvoornemen.
21