Bijlage 3 - Ontwerp-omgevingsvergunning inclusief bijlagen
Tekst van het document
1.4
Eisen aan een ruimtelijke onderbouwing
Een op artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 30 Wabo gebaseerde zelfstandige instructie voor de inhoud en inrichting van deze ruimtelijke onderbouwing ontbreekt in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Artikel 5.20 van het (Bor) verklaart voor de inhoud van het besluit de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing belicht alle relevante aspecten vanuit de ruimtelijke ordening en toont aan dat voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hieronder is verwoord waaraan een ruimtelijke onderbouwing moet voldoen. In een goede ruimtelijke onderbouwing zijn neergelegd: 1. 2. 3. 4.
5.
6.
een verantwoording van de gemaakte keuzen; een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.10; de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg; Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 6; de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; verwezen wordt naar de gehele ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat met alle relevante feiten en af te wegen belangen rekening is gehouden; een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding zijn betrokken; het ontwerpbesluit wordt voor een ieder ter inzage gelegd. Er wordt gelegenheid geboden om zienswijzen in te dienen; de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan; Verwezen wordt naar hoofdstuk 5.
Voor zover bij het project geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, waarin de hiernavolgende onderdelen zijn beschreven, worden in de ruimtelijke onderbouwing ten minste neergelegd:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing 7. 8.
9.
1.5
een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden; Verwezen wordt naar paragraaf 4.8. voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het besluit begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied. In hoofdstuk 4 is aandacht besteed aan de in dit kader relevante aspecten; een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het besluit zijn betrokken; het betreffende hoofdstuk 4 van de Wet milieubeheer heeft betrekking op luchtkwaliteitseisen. Deze zijn beschreven in paragraaf 4.3.
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige en gewenste situatie in het projectgebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op alle relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 staat in het teken van de uitvoerbaarheid. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op het vooroverleg.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 2
PLANBESCHRIJVING
2.1
Huidige situatie projectgebied
2.1.1
Landschap
Het projectgebied ligt in het kleigebied Oostergo en heeft als landschapstype ‘klei op veengebied’. Ten westen van het projectgebied ligt de Boorn/Kromme Knillis met bijhorend beekdallandschap. De Leppedyk waaraan het projectgebied ligt, is in het verleden aangelegd als waterkering langs deze waterloop. Een bijzonderheid is de aanwezigheid van het Prinses Margrietkaneel direct ten (noord)westen van het projectgebied. Deze doorsnijdt het oorspronkelijke verkavelingspatroon. Het klei op veengebied heeft een open en grootschalig karakter. Door de openheid zijn de verschillende functies in de omgeving zoals de boerderijen, het bedrijven terrein van Jirnsum en het spoor, goed zichtbaar. De verkaveling is onregelmatig blokvormig tot mozaïekachtig. Het grondgebruik bestaat vooral uit weiden. De weiden zijn van elkaar geschieden met sloten met een hoog waterpeil. Beplanting concentreert zicht vooral in dorpen en op de boerenerven. En in dit geval ook bij de waterpartij ten zuiden van de boerderij. Kenmerkend voor de beplantingen op de erven is dat deze een fragmentarisch beeld kennen. In het open gebied bepalen de bebouwing en de beplantingen samen het beeld van het landschap. 2.1.2
Projectgebied
Het projectgebied ligt aan de Leppedyk 54, in het buitengebied van Akkrum. Op dit perceel is een melkveebedrijf gevestigd. In de huidige situatie is op het perceel aanwezig een schuur en twee silo’s. In het projectgebied is ook een transformatorhuisje aanwezig. Het bedrijf heeft een vergunning voor 140 melkkoeien en 60 stuks jongvee. Wat betreft melkproductie draait het bedrijf bijna op volledige capaciteit. Dit melkveebedrijf is gelegen op zowel de Leppedyk 54 als de Leppedyk 61. De stal heeft het nummer 54 en de boerderij ligt op nummer 61. Het bedrijf wordt doorsneden middels de Leppedyk. Het melkveebedrijf aan de Leppedyk is bijzonder gelegen in het Friese landschap, pal aan het Prinses Magrietkanaal. Het bestaat uit de oorspronkelijke kop-hals-romp boerderij (waarbij het voorste gedeelte nieuw gebouwd is in de jaren 60) en een melkveestal aan de overzijde van de Leppedyk. Het bedrijf was oorspronkelijk gelokaliseerd in het hoofdgebouw, de kop-hals-romp boerderij. In de jaren 60/70 groeide het bedrijf en is aan de andere zijde van de Leppedyk een koeienstal gebouwd. De bedrijfsactiviteiten verschoven daardoor meer naar de andere zijde van de weg. De oorspronkelijke stal op de Leppedyk 61 werd in gebruik genomen voor opslag. Bij het hoofdgebouw staat ook een kleinere schuur voor machines. Aan deze zijde van de weg ligt ook het kuilvoer opgeslagen.
In afbeelding 2.1 is een luchtfoto opgenomen waarop de huidige situatie van het projectgebied ten opzichte van de directe omgeving is weergegeven. Het projectgebied is hierop indicatief aangeduid met een rode contour. In afbeelding 2.2 is een foto van de bestaande situatie weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 2.1
Luchtfoto van het projectgebied (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
Afbeelding 2.2
Beeld vanaf de Leppedyk in noordelijke richting, links de ingang naar het hoofdgebouw, rechts de bestaande stal. Bij de silo’s staat ook de trafo (Bron: Avies Nije pleats).
2.2
.
Gewenste situatie
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een melkstal. Wat betreft de melkproductie draait het bedrijf bijna op volledige capaciteit. De melkstal bij het bedrijf is flink veroudert. Om het bedrijf toekomstbestendig te maken is modernisering van de melkstal op zijn plaats. Deze modernisering wordt gerealiseerd door de bestaande stal in noordelijke richting te verlengen met 25 meter. De nieuwe melkstal krijgt een swingover systeem met een beweegbare vloer en biedt ruimte aan het melken van 2x20 koeien per keer. Daaronder komt een kelder voor gieropslag. Het aantal koeien blijft gelijk. Gezien de voorgenomen ontwikkeling dient een milieuvergunning te worden aangevraagd. De huidige schuur zal voornamelijk gebruikt
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing worden voor opslag. Het bestaande transformatorhuisje kan ondanks de uitbreiding van de melkschuur op de bestaande locatie blijven. De hoofdopzet met twee verschillende erfdelen blijft gehandhaafd. Deze opdeling is ook de legitimatie voor de inpassing van de nieuwe stal. Op het oostelijk (en nieuwste) erfdeel wordt de stal uitgebreid in noordelijke richting. De stal komt hiermee voor de voorgevel van de oorspronkelijke boerderij te liggen. Hoewel deze situering niet gangbaar is (stallen en loodsen liggen in principe altijd achter het woonhuis), is de uitbreidingsrichting in deze situatie passend. De twee erfdelen (Leppedyk 54 en 61) waaruit het boerenbedrijf bestaat, zijn dusdanig los van elkaar gesitueerd, dat deze als op zichzelf staande erven kunnen worden beschouwd. Deze losse situering en het onderscheid tussen de erfdelen wordt met de gewenste ontwikkeling in stand gehouden. Het bestaande beeld van het westelijk erfdeel blijft onveranderd met de gewenste ontwikkeling. Voor een goede landschappelijke inpassing blijft de beplanting op het westelijke erfdeel (Leppedyk 61) gehandhaafd en wordt nieuwe beplanting op het oostelijk erfdeel (Leppedyk 54) toegevoegd. De noord- en oostzijde van de Leppedyk 54 worden voorzien van beplanting. Deze beplanting sluit qua grootte aan bij de schaal van de bebouwing.
Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken wordt een bestaande sloot gedempt. De gedempte sloot wordt 100% gecompenseerd door de aanleg van een nieuwe sloot van 137 m 2. Voor het dempen van de sloot wort een vergunning aangevraagd. Op donderdag 7 september 2022 heeft een Nije Pleats bijeenkomst plaatsgevonden op het erf van het melkveebedrijf. Tijdens een Nije Pleats bijeenkomst wordt integraal een concrete aanvraag tot uitbreiding behandeld. In voorliggend geval zijn bij deze waren de met de initiatiefnemer(s) en een team deskundigen vanuit de gemeente Heerenveen aanwezig. Tijdens het overleg op locatie zijn ideeën en randvoorwaarden uitgewisseld. Daarnaast is tijdens deze bijeenkomst ook een doorkijkje gemaakt naar eventuele plannen in de verdere toekomst. De inrichting van het perceel en de bedrijfsvoering bieden voldoende mogelijkheden. Van deze bijeenkomst is een rapport opgesteld met daarin adviezen en mogelijkheden. Het rapport biedt een basis voor het (juridische) proces en kan worden gebruikt als (extra) onderbouwing. In bijlage 1 is het volledige rapport opgenomen. Afbeelding 2.3 toont het projectgebied met daarin de te realiseren melkstal en de aan te planten bomen ten oosten en noorden van deze melkstal. Afbeelding 2.4 toont de gevelaanzichten van de gewenste melkstal.
Afbeelding 2.3
Ontwerptekening (Bron: Advies Nije pleats)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 2.4
Gevelaanzichten gewenste melkstal (Bron: Advies Nije pleats).
2.3
Verkeer en parkeren
2.3.1
Algemeen
Bij het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Voorliggende ontwikkeling gaat om het realiseren van een melkstal voor een bestaand bedrijf die ruimte biedt voor het bestaande aantal koeien. Doordat het aantal dieren ten opzichte van de huidige situatie gelijk blijft, is geen sprake van een toename van aan- en afvoerbewegingen Het erf wordt ontsloten door een extra in- en uitrit. Het parkeren vindt conform de bestaande situatie, plaats op eigen erf. Het erf biedt hier voldoende ruimte voor (zie afbeelding 2.3). 3.2.2
Conclusie
Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 3
BELEIDSKADER
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de opgenomen doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
2.
Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
3.
Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd.
4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.
2.
3.
Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
3.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI Voorliggend geval betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconstateerd wordt dat de realisatie van een extra melkschuur een zeer logische toevoeging is voor het projectgebied omdat de aard van deze ontwikkeling binnen de bestaande bestemming “agrarisch gebied” ligt. Daarnaast sluit het aan bij prioriteit 4 Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in deze ruimtelijke motivering opgenomen ontwikkeling. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
In de voormalige SVIR (voorganger NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.
stedelijke ontwikkeling: ’ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing 3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Voorgenomen ontwikkeling betreft een uitbreiding van een agrarisch bedrijf met een nieuwe melkstal in het buitengebied van de gemeente Heerenveen. Deze functie is, gelet op de definitie, niet aan te merken als een 'stedelijke ontwikkeling'. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing. 3.1.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Fryslân - De Romte diele
3.2.1.1 Algemeen De provinciale Staten van Fryslân hebben op 23 september 2020 de Omgevingsvisie Fryslân - De Romte diele vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de komende jaren richting aan de activiteiten van de provincie. Hierin staat beschreven waar naar toe wordt gewerkt en hoe de toekomst er uit ziet. De provincie wil met de samenleving goede ideeën en mooie plannen voor Fryslân realiseren. Bij de ruimtelijke inpassing van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet aandacht worden besteed aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Dit kan door efficiënt ruimtegebruik, bijvoorbeeld door de mogelijkheden van herstructurering te onderzoeken. Ook zijn een goede beeldkwaliteit en een zorgvuldige landschappelijke inpassing van groot belang. De provincie kiest voor een concentratie van wonen, werken en voorzieningen in stedelijke gebieden. 3.2.1.1 Algemeen In dialoog met de samenleving zijn vier opgaven benoemd die de provincie actief wil aanpakken. Het zijn urgente vraagstukken waarvoor de provincie nú al alles op alles gaat zetten om met de samenleving oplossingen te vinden. • • • •
Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar; Fryslân zet de energietransitie met kracht voort; Fryslân wordt klimaatadaptief ingericht; Fryslân versterkt de biodiversiteit.
Deze opgaven zijn groot, onderling verbonden en ze raken de hele provincie. De opgaven vragen om een integrale en gezamenlijke aanpak. 3.2.1.3 Basis op orde Om dit te bereiken moet de basis op orde zijn. Fryslân heeft veel kwaliteiten die behouden moet worden en worden versterkt. Voor het voornemen zijn met name de volgende van belang: Karakteristieken van het landschap zijn beleefbaar Het landschap en z’n cultuurhistorie, archeologie en de stedenbouw vertellen in samenhang het verhaal van Fryslân. Ze vormen een onderdeel van de Friese identiteit en geven de provincie een herkenbaar profiel. Denk aan de terpen en boerderijen op kwelderwallen. Zulke elementen en structuren zijn bepalend voor de bijzondere ruimtelijke kwaliteit van Fryslân. En daarmee zijn ze van grote invloed op de ontwikkelingskansen van onder andere de Friese gastvrijheidseconomie. Door de geschiedenis heen verandert het landschap. Het is een gezamenlijke opdracht om toekomstige ontwikkelingen zodanig een plek te geven, dat de kenmerken van landschap en cultuurhistorie herkenbaar blijven. Bij de klimaatopgave kunnen gebiedskenmerken zoals hoogteligging, waterlopen en dijken het BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing vertrekpunt vormen voor mogelijke oplossingen. Naast nieuwe ontwikkelingen zie de provincie op verschillende plekken in Fryslân het landschap achteruit gaan. Hier wordt gestreefd naar herstel van landschap en cultuurhistorie en naar het versterken van samenhang. Duurzame landbouw Duurzame landbouw is als gebruiker en beheerder één van de pijlers van een vitaal en aantrekkelijk platteland. Innovatie en samenwerking in de keten zijn succesfactoren om tot duurzame landbouw te komen; kennisinstellingen spelen hierin een belangrijke rol. De diversiteit aan agrarische bedrijven zien we als kracht, doordat verschillende typen bedrijven kennis en ervaringen uitwisselen. Bedrijven maken eigen keuzes in bedrijfsvoering. Dat kan schaalvergroting zijn, maar ook schaalverkleining, biologisch, extensivering, verbreding en verdieping. Ook agrarisch beheer van natuurgebieden kan onderdeel zijn van de bedrijfsvoering. Belangrijk is dat bedrijven natuurlijke en sociale binding met hun omgeving houden: grondgebonden bedrijven in een omvang die past in het landschap en bij de Friese identiteit en sociale context. Natuurlijke omstandigheden, zoals waterpeilen en bodemkwaliteit, worden meer bepalend voor bedrijfsvoering. Ook medegebruik van agrarische grond, zoals waterberging en natuurbeheer, wordt meer van invloed.
Omgevingskwaliteiten in een gebied bepalen zo de agrarische ontwikkelmogelijkheden; dit verschilt per locatie. 3.2.1.4 Toetsing van het voornemen aan de Omgevingsvisie Fryslân - De Romte diele Het voornemen bestaat uit het realiseren van een melkstal als verlenging van een bestaande schuur in agrarisch gebied. De stal wordt uitgebreid in noordelijke richting. De stal komt hiermee voor de voorgevel van de oorspronkelijke boerderij te liggen. Hoewel deze situering niet gangbaar is (stallen en loodsen liggen in principe altijd achter het woonhuis), is de uitbreidingsrichting in deze situatie passend omdat de twee erfdelen (Leppedyk 54 en 61) waaruit het boerenbedrijf bestaat, als op zichzelf staande erven kunnen worden beschouwd. Door het gebruik van de bestaande melkstal op de Leppedyk 54 voor opslag wordt de opslag verplaats van buiten naar binnen wat bijdraagt aan het behoud van de Friese ruimtelijke kwaliteit. De melkstal is passend in de landelijke omgeving en belemmert omliggende (agrarische) bedrijven niet, zie hiervoor paragraaf 4.6. Daarnaast wordt met de gewenste ontwikkeling voorzien in een duurzaam toekomstperspectief voor het bedrijf. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling aansluit bij de Omgevingsvisie Fryslân - De Romte diele. 3.2.2
Verordening Romte Fryslân 2014
3.2.2.1 Algemeen De Verordening Romte Fryslân 2014 is op 25 juni 2014 vastgesteld. Op 23 maart 2021 is de verordening geconsolideerd. De verordening stelt concrete regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen uit onder andere de in voorgaande paragraaf beschreven Omgevingsvisie doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. 3.2.2.2 Relevante artikelen Voor het voornemen zijn onderstaande artikelen het meest relevant: Zorgvuldig ruimtegebruik (Artikel 2.1.1) 1. De plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor het landelijk gebied omvat een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf waarin, voor zover noodzakelijk, wordt aangegeven op welke wijze: a.
b.
het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen; het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de structuurvisie Grutsk op ’e Romte. 2.
Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op landelijk gebied stelt zo nodig regels die ertoe strekken dat de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid, sub b, herkenbaar blijven.
3.
Een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van: c. d. e. f. g.
een uitbreidingslocatie; nieuwe infrastructuur of aanpassing van infrastructuur; een nieuwe recreatieve voorziening of uitbreiding van een recreatieve voorziening; agrarische bedrijven, inclusief glastuinbouwbedrijven; overige nieuwe of uitbreiding van bestaande, al dan niet aan het landelijk gebied gebonden functies,
binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, sub b. Zorgvuldig ruimtegebruik (Artikel 2.3.1) De toelichting bij een ruimtelijk plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke functie buiten bestaand stedelijk gebied bevat een verantwoording waaruit blijkt dat toepassing is gegeven van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, waaruit in ieder geval blijkt waarom die functie redelijkerwijs niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Agrarische bedrijven (Artikel 6.1.2) 1.
2.
3.
In een ruimtelijk plan kan een bestaand bouwperceel voor een grondgebonden agrarisch bedrijf een uitbreiding krijgen tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha, dan wel de bestaande oppervlakte behouden indien deze meer bedraagt dan 1,5 ha. In afwijking van het eerste lid kan een groter bouwperceel worden toegestaan, mits: a. het agrarisch bedrijf grondgebonden blijft, en b. de oppervlakte van het agrarisch bouwperceel niet meer bedraagt dan 3 ha. In afwijking van het tweede lid kan in een incidenteel geval een bouwperceel van meer dan 3 ha worden toegestaan indien: a. het bedrijf al een bouwperceel van bijna 3 ha of meer dan 3 ha heeft en de bedrijfsuitbreiding redelijkerwijs niet binnen dat bouwperceel is te realiseren, b. de uitbreiding van het bouwperceel beperkt blijft, en c. de nieuwe situatie een aanzienlijk maatschappelijk voordeel oplevert voor een of meer van de volgende aspecten: I. verbetering van dierenwelzijn, II. vermindering van milieubelasting en van uitstoot van milieubelastende stoffen; III. een innovatieve bedrijfsvoering die bijdraagt aan duurzaamheid en daardoor een voorbeeldfunctie heeft, IV. aanmerkelijke landschappelijke verbetering, waaronder begrepen het elders slopen van minimaal een gelijke oppervlakte aan bebouwing.
3.2.2.3 Toetsing van het voornemen aan de Verordening Romte Fryslân 2014 De provincie geeft in haar beleid aan dat een uitbreiding van een bestaand bouwperceel voor een grondgebonden agrarisch bedrijf tot een maximaal oppervlakte van 1,5 ha mogelijk is, dan wel de bestaande oppervlakte behouden indien deze meer bedraagt dan 1,5 ha. Als het agrarische bedrijf grondgebonden blijft en het oppervlakte van het agrarisch bedrijf niet meer bedraagt dan 3 ha is kan een groter bouwperceel worden toegestaan. In voorliggend geval een extra melkstal gerealiseerd waarbij het totale oppervlakte bouwperceel van het agrarisch bedrijf niet meer is dan 3 ha. De nieuwe stal komt voor de voorgevel van de oorspronkelijke boerderij te liggen. Hoewel deze situering niet gangbaar is, de uitbreidingsrichting in deze situatie passend omdat de twee erfdelen (Leppedyk 54 en 61) waaruit het boerenbedrijf bestaat, als op zichzelf staande erven kunnen worden beschouwd. Voor een goede
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing landschappelijke inpassing blijft de beplanting op het westelijke erfdeel (Leppedyk 61) gehandhaafd en wordt nieuwe beplanting op het oostelijk erfdeel (Leppedyk 54) toegevoegd. De noord- en oostzijde van de Leppedyk 54 worden voorzien van beplanting. Deze beplanting sluit qua grootte aan bij de schaal van de bebouwing. Door het gebruik van de bestaande schuur als opslag wordt de opslag verplaats van buiten naar binnen wat bijdraagt aan het behoud van de Friese ruimtelijke kwaliteit. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling aansluit op de provinciale verordening. 3.2.3
Fries Landbouwbeleid ‘Naar een duurzame landbouw’
3.2.3.1 Algemeen Het Friese landbouwbeleid is samengevat in de beleidsbrief ‘Naar een duurzame landbouw’. De provincie streeft naar een duurzame, natuur inclusieve landbouw in 2025. Een landbouw die grondgebonden is en circulair is, bijdraagt aan het herstel van biodiversiteit, maatschappelijk draagvlak heeft én niet in de laatste plaats, duurzaam economisch renderend is. Dit streven is verder uitgewerkt in het bestuursakkoord ‘Geluk op 1’. De daarin genoemde resultaten zijn: een betere bodemkwaliteit, meer biologische landbouw, meer exportwaarde en verdere groei en benutting van kennisinstellingen. Het landbouwbeleid kent drie hoofdlijnen: 1. 2. 3.
Kwalitatieve groei (beter produceren in plaats van meer); Het opheffen van de (schijn)tegenstelling boer-burger; Het grote belang van de landbouw voor Fryslân.
Op 25 augustus 2020 heeft Gedeputeerde Staten de startnotitie voor de landbouwagenda vastgesteld. De startnotitie geeft de kaders. Deze kaders zijn met name gericht op een natuurvriendelijke landbouw. Gedeputeerde Staten wil de agrarische sector een langjarig perspectief bieden en bewegingsruimte om op eigen wijze de gezamenlijke doelen te halen. De provincie wil voldoende ruimte bieden voor de ontwikkeling van agrarische bouwvlakken en perceelverruiming, zodat een efficiënte agrarische bedrijfsvoering mogelijk is. De landschappelijke kernkwaliteiten moeten in acht worden genomen. 3.2.3.1 Toetsing aan het Fries Landbouwbeleid ‘Naar een duurzame landbouw’ De voorgenomen ontwikkeling gaat over het realiseren van een melkstal om het grondgebonden agrarische bedrijf gelegen op de Leppedyk 54 in Akkrum een toekomstperspectief te bieden. De huidige schuur voldoet maar is verouderd. Het bedrijf is toe aan modernisering. Met de gewenste ontwikkeling is rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten. Hoewel deze situering niet gangbaar is (stallen en loodsen liggen in principe altijd achter het woonhuis), is de uitbreidingsrichting in deze situatie passend omdat de twee erfdelen (Leppedyk 54 en 61) waaruit het boerenbedrijf bestaat, als op zichzelf staande erven kunnen worden beschouwd.
Daarnaast wordt in de gewenste situatie beplanting toegevoegd aan de oost- en noordzijde van het perceel om het erf landschappelijk in te passen. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling aansluit bij het Fries Landbouwbeleid ‘Naar en duurzame landbouw’. 3.2.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Fryslân - De Romte diele, de Verordening Romte Fryslân 2014 en het Fries Landbouwbeleid ‘Naar een duurzame landbouw’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Heerenveen 1.0 ‘Naar een gezonde, ondernemende en duurzame gemeente in 2040’. 3.3.1.1 Algemeen Na een uitgebreid participatietraject met inwoners en organisaties heeft de gemeenteraad van Heerenveen op 8 juli 2021 de Omgevingsvisie 1.0. vastgesteld. Daarmee heeft de raad de hooflijnen van het beleid voor de fysieke leefomgeving vastgelegd. In de visie is beschreven wat voor gemeente we willen zijn in 2040 en wat we daarvoor als gemeente gaan doen tot 2030. De gemeente Heerenveen richt zich op vier speerpunten: 1. 2. 3. 4.
Heerenveen als centrum voor (top)sport, werk en voorzieningen Toekomstbestendige woningen Gezonde, klimaatbestendige en leefbare wijken en dorpen Kwaliteit en veerkracht van het landschap
De visie vormt ook een afwegingskader voor plannen van inwoners en bedrijven die niet passen binnen het Omgevingsplan. De gemeente wil initiatieven bekijken vanuit een positieve grondhouding (‘ja-mits’). Als plannen niet passen binnen het beleid, bekijkt de gemeente samen met de initiatiefnemer hoe het wel kan. 3.3.1.2 Versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied Het diverse landschap vormt een belangrijke kwaliteit van onze gemeente. Het maakt het aantrekkelijk om in deze gemeente te wonen en te recreëren. Het belang van herkenbare en kwalitatief aantrekkelijke landschappen neemt steeds verder toe, naarmate andere delen van het land verder verstedelijkt raken. Tegelijkertijd erkennen we dat het landschap niet stilstaat en zich door de tijd altijd heeft aangepast aan maatschappelijke behoeftes. Nieuwe maatschappelijke behoeftes op het gebied van landbouw, recreatie, energietransitie en klimaatadaptatie krijgen hierin een plek. We willen er daarom voor zorgen dat nieuwe ontwikkelingen passen in het landschap op een manier dat de verschillende landschapstypen herkenbaar blijven. De afspraken uit het Klimaatakkoord over klimaatadaptatie en energietransitie hebben grote impact en vragen om keuzes over de inrichting van onze fysieke leefomgeving (zowel boven als -ondergronds).
Wij beschouwen het als een belangrijke opgave om deze zo goed mogelijk in te passen in het landschap. De afname van biodiversiteit, de aantasting van landschappen en bodemdaling in het veenweidegebied vragen om andere, duurzamere verdienmodellen voor het landelijk gebied. Omdat een overgang naar duurzamere landbouw gevolgen heeft voor boeren en inwoners, is verdere samenwerking en dialoog essentieel. 3.3.1.3 Kenschets en algemene uitgangspunten buitengebied Het buitengebied heeft in belangrijke mate een agrarische functie. Veel gronden hebben een agrarische bestemming. Daarnaast zijn er ook aanzienlijke delen van het buitengebied bestemd voor natuur. Een combinatie van deze functies komt uiteraard ook voor (bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer). Het buitengebied vormt voor veel inwoners en bezoekers ook een belangrijke plek om te recreëren. Er zijn daarom verschillende wandel-, fiets-, ATB- en ruiterpaden. Tussen de verschillende landschapstypen bestaan wel verschillen. Er zijn gebieden waar de oude, kleinschalige ontginningsstructuur nog grotendeels aanwezig is. Voorbeelden zijn de woudontginning en het klei-opveengebied. De schaal van het landschap is hier kleiner. Daarnaast zijn er ook gebieden die zijn ingepolderd of later door middel van ruilverkaveling geschikt gemaakt voor de landbouw. Deze gebieden hebben vaak een grotere schaal.
Voorbeelden zijn de veenpolder aan weerszijden van de Aengwirderweg en delen van de Tjongervallei. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing 3.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Heerenveen 1.0 ‘Naar een gezonde, ondernemende en duurzame gemeente in 2040’ Voorliggende ontwikkeling is passend in het agrarisch gebied. Bij het ontwerp van de nieuwe melkschuur is rekening gehouden met de oorsprong en karakteristieken van de omliggende omgeving en de twee percelen waaruit het agrarisch bedrijf bestaat. De huidige schuur wordt gebruikt als opslag zodat de buitenopslag grooten deels naar binnen kan worden verplaatst. Het initiatief draagt bij aan het vitaal houden van het landelijk gebied en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de Omgevingsvisie Heerenveen 1.0 ‘Naar een gezonde, ondernemende en duurzame gemeente in 2040’. 3.3.2
Welstandsnota 2016
3.3.2.1 Algemeen Op 21 december 2015 heeft de gemeenteraad van Heerenveen de Welstandsnota 2016 vastgesteld. Alle welstandseisen staan in de welstandsnota. De welstandseisen gaan over plaatsing, hoofdvorm, kleuren en materialen van gebouwen. De buitenkant van een pand moet passen in de omgeving. Bij de nota horen drie kaarten. Een kaart met welstandsniveaus, een kaart met welstandsgebieden en een kaart met beeldkwaliteitsplannen. Voor elk gebied gelden andere welstandseisen. In de welstandsnota staat welke eisen gelden voor welke gebieden. 3.3.2.2 Buitengebied Karakteristiek Het buitengebied van Heerenveen wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van verschillende landschapstypen; het terpenlandschap, de hoogveenginning, de veenpolder de woudontginning en de Tjongervallei. Elk gebied beschikt over eigen landschappelijke kenmerken, waarbij de verschillen met name tot uitdrukking komen in de ontstaanswijze, de verkaveling, de mate van openheid, en het gebruik. Ten aanzien van het bebouwingsbeeld in het terpengebeid kan worden opgemerkt dat de bebouwing in het terpengebeid zich onderscheidt door de aanwezigheid van terpdorpen en kleinere terpen waar één of meer traditionele boerderijen zijn geclusterd. De verkaveling is in tegenstelling tot de andere gebieden onregelmatig met grillig gevormde percelen.
De erven met de bebouwing zijn als puntvormig elementen in het landschap zijn gesitueerd. De onderlinge positie van de gebouwen op een erf is er vaak wisselend. In het buitengebied is de bebouwing mede bepalend voor de beleving en de kwaliteit van het landschap. Met name de boerderijen zijn vaak karakteristiek. De bebouwing is vaak individueel, vrijstaand met kenmerkende hoofdvorm en kleurgebruik. Uitgangspunt is dat een (groot) deel van de bebouwing in het buitengebied vanuit een grotere omgeving zichtbaar is en dus beeldbepalend. Welstandscriteria buitengebied Plaatsing: • • •
hoofdgebouwen zijn op de weg georiënteerd in het terpen gebied zijn de gebouwen wisselend op de weg, de oprit of het water georiënteerd, de woonfunctie is naar de weg gekeerd agrarische bijgebouwen binnen een erf zijn veelal geconcentreerd en vertonen ruimtelijke samenhang. In het terpengebied is de onderlinge positie wisselend
Hoofdvorm: • • •
hoofdgebouwen bestaan uit 1 bouwlaag met kap aanbouwen en vrijstaande bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw vrijstaande agrarische bijgebouwen hebben een kap met flauwe dakhelling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
Opmaak: • • • • •
hoofdgebouwen en boerderijen hebben een steenachtig karakter kleuren zijn gedekt (midden tot donkere tonen) daken van hoofdgebouwen en boerderijen zijn voorzien van dakpannen als uitzondering is het gebruik van riet voor de kap toegestaan op vrijstaande bijgebouwen zijn dakpan -profielplaat, golfplaten e.d. toegelaten indien toegepast in gedekte kleuren zoals antraciet of donkergrijs (traditioneel rood/oranje alleen na bemonstering)
3.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota 2016 Bij het ontwerp van melkstal wordt rekening gehouden met de welstandscriteria. Zo wordt de kleur en het materiaalgebruik afgestemd op de bestaande bebouwing. Daarbij wordt gestreefd naar een kleinschalige uitstraling. Lichte kleuren blijven ondergeschikt in het plan. Ook wordt aansluitend gebouwd op de bestaande bouw. Aan de straatzijde sluit het dak van de nieuwbouw aan op het dak van de bestaande stal en vormt deze een geheel. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt het plan voorgelegd aan de Welstandscommissie. 3.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Artikel 5.20 van het Bor verklaart voor de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 30 Wabo, artikel 3.1.6 van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, besluit milieueffectrapportage en water.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie projectgebied
Een melkstal wordt in het kader van Wgh niet aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Er is daarmee geen sprake van het toevoegen of wijzigen van een geluidgevoelig object. Daarom worden de aspecten railverkeer-, industrie- en wegverkeerslawaai buiten beschouwing gelaten. 4.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de NEN-richtlijn. 4.2.2
Situatie projectgebied
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een melkstal. Om inzicht te krijgen in hoeverre de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik en de functie is een actueel milieuhygiënisch verkennend (water)bodemonderzoek conform NEN5725, NEN5717, NEN5740 en NEN5720 uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. In bijlage 2 is het bodemonderzoek opgenomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing Onderzoeksresultaten Op de locatie hebben zich in het verleden, voor zover bekend, geen calamiteiten en/of bedrijfsactiviteiten voorgedaan die van invloed zijn geweest op de bodemkwaliteit van onderhavige onderzoekslocatie. Tevens is er voor zover bekend, op de locatie nooit opslag aanwezig geweest van chemicaliën of brandstoffen zoals huisbrandolie of diesel. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader onderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering in het kader van voorliggende ruimtelijke onderbouwing.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing 4.3.2
Situatie projectgebied
In paragraaf 4.3.1.1 is een lijst met categorieën van gevallen beschreven, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen, temeer omdat er geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen te verwachten is en het aantal dieren in het bedrijf niet toeneemt, dat voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het projectgebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in het toevoegen of realiseren van een risicogevoelige of risicovolle inrichting. Daarnaast wordt opgemerkt dat er geen sprake is van een toevoeging van het aantal personen op het perceel. Dit betekent dat er geen sprake is van een toename van het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Een verdere toetsing aan de diverse aspecten van externe veiligheid wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Heerenveen. In de omgeving zijn weinig andere functies en wordt gekenmerkt door agrarisch gebied. Daarom wordt in voorliggend geval uitgegaan van een ‘’rustige woonwijk’’. Milieucategorie 1 2
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
4.5.3
30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. Het projectgebied wordt gebruikt voor het fokken en houden rundvee. Voor dit gebruik geldt op basis van de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" de milieucategorie 3.2. Hierbij wordt opgemerkt dat de grootste richtafstand bij veehouderijen veelal geldt voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. Aanvullend is door Mestopslagadvies in combinatie met een verdiepende motivering van de geluidsaspecten gemotiveerd dat er sprake is van milieuneutraal veranderen. Hiervoor wordt verwezen naar de bijlagen 3 en 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing.
Uit de motiveringen blijkt dat het kader van de geluidimmisie ten gevolge van de activiteiten van Melkveebedrijf Oosterhof voldaan wordt aan de voorwaarden voor een milieuneutrale wijziging en dat de gewenste uitbreiding als geheel milieuneutraal is. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In dit geval wordt geen milieugevoelig object gerealiseerd, waardoor van het ondervinden van hinder van bestaande milieubelastende functies in de omgeving geen sprake is. 4.5.4
Conclusie
Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
4.6
Geur
4.6.1.
Wet geurhinder en veehouderij en activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 4.6.1.2 Situatie projectgebied In voorliggend geval gaat het om een melkstal buiten de bebouwde kom voor het fokken en houden van rundvee. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt een vaste afstand van 50 meter voor buiten de bebouwde kom. Het dichtstbijzijnde milieugevoelige object betreft de (bestemming van de) woonboerderij aan de Leppedyk 57. De afstand tussen de beoogde melkstal en het bestemmingsvlak van de woonboerderij bedraagt circa 310 meter. In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen de woonbestemming en de beoogde stal dus ruim meer dan 50 meter. Hiermee wordt er van uitgegaan dat de voorgenomen ontwikkeling (ten aanzien van het aspect geur) geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. Omgekeerd wordt de agrarische bedrijfsvoering niet belemmerd. 4.6.2
Conclusie
De Wet geurhinder en veehouderij vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.7
Ecologie
4.7.1
Inleiding
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing 4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 (zie: AbRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604) besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het projectgebied ligt op circa 6,1 kilometer afstand van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Alde Feanen’. Gelet op de afstand van het projectgebied tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, worden directe effecten zoals lichthinder, geluid en trillingen op Natura 2000-gebieden niet verwacht. Het onderdeel stikstof kent echter een externe werking. Daarom is in voorliggend geval door BJZ.nu een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek in opgenomen in bijlage 5 bij deze onderbouwing. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan.