CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Verordening voorziening huisvesting onderwijs

Raadsvergadering 12 mei 2022, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Verordening voorziening huisvesting onderwijs33.380 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.

A.1.1. School voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs

1. De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld. 2. Voor een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geldt dat een eventueel aanwezig speellokaal niet in de capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en de noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder A.3.2, aanwezig is, wordt op de bruto vloeroppervlakte 90 vierkante meter in mindering gebracht. 3. De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met de 90 vierkante meters als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten van een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf toestemming heeft verleend. 4. De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet onderwijs wordt vermeerderd met de bruto vloeroppervlakte van de lokalen bewegingsonderwijs. 5.

Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in de oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor de capaciteitsbepaling.

A.1.2. Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E, vastgesteld.

A.1.3. Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties

Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk gebouw wordt afgestoten.

A.1.4. Terrein

Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.

22

A.1.5. Inventaris

Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2023 alle scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen. De normatieve ruimtebehoefte van de school is de basis voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris.

A.1.6. Lokalen bewegingsonderwijs

A.1.6.1. Lokalen bewegingsonderwijs. De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren voor het voortgezet onderwijs en 26 klokuren voor het (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. A.1.6.2. Terrein De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. A.1.6.3. Inventaris De inventaris aanwezig op 1 januari 2023 wordt geacht voldoende te zijn.

23

Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte B.1. Lesgebouwen B.1.1. School voor basisonderwijs

1. De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen en omvat een speellokaal. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. Aan de ruimtebehoefte wordt een toeslag verbonden, indien voor de school aanvullende bekostiging beschikbaar wordt gesteld. 2. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 200 + 5,03 * L, waarbij: R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 3. Indien een school een vergoeding ontvangt op grond van de achterstandscore als bedoeld in artikel 27 van het Besluit bekostiging Wet op het primair onderwijs wordt een toeslag voor de ruimtebehoefte toegekend. De toeslag wordt berekend met de formule: T = 1,40 * G, waarbij: T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. G = De achterstandsscore, zoals gepubliceerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vermenigvuldigd met 7,17%, rekenkundig afgerond op een geheel getal.

B.1.2. Speciale school voor basisonderwijs

1. De ruimtebehoefte voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 250 + 7,35 * L, waarbij R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 2. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.

B.1.3. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs

1. De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs 2 wordt bepaald aan de hand van de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type vestiging en het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule: R = 370 + [8,8 * Leerling SO] + [12,2 * Leerling VSO] , waarbij R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter. 370 = De vaste voet in vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor de hoofdvestiging van een school. 2 Hoe om te gaan met een school voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, wordt nader

onderzocht; een regeling hiervoor wordt opgenomen in de definitieve verordening.

24

Leerling SO = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft, op de school voor speciaal onderwijs zijn ingeschreven. Leerling VSO = Aantal leerlingen op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school voor voortgezet speciaal onderwijs zijn ingeschreven. 2. Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs met lichamelijk gehandicapte kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen vindt een toeslag in de ruimtebehoefte plaats. Voor een leerling SO bedraagt de toeslag 5 vierkante meter per leerling en voor een leerling SO 3,3 vierkante meter per leerling. De aantallen van de lichamelijk gehandicapte kinderen en meervoudig gehandicapte kinderen worden door de Dienst Uitvoering Onderwijs niet geregistreerd in de leerling gegevens. Overleg tussen schoolbestuur en gemeente zal hierover uitsluitsel moeten geven. 3. Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.

B.1.4. School voor voortgezet onderwijs 1. De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het totaal van twee componenten, te weten: a. een leerlinggebonden component, en b. een vaste voet. 2. De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 1 opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs en het profiel dat de leerling volgt. Aan de hand van de gegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs kunnen de aantallen worden vastgesteld. Voor leerjaar 1 en 2 wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen de onderwijssoorten. Als aan de school meerdere afdelingen (VWO/HAVO en VMBO) zijn verbonden, wordt de verhouding tussen de leerlingen in het vierde leerjaar als uitgangspunt genomen. 3. De vaste voet, opgenomen in tabel 1, voor de hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter bruto vloeroppervlakte.

Een tijdelijke nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de vestiging, waarvan de omvang afhankelijk is van het VMBO-profiel, dat wordt aangeboden. 4. De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet onderwijs is de som van: a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten; b. de vaste voet per instelling; c. als dit van toepassing is, een vaste voet per VMBO-profiel, uitgedrukt in bruto vierkante meter, en d. als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling praktijkonderwijs. 5. De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is de som van: a. de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen met de bijbehorende normoppervlakten, en b. de vaste voet voor praktijkonderwijs. 6. Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum (ODC).

25

Tabel 1 Ruimtebehoeftemodel Voortgezet Onderwijs m² bvo vaste voet Per school VMBO-HAVO-VWO (hoofdvestiging*) Per school VMBO-HAVO-VWO (nevenvestiging met spreidingsnoodzaak*) Per school PRO (ook indien eigen afdeling binnen school VO)

m² bvo/ leerling excl. Gymnastiek

m² bvo/ leerling gymnastiek

980 550 306

PRO (Praktijkonderwijs)

-

12,0

2,0

VMBO- Theoretische leerweg (TLW) VMBO- Theoretische leerwegondersteunend onderwijs (TLWLWOO)

-

5,8

1,5

-

6,1

1,7

VMBO- Profiel Bouwen, wonen en interieur (BWI) VMBO- Profiel produceren, installeren en energie (PIE) VMBO- Profiel Mobiliteit en transport (M&T) VMBO- Profiel Maritiem en techniek (MaT) VMBO- Profiel Media, vormgeving en ICT (MVI) VMBO- Profiel Economie en ondernemen (E&O) VMBO- Profiel Horeca, bakkerij en recreatie (HBR) VMBO- Profiel Zorg-welzijn (Z&W) VMBO- Profiel Groen VMBO- Profiel Dienstverlening en producten (D&P)

LWOO

BLWKLW

GLW

(+ 299)

11,7

9,7

8,0

(+ 162)

8,9

7,4

6,9

(+ 139) (+ 117) (+ 150)

8,4 7,8 8,9

7,4 6,9 7,4

6,9 6,3 6,9

LWOO BLW-KLW GLW

1,7

1,5

HAVO

-

5,8

1,2

VWO

-

5,8

1,0

*) niet van toepassing voor zelfstandige praktijkschool TLW = Theoretische leerweg LWOO = Leerwegondersteunend onderwijs

B.2. Lokalen bewegingsonderwijs

1. De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld: a. voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder; b. voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, op 2,25 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder, en c. als het schoolgebouw niet beschikt of na voorafgaande instemming van het college niet meer beschikt over een speellokaal omdat deze in medegebruik is gegeven of wordt verhuurd, over een speellokaal, op 3,75 klokuren per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.

26

d. voor het bepalen van het aantal groepen wordt uitgegaan van de volgende splitsingstabel: aantal groepen per school 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40

aantal groepen 4-5 jarigen 1 1 2 2 2 3 3 3 3 4 4 4 5 5 5 6 6 6 6 7 7 7 8 8 8 9 9 9 9 10 10 10 11 11 11 11 12 12 12

aantal groepen 6-12 jarigen 1 2 2 3 4 4 5 6 7 7 8 9 9 10 11 11 12 13 14 14 15 16 16 17 18 18 19 20 21 21 22 23 23 24 25 26 26 27 28

2. Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel 1 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 455. Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322. 27

Deel C Bepaling van de omvang van de toekenning C.1. Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen

Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft bestaan.

C.1.1. Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw

De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld.

C.1.2. Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen

1. Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, ingebruikneming of medegebruik wordt voor een: a. school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde van: 1°. 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening basisonderwijs; 2°. 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening speciaal basisonderwijs; 3°. 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs; b. school voor voortgezet onderwijs wordt vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan tien procent van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 vierkante meter. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met 10%. 2.

Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bedraagt de bruto vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op het aantal meters bruto vloeroppervlakte bedoeld in het eerste lid, 90 vierkante meter.

C.2. Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen

De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar noodzakelijk. Voor het vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het verschil: a. bij een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs ten minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen, en b. bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde onder C.1.2, eerste lid, onder b.

C.3. Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen

De omvang van een goedgekeurde voorziening: a. voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het

28

schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel D; b. eerste aanschaf van: 1°. onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs (op grond van een normatieve uitbreidingsbehoefte en niet per se gekoppeld aan een capaciteitsuitbreiding), en 2°. leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van leeren hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs (op grond van een normatieve uitbreidingsbehoefte en niet per se gekoppeld aan een capaciteitsuitbreiding), is dus niet altijd gekoppeld aan de omvang van een andere toegekende voorziening. c. tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke of werkplaatsruimte, bedraagt de toekenning het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte. d.

herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.

C.4. Lokalen bewegingsonderwijs

1. De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt: a. voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en het overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde ruimtebehoefte, en b. voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte als de uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit. 2. De omvang van de goedgekeurde voorziening uitbreiden van een lokaal bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in deel D, onder D.3. 3. De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de uitbreiding van het lokaal te realiseren. 4.

De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt uitgebreid. 5. De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.

29

Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen D.1. Terreinoppervlakte

1. voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs geldt voor de speelplaats het vloeroppervlak in vierkante meters uit de volgende tabel: Aantal leerlingen van de school

Omvang buitenruimte

1-100 leerlingen

300

101-200 leerlingen

300 + 3 * (L - 100)

201-400 leerlingen

600

401-600 leerlingen

600 + 3 * (L - 400)

601-800 leerlingen

1200

801-1000 leerlingen

1200 + 3 * (L - 800)

1001 leerlingen of meer

1800

L = Aantal leerlingen dat op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 2. voor een school voor voortgezet onderwijs geldt voor de speelplaats het vloeroppervlak in vierkante meters uit de volgende tabel: Aantal leerlingen van de school

Omvang buitenruimte

1-300 leerlingen

300

301 leerlingen of meer

300 + 0,75 * (L - 300)

L = Aantal leerlingen dat op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven. 3. De in het eerste en tweede lid gestelde normen betreffen de exclusieve speel- en beweegruimte voor de leerlingen van de school. De benodigde ruimte voor overige voorzieningen (zoals fietsenstalling, berging, parkeerplaatsen) dient te worden opgeteld bij de norm.

4. Voor parkeervoorzieningen wordt de voor de locatie van het terrein geldende gemeentelijke parkeernorm gehanteerd.

D.2. Speellokaal

Een speellokaal heeft een minimum van 90 bruto vierkante meter.

D.3. Lokaal bewegingsonderwijs

1. De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is minstens 252 vierkante meter en de hoogte minstens 5 meter. 2. Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met een was- of douchegelegenheid. 30

Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen E.1. Meetinstructie voor schoolgebouwen

De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN 2580.

E.2. Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen E.2.1 (Speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs

1. De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend. 2. De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw. 3. Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.

E.2.2. Voortgezet onderwijs

De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte behoren eveneens: a. de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau, en b. de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 vierkante meter.

E.2.3. Uitzonderingen

1. De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen. 2. Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend. 3. Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.

31

Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering Deel A – Indexering

De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met de onderstaande systematiek van prijsbijstelling:

A.1. (Vervangende) nieuwbouw (en renovatie) en uitbreiding lesgebouwen en renovatie gebouwen voor bewegingsonderwijs De structurele kostenontwikkeling tussen moment A (b.v. 1 januari jaar x) en moment B (b.v. 1 januari jaar x+1) wordt berekend volgens onderstaande formule, waarbij de kostenontwikkeling wordt weergegeven als een percentage.

A.2. (Vervangende) nieuwbouw en uitbreiding gebouwen voor bewegingsonderwijs

1

------------------------------------ * MEV, jaar t, bruto investeringen door bedrijven in woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen)

32

Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar t, tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw) ------------------------------------Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen, jaar t-1, tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid, inclusief btw)

MEV, jaar t+1, bruto investeringen door bedrijven in woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen) *

-----------------------------------

1

A.3. Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t)

1

-----------------------------------MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector)

33

*

------------------------------------Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1 juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni jaar t-1)

*

MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve sector) -----------------------------------

1

Deel B – Normbedragen3

Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW.

A. Nieuwbouw (en uitbreiding) met permanente bouwaard a. Het normbedrag voor de bekostiging van (vervangende) nieuwbouw voor scholen voor PO4 bedraagt € 3.250 per m2 b. Het normbedrag voor de bekostiging van renovatie van scholen voor PO5 bedraagt € 1.950 per m2 (60% van het normbedrag voor nieuwbouw). c. In afwijking van het bepaalde in a. en b. wordt de vergoeding voor (vervangende) nieuwbouw en renovatie van scholen voor VO in de jaren 2023 t/m 2025 vastgesteld op basis van de feitelijke kosten. Vanaf 2026 vindt bekostiging plaats op basis van het normbedrag van € 3.250 m2 tot VO scholen van 3.500 m2; voor scholen met meer m2 geldt een normbedrag van € 2.836 m2 van toepassing.

A.1 Kostencomponenten nieuwbouw

1. De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende kostencomponenten: a. kosten voor terrein: het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na aankoop, om niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch eigendom wordt aan hen overgedragen. De kosten van een terrein worden opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het terrein worden bepaald op de in de gemeente gangbare wijze van waarde-vaststelling van terreinen. Bij vervangende nieuwbouw behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen. b. bouwkosten (incl. fundering en de kosten voor aanleg en inrichting van het schoolterrein) c. kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein; d. als het een school voor voortgezet onderwijs betreft, toeslag paalfundering en bemaling; e. als het een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs betreft een toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal, en f. als het een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs betreft, toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie. Indien nieuwbouw voor het basisonderwijs via verdiepingsbouw wordt gerealiseerd, geldt deze toeslag ook voor het basisonderwijs. 2.

Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld in paragraaf B.

B. Uitbreiding lesgebouwen

a. Voor de bekostiging van uitbreiding van scholen is het onder A vermelde van overeenkomstige toepassing. b. In afwijking van het bepaalde onder a. wordt afhankelijk van de aard en omvang van het bouwplan van de uitbreiding een toeslag toegekend of een korting in mindering gebracht.

3

Weergegeven zijn de normbedragen voor 2022

4 De normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en renovatie van scholen SBO zijn nog in ontwikkeling;

uitgangspunt is de norm voor het PO met een nog te definiëren opslag 5 De normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en renovatie van scholen voor SO en VSO zijn nog in

ontwikkeling; uitgangspunt is de norm voor het PO met een nog te definiëren opslag.

34

B.1 Reikwijdte en kostencomponenten

Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs tot 1035 vierkante meter bruto vloeroppervlakte en van een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs tot 1000 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Op overige uitbreidingen is paragraaf A overeenkomstig van toepassing. 1. De financiële normering voor uitbreiding lesgebouwen valt uiteen in de volgende kostencomponenten: a. kosten voor terrein: als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.1 overeenkomstig van toepassing. b. bouwkosten (incl. fundering en de kosten voor aanleg en inrichting van het schoolterrein) c. als het een school voor voortgezet onderwijs betreft, toeslag paalfundering en bemaling; d. als het een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs betreft een toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal, en e. als het een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs betreft, toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie. Indien nieuwbouw voor het basisonderwijs via verdiepingsbouw wordt gerealiseerd, geldt deze toeslag ook voor het basisonderwijs.

C. Tijdelijke voorziening C.1. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2a, onder 1, 2, 3 ,4, 5 en 8.

C.2. Vergoeding van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen

Huur of koop van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur of koop van een bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten.

D. Eerste inrichting

Prijspeil 2022 (ik moet in tabelletjes bedragen nog veranderen, staan nu bedragen prijspeil 2021!!!!!!)

D.1.1. Vergoeding onderwijsleerpakket en meubilair

Het bedrag van de vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de al toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.

D.1.2. Vergoeding basisschool

De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag, incl. 200 m2 bvo € 42.563 Voor elke volgende m2 bvo € 149

D.1.3. Vergoeding speciale school voor basisonderwijs

De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: Startbedrag, incl. 250 m2 bvo € 90.303 2 Voor elke volgende m bvo € 154

D.1.4. Vergoeding school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs 35

De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Startbedrag € 319.462 Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 219

D.1.5. Vergoeding speellokaal speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs

De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een speellokaal voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs bedraagt € 8.093.

D.2. School voor voortgezet onderwijs

1. De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming, niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw. Aanspraak op deze vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van de vergoeding wordt berekend door vast te stellen het verschil tussen de al toegekende vergoeding en de vergoeding die is vastgesteld op basis van de te realiseren bruto vloeroppervlakte per onderwijssoort. De vergoeding per onderwijssoort wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Onderwijssoort Praktijkonderwijs VMBO Theoretische leerweg (TLW) VMBO Theoretische leerwegondersteunend onderwijs (TLW-LWOO) VMBO- Profiel Bouwen, Wonen en Interieur (BWI) VMBO- Profiel Produceren, Installeren en Energie (PIE) VMBO- Profiel Mobiliteit en Transport (M&T) VMBO- Profiel Maritiem en Techniek (MaT) VMBO- Profiel Media, Vormgeving en ICT (MVI) VMBO- Profiel Economie en Ondernemen (E&O) VMBO- Profiel Horeca, Bakkerij en Recreatie (HBR) VMBO- Profiel Zorg-Welzijn (Z&W) VMBO- Profiel Groen VMBO- Profiel Dienstverlening en Producten (D&P) HAVO VWO

per m2 bvo € 337 € 176 € 176 € 431 € 431 € 431 € 431 € 251 € 251 € 834 € 411 € 431 € 176 € 176 € 176

2. Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik van een voor een school bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt inventaris slechts toegekend als de inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt of niet geschikt is.

E. Lokalen bewegingsonderwijs E.1. Bouwkosten nieuwbouw

1. De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal bewegingsonderwijs met een netto speeloppervlakte van 252 vierkante meter bedraagt € 1.406.696 als deze op het schoolterrein gerealiseerd kan worden, of € 1.435.147 als deze op een afzonderlijk terrein gerealiseerd wordt. In deze vergoeding zijn opgenomen de kosten van fundering op staal en inrichting van het terrein. 36

2. Scholen met lichamelijk gehandicapte leerlingen, meervoudig gehandicapte leerlingen wordt een toeslag toegekend van 50 vierkante meter. Het normbedrag van deze toeslag is € 141.112. 3. Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven op basis van de volgende bedragen: Paallengte Vergoeding Vergoeding bij ruimten LG en MG 1<15m € 28.294 € 35.675 15<20m € 39.005 € 49.407 >20m € 54.781 € 71.105

E.2. Uitbreiding

Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer van 140 vierkante meter netto speeloppervlakte of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 vierkante meter. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Uitbreiding Normbedrag Paallengte 1 < 15 meter 15 < 20 meter > 20 meter 112 t/m 120 m2 € 326.828 € 12.667 € 21.940 € 35.869 2 121 t/m 150 m € 397.304 € 15.839 € 27.417 € 44.836

E.3.1. OLP/meubilair school voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs

De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs bedraagt € 57.021.

E.3.2. OLP/meubilair school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs

De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor speciaal onderwijs of voor voortgezet speciaal onderwijs bedraagt € 57.021.

E.3.3. Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor voortgezet onderwijs De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en hulpmiddelen voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: Meubilair Leer- en hulpmiddelen Totaal Eerste lokaal € 1.204 € 71.813 € 73.017 Tweede lokaal € 1.204 € 56.020 € 57.224 Derde lokaal € 1.204 € 24.355 € 25.559 Oefenplaats 1 € 0,00 € 15.860 Oefenplaats 2 € 0,00 € 1.831

E.4. Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening

Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door middel van: a. medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente, of b. huur van een gebouw van een commerciële exploitant.

F. Vergoeding feitelijke kosten: geschrapt G.1. Huur sportvelden 37

1. Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van de huur van een sportveld voor maximaal 8 weken per jaar. De vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de periode van 8 weken € 23 per klokuur. 2. Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid bestaat uitsluitend als de school voor voortgezet onderwijs niet beschikt over een eigen sportveld en geen gebruik maakt van een sportveld dat door de gemeente is gefinancierd.

38

Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde voorziening 1. Algemeen

Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in aanmerking komen om te worden opgenomen op het programma te honoreren. Op basis van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna wordt vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.

2. Onderscheid voorzieningen

1. Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in voorzieningen die noodzakelijk zijn: a. om capaciteitstekorten op te heffen, en b. om een adequaat niveau te handhaven. 2. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende voorzieningen: a. nieuwbouw, inclusief terrein; b. uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein; c. in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing, inclusief terrein; d. verplaatsen tijdelijke gebouwen; e. eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of leer- en hulpmiddelen; f. uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen, en g. medegebruik. 3. Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen: a. vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief terrein; b. herstel van een constructiefout, en c. herstel en vervanging in verband met schade. 4. De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende nieuwbouw valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze voorziening gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit en de vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan het criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder A.2.

3. Hoofd- en subprioriteit

1. Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit. 2. Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2, eerste lid, onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze voorzieningen omvatten zowel de schoolgebouwen als de lokalen bewegingsonderwijs. 3. Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om op het programma te worden geplaatst. Dit vindt plaats op basis van het vaststellen van de sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke voorzieningen voor het plaatsen op het programma in aanmerking komen: a. als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen; 39

b. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen, en c. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs en sportterreinen opheft.

40

Toelichting Bij Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs, vastgesteld door de raad van de gemeente Heerenveen op ……… 2022.

Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Definities

De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening onderwijshuisvesting in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke nevenvestiging, dislocatie).

Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting

Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de Wet op het primair onderwijs (WPO) Wet op de expertisecentra (WEC) en Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) door het bevoegd gezag bij het college kunnen worden aangevraagd. Deze hebben een limitatief karakter. Dit betekent dat het college deze niet kan inperken. Niet alleen voor de schoolgebouwen, maar ook voor de lokalen bewegingsonderwijs kan een voorziening huisvesting onderwijs worden aangevraagd. Voorzieningen die een bevoegd gezag wenst, maar die niet in de onderwijswetten zijn opgenomen, dus geen voorziening in de onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van deze verordening. Dit gaat om voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een vergoeding van de minister van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële instandhouding (bijv. onderhoud, aanpassingen, vervangen cv-ketel, meubilair). Het college wijst een dergelijk aangevraagde voorziening af op grond van artikel 100, eerste lid, onder a, van de WPO, artikel 98, onder a, van de WEC, artikel 76k, onder a, van de WVO. (goed om ons van bewust te zijn!; laten staan hier). In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om aanvullende voorzieningen te bekostigen.

Daarbij geldt dat de gemeenten geen uitgaven mogen doen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school dan op grond van de wet artikel 6 van de WPO en WEC en artikel 77 van de WVO. Voor het bekostigen van de voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de voorzieningen onderwijshuisvesting moet zodoende een andere juridische basis worden vastgesteld. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de Verordening materiële financiële gelijkstelling. De gemeente Heerenveen kent niet een dergelijke verordening. Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen 1° Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.6 2° Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op de school. Het bevoegd gezag komt voor het bekostigen van uitbreiding in aanmerking als wordt voldaan aan de in bijlage I opgenomen criteria (noodzaak van de voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of groter is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde. 3° Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen en het college een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een onderwijsbestemming heeft, maar ook om een niet-onderwijsgebouw.

Bij ingebruikgeving van een onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw geschikt zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de betreffende school. Een schoolgebouw van een school 6 Indien een school recht heeft op vervangende nieuwbouw, is renovatie een gelijkwaardig alternatief. De keuze

tussen vervangende nieuwbouw en renovatie wordt in overleg met het bevoegd gezag gemaakt op grond van inhoudelijke en financiële afwegingen die in het IHP zijn verwoord.

41

voor basisonderwijs is bijv. niet automatisch geschikt voor het huisvesten van een speciale school voor basisonderwijs. Het in gebruik geven van een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie 8°. 4° Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de bouwaard van het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het algemeen tijdelijke huisvesting die in semipermanente gebouwen is gerealiseerd. 5° Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan noodzakelijk zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding terrein noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van de voorgenomen investering en de oppervlakte van het terrein. 6°/7° Onderwijsleerpakket en meubilair resp. leer- en hulpmiddelen wordt in principe alleen toegekend op het moment dat ook nieuwbouw (eerste voorziening) en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is de situatie dat het college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat een grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning van de eerste inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf de start van de school.

In die situatie heeft het bevoegd gezag nog aanspraak op bekostiging van eerste inrichting bij toename van het aantal leerlingen als wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in bijlage III, deel C. Bij vervangende nieuwbouw wordt geen eerste inrichting toegekend omdat het bevoegd gezag in het verleden al bekostiging voor de eerste inrichting heeft ontvangen. Zie verder de toelichting in bijlage III, deel C. 8° Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is, niet nodig heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik is uitsluitend mogelijk als de leegstand hoger is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet volledig is ingeroosterd. Onderdeel b. Herstel van constructiefouten Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand is gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert kan voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere procedure.

Dit betekent dat een constructiefout dan wordt opgenomen op het programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen het door het college vastgestelde bekostigingsplafond. Onderdeel c. Herstel in verband met schade In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het college kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college. Onderdeel d. Huur van een sportterrein Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor voortgezet onderwijs is gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B, onder B.4 en bijlage IV, onder F kan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs aanspraak maken op een vergoeding voor het huren van een sportterrein voor buitensportactiviteiten.

Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt over een eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van een met gemeentelijke middelen gerealiseerd sportterrein. 42

Artikel 3. Locatieonderzoek en voorbereidingskrediet

Het bekostigen van een locatieonderzoek kan worden aangevraagd voor huisvestingsprojecten die zijn opgenomen in het IHP en betreft een onderzoek naar de situering (alleen bij renovatie en/of uitbreiding op huidige schoollocatie) of locatie (alleen bij vervangende nieuwbouw) en naar welke voorzieningen er gerealiseerd moeten worden conform de afspraken hierover in het IHP. Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat de investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van de feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het bevoegd gezag (of gemeente als deze bouwheer is) vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan. Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit (dat bij ons het uitvoeringsplan van het IHP heet) ligt dat de voorziening waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na het indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de voorziening op het eerstvolgende programma wordt opgenomen (dit geldt niet voor aanvragen 1e jaarschijf waarvoor geen aanvraag voor het programma hoeft te worden ingediend). Het voorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag (of gemeente als deze bouwheer is) in de gelegenheid om een voor aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten plaatsvinden.

Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan opgestelde kostenraming resp. de uitkomst van de aanbesteding opgenomen op het programma. Heeft voorafgaande aan het vaststellen van het programma nog geen aanbesteding plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het vragen van offertes plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te werken met een voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal vastgestelde investeringskrediet.

Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen

Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs worden bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of op basis van feitelijke kosten. Voor wat betreft de normbedragen wordt er onderscheid gemaakt tussen de BDB normbedragen en de VNG-normbedragen. Dit komt omdat de normvergoedingen van de VNG niet toereikend zijn. In de VNG-vergoeding is geen compensatie opgenomen voor kostenverhogingen als gevolg van wetswijzigingen van het afgelopen decennium en het wijzigende bouw-economische klimaat. Zelfs bij sober en doelmatige bouw die alleen voldoet aan de actuele wettelijke vereisten, is de normvergoeding te laag. Bij het willen realiseren van toekomstbestendige onderwijshuisvesting die voldoet aan de onderwijskundige en functionele eisen en klimaat- en/of duurzaamheidsdoelstellingen, is het verschil nog groter. De normen van de BDB gaan uit van feitelijke kosten voor het realiseren van duurzame scholen. De vergoeding voor (vervangende) nieuwbouw eventueel met uitbreiding van gebouwen voor bewegingsonderwijs blijft wel op basis van de normvergoeding van de VNG (die is toereikend). Bij renovatie van lokalen bewegingsonderwijs is wel de BDB-norm van toepassing. 1. Voor het bekostigen van de voorzieningen a. (vervangende) nieuwbouw (of renovatie) lesgebouwen, renovatie lokalen bewegingsonderwijs en b.

uitbreiding lesgebouwen wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV, deel B opgenomen BDBnormbedragen. Onder deze normbedragen vallen ook de ‘feitelijke kosten’ van terrein voor zover dat nodig is voor het realiseren van deze voorzieningen. 2. Voor het bekostigen van de voorzieningen a. het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw, b. het verplaatsen van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen, c. het terrein voor zover nodig van deze voorzieningen en 43

d. medegebruik, wordt een vergoeding vastgesteld overeenkomstig de feitelijke kosten. Deze feitelijke kosten worden indien sprake is van een bouwplan, op basis van dat plan met een begroting vastgesteld met inachtneming van het gemeentelijk aanbestedingsbeleid ( zie artikel 14, lid 3). De hoogte van de bekostiging van de overige feitelijke kosten wordt in overleg met het bevoegd gezag vastgesteld. Zie ook (de toelichting bij) artikel 9, lid 2. 3. Voor het bekostigen van de voorzieningen 1e inrichting OLP en/of Meubilair en (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding lokalen bewegingsonderwijs, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV deel B opgenomen VNG-normbedragen. 4. Voor het bekostigen van de voorzieningen herstel van constructiefouten, schadeherstel en vervanging door schade, en de huur van een sportterrein dat niet in eigendom is van een school van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs, wordt de vergoeding eveneens vastgesteld overeenkomstig de feitelijke kosten. Deze feitelijke kosten worden indien sprake is van een bouwplan op basis daarvan met een begroting vastgesteld met inachtneming van het gemeentelijk aanbestedingsbeleid ( zie artikel 14, lid 3). De hoogte van de bekostiging van de overige feitelijke kosten wordt in overleg met het bevoegd gezag vastgesteld. Zie ook (de toelichting bij) artikel 9, lid 2. 5.

De vergoeding voor een voorbereidingskrediet en locatieonderzoek als bedoeld in artikel 3 wordt vastgesteld op in totaal 10 procent van het geraamde investeringskrediet

Artikel 5. Informatieverstrekking

Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van de WPO, artikel 110 van de WEC en artikel 76w van de WVO). Deze informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd als onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening. Het betreft de actuele gegevens, zoals: - gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en secretaris en bankrekeningnummer); - gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres school, telefoonnummer); - bruto vloeroppervlakte schoolgebouw; - naam contactpersoon; - medegebruik/verhuur. Om deze informatie op een eenduidige wijze te ontvangen stelt het college een formulier vast. Dit formulier wordt aan de bevoegde gezagsorganen toegezonden. Het college kan in dit formulier opnemen de gegevens die al bij het college bekend zijn. Het bevoegd gezag kan zich dan beperken tot het vermelden van de wijzigingen. Beschikt het college over digitale informatievoorziening, dan moet van deze digitale informatievoorziening gebruik worden gemaakt voor zover dit systeem daarvoor is ingericht.

Artikel 5a. Overleg voorafgaande aan indienen aanvraag

Dit artikel maakt het mogelijk voor het bevoegd gezag om vooroverleg te vragen met het college voordat een aanvraag wordt ingediend. Dit is usance.

Artikel 6 Integraal huisvestingsplan, meerjaren uitvoeringsprogramma en investeringsschema

In dit artikel is de besluitvorming, planning en uitvoering van het Integraal huisvestingsplan vastgelegd. 44

In lid 4 is opgenomen dat uiterlijk in het laatste kalenderjaar van het 4 jarig tijdvak van het investeringsschema, het college met de bevoegd gezagen de uitgangspunten van het IHP en het uitvoeringsplan evalueert. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie legt het college na op overeenstemming gericht overleg met de gezamenlijke bevoegde gezagen een voorstel van in ieder geval een meerjaren uitvoeringsplan, inclusief meerjarig investeringsschema, ter vaststelling voor aan de raad. Dit betekent dat niet elke persé elke vier jaar de uitgangspunten van het IHP zelf door de raad hoeven te worden vastgesteld, alleen het meerjaren uitvoeringsplan.

Artikel 6a. Indienen aanvraag

Artikel 6a bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Door te werken met een standaardformulier worden de gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een eenduidige wijze ontvangen. Dit gebeurt via een onlinevoorziening (Onderwijsloket). Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen. Voor het overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het overzicht worden opgenomen de aanvragen die zijn ingediend voor het programma, maar niet worden gehonoreerd (zie artikel 96 van de WPO, 94 van de WEC en 76c van de WVO en toelichting bij artikel 13). Is het college of een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet bevoegd gezag van een openbare school (= integraal bestuur) dan gelden dezelfde procedures en termijnen als voor een bestuur van een bijzondere school. In de bestuurspraktijk is het geen unieke situatie dat een college bij het eigen orgaan een verzoek indient (voor het realiseren van een gemeentelijk project - bijv. stadhuis - moet het college bij zichzelf een verzoek om een bouwvergunning indienen). Dit betekent dat het college altijd moet kunnen aantonen dat men de ‘eigen’ aanvragen ook daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten opzichte van de andere aanvragen.

In lid 3 is bepaald dat voor voorzieningen die in het 1e jaar van het investeringsschema zijn opgenomen, geen aparte aanvraag ingediend hoeft te worden.

Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag

Lid 1 Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het college de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van bevoegd gezag en school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een leerlingenprognose en/of een bouwkundige rapportage. Het college en de bevoegd gezagen zijn overeengekomen dat het college tweejaarlijks een leerlingenprognose opstelt voor alle scholen en dat deze leerlingenprognose bepalend is als onderbouwing van de aanvraag. Een bevoegd gezag kan besluiten alsnog zelf een leerlingenprognose in te dienen bij een aanvraag (zie ook de toelichting bij Bijlage II). Lid 2 Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet stellen, als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende gegevens binnen de in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de ontvangen aanvraag ook op de hersteldatum niet volledig dan besluit het college de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing. Lid 3 Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze gegevens aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON).

Omdat de ingediende aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag (bijv. bij de 45

aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober 2014), moet het college tijdig beschikken over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de wettelijke teldatum van 1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het programma wordt vastgesteld. Met de gegevens van de laatste teldatum kan worden vastgesteld of de eerder aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in bijlage I tot en met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de laatste gegevens ook daadwerkelijk noodzakelijk is. De in het derde lid opgenomen termijn is een fatale termijn. Dit betekent dat als de gevraagde gegevens niet tijdig zijn ontvangen het college besluit om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.

Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen

Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een overzicht beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen, zowel vanuit het bijzonder als het openbaar onderwijs is ontvangen en of deze aanvragen al of niet in behandeling worden genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat vooraf aan het beoordelen van de aanvragen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=cbed892a-c3b0-4506-a72a-c8aef2034081