CConstaterende datHeerenveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Ontwerp-Omgevingsvisie Heerenveen.pdf

Raadsvergadering 28 januari 2021, gemeente HeerenveenBij agendapunt: Ontwerp Omgevingsvisie gemeente Heerenveen53.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 7

Internationaal Bedrijventerrein Friesland (IBF)

6.8.6.1 Ontstaansgeschiedenis Het Internationaal Bedrijvenpark Friesland (IBF) ligt in de oksel van het klaverblad A7-A32 en is daarmee in alle windrichtingen optimaal ontsloten. Het terrein is in totaal bijna 300 ha groot en ruim opgezet om grootschalige en logistieke bedrijvigheid goed te accommoderen. IBF biedt plaats aan een sterk ontwikkeld logistiek cluster, inclusief aanverwante dienstverlening Daarnaast is het zuivelcluster prominent aanwezig (Royal A-ware Foodgroep, Fonterra, Ausnutria Hyproca, Kaasmakerij Henri Willig).

De gronden ten zuiden van de Jousterweg vormen het bedrijventerrein Nijehaske, grenzend aan de gelijknamige woonwijk. Op dit terrein is deels perifere detailhandel gevestigd en combinaties van wonen/werken.

Met het oog op het realiseren van een landschappelijk en functioneel goede overgang van de lintbebouwing aan Het Meer en de Zestienroeden naar het bedrijventerrein is een groene bufferzone in het gebied opgenomen.

6.8.5.2 Kernkwaliteiten  Zichtlocatie aan de A7. De zone langs de A7 heeft een generieke bedrijvenbestemming, maar staat ook kantoren toe;  Goede ontsluiting door ligging nabij de snelweg;  Sterke clustervorming op het gebied van PDV;  Gevarieerd aanbod;  Jousterweg als historische structuur. 6.8.5.3 Functionele gebiedsomschrijving Het gebied is gekenmerkt als een bedrijventerrein, met een sterk accent op perifere detailhandel. Aan de westzijde is een deel waarin een aantal kantorenfuncties zijn gerealiseerd en waar in het bestemmingsplan mogelijkheden zitten voor verdere ontwikkeling van deze functie.

6.8.5.4 Ontwikkelingen en opgave In paragraaf 6.8.1 staan een paar algemene opgaven voor bedrijventerreinen. Aanvullend daarop spelen voor dit terrein de volgende opgaven en ontwikkelingen:  De ruimtelijke kwaliteit laat op een paar plekken te wensen over. Het oogt nu meer als een bedrijventerrein dan als een grootschalig winkelgebied. Rondom de detailhandelsfuncties is een meer representatieve uitstraling gewenst en meer ruimte voor voetgangers en fietsers. Deels ligt dit op het pad van particulieren. Ook de kwaliteit van de openbare ruimte langs de Jousterweg kan worden verbeterd;  Met betrekking tot perifere detailhandel is regelmatig sprake van zaken die hun assortiment uitbreiden buiten de gebruikelijke producten (branchevervaging). Concurrentie met het centrum is daarbij ongewenst. Dit vraagt om een nadere uitwerking in het detailhandelsbeleid. 6.8.5.5 Aandachts- en uitgangspunten  BPF is in Heerenveen de primaire locatie voor de vestiging van perifere detailhandel. Bij het opstellen van nieuw detailhandelsbeleid worden de mogelijkheden voor perifere detailhandel verder begrensd;  De groen- en waterstructuur geven het gebied een representatieve uitstraling. Behoud van deze structuren is daarom een belangrijk uitgangspunt.

De structuren kunnen gebruikt en versterkt voor opgaven op het gebied van klimaatadaptatie en biodiversiteit;  De groenbuffer tussen BPF en woonbebouwing aan de Jousterweg in zuidwesthoek van het bedrijventerrein blijft in stand;  Waar mogelijk wordt de ruimtelijke uitstraling van het terrein verbeterd. Daarbij denken we onder andere aan het verbeteren en vergroenen van de openbare ruimte langs de Jousterweg. Ook verleiden we ondernemers te om de uitstraling van hun kavels en gebouwen representatief gehouden. Waar het kan, worden combinaties gezocht met de opgave op klimaatadaptatie.

6.8.6.2 Kernkwaliteiten  Zichtzone ten zuiden, zuidoosten en oosten van het snelwegknooppunt A7/A32;  Goede bereikbaarheid door directe aansluitingen op de A7 en A32;  Aanwezigheid landschappelijke bufferzone;  Een noord-zuidgerichte verkavelingsstructuur die is gebaseerd op het oorspronkelijke landschap;  Clustervorming op het gebied van (duurzaam) transport en logistiek. 6.8.6.3 Functionele gebiedsomschrijving Bedrijventerrein IBF is een industrieterrein met een zwaardere categorie bedrijvigheid. Rondom bedrijventerreinen IBF is een geluidszone van toepassing. Dit betekent dat gevoelige bestemmingen in de omgeving beschermd worden tegen de gecumuleerde geluidsproductie van het terrein.

78

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 Omgekeerd betekent het dat bij woningbouw in de omgeving van het gebied (binnen de geluidzone) rekening moet worden gehouden met de geluidsproductie van bedrijven. De Kavels vormt een bedrijventerrein dat vooral gericht is op logistiek. 6.8.6.4 Ontwikkelingen en opgave In paragraaf 6.8.1 zijn een paar algemene opgaven voor bedrijventerreinen geschetst. Aanvullend daarop spelen voor dit terrein de volgende opgaven en ontwikkelingen:  Op het bedrijventerrein zijn veel logistieke bedrijven gevestigd. Het ontwikkelen van nieuwe voorzieningen op het gebied van logistiek zorgt ervoor dat deze bedrijven zich toekomstbestendig kunnen ontwikkelen. Bij de transitie naar duurzame energie, is het wenselijk dat deze bedrijven zoveel mogelijk gebruik gaan maken van duurzame brandstoffen.  Op het IBF zijn nog diverse kavels uit te geven. In het kader van zuinig ruimtegebruik is het wenselijk om de resterende grond uit te geven aan bedrijven die passen bij het profiel van het terrein en daarbij zoveel mogelijk gronden te benutten. 6.8.6.5 Aandachts- en uitgangspunten  Inspanningen vanuit accountmanagement en acquisitie richten zich met name op het versterken van het bestaande cluster van logistieke activiteiten en aanverwante dienstverlening.

Oftewel: behoud en versterking van bestaande partijen en het toevoegen/invullen van niches binnen het logistieke ecosysteem;  De landschappelijk inpassing aan de oostzijde van IBF levert een bijdrage op het gebied van klimaatadapatie, biodiversiteit en de beeldkwaliteit;  De hoofdontsluitingsas en de noord-zuid-georiënteerde verkavelingsstructuur worden behouden en versterkt als ruimtelijke kwaliteiten van het terrein.

6.8.7

Bedrijventerrein Spikerboor

6.8.7.1 Ontstaansgeschiedenis Een groot deel van bedrijventerrein Spikerboor werd gerevitaliseerd na de sloop van mengvoederfabriek UTD. De vrijgekomen ruimte werd bestemd voor kleinschalige bedrijven met een beperkte milieuhinder. 6.8.7.2 Kernkwaliteiten  Bedrijventerrein Spikerboor is goed bereikbaar door de ligging dichtbij de snelweg A32 en het treinstation van Akkrum;  Diverse kavels worden ontsloten via de Polsleat.

moet bij woningbouw in de omgeving van het gebied (binnen de geluidzone) rekening worden gehouden met de geluidsruimte van bedrijven; 6.8.7.5 Aandachts- en uitgangspunten  Langs de Feansterdyk zijn er mogelijkheden voor woon-werkkavels. Bij de realisatie van nieuwe functies wordt rekening gehouden met de milieuhinder én de ontwikkelmogelijkheden van de aanwezige bedrijvigheid.

6.8.7.3 Functionele gebiedsomschrijving Het bedrijventerrein Spikerboor bestaat uit verschillende deelgebieden. Op het deel van het terrein dat is gerevitaliseerd zijn vooral gemengde kleine en middelgrote bedrijven gevestigd. Bij een aantal kleinschalige bedrijven is een bedrijfswoning aanwezig. Een aantal bedrijven aan de Polsleatwei is gericht op watersport. Aan de zuidwest- en zuidkant van het gebied zijn een aantal grootschalige bedrijven uit zwaardere milieucategorieën gevestigd. Deze maken deels gebruik van de Polsleat als aan- en afvoerroute. Rondom bedrijventerreinen Spikerboor is een geluidszone van toepassing.

6.8.7.4 Ontwikkelingen en opgaven In paragraaf 6.8.1 zijn een paar algemene opgaven voor bedrijventerreinen geschetst. Aanvullend daarop spelen voor dit terrein de volgende opgaven en ontwikkelingen:  De Feansterdyk vormt de dorpsentree van Akkrum. Langs deze route is een representatieve uitstaling gewenst. Andere functies kunnen daar aan bijdragen;  Bij de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten worden gevoelige bestemmingen in de omgeving door (toetsing aan) de vastgestelde geluidszone beschermd tegen de (gecumuleerde) geluidsproductie van het terrein. Omgekeerd

79

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.8.8

Integrale gebiedsontwikkeling Klaverblad Noordoost

6.8.8.1 Ontstaansgeschiedenis Op dit moment wordt de ontwikkeling van gebied Klaverblad Noordoost (KNO) voorbereid. KNO is een bijzonder plan vanwege het gevoerde proces (samen met de inwoners) als ook het te behalen inhoudelijke eindresultaat: een kwalitatief hoogwaardige en integrale gebiedsontwikkeling met een (duurzaam) bedrijventerrein, een zonnepark en natuurinclusieve landbouw. Op een bijzondere manier en in samenhang ingepast in het landschap. 6.8.8.2 Kernkwaliteiten  Uniek profiel met een duurzame mix van bedrijventerrein, een zonnepark en natuurinclusieve landbouw;  Kansen voor recreatief medegebruik en hoogwaardige ruimtelijke kwaliteit. 6.8.8.3 Functionele gebiedsomschrijving Klaverblad Noordoost bestaat uit een aantal verschillende functies. Een deel wordt bestemd als bedrijventerrein. Daarnaast een deel met een zonnepark en een deel agrarisch (natuurinclusieve landbouw). 6.8.8.4 Ontwikkelingen en opgave Omdat de beschikbaarheid van bedrijvenkavels op bestaande terreinen in Heerenveen terugloopt, wordt een deel van het gebied Klaverblad-Noordoost ingevuld met bedrijventerrein. Het bedrijventerrein wordt specifiek ontwikkeld om binnen de regio ruimte te bieden voor grotere bedrijven. Het bedrijventerrein heeft dan ook een (boven)regionale functie.

6.8.8.5 Aandachts- en uitgangspunten  In totaal is er in het plan ruimte voor (netto) 20 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein. Het gebied wordt in stappen ontwikkeld. KNO wordt in eerste instantie ingevuld met 60 hectare agrarisch gebied (natuurinclusieve landbouw), 30 hectare zonnepark en (netto) 10 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein. Besluitvorming over de andere 10 hectare bedrijventerrein vindt in een later stadium plaats;  Duurzaamheid speelt een centrale rol in het nieuwe bedrijventerrein. Op dit moment wordt gemerkt aan de criteria waaraan de te vestigen bedrijven moeten voldoen. De beoogde bedrijfscategorieën wordt daarnaast afgestemd op woonfuncties in de omgeving, zodat het woon- en leefklimaat van omwonenden beschermd is. Er wordt een milieueffectrapport gemaakt om de effecten in beeld te brengen en maatregelen te verkennen;  De groene zone tussen KNO en de Streek blijft als open agrarisch gebied in stand. Binnen de gebiedsontwikkeling KNO wordt bekeken of recreatieve functies/verbindingen kunnen worden gerealiseerd. De recreatieve routes verbinden KNO via de groene zone met de Streek.

 In het schetsontwerp zijn zeven ontwerpprincipes opgenomen zoals: o het versterken van bestaande (zicht)lijnen in het landschap; o het reserveren van ruimte voor de hoogspanningsleiding en de Lelylijn; o en het aanhouden van een groene horizon vanaf de zijde van de Aengwirderweg.

Na het doorlopen van een open planproces – het zogenaamde Sinnetafelproces - is voor het gebied een schetsplan gemaakt. Op basis daarvan heeft de gemeenteraad op 2 april 2019 besloten om een bestemmingsplan en een landschapsplan te ontwikkelen.

Het schetsontwerp voor Klaverblad-Noordoost

80

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9 Buitengebied 6.9.1

Kenschets en algemene uitgangspunten buitengebied

6.9.1.1 Algemeen Het buitengebied heeft in belangrijke mate een agrarische functie. Veel gronden hebben een agrarische bestemming. Daarnaast zijn er ook aanzienlijke delen van het buitengebied bestemd voor natuur. Een combinatie van deze functies komt uiteraard ook voor (bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer). Het buitengebied vormt voor veel inwoners en bezoekers ook een belangrijke plek om te recreëren. Er zijn daarom verschillende wandel-, fiets-, ATB- en ruiterpaden. Tussen de verschillende landschapstypen bestaan wel verschillen. Er zijn gebieden waar de oude, kleinschalige ontginningsstructuur nog grotendeels aanwezig is. Voorbeelden zijn de woudontginning en het klei-op-veengebied. De schaal van het landschap is hier kleiner. Daarnaast zijn er ook gebieden die zijn ingepolderd of later door middel van ruilverkaveling geschikt gemaakt voor de landbouw. Deze gebieden hebben vaak een grotere schaal. Voorbeelden zijn de veenpolder aan weerszijden van de Aengwirderweg en delen van de Tjongervallei.

6.9.1.2 Opgaven en ontwikkelingen De opgaven voor het buitengebied staan al in het thematische deel van de visie (zie paragraaf 5.5). Samengevat gaat het om het volgende:  De diversiteit van het landschap vormt een belangrijke kwaliteit van onze gemeente. We zorgen er daarom voor dat nieuwe ontwikkelingen passen in het landschap op een manier dat de verschillende landschapstypen herkenbaar blijven of zelfs worden versterkt;  Voor de vrijkomende agrarische bedrijven is een nieuwe bestemming wenselijk. Zeker als het gaat om karakteristieke stelpboerderijen of kop-

hals-rompboerderijen. Met wonen, kleinschalige bedrijvigheid of toeristisch-recreatieve functies wordt een nieuwe invulling gegeven aan gebouwen die we graag behouden en onderhouden. Het omvormen van voormalig agrarische bedrijven naar een nieuwe bestemming, geeft mogelijkheden tot kwaliteitsverbetering door agrarische bebouwing te slopen die geen functie meer heeft.; Er liggen verschillende opgaven op het gebied van biodiversiteit en het waterbeheer. We grijpen ontwikkelen in het buitengebied aan kwaliteit aan het landschap toe te voegen en waar nodig te herstellen.

6.9.1.3 Algemene uitgangspunten en ambities buitengebied Voor het buitengebied zijn de volgende ambities en algemene uitgangspunten van toepassing:  Bij ontwikkelingen in het buitengebied zetten we in op het behouden en versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten die zijn genoemd in paragraaf 6.9.2 tot en met 6.9.9;  In het gebied zetten we in op de ontwikkeling van landbouw met een duurzaam en natuurinclusief ontwikkelperspectief. In het buitengebied hebben agrarische bedrijven over het algemeen meer ontwikkelmogelijkheden dan in de linten en dorpskomen; we houden daarbij rekening met de ontwikkelruimte die is toekend met het vaststellen van de notitie Geurhinder 2015;  Bij uitbreiding van bestaande erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij schaalvergroting vanaf een bepaalde omvang vragen we daarnaast om een extra investering in het landschap (kwaliteitsimpuls). Deze omvang verschilt per landschapstype (zie paragraaf 6.9.2 tot en met 6.9.8). De methodiek hiervoor is beschreven in paragraaf 5.5.2 en werken we nog verder uit;  Vrijkomende agrarische bedrijven willen we een passende bestemming geven. Daarbij bieden we mogelijkheden voor toeristisch-recreatieve functies, kleinschalige vormen van wonen en bedrijvigheid.

Bij het slopen van agrarische bebouwing geven we (vanaf een bepaalde omvang) bouwrechten voor de realisatie van een nieuwe woning. Daarmee wordt de sanering van verouderde agrarische bebouwing betaald (ruimte-voorruimte). De exacte mogelijkheden voor vrijkomende agrarische bedrijven werken we nog uit in een programma;  Nieuwe woonerven of agrarische erven in het buitengebied zijn mogelijk wanneer hiermee een bestaand (milieu)knelpunt wordt opgelost (bijvoorbeeld de verplaatsing van een agrarisch bedrijf dat niet verder kan groeien). Daarnaast zijn er mogelijkheden om een nieuwe woning te bouwen wanneer er (voormalig) agrarische bebouwing wordt gesaneerd (ruimte-voor ruimte). In die gevallen wordt een locatie gezocht die past bij het bebouwingsbeeld van het landschapstype (zie kernkwaliteiten per landschapstype in paragraaf 6.9.2 t/, 6.9.8);  Bij het realiseren van zonneparken en solitaire windmolens houden we rekening met de bestaande kernkwaliteiten. Bij grotere initiatieven vragen we om een kwaliteitsimpuls (versterken van de kernkwaliteiten). Dit werken we verder uit in ons zonneparken- en windbeleid;

Kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd. Daarbij zetten we in op slimme groei; waarbij toerisme en de kernkwaliteiten van een gebied elkaar versterken, bijvoorbeeld door bij te dragen aan herstel en behoud van (cultuur)historie, versterken van routestructuren, de leefbaarheid en beleefbaarheid; Bij het aanplanten van nieuwe landschapsstructuren en het vergroten van het waterbergend vermogen houden we nadrukkelijk rekening met de landschappelijke kenmerken en de biodiversiteit. We versterken het natuurnetwerk door zoveel mogelijk gebieden en gebiedjes met elkaar te verbinden. We kiezen daarbij voor gebiedseigen soorten en variatie.

Specifieke uitgangspunten per landschapstype zijn beschreven in de volgende paragrafen. 6.9.2

Veenweidegebied

6.9.2.1 Ontstaansgeschiedenis Aan de noordzijde van onze gemeente ligt het veenweidegebied. Het landschappelijke beeld in dit gebied wordt bepaald door de aanwezigheid van een pakket laagveen in de ondergrond. Het dorp Aldeboarn ligt midden in het gebied. Rondom Akkrum ligt ook een aantal gebieden waar een dik veenpakket aan de oppervlakte ligt. Daarnaast grenst het gebied aan De Deelen en de Hooivaart in het zuiden en via de Wijde Ee aan Nationaal Park de Alde Feanen in het noorden. Bewoning in het gebied bestaat van origine uit verspreid liggende bebouwing op hoger gelegen terpen. Deze terpen kennen deels beschermde archeologische waarden. Aan deze oude structuren zijn later verschillende ruilverkavelingswegen en boerderijen toegevoegd. Bijvoorbeeld langs de Fjurlanswei.

81

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 is te typeren als een rustig buitengebied. In het gebied liggen diverse natuurgebieden die verbonden zijn met de aanwezigheid van veen, petgaten of open water. Daarnaast zijn er woonerven en kleinschalige bedrijfsfuncties aanwezig.

6.9.2.4 Ontwikkelingen en opgaven Algemene opgaven die spelen in het buitengebied zijn benoemd in paragraaf 5.6 en/of 6.9.1. Specifiek voor dit gebied speelt nog het volgende:

6.9.2.2 Kernkwaliteiten Kenmerkende kwaliteiten van het veenweidegebieden die we willen behouden en versterken:  In de veenbodem is veel koolstof (CO2) vastgelegd. Door het hoge organisch stof gehalte is de bodem vruchtbaar en kan deze veel vocht vasthouden. Behoud van dit veenpakket is daarom wenselijk;  Grootschalige openheid en ruime zichtlijnen, doordat er weinig bebouwing en opgaande beplanting aanwezig is;  Verspreid liggende bebouwing op terpen. Veelal agrarische erven of voormalige boerderijen met karakteristieke stelp of kop-hals-romp boerderijen. Door de aanwezige erfbeplanting vormen de erven groene bakens in het landschap;  Waterrijke omgeving met (deels) bevaarbare waterverbindingen;  Het opkwellende grondwater van de hogere zandgronden heeft over het algemeen een goede kwaliteit, is rijk aan mineralen (vooral kalk en ijzer).  Verschillende natte natuurgebieden en percelen met agrarisch natuurbeheer (weidevogelbeheer);  De verkavelingsstructuur bestaat uit smalle, opstrekkende percelen gericht op de ontginningsas (de Boorne of het Oud diep). Op sommige plekken verspringt de verkavelingsrichting.  (oude) Paden en verbindingen door het landschap waardoor het landschap beleefbaar is.

6.9.2.3 Functionele gebiedsomschrijving Het veenweidegebied kent een agrarisch functie, al dan niet in combinatie met agrarisch natuurbeheer (weidevogelbeheer) of als ganzenfourageergebied. Het

Door de oxidatie van het veen in het gebied ontstaan problemen met funderingen, verdichting van de bodem, uitstoot van CO2, vermindering van de landbouwopbrengst, aanpassingen in de waterhuishouding en terugloop van de biodiversiteit. Aan de andere kant liggen er ook kansen om met een volledige aanpak de biodiversiteit te vergroten, de CO2-uitstoot terug te dringen, toerisme en recreatie te stimuleren en alternatieve verdienmogelijkheden voor boeren te creëren. Dit is de reden dat het gebied Aldeboarn / De Deelen in de Veenweidevisie is aangemerkt als kansrijk gebied. Het dalen van de veenbodem en de daardoor noodzakelijke aanpassing van de waterhuishouding kan leiden tot problemen met funderingen.

gebiedsplan, wordt bekeken of deze paragraaf moet worden geactualiseerd; Bij uitbreiding van bestaande agrarische erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij schaalvergroting tot 2,0 ha vragen we de initiatiefnemer om het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Bij grotere erven vragen we ook om een kwaliteitsimpuls in het landschap, waarmee het plan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten; Het vergroten van het waterbergend vermogen, koppelen we aan het “leesbaar” maken van het landschap en het vergroten van de biodiversiteit. Bij het graven van nieuwe sloten hebben we een voorkeur voor het herstellen van oude slootpatronen of het realiseren van sloten met flauwe taluds (natuurvriendelijke oevers); Kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd. In dit gebied denken we daarbij aan het herstel van cultuurhistorische routes, rustpunten, kleinschalige water(sport)recreatie, bed & breakfast, kamperen bij de boer, kleinschalige gastaccommodaties of innovatieve verblijfsrecreatieconcepten.

Vanwege de lage ligging is de berging van water in natte periodes een aandachtspunt in dit gebied. Door het dalen van de bodem zijn maatregelen nodig om het waterbergende vermogen in het gebied op orde te houden. In verband met klimaatverandering verwachten wij dat het veenweidegebied vaker een rol gaat spelen bij het (tijdelijk) opvangen van water. Door inwoners, boeren (Gebiedscollectief it Lege Midden) en Stichting Beekdallandschap Koningsdiep/ De Nije Boarn wordt gewerkt aan oplossingen voor de veenweideproblematiek. Er zijn onder andere proeven opgestart met grondwatergestuurd peilbeheer, andere vormen van maïsteelt en het verbeteren van de bodemvruchtbaarheid. Er wordt naar gestreefd om in 2021 een door de streek gedragen gebiedsplan te laten vaststellen door de betrokken gebiedspartijen. 6.9.2.5 Aandachts- en uitgangspunten Voor dit gebied hanteren we de volgende beleidsuitgangspunten:  We ondersteunen het gebiedsproces Aldeboarn-De Deelen actief. Samen met inwoners, boeren en andere ondernemers kijken we naar een toekomstbestendige invulling van het gebied. Na afronding van het

82

Omgevingsvisie Heerenveen 2040

6.9.3

Beekdal van de Boorne en de Dracht

6.9.3.1 Ontstaansgeschiedenis De Boorne vormt de vroegere ontwatering van het veengebied aan de oostzijde van Friesland naar de (voormalige) Middelzee. Langs de Boorne (en een aantal zijrivieren) zijn kleiafzettingen gerealiseerd (klei-op-veen). Het meanderende verloop is daardoor nog herkenbaar in ligging van dijken en de verkaveling van het gebied. De Boorne kende verschillende zijrivieren. Zo werd het gebied ten zuiden van de Boorne afgewaterd vanuit de Dracht; een naam die we nu nog in het centrum van Heerenveen terug zien. De vroegere bedijking is nog te herkennen in het kronkelende verloop van de Van Sminiawei. In de Middeleeuwen moesten de laaggelegen landerijen in het Lage Midden door de hemdijken tegen het hoge water beschermd worden. Om te voorkomen dat het gebied Oostergo last kreeg van het water in het Lage Midden werd ten noorden van de Boorne de Leppedijk aangelegd. Het buurtschap Oude Schouw is gelegen op de driesprong van de rivier de Boorne en de Nieuwe Wetering (nu onderdeel van het Prinses Matgrietkanaal). Dit is eeuwenlang een belangrijk ontmoetingsen pleisterplaats aan de rijkstraatweg geweest van Leeuwarden naar Heerenveen. Reizigers van en naar Leeuwarden werden eerst op dit punt per boot overgezet. Het hotel-restaurant De Oude Schouw in deze buurtschap is al sinds de 17e eeuw in gebruik.

Rond 1950 werd de driesprong een kruising toen het gedeelte van het Prinses Margrietkanaal richting Grouw gereed kwam. Met de aanleg van een hoge verkeersbrug in 1951 en de aanleg van Rijksweg A32 in 1963 werd Oude Schouw voortaan door het verkeer gepasseerd en nam het belang van de buurtschap en het hotel aanzienlijk af. 6.9.3.2 Kernkwaliteiten Kenmerkende kwaliteiten in het beekdal die we willen behouden en versterken:  Klei-op-veen-ondergrond;  Zicht op en beleefbaarheid van de Boorne;  De cultuurhistorische waarde van Middeleeuwse dijktracés, waaronder de Leppedyk en de Van Sminiawei;  Openheid en ruime zichtlijnen;  Onregelmatige blokverkaveling;  Verspreid liggende bebouwing op (voormalige) terpen. Deels met beschermde archeologische waarden;  Oude routes/verbindingen zowel over water als over land (zoals het Jaabikspaad) door het landschap;  Onregelmatige blokverkaveling op de klei-op-veengronden.

Uitsnede Cultuurhistorische Kaart Fryslân met dijktracés, (voormalige) kloosters en kerken en boerderijplaatsen

83

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9.3.3 Functionele gebiedsomschrijving De beekdalen hebben voornamelijk een agrarische functie, al dan niet in combinatie met agrarisch natuurbeheer (weidevogelbeheer). In het gebied liggen diverse natuurgebieden die verbonden zijn met de aanwezigheid van veen, petgaten of open water. Daarnaast zijn er verschillende woonerven en kleinschalige bedrijfsfuncties aanwezig. Het is te typeren als een rustig buitengebied.

6.9.3.5 Aandachts- en uitgangspunten  We ondersteunen het gebiedsproces Aldeboarn-De Deelen actief. Samen met inwoners, boeren en andere ondernemers kijken we naar een toekomstbestendige invulling van het gebied. Na afronding van het gebiedsplan, wordt bekeken of deze paragraaf moet worden geactualiseerd;  Bij uitbreiding van bestaande agrarische erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij schaalvergroting tot 2,0 ha vragen we de initiatiefnemer om het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Bij grotere erven vragen we ook om een kwaliteitsimpuls in het landschap, waarmee het plan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten;  Het toevoegen van nieuwe waterberging draagt bij aan de leesbaarheid van het landschap of een grotere biodiversiteit. Dit kan door slootpatronen te herstellen of door sloten met flauwe taluds te realiseren (natuurvriendelijke oevers);  Kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd. In dit gebied denken we daarbij aan het herstel van cultuurhistorische routes, rustpunten, kleinschalige water(sport)recreatie, bed & breakfast, kamperen bij de boer, kleinschalige gastaccommodaties of innovatieve verblijfsrecreatieconcepten.

6.9.3.4 Ontwikkelingen en opgave Algemene opgaven die spelen in het buitengebied zijn benoemd in paragraaf 5.6 en/of 6.9.1. Specifiek voor dit gebied speelt nog het volgende. Ook in dit gebied speelt de problematiek van veenbodemdaling. Al daalt de bodem hier minder hard door de aanwezigheid van een kleidek. Het gebied rondom Aldeboarn maakt deel uit van het gehele gebiedsproces Aldeboarn-De Deelen voor een nadere beschrijving (zie paragraaf 6.2.1). Langs de Boorne liggen mogelijkheden om (routegebonden) recreatie verder te ontwikkelen. Het vaarwater van de Boorne maakt onderdeel uit van de Turfroute. Daarnaast loopt het Jabikspaad (Jacobuspad) langs deze rivier. De Boorne geeft dus mogelijkheden voor ontwikkeling van cultuurhistorie, natuurbeleving en waterrecreatie-gerelateerde voorzieningen én (kleinschalige) voorzieningen, accommodaties en rustplaatsen voor recreanten op land. Bovendien worden combinaties van water- en landrecreatie ook steeds relevanter. Omdat het gebied laag ligt, is de berging van water in natte periodes een aandachtspunt. In verband met klimaatverandering gaat het gebied vaker een rol spelen bij het (tijdelijk) opvangen van water. Het dalen van de veenbodem (in de omgeving) en de daardoor noodzakelijke aanpassing van de waterhuishouding kan leiden tot problemen met funderingen.

84

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9.4

De Deelen

6.9.4.1 Ontstaansgeschiedenis In het midden van het Heerenveense laagveengebied ligt natuurgebied De Deelen. De Deelen is één van de gebieden in Friesland die het laatst verveend is. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw werd nog turf gestoken. Het gebied is na de vervening niet door de landbouw in gebruik genomen, maar als uitgeveend laagveenmoerasgebied blijven bestaan. Het afgegraven veengebied is nu een mozaïek van water, riet, moerasbosjes en kleine, smalle graslanden. De Deelen is als Natura 2000-gebied aangewezen voor de bescherming van verschillende vogelsoorten, omdat het een slaap- en rustplaats biedt en een plek om te foerageren. Dat laatste gebeurt overigens ook in de wijde omgeving van De Deelen. De Deelen is onder meer belangrijk voor vijf vogelsoorten die broeden binnen het gebied: de roerdomp, de purperreiger, de bruine kiekendief, de zwarte stern en de rietzanger. De Deelen is een kwetsbaar ecosysteem met flora en fauna, bodemleven en waterleven waarin de vogels het meest zichtbare deel van de voedselketen zijn.

6.9.4.3 Functionele gebiedsomschrijving De Deelen is een natuurgebied, met een beperkt recreatief medegebruik.

6.9.4.5 Ambities en uitgangspunten  Nieuwe bebouwing in het gebied is alleen aan de orde als het kleinschalig is en ten dienste staat van het beheer of de beleving van het natuurgebied en de natuurwaarden;  Bij ontwikkeling van de toeristisch-recreatieve medegebruik houden we rekening met de draagkracht en natuurwaarden in het gebied;  Ontwikkelingen in het veenweidegebied rondom De Deelen komen ten goede aan de waarden en waterhuishouding van De Deelen;  We onderzoeken actief de mogelijkheden om de kernkwaliteit donkerte (en de beleving daarvan) in de omgeving van De Deelen verder te versterken.

6.9.4.4 Ontwikkelingen en opgaven Vanwege de natuurfunctie is het gebied De Deelen minder ingeklonken dan de veengebieden die voor de landbouw worden gebouwd. Het gebied ligt daardoor hoger dan de directe omgeving, waardoor water wegsijpelt uit het gebied en aanvoer van gebiedsvreemd water nodig is. Het realiseren van een nattere bufferzone rondom De Deelen kan dit effect verminderen. Deze mogelijkheid wordt verder onderzocht in de integrale planvorming voor het gebied Aldeboarn-De Deelen. De Deelen kent nu 50.000-60.000 bezoekers per jaar. Het gebied is het meest toegankelijk vanaf de parkeerplaats bij de Hooivaart. Deze ingang ligt erg afgelegen en is lastig te bereiken. Met het toevoegen van een extra toegangspoort vanuit het noorden kunnen meer mensen genieten van het gebied. Met een verbinding langs de Bolsloot kan Aldeboarn functioneren als toegangspoort voor het gebied. Een extra poort kan daarbij bijdragen aan spreiding van de bezoekers. Ook bestaat er al jaren de wens voor de realisatie van een fietspad door De Deelen. Uiteraard moet bij veranderingen in het gebied rekening worden gehouden met de kwetsbare natuurwaarden ter plaatse.

6.9.4.2 Kernkwaliteiten  Aanwezigheid van natte natuur: laagveenmoeras;  Broed- en rustplaats voor beschermde vogelsoorten. Het gebied is daarom aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn;  Het kenmerkend patroon van petgaten en legakkers (stripen) is door de provincie aangemerkt als aardkundig waardevol gebied;  Aanwezigheid van rust, stilte en donkerte. Het gebied is daarom ook aangewezen als provinciaal stiltegebied;  Ontbreken van bebouwing en niet-natuurfuncties;  Aanwezigheid van een netwerk aan paden, vlonders en bruggetjes waardoor het gebied beleefbaar is voor o.a. wandelaars.

85

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9.5

Veenpolders

6.9.5.1 Ontstaansgeschiedenis De veenpolders liggen in Heerenveen aan weerszijden van het lint Terband, Luinjeberd, Tjalleberd en Gersloot. In 1854 is het gebied ingepolderd omdat het door de veenontginning was veranderd in een nat onland. Doordat het veen hier in het verleden is afgegraven, behoren deze polders tot de laagst gelegen gebieden van Friesland (1,5 tot 2 m beneden NAP). Op meerdere plekken zijn wegen en andere landschappelijke structuren gemarkeerd met flinke bomensingels.

De veenpolders worden begrensd door de Hooivaart in het noorden en de Schoterlandse Compagnonsvaart in het zuiden. Het zuidelijke deel van de polder is daarbij bebouwd door industrieterreinen de Kavels en IBF.

6.9.5.3 Functionele gebiedsomschrijving De veenpolders hebben voornamelijk een agrarische functie, waarbij in een aantal gebieden het accent sterk op natuur of agrarisch natuurbeheer ligt. Daarnaast liggen er diverse woonpercelen in het gebied. Het gebied valt te typeren als een rustig buitengebied.

Het aanplanten van nieuwe landschapselementen draagt zoveel mogelijk bij aan het versterken van de bestaande landschapsstructuur (o.a. verkavelingsrichting) en de biodiversiteit; Een nieuwe snelfietsroute tussen Heerenveen en Drachten wordt door de gemeente zoveel mogelijk gefaciliteerd. Daarbij zetten we in op een aantrekkelijke en comfortabele fietsroute, die optimaal wordt ingepast in het landschap; Bij uitbreiding van bestaande agrarische erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij schaalvergroting tot 2,0 ha vragen we de initiatiefnemer om het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Bij grotere erven vragen we ook om een kwaliteitsimpuls in het landschap, waarmee het plan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten; Het vergroten van het waterbergend vermogen, koppelen we aan het “leesbaar” maken van het landschap en het vergroten van de biodiversiteit. Bij het graven van nieuwe sloten wordt aangesloten bij de bestaande kavelrichting en hebben we een voorkeur voor sloten met flauwe taluds (natuurvriendelijke oevers); Kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd. In dit gebied denken we daarbij aan het herstel van cultuurhistorische routes, rustpunten, bed & breakfast, kamperen bij de boer, kleinschalige gastaccommodaties of innovatieve verblijfsrecreatieconcepten.

6.9.5.4 Ontwikkelingen en opgaven De veenpolders behoren tot de laagst gelegen gebieden van Friesland. Vanwege de lage ligging is de berging van water in natte periodes een aandachtspunt in dit gebied. In verband met klimaatverandering verwachten wij dat veenpolders vaker een rol gaan spelen bij het (tijdelijk) opvangen van water. Het dalen van de veenbodem (in de omgeving) en de daardoor noodzakelijke aanpassing van de waterhuishouding kan leiden tot problemen met funderingen.

6.9.5.2 Kernkwaliteiten Kenmerkende kwaliteiten in de veenpolders die we willen behouden en versterken:  Langgerekte strokenverkaveling, waarbij de verkavelingsrichting en structuur nog wordt bepaald door de veenontginning;  Dijken, polderdijken, petgaten;  Aanvullen met bebouwingskarakteristiek (zie nota erfgoed)  Waterstructuur met ringvaarten, sloten en polderijken (poldersysteem);  Open landschap met ruimtelijke geleding door de laanstructuren en de verschillende ruilverkavelingsbosjes;  Aanwezigheid van flora en fauna; met name in de laanstructuren en de verschillende ruilverkavelingsbosjes van Staatsbosbeheer;  Het opkwellende grondwater van de hogere zandgronden heeft over het algemeen een goede kwaliteit, is rijk aan mineralen (vooral kalk en ijzer).

In het kader van de Fietsagenda Zuidoost-Friesland 2019-2023 is onderzoek gedaan naar het realiseren van een snelfietsroute tussen Heerenveen en Drachten. Een mogelijke route loopt door het deelgebied Veenpolders. Realisatie van deze fietsroute voorziet in een gezonder en duurzamer verkeersalternatief. 6.9.5.5 Aandachts- en uitgangspunten  De veenpolder vormt een relatief nieuw en grootschalig landschapstype in onze gemeente. We zien hier aanknopingspunten voor een transformatie van het landschap. De ruilverkavelingsbosjes en groenstructuren kunnen verder worden versterkt tot een afwisselend en aantrekkelijk landschap, waar ook ruimte is voor nieuwe functies op het gebied van klimaatadaptatie (waterberging) en energieopwekking. Bij het toevoegen van nieuwe functies wordt de verkavelingsrichting van het landschap steeds benadrukt en versterkt;

86

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9.6

Hoogveenontginning

6.9.6.1 Ontstaansgeschiedenis Dit landschapstype is ontstaan door de ontginning van het hoogveen. Deze ontginning is in 1551 gestart in Heerenveen en heeft zich in een aantal eeuwen oostwaarts verplaatst tot voorbij Jubbega (3de sluis). De langwerpige veengebieden werden in de lengte met een kanaal doorsneden: de Schoterlandse Compagnonsvaart. Haaks daarop werden zogenoemde wijken (of wiken) gegraven en weer haaks daarop greppels. De vaarten en wijken dienden zowel voor de afvoer van turf als voor de ontwatering van het gebied.

6.9.6.4 Ontwikkelingen en opgaven Het gebied geeft mogelijkheden voor de ontwikkeling van toerisme en recreatie, gericht op de ontdekking van het landschap en de historie van veenontginning.

Waar mogelijk dragen nieuwe landschapselementen bij aan het versterken van de bestaande landschapsstructuur (o.a. verkavelingsrichting) en de biodiversiteit; Kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd. In dit gebied denken we daarbij aan het herstel van cultuurhistorische routes, het uitbreiden van het wandel- en ATB- en ruiterpadennetwerk, rustpunten, bed & breakfast, kamperen bij de boer, kleinschalige gastaccommodaties of innovatieve verblijfsrecreatieconcepten.

6.9.6.2 Kernkwaliteiten  Kenmerkende ontginningsstructuur die wordt gevormd door de Schoterlandse compagnonsvaart (hoofdstructuur) en de wijken;  Laanbeplanting langs de vaart;  Halfbesloten landschap door de aanwezigheid van elzensingels langs de wijken;  Aanvullend op de bebouwing langs de Compagnonsvaart: kleinere bebouwingsstructuren langs de wijken en incidenteel vrij liggende bebouwing in het landschap;  Aanwezige zandpaden/onverharde paden. 6.9.6.3 Functionele gebiedsomschrijving De landerijen in de hoogveenontginning hebben in veel gevallen een agrarische functie. De meeste boerderijen zijn gevestigd aan de Compagnonsvaart. Aan de wijken komen echter veel kleinschalige percelen voor, waarbij de woonfunctie dominant is en af en toe ook niet-agrarische bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend. Dit gebied wordt daarom gezien als een buitengebied met het accent op functieverweving.

6.9.6.5 Aandachts- en uitgangspunten  Bij uitbreiding van bestaande agrarische erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij schaalvergroting tot 2,0 ha vragen we om het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Bij grotere erven vragen we ook om een kwaliteitsimpuls in het landschap;  Bij het graven of dempen van sloten wordt het oorspronkelijke wijkenpatroon zoveel mogelijk versterkt;

87

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9.7

Woudontginning

6.9.7.1 Ontstaansgeschiedenis Langs de hoger gelegen verbindingsweg van Oudeschoot naar Donkerbroek, kwamen in de Middeleeuwen verschillende boerderijen en verspreid liggende bebouwing tot ontwikkeling. Vanuit deze bewoning werd het gebied in gebruik genomen en ontgonnen. De hoger gelegen gronden waren omstreeks 1850 voornamelijk als bouwland in gebruik. Aan de noordzijde werden de akkers begrensd door hoogveen dat oorspronkelijk begroeid was met bos en heide (woeste gronden). De woeste gronden werden grotendeels in cultuur gebracht. Daarbij speelden de grootgrondbezitters en de ontginningsmaatschappijen een grote rol. Nog altijd liggen in de gemeente vele kleine bosjes, vooral ten noorden van de Schoterlandseweg.

     

Kleinschalig coulissenlandschap aan weerszijden van de Schoterlandse weg, met een afwisseling van bos, houtsingels en open weiden; De verkaveling bestaat uit veelal smalle percelen haaks op de Schoterlandse weg; Groot waterbergend vermogen (hoger gelegen zandgrond); Een binnenweg gelegen op het hoogste deel van de dekzandrug en een buitenweg op de overgang van de rug naar het beekdal; Fijnmazige structuur voor langzaam verkeer (fietsers en wandelaars); Aanwezige zandpaden/onverharde paden.

houden in de bodem. Ketliker Schar en Kelikerheide zijn opgenomen in de TOPlijst, de inventarisatielijst voor verdroogde gebieden. Met name aan de oostzijde van het Ketliker Schar ligt een laagte buiten de EHS . Zo lang de lage landbouwpercelen aan de oostzijde niet als natuur zijn begrensd kan de natuurlijke afwatering van het Katlijkerschar (via deze laagte) niet worden hersteld. Aan de westzijde ligt een heidegebied dat verdrogende invloed ondervindt van de grenssloot met de omgeving.

De natuurgebieden Ketliker heide en Ketliker schar zijn een restant van de vroegere uitgestrekte heidegebieden in Zuidoost Fryslân en in eigendom en beheer van It Fryske Gea. Het gebied is 400 hectare groot en bestaat uit bos, heiderestanten, (venige) beekdalgraslanden en houtwallen.

6.9.7.3 Functionele gebiedsomschrijving Door de fijnmazige landschapsstructuur en de aanwezigheid van veel natuurgebiedjes is de woudontginning minder geschikt voor grootschalige landbouw. Naast de agrarische functie, zijn wonen en recreëren belangrijke functies. Het gaat hier om buitengebied met het accent op functieverweving. 6.9.7.4 Ontwikkelingen en opgaven Het kleinschalige coulissenlandschap is een geliefd gebied bij inwoners, toeristen en recreanten. Beheer en behoud van deze kenmerkende landschapselementen is een belangrijke opgave. Naast de SBB en It Fryske Gea is het merendeel van de landschapselementen particulier eigendom, veelal van agrariërs 6.9.7.2 Kernkwaliteiten Kenmerkende kwaliteiten in de woudontginning die we willen behouden en versterken:  De bebouwingsstructuur buiten de Schoterlandseweg bestaat veelal uit verspreid liggende percelen met agrarische functies of woonfuncties;  Karakteristiek voor deze streek zijn woudhuisjes en kleine boerderijtjes. Verder veel vrijstaande woonhuizen, vaak georiënteerd op de openbare weg;

Het landschap biedt mogelijkheden voor kleinschalige recreatie in de vorm van wandelen of fietsen door al bestaande routestructuren. Met name in de omgeving van het landgoederenlandschap Oranjewoud en het Ketliker Schar bestaan mogelijkheden om het ruiter, men-, wandel- ATB- en fietsnetwerk verder uit te breiden. Als gevolg van klimaatverandering en de daling van de bodem in het veengebied, kan de verdroging in de hoger gelegen zandgebieden toenemen. Daarom is het belangrijk om in dit deelgebied zoveel mogelijk water vast te

6.9.7.5 Aandachts- en uitgangspunten  Bij uitbreiding van bestaande agrarische erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij schaalvergroting tot 1,5 ha vragen we de initiatiefnemer om het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Bij grotere erven vragen we ook om een kwaliteitsimpuls in het landschap, waarmee het plan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten;  Bij het realiseren van zonneparken en (kleine) windmolens houden we rekening met de bestaande kernkwaliteiten (inpassen binnen het raamwerk van houtsingels);  Kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd. In dit gebied denken we daarbij aan het herstel van cultuurhistorische routes, het uitbreiden van het wandel- en ATB- en ruiterpadennetwerk, rustpunten, bed & breakfast, kamperen bij de boer, kleinschalige gastaccommodaties of innovatieve verblijfsrecreatieconcepten;  Bij het uitbreiden van erven of het realiseren van nieuwe functies, wordt de structuur van houtsingels langs de (oorspronkelijke) perceelsgrenzen zoveel mogelijk aangevuld en versterkt. Nieuwe landschapselementen dragen bij aan het versterken van de bestaande landschapsstructuur (o.a. verkavelingsrichting) en de biodiversiteit;  Bij bouwplannen en ontwikkelingen in dit deelgebied streven we naar het infiltreren en vasthouden van water in de bodem.

88

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9.8

Beekdal Tjonger

6.9.8.1 Ontstaansgeschiedenis Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (200.000 v. Chr.), ontstonden in Zuidoost-Friesland, als gevolg van de opstuwende werking van het landijs, noordoost-zuidwest lopende ruggen. In de gletsjertongen voor het ijsfront hebben zich brede beekdalen gevormd, zoals het beekdal van de Tjonger.

De lager gelegen gronden langs de Tjonger waren vanaf de bewoonde zandrug langs de Schoterlandse weg lange tijd in gebruik als weide- en hooilanden. Langs de Tjonger en in het noordelijk deel van de gemeente was sprake van een lange en smalle strokenverkaveling: een typische verkaveling voor de hooilanden.

Aanwezigheid van aardkundige waarden: oude meanders van de Tjonger, en een geleidelijke overgang van een keileemrug naar een beekdal; Onderdeel van de Friese Waterlinie (cultuurhistorisch erfgoed). Waarbij ter plaatse van doorwaadbare plekken schansen waren gevormd (Schoterschans en Tolbrugschans); Door de aanwezigheid van doorlopende fietspaden en een bevaarbare waterverbinding een belangrijke functie op het gebied van recreatie en toerisme; Het opkwellende grondwater van de hogere zandgronden heeft over het algemeen een goede kwaliteit, is rijk aan mineralen (vooral kalk en ijzer) en geeft aanknopingspunten voor de ontwikkeling van (nieuwe) natuurwaarden.

Tijdens de 80-jarige oorlog maakte de Tjonger deel uit van de Friese Waterlinie. Bij de Schoterbrug (bij Oudeschoot) en de Tolhuisbrug waren schansen gebouwd; dit waren de enige doorgangen richting Leeuwarden. Op deze manier werd de Friese hoofdstad beschermd. Eind 19e eeuw werd de kronkelende Tjonger rechtgetrokken en geschikt gemaakt voor scheepvaart. In de jaren 60 is langs de Tjonger een ruilverkaveling uitgevoerd, waardoor er relatief grootschalige landbouwkavels voorkomen.

6.9.8.3 Functionele gebiedsomschrijving Mede door ruilverkaveling is de Tjongervallei geschikt voor de agrarische functie. Langs de Tjonger zelf liggen verspreid enkele woonfuncties en (kleinschalige) recreatieve functies. Het gebied valt te typeren als rustig buitengebied met het accent op de agrarische functie in een groot deel van het gebied en het accent op recreatie langs de Tjonger.

6.9.8.2 Kernkwaliteiten  Grootschalig open gebied, met verspreid liggende boerderijen langs ruilverkavelingswegen;  Lange zichtlijnen, onbebouwde ruimtes en het ontbreken van weg- en erfbeplanting bepalen hier het landschapsbeeld ;  Aanwezigheid natte natuurgebieden, zoals de Tjongerdellen;  Struweelbosjes langs de Tjonger;

In de Tjongerdellen is momenteel geen sprake van grote verdrogingsproblemen. Door maatregelen in het verleden (herstel meanders, opheffing bemaling) zijn de omstandigheden voor vochtig hooiland voldoende (bron: Watergebiedsplan Tjonger). 6.9.8.5 Aandachts- en uitgangspunten  Bij het toevoegen van nieuwe functies vormt behoud van de openheid een belangrijk uitgangspunt. Omdat het gaat om een grootschalig gebied, is het toevoegen van nieuwe erven in de open ruimte een mogelijkheid, zolang er voldoende zichtlijnen over het beekdal in stand blijven;  Bij uitbreiding van bestaande agrarische erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij schaalvergroting tot 2,5 ha vragen we de initiatiefnemer om het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. Bij grotere erven vragen we ook om een kwaliteitsimpuls in het landschap, waarmee het plan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten;  Kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd.

In dit gebied denken we daarbij aan het verlengen en verbreden van het fietspad langs de Tjonger, het toevoegen van rustpunten, bed & breakfast, kamperen bij de boer, kleinschalige gastaccommodaties of innovatieve verblijfsrecreatieconcepten;  Wanneer er sprake is van (integrale) gebiedsontwikkeling, is het onze ambitie om het verbreden en verlengen van het fietspad langs de Tjonger daar op te laten meeliften;  Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen doen geen afbreuk aan het natuurlijke bodem- en watersysteem in het beekdal (inclusief de waterbergende functie). De waterbergende functie kan worden vergroot door het verbreden van bestaande sloten;  Ontwikkeling van nieuwe natte natuur is gewenst. Het ligt voor de hand dat gebieden waar (overheids)partijen als de gemeente, Wetterskip Fryslân, Staatsbosbeheer of de provincie de gronden in eigendom hebben hiervoor het eerst in aanmerking komen.

6.9.8.4 Ontwikkelingen en opgaven Langs de Tjonger liggen mogelijkheden om routegebonden recreatie verder te ontwikkelen en de (oorspronkelijke) beekloop beter herkenbaar en beleefbaar te maken. Daarbij ligt vanuit verschillende dorpen een wens om het fietspad langs de Tjonger te verlengen en te verbreden. In verband met klimaatverandering gaan beekdalen vaker een rol spelen bij het (tijdelijk) opvangen van water. Het beekdal van de Tjonger is zeer geschikt voor het (tijdelijk) bergen van water en het ontwikkelen van nieuwe natte natuurgebiedjes. Dit is vooral aan de orde in gebiedjes waar (overheids)partijen als de gemeente, Wetterskip Fryslân, Staatsbosbeheer of de provincie al gronden in eigendom hebben. Het beekdal kan hierdoor een sterkere rol als ecologische verbindingszone vervullen (onderdeel van het natuurnetwerk).

89

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 6.9.9

Heideontginningen

6.9.9.5 Aandachts- en uitgangspunten  In deze deelgebieden ligt het accent op de natuurfunctie. Nieuwe bebouwing in het gebied is in principe niet aan de orde, tenzij het kleinschalig is en ten dienste staat van het beheer of de beleving van het natuurgebied en de natuurwaarden;  Bij ontwikkeling van de toeristisch-recreatieve medegebruik houden we rekening met de draagkracht en natuurwaarden in het gebied;  Waar mogelijk, dragen ontwikkelingen (in de omgeving) bij aan het functioneren van het natuurlijke bodem- en watersysteem in het beekdal en het bestrijden van verdroging in natuurgebieden.

6.9.9.1 Ontstaansgeschiedenis Ten noorden van de oorspronkelijke Tjonger liggen hier en daar rivierduintjes, waarvan de "Kiekenberg" bij Oudehorne het hoogste punt van de gemeente vormt. Dit natuurgebied bestaat uit de drie deelgebieden; Grote- en Kleine Kiekeberg en het Tolheksbos. Het gebied, met een totale oppervlakte van bijna 100 hectare, ligt ten zuiden van Oudehorne op de noordrand van het Tjongerdal en is in eigendom en beheer van Staatsbosbeheer. Het Schuregaasterveld is een heiderestant op de noordelijke beekdalhelling van de Tjonger. Dit gebied ligt ter hoogte van Jubbega-Schurega en is in eigendom en in beheer van Staatsbosbeheer. De heide bestaat uit zowel droge als natte heide met veentjes. Ook is een oude Tjonger meander aanwezig die weer is open gegraven. De heideontginningen hebben in onze gemeente overwegend een natuur- en bosbestemming gekregen. 6.9.9.3 Functionele gebiedsomschrijving De heideontginningen vormen natuurgebieden, met een beperkte (extensieve) recreatiefunctie. 6.9.9.4 Ontwikkelingen en opgaven Als gevolg van klimaatverandering en de daling van de bodem in het veengebied, kan de verdroging in de hoger gelegen zandgebieden toenemen. Het Schuregaaster veld is opgenomen in de TOP-lijst, de inventarisatielijst voor verdroogde gebieden.

Hierin zijn diverse knelpunten aangegeven, zoals de doorsnijding van het natuurgebied met enkele diepe watergangen. Ook diverse delen van de Kiekenberg hebben te maken met verdroging. Daarom is het belangrijk om in dit deelgebied zoveel mogelijk water vast te houden in de bodem.

6.9.9.2 Kernkwaliteiten  Natuurwaarden van de Kiekenberg en het Schuregaaster veld;  Plaatselijk is aanzienlijk reliëf aanwezig. De Kiekenberg maakt daarom onderdeel uit van een aardkundig waardevol gebied langs de Tjonger;  Heideontginningen kennen van origine vaak een rechthoekige, rationale verkaveling. Deze verkaveling is op veel plekken verloren gegaan door natuurlijke processen;  Er is vrijwel geen bebouwing aanwezig.

90

Omgevingsvisie Heerenveen 2040

7 Uitvoeringshoofdstuk Omgevingsvisie 7.1 Inzet van verschillende instrumenten De Omgevingswet bevat verschillende instrumenten die worden gebruikt voor het realiseren van de doelstellingen uit de Omgevingswet en uit de gemeentelijke Omgevingsvisie. In dit hoofdstuk gaan we in op de verschillende instrumenten die bijdragen aan verwezenlijken, uitvoeren en actualiseren van de Omgevingsvisie.

Amvb's en Provinciale Omgevingsverordening

Nationale Omgevingsvisie en Provinciale Omgevingsvisie - kaders Rijk en Provincie

- judische regels van het rijk

- beleid op hoofdlijnen

- rechtstreeks bindend voor overheden en inwoners

Rijk en provincie leggen hun beleid op hoofdlijnen vast in een Omgevingsvisie. Zij werken dit uit in programma’s en in juridische regels (AMVB’s of Provinciale Verordening).

Gemeentelijke Omgevingsvisie - hoofdlijnen

Voor de gemeente zijn de volgende (wettelijke) instrumenten van belang:  De Omgevingsvisie voor het beleid op hoofdlijnen  Programma’s voor de uitwerking van het beleid voor thema’s of gebieden  Het Omgevingsplan voor de juridische regeling  Omgevingsvergunningen voor het toestaan van activiteiten (onder voorwaarden)  Toezicht en handhaving  Monitoring en evaluatie (voor het meten van de voortgang en het toetsen van het doelbereik)

- ambities - kernkwaliteiten - afwegingsprincipes - beleid en prioriteiten per gebied

Omgevingsplan

Deze instrumenten kunnen in een beleidscyclus worden geplaatst; beleidsontwikkeling, doorwerking, uitvoering en terugkoppeling. Het idee is dus dat beleid en regelgeving regelmatig worden geëvalueerd en herzien (zie paragraaf 7.7). De keuze voor de inzet van het instrumentarium wordt bepaald door de wettelijke bevoegdheden die de gemeente heeft en de rol(len) die zij heeft in het kader van de fysieke leefomgeving (faciliterend, stimulerend, regisserend/regulerend). Per opgave en gebied kan die rol verschillen. In hoofdstuk 4 zijn we ingegaan op de manier waarop we samenwerken met inwoners, organisaties en andere overheden. Naast de wettelijke instrumenten maken we daarom gebruik van een palet aan faciliterende en stimulerende instrumenten. Denk bijvoorbeeld aan samenwerkingsconvenanten, (privaatrechtelijke) overeenkomsten en subsidies.

Programma's

Onder andere:

- verplichte programma's

- begrenzing van gebieden

- voorwaardelijke programma's

- bouw- en gebruikregels

- vrijwillige programma's

- procesregels

- uitvoeringsgericht beleid

- omgevingswaarden

- thematisch of gebiedsgericht

Omgevingsvergunning - met bijpassende vergunningvoorschriften Figuur 7.1 Overzicht verschillende instrumenten

91

Omgevingsvisie Heerenveen 2040 7.2 Programma’s 7.2.1 Verschillende typen programma’s Het beleid uit de Omgevingsvisie wordt in programma’s verder uitgewerkt. Het kan gaan om beleid dat betrekking heeft op specifieke gebieden (gebiedsprogramma’s), thematische onderwerpen (sectorale programma’s) of de uitvoering van het beleid (uitvoeringsprogramma’s). Er wordt in de Omgevingswet een onderscheid gemaakt tussen verplichte, voorwaardelijke en vrijwillige programma’s:  Verplichte programma’s zijn verplicht op basis van de Omgevingswet, bijvoorbeeld om te voldoen aan Europese richtlijn (bijvoorbeeld het Actieprogramma geluid). Deze zijn in Heerenveen niet aan de orde;  Voorwaardelijke programma’s moeten worden vastgesteld wanneer uit monitoring blijkt dat een in het Omgevingsplan vastgelegde omgevingswaarde niet wordt gehaald. Zolang de gemeente nog geen Omgevingsplan heeft vastgesteld, is dit type programma voorlopig niet aan de orde;  De meeste programma’s zijn vrijwillige programma’s. Deze zijn vergelijkbaar met de sectorale beleidsplannen die we nu vaststellen. 7.2.2 Bestaande en nieuwe programma’s Bestaande (sectorale) beleidsdocumenten worden straks van rechtswege een programma. Andere beleidsdocumenten worden ingetrokken of geactualiseerd. Dit is een stapsgewijs proces. Beleid dat recent is vastgesteld, blijft voorlopig nog van toepassing.

Deze documenten worden bij toekomstige actualisaties geïntegreerd in de Omgevingsvisie. Een opsomming van alle vastgestelde programma’s, nieuwe en (te) vervallen programma’s is opgenomen in bijlage 7. Op dit moment voorzien we de uitwerking van een aantal (nieuwe) thematische programma’s:  Visie Circular Valley  Plan Waterrecreatie  Fietsplan  Programma Groenstructuur  Transitievisie warmte  Bodem en ondergrond  Uitwerking kwaliteitsimpuls landschap  Bedrijvigheid in het buitengebied (Voormalig agrarische bedrijven, nevenfuncties, etc) Op dit moment voorzien we volgende (nieuwe) gebiedsprogramma’s:  Stationsgebied Heerenveen  Akkrum, Centrum  Jubbega, Centrum  Aldeboarn, Centrum  A32-zone  Recreatiegebied de Heide  Gebiedsplan Aldeboarn-De Deelen

7.2.3 Werkwijze programma’s Een belangrijk verschil met de huidige werkwijze is dat programma’s straks worden vastgesteld door het college (artikel 3.4 Omgevingswet). De raad stelt de hoofdlijnen van het beleid vast met de Omgevingsvisie en laat de uitwerking daarvan over aan het college. De kaders van de programma’s worden dus bepaald in de Omgevingsvisie. Wanneer er geen duidelijke kaders zijn vastgesteld voor de uitwerking van een programma of er behoefte ontstaan aan een nieuw programma, kan het college de benodigde kaders ‘ophalen’ bij de raad. Bijvoorbeeld door het vaststellen van een startnotitie of door een (gedeeltelijke) actualisatie van de Omgevingsvisie (zie de actualiseringscyclus als beschreven in paragraaf 7.8). Voor diverse programma’s moet een voorbereidingskrediet worden vastgesteld en/of uitvoeringskrediet beschikbaar komen. Wanneer dit het geval is, is de gemeenteraad sowieso betrokken bij het opstellen van een programma omdat zij het budgetrecht heeft. Waar het gaat om grote investeringen, lopen die mee in de jaarlijkse investeringsagenda, zodat de raad elk jaar een integrale afweging van haar prioriteiten kan maken. De exacte planning van (de uitvoering van) nieuwe programma’s is daarom afhankelijk van de prioriteiten die de gemeenteraad stelt.

7.3 Projecten en investeringsagenda Om ambities uit de gemeentelijke Omgevingsvisie te realiseren worden de komende jaren diverse projecten uitgevoerd. Een deel van deze projecten komt tot stand door initiatieven vanuit de samenleving of vanuit marktpartijen. Andere projecten worden geïnitieerd door de gemeente of door middel van een publiek-private samenwerking. Diverse projecten zijn ook benoemd in de gebiedsgerichte uitwerking (hoofdstuk 6). Een deel van deze projecten is ingebed in de programma’s die zijn genoemd in de vorige paragraaf. Sinds 2020 werkt de gemeente Heerenveen met een investeringsagenda. Jaarlijks wordt de prioritering en fasering van projecten besproken waarvoor nog geen budget beschikbaar is. Dit betekent dat we nog niet voor alle projecten een specifieke uitvoeringsdatum voor de projecten kunnen geven; de planning hangt af van de beschikbaarheid van financiële middelen en de politieke prioriteiten. 7.4 Het Omgevingsplan Het Omgevingsplan bevat de juridische regels die nodig zijn om te voldoen aan de doelstellingen uit de Omgevingswet en de Omgevingsvisie. De gemeente heeft tot 2029 de tijd om alle bestemmingsplannen en verordeningen voor de fysieke leefomgeving om te zetten naar één Omgevingsplan voor het hele gemeentelijke grondgebied. We streven er naar om de regels zoveel mogelijk te formuleren vanuit het ’ja, mits-principe’.

De gebiedsgerichte uitwerking van de Omgevingsvisie vormt daarbij een belangrijk kader voor ontwikkelingen en kwaliteitsverbetering die we mogelijk willen maken (‘ja’) en de kwaliteiten die we willen beschermen (‘mits’). Wanneer ontwikkelingen ongewenst zijn, hanteren we af en toe ook

een ‘nee, tenzij-formulering’. Deze hebben we ook nodig om te kunnen handhaven op ongewenste ontwikkelingen (zie volgende paragraaf). In het handboek Omgevingsplan werken we een opzet voor standaardregels uit, zodat we in de gemeente een eenduidige regeling hanteren. Dit betekent niet dat we overal dezelfde regels hanteren, maar wel dat deze op een vergelijkbare manier zijn opgezet en worden geïnterpreteerd. Dit helpt om vlot vergunningen te verlenen. 7.5 Toezicht en handhaving Toezicht en handhaving zijn belangrijk om ongewenste activiteiten in de fysieke leefomgeving te voorkomen. Ze helpen om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de kernkwaliteiten of de gewenste Omgevingskwaliteit in de gemeente. Toezicht en handhaving zijn de ’ogen en oren’ van de gemeente. Het geeft ons een beeld hoe de uitvoering van het beleid en regels in de praktijk uitpakt. Het jaarverslag van toezicht en handhaving kan ook aanleiding geven om beleid en regels aan te passen (zie paragraaf 7.7). In het VTH-beleid staat waar we de prioriteiten leggen bij toezicht en handhaving en aan welke (kwaliteits)eisen medewerkers moeten voldoen. Medewerkers krijgen daarbij meer ruimte om te handelen vanuit de geest van de omgevingswet; het vertrouwen in regels en procedures verschuift naar het vertrouwen in vakmanschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerenveen&id=2b36be40-ffa9-427a-84cc-17812cf469f6