Bijlage 2 - Ontwerp-omgevingsvergunning inclusief bijlagen
Tekst van het document
Onderzoeksresultaten De gewenste ontwikkeling gaat niet gepaard met een van toename in het aantal dieren. Daarom is de gebruiksfase niet meegenomen in voorliggende AERIUS-berekening. Geconcludeerd wordt dat voor de aanlegfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.7.7.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er binnen het NNN geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De locatie is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het dichtstbijzijnde NNN/ecologische verbindingszone is gelegen op circa 50 meter afstand van het projectgebied. Zoals benadrukt in de toelichting op de provinciale verordening heeft het NNN geen schaduwwerking op nabij gelegen gronden. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland (bijv. areaalafname).
Mogelijk is tijdens de aanlegfase incidenteel geluid waarneembaar buiten het projectgebied, maar dit effect is incidenteel en kortstondig en heeft geen negatief effect op het beschermd (natuur)gebied. 4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing 4.7.3.2 Situatie projectgebied In voorliggend geval zijn de gronden van het projectgebied reeds in gebruik. Daarbij is sprake van intensief onderhoud van het projectgebied, waardoor het niet aannemelijk is dat beschermde flora en- of fauna binnen het projectgebied zich heeft kunnen vestigen. Gelet op het vorenstaande is een QuickScan ecologie niet noodzakelijk. 4.7.4
Conclusie
Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Archeologie & cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor kan onderzoek noodzakelijk zijn. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie projectgebied FAMKE (Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra) Archeologische waarden dienen op grond van het verdrag van Malta (1992) te worden meegewogen in de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen. Eén van de hulpmiddelen hierbij is het advies van FAMKE (Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra). De FAMKE bestaat uit twee provincie dekkende advieskaarten, één voor de periode steentijd - vroege bronstijd, en één voor de periode midden bronstijd - middeleeuwen.
De adviezen die voor de verschillende zones in Fryslân gegeven worden variëren van ‘streven naar behoud’ tot ‘geen nader onderzoek nodig’ Deze adviezen geven aan welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om op een verantwoorde manier om te gaan met het bodemarchief. De FAMKE geeft aan dat ter plaatse van het projectgebied voor de periode Steentijd-Bronstijd dat eventuele aanwezige archeologische resten al ernstig verstoord zijn maar dit niet met zekerheid te zeggen is. De beschrijving die hierbij hoort is ‘geen onderzoek noodzakelijk’. Afbeelding 4.1 toont een uitsnede van de Famke voor de periode Steentijd-Bronstijd. Het projectgebied wordt met een blauwe omlijning weergegeven. De FAMKE geeft aan dat ter plaatse van het projectgebied voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen dat hier zich archeologische resten kunnenbevinden uit de periode IJzertijd-Middeleeuwen. De beschrijving die hierbij hoort is ‘karterend onderzoek 1 (middeleeuwen)’. Afbeelding 4.2 toont een uitsnede van de Famke voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen. Het projectgebied wordt met een blauwe omlijning weergegeven. In de onderstaande tabel wordt de toelichting weergegeven bij de beschrijvingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
Type
Toelichting
Geen onderzoek noodzakelijk
Dit advies wordt gegeven als op basis van eerder onderzoek is gebleken dat er zich geen archeologische resten in de bodem bevinden, of wanneer de archeologische verwachting op gefundeerde gronden zeer laag is, en waar eventuele resten uit de steentijd zich vermoedelijk zodanig diep onder het maaiveld bevinden dat de kans op aantasting bij de meeste ingrepen zeer klein is.
Karterend onderzoek 1 (middeleeuwen)
In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 500m² een karterend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Dit archeologisch onderzoek moet bestaan uit minimaal zes boringen per hectare, met een minimum van zes boringen per plan, waarbij duidelijk wordt of er vindplaatsen in het projectgebied aanwezig zijn. De resultaten van het karterend onderzoek kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden. Mocht het projectgebied een bebouwde kom betreffen, dan dient in de onderzoeksstrategie rekening te worden gehouden met recente verstoringen die zich kunnen hebben voorgedaan. Worden er een of meerdere vindplaatsen worden aangetroffen, dan zal uit nader (waarderend) onderzoek moeten blijken hoe waardevol deze vindplaatsen zijn. De aard van dit waarderend (vervolg)onderzoek hangt af van het type aangetroffen vindplaats.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 4.1
Uitsnede uit de FAMKE voor de periode Steentijd-Bronstijd (Bron: FAMKE)
Afbeelding 4.2
Uitsnede uit de FAMKE voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen (Bron: FAMKE)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing Op basis van deze verwachtingskaart is in voorliggend geval een archeologisch onderzoek verplicht omdat de oppervlaktegrens voor onderzoek in het desbetreffende archeologische verwachtingsgebied wordt overschreden. In voorliggend geval is door Laagland een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In bijlage 6 is het gehele rapport opgenomen. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Onderzoeksresultaten In het projectgebied is sprake van een grote variatie in verstoringsdiepte. Verder zijn er geen archeologische indicatoren of relevante lagen aangetroffen. Wel zijn in twee boringen laagjes aangetroffen die als brandlaagjes zijn geïnterpreteerd. Deze wijzen vaak op begrazing in de periode voor de bedijking (IJzertijd – Vroege Middeleeuwen). Het archeologisch belang van dergelijke laagjes is laag. De archeologische verwachting kan hiermee worden bijgesteld naar ‘laag’ voor alle perioden. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het projectgebied archeologische sporen bevat, afgezien van diepe grondsporen. Dergelijke sporen zijn alleen door middel van gravend onderzoek op te sporen. In de praktijk wordt in een dergelijke situatie geen vervolgonderzoek geadviseerd. Om deze reden is het niet nodig vervolgonderzoek uit te voeren. He projectgebied kan worden vrijgegeven. 4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich in het projectgebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Wel zijn de gronden aangeduid met de aanduiding ‘Gaaf gebied’. De gronden met de aanduiding ‘gaaf gebied’ zijn mede bestemd voor het behoud en herstel van de cultuurhistorische en landschappelijke herkenbaarheid. De twee erfdelen (Leppedyk 54 en 61) waaruit het boerenbedrijf bestaat, zijn dusdanig los van elkaar gesitueerd, dat deze als op zichzelf staande erven kunnen worden beschouwd. Deze losse situering en het onderscheid tussen de erfdelen wordt met de gewenste ontwikkeling in stand gehouden. Het bestaande beeld van het westelijk erfdeel blijft onveranderd met de gewenste ontwikkeling.
Voor een goede landschappelijke inpassing blijft de beplanting op het westelijke erfdeel (Leppedyk 61) gehandhaafd en wordt nieuwe beplanting op het oostelijk erfdeel (Leppedyk 54) toegevoegd. De noord- en oostzijde van de Leppedyk 54 worden voorzien van beplanting. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
4.9
Besluit Milieueffectrapportage
4.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1.
2.
3.
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.
Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • •
4.9.2
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Situatie projectgebied
4.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het projectgebied ligt op circa 6,1 kilometer afstand van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Alde Feanen’. Zoals aangegeven in paragraaf 4.7 heeft de voorgenomen ontwikkeling geen significante negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. 4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor de gewenste ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.beoordeling, opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting. 4.9.3
Conclusie
Het projectgebied is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke milieugevolgen voor de omgeving, waardoor het voornemen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
4.10
Wateraspecten
4.10.1 Vigerend beleid 4.10.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de (deel)stroomgebieden bepaald. 4.10.1.2 Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 4.10.1.3 Provinciaal beleid In het Streekplan Fryslân 2007 wordt ruim aandacht besteedt aan de wateraspecten. De provincie heeft de volgende ambitie geformuleerd: Wij streven naar goede ruimtelijke condities voor een veilige en bewoonbare provincie en voor gezonde en veerkrachtige duurzame watersystemen waarin sociaaleconomische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht zijn. Water is een belangrijk mede ordenend principe in de ruimtelijke inrichting van Fryslân. Voor een goede waterbeheersing worden de nodige ruimtelijke maatregelen getroffen. Door klimaatverandering, bodemdaling en de toename van verhard oppervlak kan in veel gevallen voor een goede waterbeheersing niet meer worden volstaan met technische maatregelen. Voor een robuust en veerkrachtig watersysteem, dat zowel wateroverschotten als watertekorten goed kan opvangen, zullen de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing (on)mogelijkheden van het watersysteem medebepalend zijn voor de functionele bestemming en inrichting van de ruimte. Een goed functionerende Friese boezem is cruciaal voor de waterhuishouding van heel Fryslân. 4.10.1.4 Wetterskip Fryslân Het onderhoud en beheer van waterstaatswerken wordt uitgevoerd door de waterbeheerder; het Wetterskip Fryslân. Het Wetterskip heeft voor het beheer en onderhoud van de waterstaatswerken een Legger opgesteld. In de Legger worden de minimaal benodigde afmetingen van keringen beschreven om aan de veiligheidsnormen te voldoen. In de Legger wordt voor de wateren binnen het Wetterskip haar beheersgebied, de minimale eisen beschreven om een goede aan- en afvoer van water te realiseren. Naast het stellen van eisen aan de waterstaatswerken, vervult de Legger een functie in de handhaving van verbodsbepalingen die staan beschreven in de Keur. Dit betekent dat het zonder toestemming van het waterschap verboden is om gebruik te maken van een waterstaatswerk, inclusief beschermingszones. In het Waterbeheerplan 2022 – 2027 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen voor de komende jaren, de strategische keuzes die het waterschap maakt en de financiële consequenties daarvan.
Het Wetterskip Fryslân investeert de komende zes jaar in het versterken van dijken, de aanleg van waterbergingsgebieden, het langer vasthouden van zoet water en de verbetering van de waterkwaliteit. Ook richt het Wetterskip Fryslân de blik verder vooruit. Om de effecten van de klimaatverandering op te kunnen vangen zijn maatregelen en ruimtelijke keuzes onvermijdelijk. 4.10.2 Waterparagraaf 4.10.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
4.10.2.2 Watertoetsproces Het Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de ‘normale procedure’. Het resultaat van de watertoets is opgenomen in bijlages 8 van deze toelichting. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het Wetterskip Fryslân geeft, met inachtneming van de benodigde compenserende maatregelen voor de toename van het verhard oppervlak, een positief wateradvies. Daarnaast geeft het Wetterskip Fryslân het advies om bij nieuwbouw, het vloerpeil grofweg boven NAP te houden. In dit geval is dit niet mogelijk omdat de nieuwbouw moet aansluiten op de bestaande ligboxenstal (nu +/- 30 cm – NAP). Het advies is vanuit het waterschap om met de aanleg van technische (watergevoelige) installaties hier wel rekening mee te houden. 4.10.2.3 Waterhuishoudkundige aspecten Waterhuishouding Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het projectgebied
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Het projectgebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Oppervlaktewater Voor het dempen van de sloot wordt een watervergunning aangevraagd. De gedempte sloot wordt 100% gecompenseerd door de aanleg van een nieuwe sloot van 137 m2. Hemelwater De verharding neemt toe met minder dan 1500 m 2 in landelijk gebied. Ter compensatie van de verharding door de nieuwe melkstal en erfverharding wordt een sloot van 282m2 aangelegd. Afvalwater Het spoelwater dat ontstaat bij het (nat) schoonmaken van de stallen wordt opgevangen in spoelwaterputten en van over het land uitgereden. 4.10.3 Conclusie Gelet op het vorenstaande vormt het milieuaspect ‘water’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 5
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een exploitatieovereenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico van planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Andere bijkomende kosten met betrekking tot onderliggende procedure zullen ook worden geregeld middels deze exploitatieovereenkomst. De desbetreffende leges met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling zullen worden verhaald middels de legesverordening. Een en ander in aanmerking nemende kan worden geconcludeerd dat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6 6.1
VOOROVERLEG
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
6.2
Provincie Friesland
In het kader van het wettelijke vooroverleg wordt de ruimtelijke onderbouwing naar de provincie Friesland opgestuurd.
6.3
Wetterskip Fryslân
Het Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Deze toets resulteerde in een ‘normale procedure’. Hiertoe heeft vooroverleg met het waterschap Wetterskip Fryslân plaatsgevonden. De reactie van het waterschap is opgenomen in bijlage 9.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 1
Advies Nije Pleats
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
ADVIES NIJE PLEATS
Melkveebedrijf Oosterhof V.O.F. Leppedyk 61 te Akkrum
Datum ontwerpsessie Datum advies
7 december 2022 14 december 2022
DEFINITIEF
COLOFON
Status rapport: definitief
Opdrachtgever: Dhr. Hein Oosterhof (eigenaar) Dhr. André Haverkamp (adviseur) en Dhr. Rob Ligthart (tekenaar) Rapport opgesteld door: Nije Pleats Mw. Nelleke Linthorst Dhr. Wout Douwsma Gemeente Heerenveen Mevr. Laura van der Bijl, juridisch beleidsadviseur RO Mevr. Hanneke van der Lei, stedenbouwkundige Dhr. Gerrit van der Staal, omgevingsvergunningverlener Hûs en hiem Mevr. Wiepkjen Kingma, adviseur hûs en hiem, team Nije Pleats
2
INHOUDSOPGAVE INLEIDING............................................................................................................................................................... 5
2
3
4
3
1.1
Aanleiding .............................................................................................................................................. 5
1.2
Proces .................................................................................................................................................... 5
1.3
Leeswijzer .............................................................................................................................................. 5
HET BEDRIJF................................................................................................................................................. 6 2.1
Locatie ................................................................................................................................................... 6
2.2
Huidige bedrijfsvoering........................................................................................................................... 7
2.3
Wensen voor de toekomst ..................................................................................................................... 7
2.4
Geldend bestemmingsplan .................................................................................................................... 8
2.5
Locatie staluitbreiding ............................................................................................................................ 8
2.6
Details staluitbreiding ............................................................................................................................. 9
ADVIES NIJE PLEATS ................................................................................................................................. 11 3.1
Landschappelijke analyse .................................................................................................................... 11
3.2
Bestaande situatie ............................................................................................................................... 13
3.3
Advies en ontwerp................................................................................................................................ 13
3.4
Uitgangspunten voor beplanting .......................................................................................................... 15
3.5
Uitgangspunten voor de verschijningsvorm van de agrarische bebouwing.......................................... 15
3.6
Uitgangspunten voor de kleine windturbine ......................................................................................... 15
CHECKLIST PLANOLOGISCHE TOETS ..................................................................................................... 17
4
1
INLEIDING
1.1 Aanleiding Het melkveebedrijf van de familie Oosterhof aan de Leppedyk is bijzonder gelegen in het Friese landschap, pal aan het Prinses Magrietkanaal. Het bestaat uit de oorspronkelijke kop-hals-romp boerderij (waarbij het voorste gedeelte nieuw gebouwd is in de jaren 60) en een melkveestal aan de overzijde van de Leppedyk. Het bedrijf heeft een vergunning voor 140 melkkoeien en 60 stuks jongvee. Wat betreft melkproductie draait het bedrijf bijna op volledige capaciteit. De 60 stuks jongvee heeft de eigenaar uitbesteed. De melkstal bij het bedrijf is flink veroudert, maar functioneert nog. De beoogde uitbreiding draait dan ook om een verlenging van de schuur in noordelijke richting, waar de initiatiefnemer een nieuwe melkstal in realiseert. De nieuwe melkstal krijgt een swing-over systeem met een beweegbare vloer, en biedt ruimte aan het melken van 2x20 koeien per keer. Daaronder komt een kelder voor gieropslag. Het gebruik en de inrichting van de huidige stal blijft ongewijzigd, evenals het aantal koeien. Alleen de bestaande melkstal zal verdwijnen. De eigenaar heeft zijn vraag om uitbreiding voorgelegd aan de gemeente Heerenveen. De beoogde uitbreiding van de stal is voor een deel gelegen buiten het bouwvlak van het geldende bestemmingsplan. Ook zal de verlenging van de schuur tot vóór de voorgevel van het woongebouw komen.
Hierdoor zal voor de vergunning een uitgebreide procedure gevoerd moeten worden. Tevens is een sessie over de landschappelijke inpassing van de uitbreiding gewenst.
1.2 Proces Om de ruimtelijk-landschappelijke inpassing van de uitbreiding in beeld te brengen gebruiken we het voorliggende advies. Dit advies kan men ook gebruiken bij het planologische proces om de nieuwbouw mogelijk te maken, de uitbreiding van het erf en realisatie van de beplanting rondom het bedrijf. Het advies is geen vergunning op basis waarvan het bedrijf nu gerealiseerd kan worden. Het daarvoor geldende (juridische) proces moet de initiatiefnemer nog doorlopen. Het voorliggende rapport biedt een basis voor dat proces en kan altijd gebruikt worden als (extra) onderbouwing. Op donderdag 7 december 2022 was de Nije Pleats bijeenkomst op het erf van het melkveebedrijf. Tijdens het overleg op locatie zijn ideeën en randvoorwaarden uitgewisseld. We hebben tijdens deze bijeenkomst ook een doorkijkje gemaakt naar eventuele plannen in de verdere toekomst. De inrichting van het perceel en de bedrijfsvoering bieden voldoende mogelijkheden. 1.3 Leeswijzer Achtereenvolgens wordt in dit advies ingegaan op het bedrijf (hoofdstuk 2), het advies van de Nije Pleats (hoofdstuk 3) en een checklist voor de planologische toets (hoofdstuk 4).
5
2 2.1
HET BEDRIJF
Locatie
Het melkveebedrijf is gelegen in een gebied omklemd door verschillende functies. Ten noordwesten van het bedrijf loopt het PM Kanaal. Aan de oostzijde ligt de A7, met de spoorlijn tussen Leeuwarden en Heerenveen. Goed zichtbaar is ook het bedrijventerrein aan de zuidzijde van Jirnsum (aan de overzijde van het kanaal). Ten zuidwesten loopt de waterloop de Kromme Knilles, achter een dijkje. Op enige afstand liggen enkele andere agrarische bedrijven. Door al deze functies ligt het bedrijf in een zeer afwisselend landschap. Het melkveebedrijf ligt vlakbij Jirnsum, maar hoort officieel bij Akkrum, dat enkele kilometers verderop aan de zuidzijde ligt. De boerderij ligt aan de Leppedyk 61. De stal heeft een eigen nummer (nr. 54). Pal aan de zuidzijde staat nog een kleine woning (nr. 59), die eigendom is van de familie Oosterhof. Deze woning verhuren ze momenteel.
Grou
Jirnsum
A7
Akkrum Figuur 1. Ligging van het erf in de regio
6
2.2 Huidige bedrijfsvoering Het bedrijf was oorspronkelijk gelokaliseerd in het hoofdgebouw, de kop-hals-romp boerderij. In de jaren 60/70 groeide het bedrijf en is aan de andere zijde van de Leppedyk een koeienstal gebouwd. De bedrijfsactiviteiten verschoven daardoor meer naar de andere zijde van de weg. De oorspronkelijke stal werd in gebruik genomen voor opslag. Bij het hoofdgebouw staat ook een kleinere schuur voor machines. Aan deze zijde van de weg ligt ook het kuilvoer opgeslagen. Zo is de bijzondere situatie ontstaan dat het bedrijf doorsneden wordt door de Leppedyk, een smalle dijkweg vooral gebruikt door bestemmingsverkeer en fietsers. 2.3 Wensen voor de toekomst De eigenaar wil graag de bedrijfsvoering moderniseren, zeker nu de jongste zoon te kennen heeft gegeven het bedrijf te willen overnemen. Modernisering van de melkstal is daarom op zijn plaats. Deze willen ze realiseren door de bestaande stal te verlengen met ongeveer 25 meter. In het nieuwe deel komt de melkstal met de benodigde looproutes voor de koeien. Verdere groei van het bedrijf beoogt de familie Oosterhof vooralsnog niet. De huidige melkstal in de bestaande schuur zal worden gebruikt als opslag, en dhr. Oosterhof denkt erover om hier een klein kantoortje in te maken. Tijdens de sessie kwam ook de wens voor plaatsing van een kleine windturbine naar voren.
De plannen hiervoor zijn niet concreet, maar de mogelijkheid is meegenomen in het ontwerp.
Figuur 2. Nijepleats sessie op 7 december
7
2.4 Geldend bestemmingsplan Binnen het geldende bestemmingsplan (Bestemmingsplan Buitengebied 2008 van de toenmalige gemeente Boarnsterhim) heeft het bedrijf nog genoeg ruimte om uit te breiden. Het zit nog niet aan het gehanteerde maximum van 2 ha. Echter, de uitbreidingsrichting van het bedrijf ligt volgens het bestemmingsplan in westelijke richting. Dat heeft te maken met de ligging van het hoofdgebouw en de voorgevel van de bedrijfswoning. Een uitbreiding richting de voorzijde (in noordelijke richting) is in principe niet wenselijk. Vandaar dat het bestemmingsplan indertijd is uitgegaan van een uitbreidingsrichting aan de westelijke zijde. Ruimtelijk gezien is dit een logische keuze. Bedrijfsmatig gezien is dit juist een onlogische keuze.
Figuur 3. Detail van het geldende bestemmingsplan (brond: ruimtelijkeplannen.nl)
Het perceel heeft de bestemming ‘agrarisch gebied’, waarbij de gronden ook de aanduiding hebben gekregen ‘gaaf gebied’. Hier is extra aandacht voor behoud en herstel van de cultuurhistorische en landschappelijke herkenbaarheid van de gronden. De roze pijlen geven de toegestane uitbreidingsrichting weer in westelijke richting. In noordelijke richting is uitbreiding mogelijk tot aan de ligging van het huidige slootje. 2.5 Locatie staluitbreiding Bij de keuze voor een uitbreiding van de stal kunnen we in verschillende richtingen kijken: • Een uitbreiding in oostelijke richting (zoals het bestemmingsplan beoogt) levert grote logistieke uitdagingen op binnen in de stal. Omdat dhr. Oosterhof dan zou moeten kiezen voor twee losse stallen, of voor een stal in een L-vorm. Bij beide opties worden de looproutes voor de koeien complex, evenals het vervoeren van bijvoorbeeld voer, de afvoer van mest en het navigeren van zwaardere voertuigen. Het zou ook vragen om een groter bouwoppervlak dan bij een verlenging van de stal. • Een uitbreiding is westelijke richting is geen optie vanwege de ligging van de Leppedyk en het hoofdgebouw van het bedrijf. Het bestemmingsplan heeft logischerwijs ook geen rekening gehouden met een uitbreiding in deze richting.
8
•
•
Bij een verlenging in zuidelijke richting is weinig ruimte, met de ligging van de Leppedyk, de dijk en waterloop aan de zuidzijde daarvan. Een uitbreiding aan deze kant zal dan ook een conflict vormen met het streven naar behoud van het ‘gave gebied, zoals dat staat aangegeven in het bestemmingsplan. Bestaande sloten en de weg zouden worden verlegd.’ Een uitbreiding in zuidelijke richting komt ook bijzonder dicht op de bestaande woning op nr. 59 te liggen. Een uitbreiding aan deze zijde levert landschappelijk, cultuurhistorisch en ruimtelijk geen enkele meerwaarde op. Een verlenging van de stal in noordelijke richting is daardoor de meest optimale keuze. De uitbreiding kan deels gerealiseerd worden binnen het bouwvlak en voor een optimale bedrijfsvoering is een verlenging van de stal de beste keuze. Qua landschappelijke en cultuurhistorische waarden zijn goede aanwijzingen te geven (zie hoofdstuk 3) om de bestaande waarden te behouden en te versterken.
Gezien de ruime opzet van het bedrijf en het feit dat de Leppedyk het bedrijf in tweeën deelt, zijn alle aanwezigen van de Nije pleats sessie op 7 december het er over eens dat er landschappelijk gezien geen bezwaar is tegen een uitbreiding in noordelijke richting. Voorwaarde is wel dat er een goede landschappelijke inpassing komt, met hoogwaardig groen. Doordat de Leppedyk het bedrijf doorkruist is er ruimtelijk bijna sprake van twee losse bedrijfspercelen. Dat de nieuwe uitbreiding reikt voorbij de voorgevel van het hoofdgebouw, is daardoor geen bezwaar. Optisch gezien verwacht men niet dat dit storend is, of dat er afbreuk is van een landschappelijke kwaliteit. Omdat er wel sprake is van een uitbreiding met een hoger bouwvolume en de stal nu geen enkele groene omlijsting heeft, is de voorwaarde voor de uitbreiding wel, dat deze zeer goed wordt ingepast met groen. Zo valt het bedrijf beter op zijn plek in het landschap en kan er landschappelijk een meerwaarde bereikt worden. In hoofdstuk 3 gaan we hier verder op in. 2.6
Details staluitbreiding
Aan de noordzijde van de bestaande stal staat een kleine trafo van Liander. Dit gebouwtje van circa 1m bij 1m staat op een stukje grond in eigendom van Liander. Daardoor is de ligging van de staluitbreiding net iets opgeschoven naar het oosten. Zo kan de trafo ongemoeid blijven (verplaatsen van de trafo is een te kostbare aangelegenheid).
Figuur 4. Rechterzijaanzicht, kijkend vanaf de Leppedyk westelijke richting. (bron: Bouwkundig bureau Haverkamp)
Figuur 5. Achteraanzicht, kijkend vanaf de Leppedyk in noordelijke richting. (bron: Bouwkundig bureau Haverkamp)
9
Figuur 6. Beoogde uitbreiding van de bestaande stal in noordelijke richting. De bestaande trafo staat ingetekend naast de uitbreiding (bron: gemeente Heerenveen)
Figuur 7. Beeld vanaf de Leppedyk in noordelijke richting, links de ingang naar het hoofdgebouw, rechts de bestaande stal. Bij de silo’s staat ook de trafo.
10
3
ADVIES NIJE PLEATS
3.1 Landschappelijke analyse Het plangebied ligt in het kleigebied Oostergo en heeft als landschapstype ‘klei op veengebied’. Ten westen van het plangebied ligt de Boorn/Kromme Knillis met bijhorend beekdallandschap. De Leppedyk waaraan het plangebied ligt, is in het verleden aangelegd als waterkering langs deze waterloop. Een bijzonderheid is de aanwezigheid van het Prinses Margrietkaneel direct ten (noord)westen van het plangebied. Deze doorsnijdt het oorspronkelijke verkavelingspatroon. Klei op veengebied Van Stavoren (grofweg) diagonaal over Fryslân heen tot aan Rinsumageest in het noorden ligt een overgang tussen de klei en het laagveen: het zogenaamde ‘klei op veengebied’. De dikte van het kleidek varieert. Het gebied kenmerkt zich door een lage ligging en een open landschap met grasland als hoofdgebruik. De naam ’Het Lage Midden’ is hieraan ontleend. Het klei op veengebied heeft een open en grootschalig karakter. Door de openheid zijn de verschillende functies in de omgeving zoals de boerderijen, het bedrijven terrein van Jirnsum en het spoor, goed zichtbaar. De verkaveling is onregelmatig blokvormig tot mozaïekachtig. Het grondgebruik bestaat vooral uit weiden. De weiden zijn van elkaar geschieden met sloten met een hoog waterpeil. Beplanting concentreert zicht vooral in dorpen en op de boerenerven. En in dit geval ook bij de waterpartij ten zuiden van de boerderij.
Kenmerkend voor de beplantingen op de erven is dat deze een fragmentarisch beeld kennen. In het open gebied bepalen de bebouwing en de beplantingen samen het beeld van het landschap.
Figuur 8. Topografische kaart 1914 (openheid, kades, molens en polders bepalen het beeld)
11
Het klei op veengebied bestaat van oorsprong uit diverse kleinere polders. Openheid, een fijnmazig netwerk van kades, sloten, vrijliggende boerderijen en molens bepaalden het beeld (zie figuur 8). De oriëntatie van de boerderij in het plangebied is oorspronkelijk bepaald door de ligging van de verschillende kades rondom de diverse polders en de Boorn zuidelijk van de boerderij (er lijkt een kleine opvaart te zijn geweest). Opvallend is de aanwezigheid van enkele molens langs de dijk direct ten zuiden van het erf.
Figuur 9. Topografische kaart 1967 (de aanleg van het Prinses Margrietkanaal betekende een grote verandering)
De verkavelingsstructuur van het gebied is ondanks verschillende ontwikkelingen nog redelijk gaaf gebleven. Dhr. Oosterhof kiest bewust voor behoud van de huidige verkaveling. Grote veranderingen waren de aanleg van het Prinses Margrietkanaal direct ten westen van het plangebied (zie figuur 9), de aanleg van het bedrijventerrein van Jirnsum en de aanleg van een waterpartij op de hoek van de Boorn en het Prinses Margrietkanaal (zie figuur 10).
Figuur 10.
12
Topografische kaart 2021 (aanleg water/natuur op de hoek van de Boorn en het Prinses Margrietkanaal)
3.2 Bestaande situatie De bestaande situatie wordt gekenmerkt door twee erfdelen die door de weg van elkaar gescheiden zijn. Beide erfdelen hebben een eigen karakter. Het oorspronkelijke erf ligt aan de westzijde van de Leppedyk. Dit erf is in de jaren ‘60/‘70 uitgebreid met een nieuw losliggend erfdeel aan de oostzijde van de Leppedyk. Kenmerken westelijke erfdeel • Het erf ligt evenwijdig aan de weg. • Het erf is opgedeeld in een representatief voorerf en werkerf daarachter. Het voorerf heeft een groen karakter. Het werkerf wordt gekenmerkt door verharding en opslag van voer. • Het voorerf ligt op afstand van de weg en is hiervan gescheiden met een kleine weide. Het werkdeel ligt tegen de weg, maar is hiervan duidelijk gescheiden door opgaande beplanting. • De bebouwing bestaat uit een (deels herbouwde) kop-hals-romp boerderij gelegen op een kleine terp. • Her erf heeft een onregelmatige vorm met forse erfrandbeplanting aan drie zijden van het erf. De forse beplanting en de vrije ligging geven het erf een zekere allure. Kenmerken oostelijk erfdeel • Het erf ligt evenwijdig aan de weg. • De bebouwing ligt op afstand van de weg en is met een brede grasstrook gescheiden van de weg. • De bebouwing bestaat uit een langgerekte stal met een lage goot- en noklijn en twee ronde silo’s. • De bebouwing op het erf is niet landschappelijk ingepast.
De bebouwing staat kaal in het landschap. 3.3 Advies en ontwerp De concrete vraag die behandeld werd tijdens de Nije Pleats sessie was de inpassing van de uitbreiding van de bestaande stal. Gezamenlijk is onderzocht in hoeverre de situering van deze elementen op een landschappelijk, cultuurhistorisch en functioneel passende wijze mogelijk is. Zonder daarbij de mogelijke toekomstige wensen en ontwikkelingen in de weg te zitten. De ontwerpsessie heeft geleid tot onderstaand schetsontwerp voor de landschappelijke inpassing van nieuwe functies op dit perceel (zie figuur 11). De hoofdopzet met twee verschillende erfdelen blijft gehandhaafd. Deze opdeling is ook de legitimatie voor de inpassing van de nieuwe stal. Op het oostelijk (en nieuwste) erfdeel wordt de stal uitgebreid in noordelijke richting. De stal komt hiermee voor de voorgevel van de oorspronkelijke boerderij te liggen. Hoewel deze situering niet gangbaar is (stallen en loodsen liggen in principe altijd achter het woonhuis), is de uitbreidingsrichting in deze situatie passend. De twee erfdelen waaruit het boerenbedrijf bestaat, zijn dusdanig los van elkaar gesitueerd, dat deze als op zichzelf staande erven kunnen worden beschouwd. Het is dan ook belangrijk dat deze losse situering en het onderscheid tussen de erfdelen in stand wordt gehouden.
Handhaving van het bestaande beeld van het westelijk erfdeel is dan ook voorwaarde voor de landschappelijk inpassing van de nieuwe stal. Vanaf de weg gezien is het streefbeeld voor het oostelijke erfdeel dat de bebouwing in het gras staat. De ruimte tussen de weg en de bebouwing dient vrij te blijven van beeldverstorende elementen. Verharding is ondergeschikt in het beeld. Per saldo betekent dit dat vanaf de rand van de weg een zone van minimaal 15 meter breedte vrij te blijven dient van bebouwing en verharding; alleen inritten en de bestaande paden zijn hier toegestaan. Als de plannen voor een windturbine concreet zijn, dan kan deze worden ingepast ten zuiden van de bestaande stal. De windturbine staat minimaal op 15 meter afstand van de weg. Voor een goede landschappelijke inpassing blijft de beplanting op het westelijke erfdeel gehandhaafd en voegt de initiatiefnemer nieuwe beplanting op het oostelijk erfdeel toe. De noord- en oostzijde van dit erfdeel moeten worden voorzien van beplanting. Deze beplanting sluit qua grootte aan bij de schaal van de bebouwing. De beplanting mag afwijkend zijn van de beplanting op het westelijk erf, maar wel passen bij het landschap. 13
N
Figuur 11.
14
Schets landschappelijke inpassing
3.4 Uitgangspunten voor beplanting De beide erfdelen hebben/krijgen in het eindbeeld een eigen karakter en dit werkt door in de beplantingskeuze. Het westelijke deel heeft van zichzelf al een zekere allure door de aanwezige hoge bomen. Behouden (en in standhouden) van de bestaande bomen en struiken op het westelijk deel is randvoorwaarde. Voor het oostelijke deel is beplanting met een ruige, landschappelijk uitstraling uitgangspunt. Conform de tekening bestaat een deel uit een bomenrij en deel uit een combinatie van een bomenrij met aan weerszijden struiken. De bomen in het deel met bomenrijen mogen worden opgekroond t.b.v. een goede ventilatie in de stal. Het sortiment bomen en struiken moet inheems zijn, passend bij de ondergrond, het landschap en de schaal van de bebouwing (niet te klein, niet te groot). Om de biodiversiteit in stand te houden, dan wel te versterken wordt geadviseerd om te kiezen voor variatie in het type bomen en struiken. Geadviseerd wordt om een groenexpert met kennis van landschap en ecologie te betrekken in de uitwerking en realisatie van de plannen. Passende boomsoorten zijn in ieder geval zwarte els (Alnus glutinosa), schietwilg (Salix alba), kraakwilg (Salix fragilis) en vogelkers (Prunus padus). Passende struiksoorten zijn geoorde wilg (Salix auritea) en grauwe wilg (Salix cinera). De plantafstand van bomen is circa 6 tot 8 meter.
De struiken worden aangebracht in twee rijen (aan weerszijden van de bomenrij). De plantafstand van de struiken is 1 tot 3 meter. 3.5 Uitgangspunten voor de verschijningsvorm van de agrarische bebouwing De stal moet voldoen aan de welstandscriteria uit de welstandsnota van de gemeente Heerenveen. Voor het erf geldt een regulier welstandsambitieniveau. In de nieuwe situatie geldt dit ook voor de uitbreiding van de stal. Voor de vormgeving van de stal gelden ook onderstaande voorwaarden. • Het kleur- en materiaalgebruik afstemmen op de bestaande bebouwing. • Streven naar een kleinschalige uitstraling van de nieuwbouw. Dakoverstekken kunnen hierin een middel zijn. • Lichte kleuren blijven ondergeschikt, dit kan door de betonnen plint te beperken tot max. 1 meter hoogte en daarboven plaatmateriaal in een donkere, gedekte kleur toe te passen. • Aansluitend bouwen op de bestaande stal. Aan de straatzijde sluit het dak van de nieuwbouw aan op het dak van de bestaande stal en vormt deze een geheel. 3.6 Uitgangspunten voor de kleine windturbine Als de initiatiefnemer in de toekomst een windturbine wil plaatsen, dan gelden voor de inpassing onderstaande uitgangspunten, in aanvulling op het geldende provinciaal en gemeentelijk beleid. • • • •
15
Geplaatst op een ondergeschikte plek op het erf. Voldoende clustering met de overige bebouwing. De windturbine staat op minimaal 15 meter vanaf de weg. Een geschikte plaats voor de windturbine kan zijn ten zuiden van de bestaande stal.
Figuur 12.
16
Schetsen tijdens de Nije Pleats bijeenkomst
4 • • • • • • • • • • • • • •
17
CHECKLIST PLANOLOGISCHE TOETS
Beleidskader Toetsingskader kleine windturbines Heerenveen Hinder van bedrijven ProjectMER Verkeerslawaai Waterparagraaf Ecologisch onderzoek en berekening stikstof. Archeologisch onderzoek Externe veiligheid Luchtkwaliteit Bodemkwaliteit Verkeersaspecten Maatschappelijke haalbaarheid Financiële haalbaarheid
Leppdyk 54, Akkrum Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 2
Bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Verkennend (water) bodemonderzoek
Project:
2023-063
Locatie:
Leppedyk 54 te Akkrum
Opdrachtgever:
BJZ.nu Twentepoort Oost 16a 7609 RG Almelo
Datum:
8 juni 2023
Verkennend bodemonderzoek Leppedyk 54 te Akkrum
Verkennend (water) bodemonderzoek Leppedyk 54 te Akkrum
Opdrachtgever:
BJZ.nu Twentepoort Oost 16a 7609 RG Almelo
Adviesbureau:
Dumea Milieu Bornsestraat 24 7597 NE Saasveld
Status: Versie: Datum versie: Projectnummer:
Definitief 1 8 juni 2023 2023-063
Auteur:
Jeroen Hesselink*
Paraaf:
Kwaliteitscontrole:
Niek Hesselink *
Paraaf:
Veldwerkers:
: Mark Morsink, Jacco de Graaf (in opleiding), J. Montfroy (VCMI)
*De vermelde personen zijn akkoord met de openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
2023-063
8-6-2023
Pagina 2 van 23