Bijlage 2.8 Eindrapportage Financieel Masterplan Lelylijn
Tekst van het document
Eenvoud uitvoering1 Hoog
Inschatting kansrijkheid Hoog
Overig
Financieren Bekostigen
Financieel
Consortium van aannemers
Voordelen
Nadelen
•
• •
•
Geen winstopslag door benodigd rendement private investeerders Geen afhankelijkheid van private investeerders
Directe kasdruk op Rijksbegroting Geen externe risicodeling
Voordelen
Nadelen
•
• •
Duidelijkheid in procedures
Ongeschikt voor kapitaalintensieve projecten Minder innovatie en efficiëntie prikkels
1) Een model is wel/ niet eenvoudig wanneer er weinig/veel verschillende geldstromen, stakeholders en/ of juridische afspraken benodigd zijn
93
Bijlage H | Niet verder onderzochte alternatieve financieringsmodellen | ProRail 2.0 Het zelfstandig maken van ProRail biedt spreiding van kasdruk en potentieel impact op EMU-saldo maar past niet binnen het huidige stelsel en kent een zeer complexe uitvoering, resulterend in een lage ingeschatte kansrijkheid 3. ProRail 2.0 / RAB (TenneT-model)
ProRail 2.0 / RAB (TenneT-model)
ProRail 2.0 (Rijk 100% aandeel)
In dit model krijgt ProRail een meer zelfstandige positie ten opzichte van de staat. Net als TenneT zou ProRail zelf kapitaal aantrekken op de kapitaalmarkt, (met of zonder staatsgarantie). Tegenover de activa van ProRail komen meer leningen in plaats van investeringssubsidies op de balans, waarna de toezichthouder kan bepalen welk rendement ProRail mag behalen. Dit maakt het aantrekkelijker voor financiers om geld te verstrekken, omdat voorspelbare kasstromen en een gereguleerd rendement zekerheid bieden. Dat kan via hogere gebruiksvergoedingen, aanvullende commerciële activiteiten of beide. Wanneer ProRail vrijwel volledig zelfstandig opereert (zoals TenneT), volgt de impact op het EMUsaldo potentieel de omvang en het ritme van de gebruikersconcessies. Dit is echter op voorhand niet vast te stellen, gezien de daadwerkelijke EMU-impact achteraf wordt bepaald. Daarnaast bemoeilijkt de subsidie aan spoorvervoerders de zelfstandigheid van ProRail.
Termijnbetalingen tijdens bouwfase (ca. 10 jaar)
Sub alternatieven • Onderbrengen van bepaalde onderdelen zoals technische bovenbouw (bovenleiding, beveiligingssystemen, etc.) in (meerdere) DBFM(O)-contracten zoals bij HSL-Zuid
Subsidie t.b.v. kostendekkende gebruikersconcessies
Spoorvervoerders
Heen: Leningen tijdens bouwfase (ca. 10 jaar)
Het Rijk
Kostendekkende gebruikersconcessies na oplevering
Terug: Aflossing + rente (ca. 30 jaar)
Financieren Bekostigen
Opdracht geven Beheren
Spreiding investering 40-50 jaar (afschrijvingsperiode)
Financieel
Consortium van aannemers Aanleggen
Spreiding EMU-saldo Volgt potentieel duur gebruikersconcessie
Passend binnen huidig stelsel
Eenvoud uitvoering1
Laag
Laag
Inschatting kansrijkheid Laag
Overig
Vreemd vermogen (met staatsgarantie)
Voordelen
Nadelen
• •
• •
Verlaging druk op Rijksbegroting Voorspelbare kasstromen door de gereguleerde asset base
EMU-neutraliteit blijft een uitdaging Kostendekkende gebruiksvergoeding resulteren in hogere reizigers- en goederenprijzen en in financiële tekorten bij spoorvervoerders
Voordelen
Nadelen
•
•
Model prikkelt ProRail tot efficiënter beheer door baat bij rendement en risicobeheersing
•
Complex om aanvullende operationele kasstromen te vinden naast gebruikersconcessies Vergt wetswijzingen om ProRail te verzelfstandigen
1) Een model is wel/ niet eenvoudig wanneer er weinig/veel verschillende geldstromen, stakeholders en/ of juridische afspraken benodigd zijn
94
Bijlage H | Niet verder onderzochte alternatieve financieringsmodellen | ProRail 1.5 Het deels zelfstandig maken van ProRail biedt spreiding van kasdruk maar geen spreiding van EMU-saldo, past niet binnen het huidige stelsel en kent een redelijk complexe uitvoering, resulterend in een lage ingeschatte kansrijkheid 4. ProRail 1.5
ProRail 1.5
Het ProRail 1.5 model lijkt op het ProRail 2.0 model. Dit model dekt de kapitaallasten niet primair door hogere gebruiksvergoedingen of aanvullende commerciële inkomsten maar door vaste bijdragen uit het Mobiliteitsfonds. Ook in dit model kan ProRail snel kapitaal ophalen en meer autonomie krijgen in de uitvoering. De bekostiging blijft net als in Klassiek Publiek grotendeels publiek en afhankelijk van de budgettaire ruimte in het Mobiliteitsfonds. Echter is dit niet meer op kasbasis en kan daardoor langer worden uitgesmeerd over de tijd. De impact op het EMU-saldo volgt de omvang en het ritme van de termijnbetalingen vanuit ProRail aan het consortium van aannemers.
Vreemd vermogen (met staatsgarantie) Heen: Leningen tijdens bouwfase (ca. 10 jaar)
Terug: Aflossing + rente (ca. 30 jaar)
ProRail 1.5 (Rijk 100% aandeel)
Vergoeding voor aflossing + rente (ca. 30 jaar)
Mobiliteitsfonds (incl. regio en EU gelden)
Termijnbetalingen tijdens bouwfase (ca. 10 jaar)
Sub alternatieven • Onderbrengen van bepaalde onderdelen zoals technische bovenbouw (bovenleiding, beveiligingssystemen, etc.) in (meerdere) DBFM(O)-contracten zoals bij HSL-Zuid
Opdracht geven Beheren
Spreiding investering 40-50 jaar (afschrijvingsperiode)
Aanleggen
Spreiding EMU-saldo Volgt duur bouwfase
Passend binnen huidig stelsel Midden
Eenvoud uitvoering1 Midden
Inschatting kansrijkheid Laag
Overig
Financieren Bekostigen
Financieel
Consortium van aannemers
Voordelen
Nadelen
•
• •
gebruiksvergoedingen hoeven niet te stijgen door bekostiging infrastructuur
ESR-neutraliteit blijft een uitdaging ProRail blijft financieel afhankelijk van het Mobiliteitsfonds
Voordelen
Nadelen
•
•
Eenvoudiger te implementeren dan ProRail 2.0
Vergt wetwijzigingen om ProRail te verzelfstandigen
1) Een model is wel/ niet eenvoudig wanneer er weinig/veel verschillende geldstromen, stakeholders en/ of juridische afspraken benodigd zijn
95
Bijlage H | Niet verder onderzochte alternatieve financieringsmodellen | Regionale Spoorentiteit Het oprichten van een regionale spoorentiteit biedt spreiding van kasdruk voor het Rijk maar past niet binnen het huidige stelsel en kent een zeer complexe uitvoering, resulterend in een laag ingeschatte kansrijkheid 5. Regionale Spoorentiteit
Regionale Spoorentiteit (‘Public DBFM’) Vreemd vermogen (met staatsgarantie)
Publieke aandeelhouders (Rijk/ provincies)
Heen: Leningen tijdens bouwfase (ca. 10 jaar)
Heen: equity tijdens bouwfase (ca. 10 jaar)
Terug: Aflossing + rente (ca. 30 jaar)
Terug: dividend na oplevering (ca. 30 jaar)
De regionale spoorentiteit entiteit vervult deels de rol van ProRail, maar dan specifiek gericht op de Lelylijn. De entiteit heeft in beginsel een tijdelijk karakter (ca. 30 jaar) met publieke aandeelhouders (‘public DBFM’). Het fonds haalt zelfstandig kapitaal op bij private financiers of met staatsgarantie. De dekking van kapitaallasten en exploitatiekosten vindt hoofdzakelijk plaats via het Mobiliteitsfonds. De impact op het EMU-saldo volgt de omvang en het ritme van de termijnbetalingen vanuit de regionale aan het consortium van aannemers.
Regionale spoorentiteit (‘Public DBFM’)
Vergoeding voor aflossing + rente (ca. 30 jaar)
Mobiliteitsfonds (incl. regio en EU gelden)
Sub alternatieven • Onderbrengen van bepaalde onderdelen zoals technische bovenbouw (bovenleiding, beveiligingssystemen, etc.) in (meerdere) DBFM(O)-contracten zoals bij HSL-Zuid • Variant waarbij naast publieke ook private partijen aandeel hebben in de spoorentiteit • Betrekken van alle (spoor)infraprojecten in Noord-Nederland bij dezelfde regionale spoorentiteit
Termijnbetalingen tijdens bouwfase (ca. 10 jaar)
Spreiding investering 40-50 jaar (afschrijvingsperiode)
Aanleggen
Spreiding EMU-saldo Volgt duur bouwfase
Passend binnen huidig stelsel Laag
Eenvoud uitvoering1 Midden
Inschatting kansrijkheid Laag
Overig
Opdracht geven Beheren
Financieel
Consortium van aannemers Financieren Bekostigen
Een bekend voorbeeld is Transport for London, dat ticketverkoop en andere inkomstenstromen heeft toegevoegd en daardoor een grotere leencapaciteit kon creëren. Voor een vergelijkbaar construct voor het Noorden van Nederland zullen ook aanvullende inkomstenbronnen gevonden moeten worden.
Voordelen
Nadelen
• •
•
Mogelijkheid tot ESR-neutraliteit Zelfvoorzienend model op termijn
•
Lastig in te schatten financieel risico uit exploitatie inkomsten Hogere gebruiksvergoedingen komen ten koste van eindgebruikers
Voordelen
Nadelen
•
•
Meer betrokkenheid vanuit de regio
Oprichting nieuwe entiteit vergroot complexiteit vergeleken met huidige governance structuur
1) Een model is wel/ niet eenvoudig wanneer er weinig/veel verschillende geldstromen, stakeholders en/ of juridische afspraken benodigd zijn
96
Bijlage H | Niet verder onderzochte alternatieve financieringsmodellen | Financiering door provincies Het laten financieren door provincies biedt mogelijkheid tot verlagen kasdruk a.g.v. afschrijvingsmogelijkheid, maar lijkt niet haalbaar doordat dit niet passend is in provinciale begrotingen, resulterend in een lage kansrijkheid 8. Aanleg en financiering door provincies
Aanleg en financiering door provincies
In deze variant nemen de provincies zelf als opdrachtgever de aanleg en financiering van de Lelylijn ter hand. Een belangrijk verschil met het Rijk is dat provincies werken met een baten-lastenstelsel en daarmee de mogelijkheid hebben om af te schrijven op hun investeringen. Daarmee kunnen de kapitaallasten gespreid worden over de gebruiksduur van de lijn. De dekking van rente en aflossing komt nog steeds vanuit het Mobiliteitsfonds, maar de financiële verwerking en zeggenschap liggen regionaal. De impact op het EMU-saldo volgt de omvang en het ritme van de termijnbetalingen vanuit de provincies aan het consortium van aannemers.
Vreemd vermogen met staatsgarantie Heen: Leningen tijdens bouwfase (ca. 10 jaar) Terug: Aflossing + rente (ca. 30 jaar) Vergoeding voor aflossing + rente (ca. 30 jaar)
Provincies
Mobiliteitsfonds (incl. regio en EU gelden)
Termijnbetalingen tijdens bouwfase (ca. 10 jaar) maar afschrijving tijdens gebruiksduur (ca. 30 jaar)
Sub alternatieven • Onderbrengen van bepaalde onderdelen zoals technische bovenbouw (bovenleiding, beveiligingssystemen, etc.) in (meerdere) DBFM(O)-contracten zoals bij HSL-Zuid
Spreiding investering 40-50 jaar (afschrijvingsperiod e)
Aanleggen
Spreiding EMUsaldo Volgt duur bouwfase
Passend binnen huidig stelsel Laag
Eenvoud uitvoering1 Laag
Inschatting kansrijkheid Laag
Overig
Opdracht geven Beheren
Financieel
Consortium van aannemers Financieren Bekostigen
Gezien de omvang van de investering is het waarschijnlijk niet haalbaar om dit rechtstreeks in de provinciale begrotingen te plaatsen. Een aparte uitvoeringsentiteit of samenwerkingsorganisatie (bijvoorbeeld een gemeenschappelijke regeling of regionale NV) ligt meer voor de hand. Daarmee komt dit model dicht in de buurt van het eerder beschreven Regionale Spoorentiteit.
Voordelen
Nadelen
•
• •
Afschrijvingsmogelijkheid
Project te groot voor provinciale begrotingen Afhankelijkheid van Mobiliteitsfonds blijft
Voordelen
Nadelen
•
•
Meer betrokkenheid vanuit de regio
Complexe governance structuur
1) Een model is wel/ niet eenvoudig wanneer er weinig/veel verschillende geldstromen, stakeholders en/ of juridische afspraken benodigd zijn
97
Bijlagen
I: Combinatiemodel met sparen en DBFM(O) 2.0
Bijlage I | Combinatiemodel met sparen (DBFM(O) 2.0) Als alternatief op het Combinatiemodel o.b.v. een D&C-contract kan het model ook worden gecombineerd met een DBFM(O) 2.0 contract, met als voordeel een potentiële spreiding van impact op het EMU-saldo Beschrijving
Combinatiemodel met sparen
• Vreemd vermogen (evt. met staatsgarantie)
Publieke aandeelhouders (Rijk/provincies)
Heen: Leningen tijdens bouwfase (ca. 15-25 jaar)
Heen: equity tijdens bouwfase (ca. 10 jaar)
Terug: Aflossing + rente (ca. 30 jaar)
Terug: dividend na oplevering (nihil)
Gebiedsfonds
Niet benodigd indien gelijk met sparen begonnen wordt
Termijnbetalingen tijdens vroege fase (ca. 15 jaar)
Consortium van aannemers
Financieren Bekostigen
Vergoeding voor aflossing en rente
Opdracht geven Beheren
Aanleggen
Mobiliteitsfonds (incl. regio en EU gelden)
Niet benodigd indien gelijk met sparen begonnen wordt
Jaarlijkse beschikbaarheidsvergoeding na oplevering (ca. 30 jaar)
•
Het in Hoofdstuk 7.3 beschreven combinatiemodel met sparen kan ook gecombineerd worden met een DBFM(O) in plaats van D&C-constructie voor de hoofdwerkzaamheden. Dit zou als volgt kunnen werken: •
De vroege fase werkzaamheden worden via de klassieke route uitgevoerd (D&C) en betaald vanuit het Gebiedsfonds
•
De hoofdwerkzaamheden worden gefinancierd en uitgevoerd via één of meerdere DBFM(O) 2.0 contracten. Dit brengt de kwalitatieve voordelen van DBFM(O) zoals kwaliteit, beschikbaarheid en tijdigheid. Daarnaast wordt impact op EMU-saldo mogelijk gespreid ten opzichte van Klassiek (Special)
•
Jaarlijks wordt een vast bedrag gestort in een Gebiedsfonds. In plaats van dat het Gebiedsfonds kapitaal ophaalt op de markt wordt jaarlijks een vast bedrag gestort vanuit de Rijksbegroting (en regio) en spaart het voordat de werkzaamheden volledig aanvangen. Dit wordt gebruikt om later de kosten voor het D&C en DBFM(O) contract te betalen
Het voordeel van deze variant ten opzichte van een combinatie met enkel een D&C-contract is dat mogelijk de impact op het EMU-saldo gespreid kan worden. Wanneer de risico’s voor het grootste deel bij het consortium liggen, volgt de impact op het EMU-saldo naar verwachting de omvang en het ritme van de beschikbaarheidsvergoedingen vanuit het Mobiliteitsfonds aan het consortium.
DBFM(O) consortium
99
Bijlage I | Combinatiemodel met sparen (DBFM(O) 2.0) Een combinatie met een sparend Gebiedsfonds en DBFM(O) 2.0 levert een vergelijkbare kasdrukverlaging als met D&C, maar alleen in combinatie met een langere looptijd – spreiding van het EMU-saldo is hierbij gedeeltelijk mogelijk Figuur I.1: Kasritme Rijksbegroting: Gebiedsfonds (incl. btw, excl. indexatie, prijspeil 2024) 8,0
Combinatiemodel incl. sparend Gebiedsfonds
Inleg Gebiedsfonds t.b.v. investering
7,0
•
Het combinatiemodel, bestaande uit een combinatie van D&C en DBFM(O) 2.0 kan gecombineerd worden met een sparend Gebiedsfonds waarbij elk jaar een vast bedrag vanuit de begroting in het fonds gestort wordt
•
Dit komt, op basis van de uitgangspunten op de vorige slides, neer op een kasdruk inclusief exploitatie van €0,6 mld. op jaarbasis. Uitgaande dat het fonds zal gaan schatkistbankieren, kan het bedrag verder dalen
•
Met dit model wordt de kasdruk het meest verlaagd in absolute zin, maar ook in relatieve zin omdat het aandeel van het fonds t.o.v. van de (geïndexeerde) Rijksbegroting afneemt
•
Naar verwachting heeft dit enkel impact op de kasdruk en niet op het EMU-saldo. Dit volgt naar verwachting hetzelfde ritme als DBFM(O) 2.0
Inleg Gebiedsfonds t.b.v. exploitatie Saldo gebiedsfonds
6,0 5,0 4,0 3,0
Max. kasdruk = €0,6 mld.
2,0
0,6
1,0 0,0
’26
’30
’35
’40
’45
’50
’55
’60
’65
’70
’75
’79
’75
’79
Figuur I.2: Kasritme EMU-saldo: Gebiedsfonds (incl. btw, excl. indexatie, prijspeil 2024) 2,5
EMU-saldo impact
2,0
Hetzelfde ritme als bij DBFM(O) 2.0
1,5
1,2
1,0
0,8
0,5
0,2 0,0
’26
’30
’35
’40
’45
’50
’55
’60
’65
’70
100