Bijlage 1b.3 natuurtoets Jubbega Zuid
Tekst van het document
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega
projectnummer 0496879.100 concept revisie 0A 3 april 2025
www.anteagroup.nl
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 documentnummer 496879-NT-01 concept revisie 0A 3 april 2025
Auteur(s) A. Wiersma
Opdrachtgever Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V. K.R. Poststraat 101 8441 EN Heerenveen
Gecontroleerd E. Goutbeek
Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus
datum 3 april 2025
beschrijving concept
vrijgave J. Fuite
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding & planvoornemen Doel Leeswijzer
4 5 5
2.
Effectbeschrijving en -beoordeling
6
2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.3.7 2.3.8 2.3.9 2.4 2.5 2.6 2.6.1 2.6.2 2.6.3 2.7
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Effectbepaling voornemen Soortbescherming Afbakening relevante soortgroepen Vogels Zoogdieren – vleermuizen Zoogdieren – overige zoogdieren Amfibieën Reptielen Insecten Zorgplicht Invasieve soorten Natura 2000 NNN Overig provinciaal beleid Natuur buiten NNN Weidevogelkansgebied en ganzenfoerageergebied Beschermde houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap Kansen voor natuurwaarden in het plangebied
6 7 8 8 8 10 12 15 16 17 17 18 19 20 20 20 21 21 22
3.
Conclusie & advies
23
3.1 3.1.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.3 3.4
Soortbescherming Zorgplicht Gebiedsbescherming Natura 2000 NNN Natuur buiten NNN Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden bebouwingscontour houtkap Kansen voor natuurwaarden in het plangebied
23 24 25 25 26 26 26 26 26
Literatuurlijst
27
Bijlage 1 Wettelijk kader
29
Bijlage 2 Methodiek natuurtoets
38
Bijlage 3 Rode Lijst-soorten uit NDFF
41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding & planvoornemen In opdracht van Van Wijnen is door Antea Group een natuurtoets opgesteld ten behoeve van de realisatie van een nieuwe woonwijk ter hoogte van de 1e Wijk te Jubbega (provincie Fryslân, gemeente Heerenveen). Het plangebied is gelegen ten zuiden van de Line en ten oosten van de 1e Wijk te Jubbega. Het plangebied omvat de kadastrale percelen 528 (gedeeltelijk) 530, 531, 532 en 3.967 (gedeeltelijk) binnen sectie K gelegen in de kadastrale gemeente Mildam. De exacte inrichting van het plangebied is nog onbekend. Ten behoeve van het planvoornemen wordt een (deel van) de bosschages ten noorden en oosten van het plangebied gerooid. Mogelijk worden een sloot en enkele droogstaande greppels gedempt in het plangebied. Er worden geen gebouwen gesloopt. Het is nog niet bekend wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd, maar in ieder geval niet voor 2026. In figuur 1.1 en 1.2 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Gorredijk
Jubbega
Figuur 1.1: Regionale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron achtergrond: ESRI luchtfoto 2023
blad 4 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
Figuur 1.2: Gedetailleerde ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron achtergrond: ESRI luchtfoto 2023
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met beschermde planten- en dierensoorten en met beschermde gebieden. Er dient onderzocht te worden of het voornemen effect heeft op beschermde soorten, beschermde gebieden of houtopstanden (Omgevingswet (Ow), Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overig (provinciaal) beleid). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en/of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Dit wordt verkend in deze natuurtoets. Daarnaast worden kansen voor het verbeteren van natuurwaarden genoemd.
1.2
Doel Het doel van de natuurtoets is om een goed eerste beeld te krijgen van de (beschermde) natuurwaarden die in het plangebied en de (directe) omgeving aanwezig (kunnen) zijn. Dit gebeurt door het uitvoeren van een bureaustudie en oriënterend terreinbezoek. Op basis hiervan wordt getoetst of op de - in het kader van de Ow beschermde natuurwaarden - als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kunnen optreden. Daarnaast wordt ingegaan op de eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
1.3
Leeswijzer De natuurtoets is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding van de natuurtoets en voorgenomen ontwikkeling; Hoofdstuk 2 beschrijft het gebied en toetst de (in de omgeving) aanwezige beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden aan de Ow en overige beleidskaders. Tevens wordt hier kort aandacht besteed aan kansen voor de natuur; Hoofdstuk 3 bevat de conclusies en advies over de te nemen vervolgstappen. In bijlage 1 wordt het wettelijk kader beschreven. In bijlage 2 wordt de methodiek van voorliggende natuurtoets beschreven. In bijlage 3 worden de Rode Lijst-soorten uit NDFF benoemd.
blad 5 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
2.
Effectbeschrijving en -beoordeling In paragraaf 2.1 wordt allereerst een gebiedsbeschrijving van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2 de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.6 wordt respectievelijk ingegaan op de aanwezigheid van en toetsing aan beschermde soorten onder de Ow en aanwezige invasieve soorten, Natura 2000-gebieden, NNN, overig provinciaal beleid van de Provincie Fryslân en beschermde houtopstanden onder de Ow. In paragraaf 2.7 worden kansen voor het verhogen van de natuurwaarden in het plangebied uiteengezet. Indien blijkt dat een onderdeel van paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 niet relevant is voor voorliggend planvoornemen, vindt er geen toetsing van het voornemen aan de Ow (of ander relevant beleidskader) van dat onderdeel plaats.
2.1
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Methodiek Op 6 maart 2025 vanaf circa 13:00 uur een oriënterend terreinbezoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Antea Group bij onbewolkt weer, windkracht 2 Bft. en 15 ⁰C. Het plangebied is te voet bekeken. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op aanwezige boomnesten, holtes en scheuren. Verder is in het plangebied gezocht naar mogelijke verblijfplaatsen voor zoogdieren en amfibieën, zoals in aanwezige bosschages en ruigten. Gebiedsbeschrijving Het plangebied bevindt zich tussen de 1e Wijk en de Bramenstraat ten zuiden van Jubbega. Ten noorden, westen en oosten van het plangebied bevinden zich bosschages en houtwallen. In deze bosschages en houtwallen staan soorten zoals gewone esdoorn, zomereik, berk, hulst en hazelaar. Het plangebied zelf bestaat grotendeels uit een grasland wat in zuidelijke richting doorloopt. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een maïsperceel. Langs de randen van het grasland zijn greppels aanwezig waarin geen water stond van het terreinbezoek. In de sloot ten zuiden van het plangebied stond wel een ondiepe laag water. In figuur 2.1 is een impressie gegeven van het plangebied en de omgeving.
blad 6 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
Bosschage met voetpad ten noorden van het plangebied
Plangebied gezien vanaf inrit graslandperceel in westelijke richting
Grasland in plangebied gezien in zuidelijke richting met rechts aangrenzende bosschage
Plangebied gezien in noordelijke richting met op achtergrond bosschage noordelijk van plangebied
Plangebied gezien in noordelijke richting met rechts houtwal welke mogelijk (deels) gerooid wordt
Pad (1e wijk) aan andere kant van houtwal langs de watergang buiten plangebied
Figuur 2.1 Impressie van het plangebied en de omgeving. Bron: Antea Group, 2025.
2.2
Effectbepaling voornemen De volgende activiteiten vinden plaats als gevolg van het planvoornemen die een effect kunnen hebben op (het leefgebied van) (beschermde) soorten en beschermde gebieden tijdens de realisatiefase: De houtwal met bomen en ondergroei langs de 1e Wijk ten oosten van het plangebied wordt (deels) gerooid en afgegraven; Er worden enkele bomen en struiken gerooid in het noordelijke bosschage ten behoeve van de aanleg van het nieuwe fietspad; Er worden mogelijk enkele sloten/greppels gedempt in het plangebied; Er worden woningen gerealiseerd in het plangebied; Er worden wegen, een fietspad en groenvoorzieningen gerealiseerd; Er wordt gebruikt gemaakt van bouwverlichting tijdens de realisatiefase; Er vindt verstoring plaats door geluid en trilling tijdens de realisatiefase. Tijdens de gebruiksfase zijn de volgende activiteiten van toepassing die een effect kunnen hebben op (het leefgebied van) (beschermde) soorten en beschermde gebieden: Er zal sprake zijn van toename van verkeer in het plangebied; Er zal sprake zijn van permanente (straat)verlichting; Er zal een toename van geluid en trillingen plaatsvinden. blad 7 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
2.3
Soortbescherming In de onderstaande paragrafen worden per soortgroep de resultaten van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek beschreven. Indien soortgroepen op basis van het oriënterend terreinbezoek op voorhand kunnen worden uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop, zijn deze soortgroepen vermeld in paragraaf 2.3.1. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek wordt ingegaan op de mogelijk effecten die als gevolg van het planvoornemen op mogelijk aanwezige beschermde soorten kunnen optreden. Indien negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten, wordt geadviseerd over de te nemen vervolgstappen.
2.3.1
Afbakening relevante soortgroepen Op basis van de uitgevoerde bureaustudie (NDFF-waarnemingen laatste 5 jaar), het bekende natuurlijke verspreidingsgebied van beschermde soorten en de bevindingen uit het verkennend terreinbezoek kan de aanwezigheid van leefgebied van amfibieën, vissen, weekdieren, kreeftachtigen, vaatplanten, bladmossen en varens worden uitgesloten. Aanwezigheid van de overige soortgroepen (broedvogels, vleermuizen, landzoogdieren, reptielen en insecten) kan niet op voorhand worden uitgesloten. Deze soortgroepen worden in de hiernavolgende paragrafen nader beschouwd.
2.3.2
Vogels Soorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.1. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2020-2025). Soort Categorie Aalscholver 2 Bosuil 3 Buizerd 4 Gierzwaluw 2 Havik 4 Huismus 1 Huiszwaluw 2 Kerkuil 1 Ooievaar 3 Roek 2 Torenvalk 4 Wespendief 4
Zoals blijkt uit de bureaustudie is een aantal vogelsoorten waargenomen in de omgeving van het plangebied waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats, alsook bij wezenlijke aantasting van de functionele leefomgeving, altijd omgevingsvergunningsaanvraag flora- en fauna-activiteit moet worden aangevraagd. Dit zijn boombroedende soorten (zoals buizerd en havik), gebouwbroedende soorten (zoals gierzwaluw, huismus en huiszwaluw) en overige soorten (zoals ooievaar). Tijdens het terreinbezoek zijn binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden geen potentieel jaarrond beschermde nesten in bomen gevonden. De graslandpercelen in het plangebied kunnen wel onderdeel uitmaken van de functionele leefomgeving van boombroedende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest die in de wijde(re) omgeving broeden, zoals buizerd en havik. Voor deze en overige boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest maakt het plangebied geen essentieel onderdeel uit van de functionele leefomgeving. Tijdens en na afloop van de
blad 8 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
werkzaamheden blijft er voldoende vergelijkbaar foerageergebied ten zuiden van het plangebied behouden. Daarom zijn voor soorten met een jaarrond beschermd nest in bomen geen vervolgstappen benodigd. In de omgeving van het plangebied zijn gebouwen aanwezig. Tijdens het terreinbezoek zijn hier huismussen gehoord. In de gebouwen kunnen ook andere soorten, zoals gierzwaluw en huiszwaluw broeden. De gebouwen en bijbehorende groenvoorzieningen zoals tuinen blijven behouden. Bovendien zijn deze gebouwbewonende soorten goed aangepast aan menselijke verstoringsbronnen. Daarom heeft het planvoornemen geen effect op gebouwbewonende soorten met een jaarrond beschermd nest zoals de huismus. Geschikt broedbiotoop voor koloniebroeders, zoals aalscholver is in (de omgeving van) het plangebied niet aanwezig. Ook ontbreekt broedbiotoop voor de ooievaar (grote boomnesten of nesten op palen) en torenvalk (nestkasten op palen of boomnesten). Daarom is aanwezigheid van nesten van deze soorten uitgesloten in de omgeving van het plangebied. Er is geen sprake van een overtreding van een verbodsbepaling uit de Ow wat betreft jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4). Soorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 5) In de tabel op de volgende pagina zijn de waarnemingen van vogels met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven.
Tabel 2.2. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 5) in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2020-2025). Soort Categorie Boerenzwaluw 5 Gekraagde roodstaart 5 Kokmeeuw 5 Scholekster 5 Spreeuw 5
Nesten van de categorie 5-vogelsoorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. De weilanden in het plangebied kunnen broedgebied vormen voor de scholekster. Er is echter voldoende alternatief broedgebied in de weilanden ten zuiden van het plangebied voor de scholekster. De boerenzwaluw kan tot broeden komen bij bebouwing in de omgeving. Ook zijn er enkele nestkasten aangetroffen waarin de gekraagde roodstaart kan broeden. De bebouwing en deze nestkasten blijven behouden tijdens en na de werkzaamheden. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming voor de bovengenoemde soorten rechtvaardigen. De categorie 5 soorten valt daarmee onder de bescherming van algemene broedvogels. Algemene broedvogels Tijdens de terreinbezoeken zijn enkele potentiële algemene broedvogels waargenomen. Het gaat onder andere om merel, winterkoning en roodborst. In een groot deel van het plangebied kunnen vogels tot broeden komen. De graslanden zijn geschikt voor grondbroeders zoals kievit, scholekster, grutto en graspieper. De bosschages zijn potentieel broedgebied voor struweelvogels, zoals merel, roodborst en vink. Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Ow (artikel 11.37 Bal).
Indien nesten aanwezig zijn, mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door de werkzaamheden niet uit te voeren in het broedseizoen (circa maart tot en met juli1) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn (zie kader vervolgstappen). Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Ow aan de orde.
1
Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.
blad 9 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
Naar verwachting is het niet mogelijk om geheel buiten het broedseizoen om te werken gezien de lange duur van de werkzaamheden. In dat geval kan het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. De graslandpercelen moeten voorafgaand en tijdens het broedseizoen kort gehouden worden en er dienen stokjes met lintjes geplaatst te worden om grondbroeders te weren. De ecoloog dient in het veld de werking van deze maatregelen te controleren en eventueel bij te sturen. De bosschages kunnen niet ongeschikt worden gemaakt voor broedvogels. De houtwal ten oosten van het plangebied kan mogelijk voor broedseizoen weggehaald worden om broedvogels daar te voorkomen. Voordat gerooid kan worden moet middels nader onderzoek zijn uitgesloten dat andere beschermde natuurwaarden, zoals verblijfplaatsen voor marterachtigen aanwezig zijn. Wanneer ongeschikt maken niet mogelijk is kan (een deel van) de werkzaamheden mogelijk worden opgestart voorafgaande aan het broedseizoen en worden gecontinueerd in het broedseizoen. In overleg met een ecoloog dient bepaald te worden welke werkzaamheden in het broedseizoen kunnen worden uitgevoerd. Wanneer ook deze werkwijze niet haalbaar is, dient het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een deskundig ecoloog.
Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied, kunnen locatiespecifieke maatregelen worden voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is. Een andere optie is het instellen van een verstoringszone rondom de nestplaats waarbinnen niet gewerkt wordt. Wanneer één van bovenstaande werkwijzen wordt gehanteerd is er geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen uit de OW. Vervolgstappen algemene broedvogels • Bij voorkeur werken buiten het broedseizoen (circa maart t/m juli). Wanneer gewerkt wordt in het broedseizoen dient de onderstaande werkwijze gevolgd te worden: • In overleg met de ecoloog (delen van) het plangebied ongeschikt maken voorafgaand aan het broedseizoen door het maaien en korthouden van de vegetatie en/of het plaatsen van stokjes met lintjes; • Opstarten (deel van de) werkzaamheden voor het broedseizoen en continueren in broedseizoen in overleg met de ecoloog; • Controle op broedvogels voorafgaande aan de werkzaamheden door een ecoloog. De rooiwerkzaamheden in de bosschages kunnen alleen worden verricht wanneer middels nader soortonderzoek is uitgesloten dat er verblijfplaatsen van zoogdieren (zoals kleine marterachtigen en grote bosmuis) aanwezig zijn.
2.3.3
Zoogdieren – vleermuizen In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.3 Overzicht van waargenomen vleermuizen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2020-2025). Soort Beschermingsregime HR (artikel 11.46 Bal) Gewone dwergvleermuis X Laatvlieger X Rosse vleermuis X Ruige dwergvleermuis X
Voor vleermuizen zijn drie functies van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn. Dit zijn verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Foerageergebieden en vliegroutes zijn alleen beschermd als deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van de verblijfplaats, zogenaamde essentiële
blad 10 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
foerageergebieden en essentiële vliegroutes. Deze drie onderdelen (verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied) worden hieronder nader beschouwd. Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen hun verblijfplaats in gebouwen of bomen (of beide) hebben. Gebouwbewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren, onder dakbetimmering, achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen. Tijdens het terreinbezoek zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen in bomen aangetroffen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden daarom niet verwacht. In de omgeving van het plangebied zijn wel gebouwen aanwezig met potentiële verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten. De gebouwen worden echter niet aangetast door de werkzaamheden. De werkzaamheden hebben dus geen effect op verblijfplaatsen van vleermuizen. Wel dient lichtuitstraling tijdens de werkzaamheden voorkomen te worden in de actieve periode van vleermuizen welke loopt van circa april t/m oktober tussen zonsondergang en zonsopkomst. Dit kan door de bouwverlichting tijdens de bouwfase af te schermen, bijvoorbeeld met een kap op de verlichtingsbron en deze uitsluitend op de werkterreinen te richten. In de gebruikssituatie zal in het gebied permanente verlichting geplaatst worden.
Geadviseerd wordt in ieder geval uitstraling naar de omgeving (zoals de woningen, watergang en het bosschage) te voorkomen, zodat aanwezige vleermuizen niet worden verstoord. In het kennisdocument ’gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis’ van BIJ12 (2024ab) staan richtlijnen waaraan de verlichting moet voldoen om verstoring te minimaliseren. Voor de implementatie van de verlichting kan een verlichtingsplan worden opgesteld. In onderstaand kader zijn de vervolgstappen wat betreft vleermuizen samengevat. Wanneer bovenstaande werkwijze wordt gehanteerd is er geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen uit de OW. Vervolgstappen verblijfplaatsen vleermuizen • Bij gebruik bouwverlichting dient deze afgeschermd te worden en uitsluitend gericht te zijn op het werkterrein; • De toekomstige verlichting in het plangebied dient vleermuisvriendelijk te zijn. Er wordt geadviseerd uitstraling van bouwverlichting naar de omgeving (met name gebouwen, watergangen en bosschages) te voorkomen en eventueel een verlichtingsplan op te stellen.
Essentiële vliegroutes Vliegroutes van vleermuizen betreffen (vaak) lijnvormige elementen in het landschap die als verbinding tussen verblijfplaatsen en foerageergebied fungeren. De houtwal ten oosten van het plangebied kan een vliegroute voor vleermuizen vormen. Echter vormt het bosschage aan de overzijde van de watergang parallel aan de 1e Wijk een alternatieve vliegroute waarmee de houtwal niet als essentiële vliegroute wordt aangemerkt. Essentieel foerageergebied Foerageergebied van vleermuizen betreft locaties waar vleermuizen hun voedsel verzamelen. Dit kunnen uiteenlopende gebieden zijn. De weilanden en bosschages in het plangebied kunnen fungeren als foerageergebied. Er is geen sprake van unieke vegetatiestructuren die in de omgeving niet aanwezig zijn. Rondom het plangebied is voldoende gelijkwaardig foerageergebied aanwezig. Daarmee is er geen sprake van essentieel foerageergebied in het plangebied.
blad 11 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
2.3.4
Zoogdieren – overige zoogdieren In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van zoogdieren in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.4 Overzicht van waargenomen zoogdieren in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2020-2025). Soort Beschermingsregime Art. 11.46 Bal Art. 11.54 Bal en Art. 11.54 Bal en Bijlage IX Bijlage IX Vrijgestelde zoogdieren Bunzing X Egel X Ree X Steenmarter X Wolf X
In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van de boommarter, das, eekhoorn, grote bosmuis gedaan (NDFF). Op basis van het terreinbezoek is gebleken dat in de omgeving van het plangebied mogelijk toch geschikt leefgebied aanwezig is voor deze soorten, zoals de (deels) te rooien bosschages rondom het plangebied (zie figuur 2.1). Bovendien valt het plangebied binnen het landelijke verspreidingspatroon van deze soorten. Daarom zijn deze soorten ook meegenomen in de onderstaande toetsing. Boommarter De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Het gaat om verschillende typen bos, van jong moerasbos tot oud loofbos. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, in inrottingsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan (Zoogdiervereniging, 2025). Uit het terreinbezoek blijkt dat de omgeving van het plangebied geschikt is voor de boommarter. In de bosschages rondom het plangebied zijn echter geen geschikte rust- of nestplaatsen aangetroffen, zoals ingerotte boomholtes of nestkasten. Wel zijn er houtstapels en dichte struiken aanwezig welke als tijdelijke rustplaatsen kunnen dienen. Deze zijn niet essentieel aangezien er voldoende alternatieve rustplaatsen aanwezig zijn in de omgeving welke intact blijven.
Er is daarom geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen uit de OW wat betreft de boommarter. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte leefgebieden voor de das. Dassen maken gebruik van een dassenburcht, waar ze met een hele familiegroep in leven. Deze burchten bevinden zich in bosranden, houtwallen, brede heggen, in hoogliggend terrein of op hellingen en altijd in de buurt van gras- en akkerland en water. De das is een alleseter en leeft voornamelijk van regenwormen (stapelvoedsel), maar ook van bosvruchten, gevallen fruit, noten, eikels, knollen, maïs, koren, paddenstoelen, knaagdieren, slakken, kevers en hommel- en wespenbroed. Dassen prefereren graslanden met kort gras als hun jachtterrein (BIJ12, 2017 & Zoogdiervereniging, 2025). In het plangebied zelf is geen essentieel leefgebied van de das aanwezig, aangezien tijdens het terreinbezoek geen verblijfplaatsen (zoals burchten) of sporen (zoals prenten) zijn aangetroffen. Het is niet helemaal uitgesloten dat de das (sporadisch) de weilanden gebruikt om te foerageren of te verplaatsen. Er is echter voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving van het plangebied aanwezig.
Door uitstraling van bouwverlichting zoals hiervoor beschreven voor vleermuizen tegen te gaan wordt eventuele verstoring van foeragerende dassen tevens voorkomen. Er is daarom geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Ow indien lichtverstoring wordt voorkomen. Eekhoorn Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied voor. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is. Eekhoorns verblijven in holle ruimtes van bomen of maken zelf meerdere
blad 12 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
bolvormige takkennesten hoog in de boom. De takkennesten hebben ieder een eigen functie, zoals een kraamfunctie of foerageerplek (zoogdierverenging, 2025). Tijdens het terreinbezoek is de omgeving van het plangebied gecontroleerd op aanwezige eekhoornnesten. Er zijn geen nesten aangetroffen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. De bosschages (in de omgeving) van het plangebied zijn daarom geen onderdeel van het (essentiële) leefgebied van de eekhoorn. Er is daarom geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Ow. Grote bosmuis Tot voor kort kwam de grote bosmuis alleen in Zuid-Limburg en het uiterste oosten van Nederland voor. Inmiddels gaat het beter met de soort en verspreid de grote bosmuis zich snel meer landinwaarts en zijn er waarnemingen bekend van Drenthe tot aan het noorden van Groningen. De meeste waarnemingen zijn afkomstig van oude eiken- en beukenbossen met een uitgebreide struiklaag. Waar de meer algemene bosmuis voornamelijk in open gedeeltes voorkomt komt de grote bosmuis enkel in dicht begroeide delen voor. De grote bosmuis kan goed klimmen en kan daarmee boomzaden als hazelnoten en eikels eten. De grote bosmuis bouwt een nest als verblijfplaats. Het nest bekleden ze met bladeren en mos en bevindt zich meestal onder wortelstronken van grote bomen ondergronds.
Een grote bosmuis wordt gemiddeld 4 maanden oud, waarbij de meeste dieren de winter niet overleven (Zoogdiervereniging, 2025). In de nabije omgeving van het plangebied zijn (nog) geen waarnemingen van de soort bekend (NDFF). Echter is uit het terreinbezoek gebleken dat de bosschages waarin gerooid wordt wel geschikt leefgebied kunnen vormen. Bovendien is de soort recent met een sterke uitbreiding van haar leefgebied bezig én wordt deze soort maar beperkt onderzocht waarmee niet is uitgesloten dat de soort in de bosschages rondom het plangebied aanwezig is. Geadviseerd wordt daarom nader soortonderzoek uit te voeren in de bosschages die worden gerooid (zie onderstaand kader). Indien de soort wordt aangetroffen dient een vergunning flora en fauna activiteit aangevraagd te worden. In onderstaand kader is het benodigde nader onderzoek beschreven. Vervolgstappen grote bosmuis • Nader soortonderzoek naar de grote bosmuis. Hiervoor kunnen life traps worden geplaatst waarbij een prebait periode van 2 dagen wordt aangehouden. De vallen dienen in de periode september t/m november voor tenminste 2 nachten in het veld geplaatst te worden.
Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) De bunzing heeft een voorkeur voor kleinschalig landschap met houtwallen, greppels en sloten met overhangende vegetatie, ook dorpen en buitenwijken van steden vormen geschikt leefgebied. De hermelijn komt in allerlei habitats voor zoals in bossen, houtwallen, duinen, akkers, vochtig terrein etc. De enige voorwaarde is dat er voldoende dekking aanwezig is. Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap maar verder in veel verschillende biotopen. De soort leeft meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel (Zoogdiervereniging, 2025). In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van de bunzing, hermelijn en wezel gedaan (NDFF). Op basis van de aanwezige habitat in het plangebied kan aanwezigheid van deze soorten niet worden uitgesloten. De bosschages in het plangebied zijn potentieel leefgebied voor de kleine marterachtigen. In de bosschages liggen takkenhopen die kunnen fungeren als verblijfplaats. Daarbij fungeren de bosschages tevens als verbindend element waarlangs kleine marterachtigen zich verplaatsen. Daarnaast kunnen de bosschages en het grasland foerageergebied vormen. Er is echter voldoende alternatief en vergelijkbaar foerageergebied in de omgeving van het plangebied aanwezig wat niet wordt aangetast.
Daarom is er geen sprake van essentieel foerageergebied in het plangebied. In figuur 2.2 en 2.3 zijn de onderdelen van het leefgebied in het plangebied van kleine marterachtigen weergegeven. Er wordt geadviseerd om op basis van het uitgevoerde terreinbezoek en de habitatbeoordeling zoals weergegeven in figuur 2.2 een vergunning flora en fauna activiteit aan te vragen waarbij wordt aangenomen dat er (verblijfplaatsen) in de bosschages, takkenhopen en -rillen aanwezig zijn die aangetast worden door de werkzaamheden. Een alternatief is het uitvoeren van nader soortonderzoek naar aanwezigheid van de soorten. Er is namelijk een kans dat kleine marterachtigen niet aanwezig zijn in het plangebied en er dan dus geen vergunning nodig is. blad 13 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
Hierbij wordt gebruikt gemaakt van wildcamera’s en struikrovers welke gedurende 8 weken tussen juni en half november in het plangebied worden geplaatst (BIJ12, 2024c). Wanneer er geen kleine marterachtigen worden aangetroffen hoeft geen vergunning aangevraagd te worden. Indien er wel kleine marterachtigen worden aangetroffen moet alsnog een vergunning aangevraagd worden.
Legenda Habitat kleine marterachtigen plangebied
Figuur 2.2 Ligging van potentieel habitat voor kleine marterachtigen in het plangebied. Bron achtergrond: ESRI luchtfoto 2023
Figuur 2.3 Voorbeelden van potentiële habitat voor de kleine marterachtigen waar struweel gerooid wordt. Foto links: houtstapel met mogelijke verblijfplaats in te rooien houtwal. Foto rechts: struweel ten zuiden van plangebied waar toekomstig fietspad doorheen komt.
In de tabel op de volgende pagina zijn de vervolgstappen voor de kleine marterachtigen aangegeven.
blad 14 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
Vervolgstappen kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) • Aanvragen vergunning flora en fauna activiteit op basis van uitgevoerde habitatbeoordeling in het plangebied; • Alternatief: Uitvoeren van nader soortonderzoek met wildcamera’s en struikrovers gedurende 8 weken in de periode juni t/m half november (BIJ12, 2024c); Vrijgestelde soorten zoogdieren in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is in de omgeving van het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten, zoals steenmarter, ree, egel en muizensoorten (onder andere rosse woelmuis en veldmuis). De bosschages en weilanden in het plangebied kunnen habitat vormen voor deze soorten. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de Provincie Fryslân geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in dat de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.9 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.
2.3.5
Amfibieën In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van amfibieën in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.5 Overzicht van waargenomen amfibieën in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 20202025). Soort Beschermingsregime Art. 11.46 Bal Art. 11.54 Bal en Art. 11.54 Bal en Bijlage IX Bijlage IX Vrijgestelde amfibieën Bruine kikker X Bastaardkikker X Groene kikker onbekend X
In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen beschermde soorten amfibieën waargenomen. Op basis van het terreinbezoek worden deze ook niet verwacht in (de directe omgeving van) het plangebied, aangezien geschikt voortplantingswater in de omgeving ontbreekt. Er is daarom geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Ow. Wel kunnen er andere soorten amfibieën aangetroffen waarvoor de zorgplicht van toepassing is. Vrijgestelde soorten amfibieën in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is in de omgeving van het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten, zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. De sloot in het uiterste zuiden van het plangebied was tijdens het terreinbezoek watervoerend en kan voortplantingshabitat voor deze soorten vormen. De bosschages kunnen als overwinteringsverblijfplaats dienen. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de Provincie Fryslân geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in dat de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.9 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.
blad 15 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
2.3.6
Reptielen Ondanks dat er geen reptielen zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied blijkt op basis van het terreinbezoek en het landelijke verspreidingspatroon dat de (omgeving) mogelijk toch geschikt leefgebied vormt voor de ringslang. Daarom is deze soort meegenomen in de toetsing. Ringslang De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. De ringslang legt 20-30 eieren per legsel in composthopen, bladhopen en mestvaalten. Over natuurlijke eiafzetplekken van de ringslang is weinig bekend. In natuurlijke riviersystemen zijn dit waarschijnlijk hopen bij elkaar gespoeld organisch materiaal. In venen zijn drooggevallen horsten van bijvoorbeeld zeggen of russen geschikt. Ingerotte boomstobben en dichte lagen organisch materiaal met broei worden ook gebruikt (RAVON, 2025). Op basis van het terreinbezoek blijkt dat de watergang ten oosten van het plangebied door de ringslang kan worden gebruikt om zich te verplaatsen. Er zijn echter geen geschikte voortplantingsplekken in de (directe) omgeving van het plangebied aanwezig. Wel kunnen de bosschages als (tijdelijke) verblijfplaats fungeren en kan de soort zonnend en/of trekkend in het plangebied aanwezig zijn.
Echter zijn er in de omgeving voldoende andere bosschages met potentiële verblijfplaatsen aanwezig die als verblijfplaats kunnen fungeren en waarnaar de soort kan uitwijken. Geadviseerd wordt om de rooiwerkzaamheden buiten de winterrustperiode van de ringslang uit te voeren, zodat wordt voorkomen dat onverhoopt dieren worden verwond of gedood tijdens deze kwetsbare periode. Uitvoering van de rooiwerkzaamheden kan tussen half maart en half oktober plaatsvinden bij temperaturen hoger dan 10 graden wanneer de soort voldoende actief is. Hierbij dient stapvoets te worden gereden en eventuele houtstapels of dichte struiken dienen onder ecologische begeleiding handmatig verwijderd te worden. Zo kan de ringslang zelfstandig wegkruipen en wordt een overtreding van verbodsbepalingen uit de OW voorkomen. Wanneer bovenstaande werkwijze niet haalbaar is dient een nader soortonderzoek uitgevoerd te worden naar aanwezige verblijfplaatsen van de ringslang. Het nader soortonderzoek naar de ringslang wordt uitgevoerd volgens het soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2023). De onderzoeksperiode is tussen april en september. Er zijn 5 terreinbezoeken benodigd waarbij gekeken wordt naar zonnende exemplaren en waarbij een route langs oeverzones en structuurovergangen in het plangebied wordt gelopen.
Wanneer blijkt dat de ringslang gebruik maakt van het plangebied dient een vergunning flora en fauna activiteit aangevraagd te worden. In onderstaand kader zijn de benodigde vervolgstappen voor de ringslang beschreven. Vervolgstappen ringslang • Rooiwerkzaamheden uitvoeren gedurende de actieve periode van de ringslang (tussen circa half maart en half oktober) bij temperaturen hoger dan 10 graden. Daarnaast stapvoets rijden en eventuele verblijfplaatsen (zoals houtstapels en dichte struiken) onder ecologische begeleiding handmatig verwijderen; • Wanneer bovenstaande werkwijze niet haalbaar is dient nader soortonderzoek uitgevoerd te worden. Uitvoeren nader soortonderzoek in de periode april t/m september volgens het soortinventarisatieprotocol van het NGB (2023).
blad 16 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
2.3.7
Insecten In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van insecten in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.6 Overzicht van waargenomen amfibieën in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 20202025). Soort Beschermingsregime Art. 11.46 Bal Art. 11.54 Bal en Art. 11.54 Bal en Bijlage IX Bijlage IX Vrijgestelde amfibieën Noordse winterjuffer X
Noordse winterjuffer Noordse winterjuffers planten zich voort in helder, matig voedselrijk, niet zuur water met een ijle rietvegetatie, soms galigaan of kleine lisdodde. Dit zijn meestal verlandingsvegetaties van petgaten, maar het kan ook zeer langzaam stromend water zijn. De overwintering kan op verschillende plekken plaatsvinden maar voornamelijk op heideterreinen in pollen pijpenstrootje (Vlinderstichting, 2024). Op circa 100 m ten oosten van het plangebied is één waarneming gedaan van de Noordse winterjuffer (NDFF). In het plangebied is geen geschikt voortplantingshabitat aanwezig. Als overwinteringsplaatsen worden meestal heidegebieden met pollen pijpenstrootje gekozen. De bosschages in en rondom het plangebied hebben derhalve naar verwachting geen (essentiële) functie als overwinteringsgebied. Het aangetroffen imago betreft waarschijnlijk een zwervend individu opzoek naar een overwinteringsplek in de wijde omgeving. Daarom is er geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen uit de OW wat betreft de werkzaamheden.
2.3.8
Zorgplicht In de omgeving van het plangebied kunnen vrijgestelde zoogdieren (haas, konijn en ree), amfibieën (zoals bruine kikker) en insecten (zoals dagvlinders en bijen) aanwezig zijn. Deze soorten zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht voor de Ow in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is de zorgplicht van toepassing. Zo moet een initiatiefnemer een beeld hebben van de (bijzondere) natuurwaarden op en nabij het plan- of projectgebied. In het kader van de specifieke zorgplicht dient een initiatiefnemer in het geval van verslechterende effecten actief te anticiperen op het voorkomen of verzachten van deze effecten. Onder de Ow dient onder andere extra aandacht besteed te worden aan soorten van de Rode Lijsten. Provincies kunnen onder de Ow beleidskaders opstellen over hoe en met welke soorten (van de Rode Lijsten) rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht. Vooralsnog zijn deze aanvullende beleidskaders nog niet opgesteld. In de voorliggende rapportage is daarom gekozen voor het opnemen van waarnemingen van de Rode Lijst-soorten in de NDFF in het plangebied. De Rode Lijst-soorten waarvan waarnemingen in de NDFF bekend zijn, zijn opgenomen in bijlage 3. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen, wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten worden gegarandeerd. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 2.7. Daarnaast zijn bij het oriënterend veldonderzoek bosschages in en rondom het plangebied waargenomen. Deze hebben een hoge natuurwaarde voor bijvoorbeeld vogels, kleine zoogdieren, amfibieën en insecten. Indien mogelijk is het aan te bevelen deze structuren te behouden en te optimaliseren of binnen het plangebied nieuwe bosschages aanleggen. Hierdoor wordt de biodiversiteit in het gebied versterkt. (Rode Lijst) Soorten kunnen hiervan profiteren. Zie ook paragraaf 2.8. Daarnaast kunnen de maatregelen genoemd in tabel 2.7 bijdragen aan het voorkomen van negatieve effecten op (Rode Lijst) soorten.
blad 17 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
Tabel 2.7. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Soort(groep) Maatregel Grondgebonden zoogdieren • Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie (en eventueel bosschages) op het werkterrein kort maaien en kort houden tijdens de werkzaamheden. Deze maatregel mag niet leiden tot aantasting van de functionaliteit van andere beschermde natuurwaarden (zoals verblijfplaatsen van marterachtigen, grote bosmuis en ringslang); • Eén richting op werken naar aanwezige dekking en stapvoets rijden (zoals bosschages); • Ontgravingen na de werkzaamheden zoveel mogelijk afdekken of aanvullen met grond. Alternatief is het plaatsen van loopplankjes of grondhopen in de ontgravingen; • Verlichting dient uitsluitend op het werkterrein gericht te worden en uitstraling naar de omgeving moet worden voorkomen.
Vissen, libellen en amfibieën • Niet werken in watergangen bij temperaturen beneden het vriespunt; • Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie op het werkterrein kort maaien en kort houden tijdens de werkzaamheden; • Eén richting op werken naar aanwezige dekking en stapvoets rijden (zoals bosschages); • Bij werken in watergangen rustig één richting opwerken naar open water; • Bij dempen van sloten aanwezige vissen en amfibieën overplaatsen naar nabijgelegen watergang onder begeleiding van een ecoloog; • Werken in de actieve periode van amfibieën (gemiddeld half maart t/m half oktober) zodat deze zelfstandig weg kunnen komen van de werkzaamheden. Insecten en vaatplanten • Uitsluitend de benodigde vegetatie op de werkterreinen kortmaaien. Bij voorkeur gefaseerd maaibeleid toepassen, zodat altijd voldoende vegetatie intact blijft
2.3.9
Invasieve soorten In de omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van de invasieve soorten bekend (NDFF). Ten tijde van het terreinbezoek zijn ook geen invasieve exoten aangetroffen in (de omgeving van) het plangebied. Derhalve zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.
blad 18 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
2.4
Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Van Oordts Mersken’ ligt op circa 5 kilometer ten noordwesten van het plangebied (zie figuur 2.4). Dit gebied is aangewezen op basis van de Vogelrichtlijn. Binnen een straal van 15 kilometer liggen verschillende andere Natura 2000-gebieden, namelijk Van Oordt’s Mersken, Het Sneekermeer, De Alde Feanen, Het Wijnjeterperschar en De Rottige Meenthe.
Van Oordt’s Mersken Bakkeveense duinen
De Deelen
Wijnjeterperschar Fochteloërveen
Drents-Friese Wold
Figuur 2.4. Ligging Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (zwarte punt). Bron data: PDOK webservice. Bron achtergrond: ESRI Topo RD
Bij voorliggend planvoornemen is sprake van zowel een realisatie als gebruiksfase. Er kan daardoor sprake zijn van zowel tijdelijke als permanente effecten. De Natura 2000-gebieden liggen buiten het invloedsgebied van alle storingsfactoren, zoals bijvoorbeeld verdroging of geluid- en lichtverstoring, met uitzondering van verzuring en vermesting. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie tijdens de realisatiefase en gebruiksfase niet op voorhand uit te sluiten. De enige manier om inzicht te krijgen in de aard en omvang van het effect van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden, is het uitvoeren van een stikstofberekening met behulp van AERIUS Calculator. Geadviseerd wordt dan ook om een dergelijke berekening uit te voeren. Indien uit de AERIUS-berekening volgt dat er als gevolg van het voornemen een verhoogde stikstofdepositie plaatsvindt op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden, dient dit ecologisch te worden beschouwd door middel van een ecologische Voortoets Stikstof (zie kader volgende pagina).
blad 19 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
Vervolgstappen – Natura 2000-gebieden Er dient een AERIUS-berekening te worden opgesteld voor zowel de realisatie- en gebruiksfase. Indien sprake is van een toename in stikstofdepositie, dient een ecologische Voorstoets Stikstof te worden opgesteld.
2.5
NNN Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het NNN (zie figuur 2.5). Het dichtstbijzijnde NNNgebied is gelegen op circa 15 m ten oosten van het plangebied. Aangezien er geen sprake is van externe werking in de provincie Fryslân zijn vervolgstappen niet aan de orde.
Figuur 2.5. Ligging van het plangebied (zwart omkaderd) ten opzichte van NNN-gebieden. Bron data: Provincie Fryslân. Bron achtergrond: ESRI topo RD
2.6
Overig provinciaal beleid
2.6.1
Natuur buiten NNN In het plangebied liggen bosschages die vallen onder natuurgebieden buiten het NNN (zie figuur 2.5). Deze gebieden vallen onder het natuurbeheertype ‘Dennen-, eiken en beukenbos’ (N15.02) (zie figuur 2.6). Het bosschage tussen het plangebied en de 1e Wijk wordt (deels) gerooid en waarschijnlijk wordt er ook begroeiing gerooid in het noordelijke bosschage ten behoeve van het nieuwe fietspad. Er dient contact te worden opgenomen met de provincie Fryslân om te bepalen of er vervolgstappen benodigd zijn vanuit de gebiedsbescherming.
blad 20 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
Figuur 2.6. Aangewezen natuurbeheertype ten opzichte van liggen plangebied (zwart omkaderd). Bron data: Provincie Fryslân. Bron achtergrond: ESRI topo RD
Vervolgstappen – Natuur buiten NNN Er dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag (provincie Fryslân) om te bepalen of vervolgstappen benodigd zijn voor werkzaamheden in het natuurgebied buiten NNN.
2.6.2
Weidevogelkansgebied en ganzenfoerageergebied In de omgeving van het plangebied liggen geen aangewezen weidevogelkansgebieden of ganzenfoerageergebieden. De dichtstbijzijnde gebieden liggen op meer dan 5 km afstand. Effecten door de werkzaamheden zijn daarom op voorhand uitgesloten.
2.6.3
Beschermde houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap In (de directe omgeving van) het plangebied zijn bosschages met bomen aanwezig. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden deze bomen gedeeltelijk gekapt en/of worden houtopstanden mogelijk aangetast. Daarnaast wordt ook de ondergroei binnen deze houtopstanden verwijderd. Een separate toetsing beschermde houtopstanden is daarom noodzakelijk. In deze nadere toetsing (valt buiten de scope van voorliggende natuurtoets) wordt in eerste instantie bepaald of de houtopstanden beschermd zijn, en zo ja onder welk beschermingsregime (buiten de bebouwingscontour houtkap en/of Omgevingsplan). Daarnaast wordt in de nadere toetsing houtopstanden bepaald of eventuele vervolgstappen noodzakelijk zijn. Mogelijke vervolgstappen bij kap van bomen zijn: een melding houtkap (op basis van Bal – Ow) of een omgevingsvergunning houtkap (gemeentelijke beleid van gemeente Heerenveen). Ook kunnen graafwerkzaamheden binnen de invloedssfeer van de boomwortels een effect hebben op de vitaliteit van de boom. In dat geval is een Boom Effect Analyse (BEA) noodzakelijk, waarbij wordt getoetst in hoeverre bomen in de invloedssfeer daadwerkelijk negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen
blad 21 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
werkzaamheden ondervinden. Hierbij kan worden aangenomen dat de wortels van de bomen reiken tot over de gehele breedte van de boomkroon. In onderstaand kader zijn de benodigde vervolgstappen voor beschermde houtopstanden beschreven. Vervolgstappen - houtopstanden • Indien bomen (inclusief rest van de houtopstanden zoals struiken) moeten worden gerooid dient uitgezocht te worden of deze vallen onder beschermde houtopstanden vallen. Vervolgens dient een melding of vergunning ingediend te worden bij het bevoegd gezag (Provincie of gemeente). Mogelijk is er ook sprake van een compensatieplicht; • Wanneer in de buurt van bomen gegraven wordt (binnen de boomkroon) dient een boomeffectanalyse (BEA) uitgevoerd te worden.
2.7
Kansen voor natuurwaarden in het plangebied Het meenemen van biodiversiteit, door het behouden van aanwezige natuurwaarden en deze te vergroten, verbeteren of verbinden, kan van grote meerwaarde zijn binnen een project. Het kan zorgen voor een gezonde en aantrekkelijke woonomgeving en levert integrale kansen ten aanzien van duurzaamheids- en klimaatadaptatiedoelen, zoals waterretentie, hittestress beperking, luchtzuivering, etc. Daarnaast kan het bijdragen aan acceptatie van het plan door de omgeving/omwonenden. Binnen het plan zijn er diverse mogelijkheden voor het toevoegen van natuurwaarden en daarmee biodiversiteit. Hierbij kan gedacht worden aan het realiseren van (nieuwe watergangen) met natuurvriendelijke oevers, de ontwikkeling van kruidenrijke en bloemrijke vegetaties, het aanleggen of optimaliseren van de (bestaande) houtwallen en bosschages, het plaatsen van nestkasten voor broedvogels of vleermuizen, het aanleggen van een voedselbos etcetera. Indien gewenst kunnen deze mogelijkheden verder worden uitgewerkt in een biodiversiteitsadvies en meegenomen worden in het definitieve inrichtingsplan van het gebied.
blad 22 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
3.
Conclusie & advies In dit hoofdstuk is per onderdeel de conclusie en het advies gegeven dat voortkomt uit de uitgevoerde natuurtoets.
3.1
Soortbescherming Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Ow) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen vogels met jaarrond beschermd nest in gebouwen, algemene broedvogels, vleermuizen, overige zoogdieren (bunzing, hermelijn, wezel en grote bosmuis) en reptielen (ringslang). In tabel 3.1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in paragraaf 2.3 van voorliggende natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht. Tabel 3.1 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming. Soort(groep) Essentieel leefgebied in Nader onderzoek (directe omgeving van) nodig? plangebied?
Maatregelen?
Omgevings-vergunning flora- en faunaactiviteit Ow aan de orde? Nee, mits de maatregelen uit tabel 3.2 worden opgevolgd.
Vogels (algemene broedvogels)
Ja, nestgelegenheid in onder andere opgaande begroeiing (zoals bosschages), weilanden en oevers van watergangen.
N.v.t.
Ja, zie tabel 3.2
Zoogdieren (diverse soorten vleermuizen) – verblijfplaatsen en vliegroutes in de omgeving van het plangebied Overige zoogdieren (bunzing, hermelijn en wezel)
Ja, mogelijke vliegroutes buiten het plangebied.
Nee, indien lichtuitstraling voorkomen wordt.
Ja, zie tabel 3.2
Nee, mits de maatregelen uit tabel 3.2 worden opgevolgd.
Ja, mogelijk leefgebied met verblijfplaatsen aanwezig (zie figuur 2.3 en 2.4)
Eventueel, indien niet een vergunning flora en fauna activiteit wordt aangevraagd op basis van de habitatbeoordeling (zie hoofdstuk 2.3.4).
Ja, zie tabel 3.2
Overige zoogdieren (grote bosmuis)
Ja, mogelijk leefgebied met verblijfplaatsen in de bosschages. Ja, mogelijk overwinteringsgebied in de te rooien bosschages
Ja, zie tabel 3.3
Ja, zie tabel 3.2
Nee, tenzij geadviseerde werkwijze (zie tabel 3.2) niet gevolgd kan worden.
Ja, zie tabel 3.2
Ja, aanvragen vergunning op basis van habitatbeoordeling (zie hoofdstuk 2.3.4) OF aanvraag vergunning bij aanwezigheid op basis van uitkomsten nader onderzoek. Mogelijk, afhankelijk van uitkomsten nader onderzoek Mogelijk, afhankelijk van uitkomsten nader onderzoek.
Reptielen (ringslang)
Vrijgestelde soorten
Zie tabel 3.4
In tabel 3.1 is aangegeven dat een overtreding van de Ow voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Deze maatregelen zijn in tabel 3.2 uiteengezet. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Voor de overige soorten is nader soortonderzoek benodigd (zie tabel 3.3).
blad 23 van 41
Natuurtoets Realisatie nieuwe woningbouw nabij Jubbega projectnummer 0496879.100 3 april 2025 revisie 0A Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V.
Tabel 3.2. Beschrijving maatregelen om overtreding van de Ow te voorkomen. Soort(groep) Maatregelen Algemene broedvogels • Bij voorkeur werken buiten het broedseizoen (circa maart t/m juli). Wanneer gewerkt wordt in het broedseizoen dient de onderstaande werkwijze gevolgd te worden: • In overleg met de ecoloog (delen van) het plangebied ongeschikt maken voorafgaand aan het broedseizoen door het kortmaaien en houden van de vegetatie en het plaatsen van stokjes met lintjes; • Opstarten (deel van de) werkzaamheden voor broedseizoen en continueren in broedseizoen in overleg met de ecoloog; • Controle op broedvogels voorafgaande aan de werkzaamheden door een ecoloog. De rooiwerkzaamheden in de bosschages kunnen alleen worden verricht wanneer middels nader soortonderzoek is uitgesloten dat er verblijfplaatsen van zoogdieren (zoals kleine marterachtigen en grote bosmuis) aanwezig zijn. Zoogdieren (diverse • Indien in de schemer en het donker (door)gewerkt wordt dient lichtverstoring soorten vleermuizen) voorkomen te worden door bouwverlichting niet te schijnen op bomen, watergangen en gebouwen. Reptielen (ringslang) • Rooiwerkzaamheden uitvoeren gedurende de actieve periode van de ringslang (tussen circa half maart en half oktober) bij temperaturen hoger dan 10 graden.
Daarnaast stapvoets rijden en eventuele verblijfplaatsen (zoals houtstapels en dichte struiken) onder ecologische begeleiding handmatig verwijderen zodat aanwezige ringslangen kunnen wegkruipen.
In tabel 3.1 is aangegeven dat er (mogelijk) nader onderzoek nodig is naar zoogdieren (grote bosmuis, bunzing, hermelijn en wezel) en reptielen (ringslang) indien geen maatregelen genomen kunnen worden. De beschrijving van dit nader onderzoek wordt in tabel 3.3 uiteengezet. Tabel 3.3. Beschrijving nader onderzoek. Soort Onderzoeksmethode Zoogdieren (bunzing, • Het nader soortonderzoek dient plaats te vinden met wildcamera’s en struikrovers hermelijn en wezel) gedurende 8 weken in de periode juni t/m half november (BIJ12, 2024c). Overige zoogdieren • Het nader soortonderzoek vindt plaats met life traps. Er wordt een prebait periode van 2 (grote bosmuis) dagen aangehouden. De vallen dienen in de periode september t/m november voor tenminste 2 nachten in het veld geplaatst te worden. Reptielen (ringslang) • Het nader soortonderzoek naar de ringslang wordt uitgevoerd volgens het soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2023). De onderzoeksperiode is tussen april en september. Er zijn te 5 terreinbezoeken benodigd
3.1.1
Zorgplicht Uit paragraaf 2.3.9 blijkt dat in het plangebied soort(groep)en aanwezig (kunnen) zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht voor soorten. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 3.4. Onder de Ow dient nadere aandacht te worden besteed aan soorten van de Rode Lijsten. Onder de Ow kunnen provincies beleidskaders opstellen over hoe en met welke soorten (van de Rode Lijsten) rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht. Vooralsnog zijn deze aanvullende beleidskaders nog niet opgesteld. In de voorliggende rapportage is daarom gekozen voor het opnemen van waarnemingen van de Rode Lijst-soorten in de NDFF in het plangebied. Door middel van de maatregelen beschreven in tabel 3.4 kan op negatieve effecten worden gemitigeerd op (een deel van) de opgenomen Rode Lijst-soorten. Daarnaast kan de biodiversiteit worden versterkt in het gebied door het behouden/versterken van bosschages, bomenrijen en watergangen in het plangebied. Zie ook paragraaf 2.7 voor kansen voor biodiversiteit. Ook hier kunnen (Rode Lijst) soorten van profiteren.