Bijlage 1 Verordening handhaving Heerenveen in balans 2025
Tekst van het document
Verordening handhaving Heerenveen in balans 2025 De raad van de gemeente Heerenveen; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 december 2024 Gelet op artikel 8 van de Participatiewet (PW) Gelet op artikel 35, eerste lid, aanhef en onderdeel c van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Gelet op artikel 35, eerste lid, aanhef en onderdeel c van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), Besluit vast te stellen “Verordening handhaving Heerenveen in balans 2025”
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Toepassingsbereik Deze verordening gaat over het nakomen van alle regels binnen de PW, IOAW en IOAZ. Daarbij geeft de verordening invulling over hoe de Gemeente Heerenveen toeziet op het naleven van deze regels. Artikel 2. Handhaven in balans Binnen de gemeente Heerenveen wordt gewerkt vanuit de bedoeling. Dit betekent dat er bij de specifieke uitvoering van de handhavingsactiviteiten op het gebied van een uitkering wordt uitgegaan van vertrouwen en dat inwoners geen “kwade” bedoelingen hebben als zij bijstand hebben of aanvragen. We houden daarom rekening met de individuele omstandigheden en het doenvermogen van de belanghebbende. Daarnaast hanteren we de menselijke maat, wat inhoudt dat we regels toepassen met begrip voor de persoonlijke situatie van mensen. Het onderliggend belang is dat er geen (bewust of onbewust) oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de bijstand, waarbij we streven naar een balans tussen rechtmatigheid en doelmatigheid. Artikel 3. Uitgangspunten Het college gaat bij de uitvoering van de handhavingsactiviteiten in de basis uit van vertrouwen. Het college houdt daarom rekening met de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Voor het handhaven in balans werkt het college volgens de volgende uitgangspunten: 1.
Werken vanuit de bedoeling: Handhaven in balans zorgt voor een aanpak die zowel rechtvaardig als menselijk is. Bij het nemen van besluiten op het gebied van handhaving besteden we extra aandacht aan het voorkomen van onnodig nadeel voor de inwoner. Maatregelen worden proportioneel afgestemd op de ernst van de overtreding, terwijl persoonlijke omstandigheden en doel van de wet centraal staan. 2. Evenwicht tussen rechtmatigheid en doelmatigheid: De gemeente streeft naar balans tussen het waarborgen van de rechtmatige verstrekking van uitkeringen en het bevorderen van de doelmatigheid van de wet. 3. Maatwerk en zorgvuldigheid: Klantsituatie staat centraal. Er wordt rekening gehouden met de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de gemeente werkt zorgvuldig bij het
opleggen van sancties (“foutje maken mag”). Er is oog voor de persoonlijke situatie en belemmeringen. Hierbij wordt gewerkt volgens de aanpak van Stress Sensitieve Dienstverlening. 4. Inzet op preventie en begeleiding: Belanghebbenden worden voorgelicht over en ondersteund bij het naleven van de verplichtingen, waardoor er ingezet wordt op het voorkomen van het maken van overtredingen. 5. Transparantie en communicatie: Het is van essentieel belang dat belanghebbenden weten welke regels en sancties van toepassing zijn. Goede communicatie en voorlichting zijn cruciaal om verwarring te voorkomen. Artikel 4. Begrippen 1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. belanghebbende: de persoon die zelfstandig of als lid van een gezin mede bijstand ontvangt of heeft ontvangen van de gemeente Heerenveen dan wel de persoon die een uitkering ontvangt of heeft ontvangen van de gemeente Heerenveen;
b. bijstand: algemene en bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, en artikel 35 van de PW; c. benadelingsbedrag: het bedrag dat een belanghebbende onterecht heeft ontvangen aan uitkering, zou niet zijn betaald als de belanghebbende alles had gedaan of nagelaten om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit bedrag wordt berekend op basis van het brutobedrag van de uitkering; d. college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Heerenveen; e. gezin: het gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c van de PW; f.
uitkering: de uitkering als bedoeld in de IOAW, IOAZ en de PW;
g. ernstige misdragingen: ernstige misdragingen zijn handelingen die onaanvaardbaar zijn en ernstige verstoringen veroorzaken, zoals fysiek geweld, bedreigingen, intimidatie, of grove beledigingen tegenover de personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de Wet; h. Stress Sensitieve Dienstverlening (SDD): De gemeente werkt volgens de aanpak van SSD. SSD is een aanpak die rekening houdt met hoe stress en het vermogen om dingen te doen van invloed kunnen zijn op hoe mensen handelen. 2. Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze verordening gebruikt in dezelfde betekenis als in Algemene wet bestuursrecht.
HOOFDSTUK 2 ONDERZOEKEN Artikel 5. Waarom doen we onderzoek 1. Aan een uitkering zitten rechten en plichten vast. Het college vindt het van belang dat deze rechten en plichten nageleefd kunnen worden door iedere belanghebbende. Het is belangrijk dat deze rechten en plichten zinvol en begrijpelijk zijn. Doel van het onderzoek is dat de uitkering op een juiste manier is of wordt vastgesteld. Het onderzoek kan leiden tot herstel van de uitkering en/of een sanctie. Wanneer de situatie daarom vraagt kan een onderzoek gestart worden. 2. In de beleidsregels wordt nader uitgewerkt welke soorten onderzoeken het college kan doen en wanneer en op welke wijze wij gaan onderzoeken, maar ook wanneer er kan worden afgezien van verder onderzoek.
HOOFDSTUK 3 HERSTELLEN Artikel 6. Herstel van de uitkering 1. De uitkering kent rechten en plichten. Het college streeft ernaar dat deze zo goed mogelijk nageleefd kunnen worden. Als deze plichten toch niet goed worden nagekomen is het mogelijk om dit te herstellen. Herstel is gericht op de juiste vaststelling van het recht op uitkering. 2. In de beleidsregels wordt nader uitgewerkt hoe wij omgaan met het herstellen van de uitkering. Artikel 7. Terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal 1. Het college zorgt voor de terugvordering, inning, kwijtschelding of verhaal van bijstands- of uitkeringsgelden. 2. In de beleidsregels wordt nader uitgewerkt hoe wij omgaan met terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal. Artikel 8. Herstel van het gedrag 1. Naast de inlichtingenplicht is er ook de plicht om mee te werken aan ondersteuning of aangeboden voorzieningen richting werk en/of participatie. Het college streeft ernaar om zijn dienstverlening zoveel mogelijk aan te passen op de mogelijkheden van de belanghebbende. Als belanghebbende deze verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, kan het college besluiten een maatregel op te leggen om het gedrag te herstellen. 2. In de beleidsregels wordt nader uitgewerkt hoe wij omgaan met het herstellen van gedrag.
Artikel 9. Gesprek bij herstel van het gedrag 1. Als uit onderzoek blijkt dat belanghebbende niet voldoende meewerkt aan de ondersteuning of aangeboden voorziening richting werk en/of participatie, dan geeft het college de mogelijkheid tot het voeren van een gesprek voordat wordt besloten een maatregel op te leggen. 2. Tijdens het gesprek heeft belanghebbende de mogelijkheid uit te leggen waarom hij zijn plicht niet goed is nagekomen en/of er ook omstandigheden waren die van invloed zijn op de regelovertreding. Het college kan deze omstandigheden meenemen in zijn beoordeling om tot een besluit te komen. 3. Een belanghebbende hoeft niet gehoord te worden in de volgende gevallen: a. Als snel beslissen nodig is; b. Indien belanghebbende al eerder de mogelijkheid heeft gehad om te reageren op het voorgenomen besluit en er sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn voorgekomen; c. Als het college het horen niet nodig vindt om te bepalen hoe ernstig het gedrag of hoe verwijtbaar het is, of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel 10. Afzien van een maatregel 1. Het college ziet in ieder geval af van een maatregel als: a. Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. De gedraging meer dan 8 weken voor het ontdekken daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college beoordeelt per situatie of er sprake is van dringende redenen.
Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel 11. Ingangsdatum en tijdvak van de maatregel 1. Zodra het college heeft besloten een maatregel op te leggen dan gaat deze in vanaf de eerstvolgende maand nadat het besluit bekend is gemaakt. Bij dit besluit wordt uitgegaan van de op dat moment geldende bijstandsnorm. 2. De maatregel kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. De maatregel is daarbij overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken. 3. Als de maatregel niet opgelegd kan worden omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, dan kan deze na een beoordeling alsnog opgelegd worden zodra belanghebbende opnieuw een uitkering heeft aangevraagd.
Artikel 12. Berekeningsgrondslag 1. Als er een maatregel wordt opgelegd, dan wordt dit berekend over de bijstandsnorm. De hoogte van de uitkering zal hierdoor aangepast worden. 2. De maatregel kan ook op bijzondere bijstand worden opgelegd. Artikel 13. Categorieën van verwijtbaar gedrag binnen de Participatiewet Het college verwacht van een belanghebbende zich naar eigen vermogen in zal zetten voor het vinden van een passende baan en het college zal daarbij ondersteunende voorzieningen bieden. Belanghebbende dient op basis van zijn situatie en ervaring een (betaalde) baan te accepteren. Het gedrag van een belanghebbende dat het moeilijk maakt om een baan te accepteren of verplichtingen die niet of onvoldoende wordt nagekomen (artikelen 9, 9a en 55 PW), worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1. eerste categorie: a. het niet op tijd inschrijven als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), of niet op tijd de inschrijving te verlengen; b. het niet plaatsen van een cv op werk.nl zodra een belanghebbende kansen heeft om aan het werk te komen en daarmee zichzelf in inkomen kan voorzien. 2. tweede categorie: a. het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de PW; b. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in artikel 9 eerste lid PW, of; c.
zodra het college een voorziening heeft aangeboden en belanghebbende de verplichtingen onvoldoende nakomt als bedoeld in artikel 55 PW; 3. derde categorie: a. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Artikel 14. Categorieën van verwijtbaar gedrag binnen de IOAW en IOAZ Het college verwacht van een belanghebbende zich naar eigen vermogen in zal zetten voor het vinden van een passende baan en het college zal daarbij ondersteunende voorzieningen bieden. Belanghebbende dient op basis van zijn situatie en ervaring een (betaalde) baan te accepteren. Het gedrag van een belanghebbende dat het moeilijk maakt om een baan te accepteren of verplichtingen die niet of onvoldoende wordt nagekomen (artikelen 37 en 38 IOAW en 37 en 38 IOAZ), worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1. eerste categorie: a. het niet op tijd inschrijven als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), of niet op tijd de inschrijving te verlengen; b. het niet plaatsen van een cv op werk.nl zodra een belanghebbende kansen heeft om aan het werk te komen en daarmee zichzelf in inkomen kan voorzien.
2. tweede categorie: a. het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om weer aan het werk te komen; b. zodra het college een voorziening heeft aangeboden en belanghebbende de verplichtingen niet of onvoldoende nakomt als bedoeld in artikel 36 eerste lid, en 37 eerste lid, onderdeel e van de IOAW of IOAZ; a. dat belanghebbende door houding en gedrag duidelijk (ondubbelzinnig) laat zien de verplichtingen niet na te willen komen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de IOAW of IOAZ. 3. derde categorie: a. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; b. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; c. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; d. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e. van de IOAW of IOAZ. Artikel 15. Hoogte en duur van de maatregel Zodra het college het gedrag van belanghebbende heeft bepaald op basis van de categorieën in artikelen 13 en 14, kan de volgende maatregelen worden opgelegd: a. bij een maatregel op basis van de eerste categorie wordt de uitkering met 5% verminderd gedurende één maand; b. bij een maatregel op basis van de tweede categorie wordt de uitkering met 10% verminderd gedurende één maand; c.
bij een maatregel op basis van de derde categorie wordt de uitkering met 25% verminderd gedurende twee maanden. Artikel 16. Verrekenen maatregel 1. De maatregel zoals bedoeld in artikel 15 wordt toegepast in de maand waarin de maatregel is opgelegd. 2. Bij een maatregel volgens artikel 15, onder a, kan het bedrag van de maatregel over twee maanden worden verdeeld. 3. Bij een maatregel volgens artikel 15, onder b, kan het bedrag van de maatregel over drie maanden worden verdeeld.
Artikel 17. Tekortschietende besef van verantwoordelijkheid 1. De PW gaat ervan uit dat iedereen eerst zelf voor zijn eigen levensonderhoud moet zorgen. Alleen als dat echt niet mogelijk is kan iemand hulp (bijstand) krijgen. Een belanghebbende moet zoveel mogelijk proberen te voorkomen een beroep op bijstand te doen. 2. Als er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid dan kan op basis van artikel 18, tweede lid van de PW een maatregel opgelegd worden. De maatregel wordt als volgt vastgesteld: a. De uitkering wordt één maand 10% lager bij een benadelingsbedrag tot €1000,-; b. De uitkering wordt één maand 20% lager bij een benadelingsbedrag van €1000,tot €2000,-; c. De uitkering wordt één maand 40% lager bij een benadelingsbedrag van €2000,tot €4000,-; d. De uitkering wordt één maand 100% minder bij een benadelingsbedrag van €4000,- of hoger. Artikel 18. Samenloop van gedragingen Bij het niet naleven van verplichtingen door een belanghebbende kan het college een maatregel opleggen. 1. Het verwijtbare gedrag van belanghebbende kan van toepassing zijn op meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen. In dit geval wordt er één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van deze maatregel wordt uitgegaan van de hoogste categorie die van toepassing is. 2.
Als sprake is van meerdere gedragingen, waardoor belanghebbende zich niet heeft gehouden aan één of meerdere regels binnen de categorieën van deze verordening genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij de ernst van het gedrag, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende dit onverantwoord maken; 3. Er kan sprake zijn van dat belanghebbende meerdere gedragingen laat zien die schending opleveren van zowel een in deze verordening tegelijk met de in artikel 17, eerste lid, van de PW genoemde verplichting. Hiervoor kan een bestuurlijke boete worden opgelegd. Hierbij wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. Artikel 19. Samenloop bij (tijdelijk) weigeren uitkering IOAZ en IOAW Het college kan de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigeren. Door deze weigering van de uitkering kan een belanghebbende tegelijk ook de regels van deze verordening niet nagekomen zijn. Er wordt dan geen maatregel op basis van deze verordening opgelegd.
HOOFDSTUK 4. SANCTIONEREN Artikel 20. Het opleggen van een boete 1. Het college streeft met deze verordening naar een goede balans tussen naleving en preventie. Echter, wanneer er sprake is van onwil of opzettelijke overtreding van de regels, zullen handhavingsmiddelen zoals boetes worden toegepast. 2. Als uit onderzoek blijkt dat belanghebbende verwijtbaar de verplichtingen niet of onvoldoende is nagekomen, kan het college hiervoor een boete opleggen. 3. In de beleidsregels wordt nader uitgewerkt hoe wij omgaan met boetes, waarschuwing geven en aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Artikel 21. Zeer ernstige misdragingen 1. Belanghebbende is verplicht zich te gedragen en na te laten van zeer ernstige misdragingen tegenover de met de uitvoering van de PW, IOAW en IOAZ belaste personen en instanties en hun eigendommen tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Iedere vorm van agressie en geweld, zowel mondeling als fysiek, valt onder de ernstige misdragingen. Als iemand zich zeer ernstig misdraagt, worden volgende maatregelen genomen: a. De uitkering wordt één maand 50% lager bij ernstig misdragen tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de PW als bedoeld in artikel 9, zesde lid van die wet; b. De uitkering wordt één maand 50% lager bij ernstig misdragen tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW en IOAZ.
2. Als de handelingen van de belanghebbende die bijstand ontvangt schade veroorzaken voor de gemeente, is het college verplicht hiervan een proces-verbaal op te maken. Als het schadebedrag hoger is dan de grens die het Openbaar Ministerie (OM) hanteert, moet het college aangifte doen bij het OM.
HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN Artikel 22. Uitvoering 1. Het college draagt zorg voor de uitvoering van deze verordening. 2. Het college kan voor de uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen. Artikel 23. Hardheidsclausule Het college kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die regel een onredelijke uitkomst heeft voor de belanghebbende. De uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de wet of deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald. De gemeente beoordeelt of het nodig is om af te wijken van de regels.
Artikel 24. Citeertitel, inwerkintreding en overgangsrecht 1. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening handhaving Heerenveen in balans 2025”. 2. Deze verordening treedt in werking een dag na publicatie en onder gelijktijdige intrekking van de Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen 2021 en de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen 2017. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 februari 2025. de griffier,
de voorzitter,
mevrouw L. Roest-Jonkers
mevrouw M.A. Fokkens-Kelder