Bijlage 1 - Ontwerp-Provinciale Omgevingsvisien
Tekst van het document
H 3 Naar sterke steden en dorpen in een leefbaar, vitaal en verbonden Fryslân Een vitaal Fryslân bouwt op sterke, complementaire steden en dorpen, met de nadruk op leefbaarheid door nabijheid. Dit betekent wonen, werken en voorzieningen dicht bij huis, inclusief groen, water en een klimaatadaptief landschap. Een vitaal Fryslân bouwt op sterke, complementaire steden en dorpen, met de nadruk op leefbaarheid door nabijheid. Dit betekent wonen, werken en voorzieningen dicht bij huis, inclusief groen, water en een klimaatadaptief landschap. Het Fries Stedelijk Netwerk is het economische en innovatieve hart, terwijl de steden en regionale kernen essentiële werkgelegenheids- en verzorgingsrollen vervullen. De dorpen vormen het unieke, bruisende weefsel van het platteland. Om te groeien, wordt ingezet op gevarieerde woningbouw om jongeren te behouden en ouderen tegemoet te komen, met aandacht voor woon-zorgcombinaties. Er wordt slim gebruikgemaakt van de bestaande voorraad, maar ook nieuwbouw is hard nodig, vooral rond het stedelijk netwerk en in grotere dorpen/regionale kernen. De inrichting van nieuwe woon- en werklocaties gaat samen met de aanleg van groen, water en recreatie om de ruimtelijke kwaliteit in de multifunctionele stadsranden (als onderdeel van de ‘uitnodigingszones’) te garanderen.
We streven daarbij naar een gezonde, inclusieve leefomgeving die hittestress en wateroverlast beperkt, en biodiversiteit vergroot. Verbindingen en bereikbaarheid worden versterkt met als doel dat banen en regionale voorzieningen van huis uit binnen 30 minuten reistijd bereikbaar zijn; voor basisvoorzieningen geldt als streven 15 minuten. Mobiliteitshubs en een fijnmazig lokaal vervoer vanuit de OV-knooppunten spelen hierbij een sleutelrol in het daily urban system. De door het Rijk geplande Lelylijn zal de verbindingen binnen Noord-Nederland en met de rest van het land versterken. De gastvrijheidssector draagt bij aan de brede welvaart. Focus ligt op slimme, duurzame groei en revitalisering van bestaande voorzieningen. Kansen liggen in cultuur-, bezinnings-, agro- en natuurtoerisme, passend bij de Friese kwaliteiten.
3.1 Wonen Fryslân staat bekend om haar aantrekkelijk woon- en leefklimaat met relatief betaalbare woningen. Net als in de rest van het land is er ook in onze provincie veel vraag naar zowel koop- als huurwoningen. Het huidige aanbod voorziet daar onvoldoende in; versnelling van woningbouw is noodzakelijk. Dit geldt voor betaalbare woningen voor starters, woonruimte voor de groeiende groep ouderen, geschikte woningen voor nieuw- en terugkomers en woningen voor één- en tweepersoonshuishoudens. Er ligt dus een behoorlijke woningbouwopgave in het verschiet. Wat we niet los kunnen zien van opgaven als het oplossen van de netcongestie en het stikstofslot, die de benodigde woningbouw vertragen. De Friese steden, regiokernen en dorpen vervullen elk hun eigen rol op de woningmarkt. De steden, met hun kenniscentra en grootschalige bedrijvigheid, retailsector en voorzieningen, herbergen een belangrijk deel van de woningvoorraad. Dat is niet alleen economisch zo gegroeid – ‘wonen waar werk is’ –, maar wordt ook gestimuleerd om de verkeersdruk (en uitstoot) te beperken en zo efficiënt mogelijk om te gaan met ruimte (concentratie, verdichting, hoogbouw). De regiokernen, met een belangrijke regionale verzorgingsfunctie, vervullen op meer bescheiden schaal een belangrijke woon- en bedrijfsfunctie.
Tot slot zijn daar de vele dorpen - en woningen in het landelijk gebied – waar ruim en aantrekkelijk wonen veelal gecombineerd wordt met kleinschalige bedrijvigheid en sociaal woonklimaat. In de hele provincie wordt, samen met gemeenten en woningbouwcorporaties, geïnvesteerd in het herstructureren, revitaliseren en verduurzamen van de huidige woningvoorraad, bij zowel de woningbouwcorporaties als de private sector. Er zijn veel grote eengezinswoningen, die minder geschikt zijn voor kleinere huishoudens en voor 65-plussers. Daarnaast worden er nieuwe woningen toegevoegd door inbreiding of een ‘straatje’ erbij, en door grotere uitbreidingen bij steden en regiokernen.
71
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Streefbeeld 2050 In 2050 kent Fryslân een sterk samenhangend netwerk van steden en dorpen. In alle dorpen en steden van de Friese kernenstructuur is het aanbod van - en de variatie aan - woningen toegenomen. Voor iedereen is een passende woning beschikbaar. Leeuwarden, Drachten, Heerenveen en Sneek vormen het Fries Stedelijk Netwerk. Hier vinden we een grote variatie aan woonmilieus, bedrijvigheid en kennisclusters. Zowel in het bebouwd gebied als in nieuwe, aantrekkelijke locaties in de multifunctionele stadsranden. De regiosteden en -kernen vervullen een belangrijke regiofunctie op het gebied van wonen, werken en voorzieningen. Ze bieden een aantrekkelijk woonklimaat, met een breed palet aan woningen en werkgelegenheid, en voorzieningen voor het omliggende platteland. In de overige dorpen zijn wonen, werken en voorzieningen harmonieus verweven met de landelijke omgeving, wat een unieke woonkwaliteit oplevert; de dorpen zijn cruciaal voor de leefbaarheid op het platteland. Het bebouwde gebied is opgeknapt, klimaatadaptief en verduurzaamd. Bodem- en waterkwaliteit zijn bij alle ontwikkelingen zorgvuldig afgewogen. In de stadsranden gaan nieuwe bedrijvigheid én trendy woonwijken samen met energieopwekking en -opslag, recreatief groen en waterpartijen.
Uitbreidingen rond de dorpen sluiten naadloos aan bij de historische ontwikkelingsstructuur en versterken de regionale identiteit.
Opgaven Met het oog op de te verwachten woningbehoefte en de staat van de bestaande woningvoorraad, staan we komende decennia voor een woningbouwopgave van ruim 33.000 woningen tot 37.500 te realiseren woningen. Voor de periode van nu tot 2030 geldt dat in de regionale woondeals tussen Rijk, gemeenten en provincie is afgesproken om 22.406 nieuwe woningen te bouwen. Voor de periode 2025 – 2050 ligt er een ambitie, gezien onze demografische prognoses aangevuld met een te verwachten economische impuls in 2050. Hierbij wordt uitgegaan van een evenwichtige verdeling tussen het Fries Stedelijk Netwerk versus de overige steden, regiokernen, dorpen en plattelandsdorpen (zie hierna, Wonen naar behoefte en ambitie); dit betekent dat elke kern in ieder geval de autonome woningbehoefte (zie begrippenlijst) kan opvangen. In het FSN zullen tot 2050 woningen kunnen worden gebouwd, in relatie tot de demografische ontwikkeling, economie, arbeidsmarkt, voorzieningenstructuur en bereikbaarheid.
We bouwen die woningen op de juiste plaats en voor de juiste doelgroepen, conform de volgende doelen: ◾ Voorzien in voldoende ontwikkelruimte voor het bouwen van de juiste woningen op de juiste plaats. Daarbij kijken we eerst naar mogelijkheden voor herstructurering en inbreiding van woningen voordat er ruimte wordt gereserveerd voor uitbreiding. Hierbij is het uitgangspunt dat woningbouw niet meer ruimte in beslag neemt dan noodzakelijk is; ◾ Het aanbod van bestaande en nieuwe woningen sluit aan op de vraag naar woningen. Dit zowel qua aantallen als qua woningtypen. De woningvoorraad is gevarieerd en bevordert de doorstroming. We bouwen naar behoefte, zowel in de steden, de regiokernen als in de dorpen; ◾ De bestaande woningvoorraad is gerevitaliseerd en verduurzaamd en daarmee toekomstbestendig; de woonomgeving is klimaatbestendig ingericht; ◾ Nieuwe woningen wordt gerealiseerd op plekken die qua water en bodem geschikt zijn. Stedelijke ontwikkelingen worden waterrobuust en klimaatbestendig ingericht.
Uitgangspunt bij grootschalige ontwikkelingen is dat alleen boven het niveau van de Friese boezem gebouwd wordt; ◾ Nieuwbouw vindt plaats op locaties waar energie beschikbaar is, gecombineerd met duurzame warmtevoorziening, en op locaties die goed ontsloten (kunnen) worden; ◾ Het accent in het aanbod van woningen voor nieuwe inwoners van buiten Fryslân ligt bij het Fries stedelijk netwerk; ◾ Woningbouw in de regiokernen ondersteunt het voorzieningenniveau voor de omliggende dorpen en de bereikbaarheid daarvan binnen 15 tot 30 minuten reistijd (30-minutengemeenschap).
Hoe gaan we dat doen? Om een antwoord te geven op de diversiteit van de opgaven – en onze doelen te realiseren – werken we in samenwerking met de Friese gemeenten de opgaven uit in programma's. Dit doen we volgens onderstaande uitgangspunten. Wonen naar behoefte en onze ambitie Uitgangspunt is wonen naar behoefte, zowel kwantitatief als kwalitatief. Dat gebeurt zowel in de vorm van nieuwbouwen als herbestemmen van gebouwen. Daarbij is het belangrijk dat het juiste type woning op de juiste plek wordt gebouwd of verbouwd. Maar ook dat de woningvoorraad aansluit bij de verande-
72
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
rende vraag: meer een- en tweepersoonshuishoudens, combinaties van wonen en zorg, duurzame en betaalbare woningen. We gaan ervan uit dat tweederde van alle nieuw te bouwen woningen (huur en koop) betaalbaar zijn (30% uit sociale huurwoningen, 37% betaalbare huur en koop). Dit is in overeenstemming met de landelijke lijn. We streven er naar dat het aantal bestaande sociale huurwoningen niet afneemt. Afhankelijk van onder meer de economische dynamiek kunnen er, bovenop de autonome behoefte, extra woningen voor nieuwe inwoners worden gerealiseerd; dit is onze ambitie. We willen immers een aantrekkelijke woonprovincie zijn voor werkgevers en werknemers die zich hier willen vestigen. De beschik- en betaalbaarheid van woningen en de kwaliteit van de woonomgeving zijn immers belangrijke vestigingsvoorwaarden. Deze extra woningbouw vindt met name plaats bij het Fries stedelijk netwerk, en in meer beperkte mate bij de regiosteden Harlingen en Dokkum en de regiokernen; dit vooral vanwege de daar aanwezige werkgelegenheid. Aanvullend zijn er, naar aard en schaal, en in overleg met gemeenten, mogelijkheden voor extra woningbouw in de Ook vrijkomende bebouwing in het landelijk gebied - zoals boerderijen - leent zich voor aantrekkelijk wonen in een landelijke setting.
Wonen in gezonde, leefbare steden en dorpen Het sterk samenhangende netwerk van steden en dorpen (kernenstructuur) biedt de kapstok voor een gevarieerd palet aan woningen en woonmilieus die elkaar aanvullen en versterken. Naast het bouwen van de juiste woningen gaat het ook om het ontwikkelen van een aantrekkelijke woonomgeving die gezondheid en leefbaarheid stimuleert. En die is voorbereid op het veranderende klimaat, met o.a. voldoende groen en water, om wateroverlast en hittestress te beperken. Fries Stedelijk Netwerk (F4) Vanuit een stevige economische positie en een hoog voorzieningenniveau, gecombineerd met de Friese cultuur en het landschap, vormen de steden Leeuwarden, Sneek, Drachten en Heerenveen het Fries Stedelijk Netwerk. Deze steden hebben veel potentie om (door) te groeien. Beperkte en omvangrijke inbreidings- en uitbreidingsplannen zijn in alle varianten mogelijk: van hoogbouw en stedelijk wonen in hoge dichtheden, naar ruimer wonen in het groen en nabij water en bos. Het aantal woningen groeit indicatief 25% ten opzichte van de huidige woningvoorraad; dit kan toenemen tot 40% indien de extra woningbehoefte van nieuwe inwoners van buiten Fryslân voornamelijk in het Fries Stedelijk Netwerk wordt opgevangen. ◾ Leeuwarden: De nadruk ligt op transformatie en verdichting.
Op de middellange termijn ligt de focus op kleinschalige inbreidingslocaties, op omvangrijke transformatielocaties (Spoordok), op herstructurering van de bestaande voorraad (Leeuwarden-Oost) en op de uitbreidingslocatie Middelsee; ◾ Drachten: Naast binnenstedelijk wonen op diverse inbreidings- en herstructureringslocaties, zijn er op termijn mogelijkheden voor grootschalige woningbouw ten zuiden van de A7. In de toekomst te combineren met een station voor de door het Rijk geplande Lelylijn; ◾ Heerenveen: Naast binnenstedelijk wonen op diverse inbreidings- en herstructureringslocaties, is er ruimte voor de ontwikkeling van de grootschalige woningbouwlocatie Heerenveen-West; ◾ Sneek:Naast binnenstedelijk wonen op diverse inbreidings- en herstructureringslocaties, is er ruimte voor de grootschalige gebiedsontwikkeling Spoorzone Sneek en de ontwikkeling van de uitbreidingslocatie Harinxmaland. Regiosteden Harlingen en Dokkum In en rond de regiosteden Harlingen en Dokkum is een grote variatie in woningaanbod mogelijk: van stedelijk wonen tot meer ruim opgezette woonbuurten. Het aantal woningen groeit indicatief 15-25% ten opzichte van de huidige woningvoorraad. Regiokernen De regiokernen zijn het middelpunt van de 30-minutengemeenschap op het platteland. De kernen vormen de basis voor een compleet aanbod aan voorzieningen, ook voor de omringende dorpen en het landelijk gebied.
Het aantal woningen groeit indicatief 10-25% ten opzichte van de huidige woningvoorraad. Dorpen Dorpen met meer dan 250 inwoners vangen voornamelijk de plaatselijke woonbehoefte op. Denk daarbij vooral aan herstructurering, inbreiding en eventueel uitbreiding, mits passend bij de omvang en identiteit van het dorp. Het aantal woningen groeit indicatief 0-10% ten opzichte van de huidige woningvoorraad. Plattelandsdorpen/Landelijk gebied
73
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
In het landelijk gebied wordt gewoond in kleinere dorpen (<250 inwoners) en op erven, onder meer bij of in (vrijkomende) agrarische bebouwing. Via transformatie wordt ingezet op het behoud van karakteristieke waardevolle bebouwing. Nieuwe bebouwing op bestaande erven in het buitengebied is mogelijk, mits dit de kwaliteit van het ensemble ten goede komt en er rekening wordt gehouden met de omgevingsfuncties. Het toevoegen van zowel woningen als voorzieningen in plattelandsdorpen en in het landelijk gebied is maatwerk. Door de keuze voor maatwerk is het niet meer nodig om in de Omgevingsverordening voor deze categorie de grenzen van het bestaand bebouwd gebied aan te geven. We houden met de groeipercentages rekening bij het maken van onze regionale woningbouwafspraken met gemeenten. Anders bouwen Oplossingen voor de omvangrijke woningbouwopgave kunnen ook worden gevonden door anders te bouwen. In het provinciaal Volkshuisvestingsprogramma werken we dit uit, mede op basis van de beschikbare middelen en maatregelen van diverse partijen en overheden. Hieronder geven we enkele richtingen aan. Hieronder geven we enkele richtingen aan. Herstructureren en revitaliseren Uit oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik en behoud van omgevingskwaliteit, zetten we in op het optimaal benutten van het bestaand bebouwd gebied.
We betrekken hierbij de grote herstructureringsopgave in steden en dorpen: het opknappen en verduurzamen van woningen, het klimaatadaptief maken van de woon- en leefomgeving én het aantrekkelijker maken van werklocaties en stads- en dorpscentra. Het aandeel woningen in Fryslân dat ouder is dan 50 jaar is 56%; hoger dan landelijk.
Meer voordeuren Via creatieve oplossingen als woningsplitsing en woningdelen, collectief wonen, transformatie en hergebruik, het optoppen van woningen, kunnen in steden en dorpen – en op bestaande erven, extra woningen worden gerealiseerd. Dit is maatwerk per kern en erf en vraagt om inzet en maatregelen van gemeenten, corporaties en marktpartijen. Circulair, biobased en fabrieksmatig bouwen We stimuleren circulair en biobased bouwen, eigentijds ontwerpen en bouwen met kwaliteit en oog voor de omgeving. Wat een impuls geeft aan een nieuwe Friese circulaire bouwcultuur. Om de woningbouw te versnellen zien we goede mogelijkheden voor innovatie in de bouw. Voorbeelden hiervan zijn houtskeletbouw en fabrieksmatige bouw van woningen. Wonen voor specifieke doelgroepen Het huisvesten van arbeidsmigranten in de landbouw kan, conform de vigerende Omgevingsverordening, plaatsvinden op het erf van het agrarisch bedrijf. Voor de (tijdelijke) huisvesting van personeel op de Waddeneilanden zoeken we met gemeenten naar creatieve oplossingen, in en buiten de dorpen. In het provinciaal Volkshuisvestingsprogramma werken we dit uit mede op basis van de beschikbare middelen en maatregelen van diverse partijen en overheden en komen we met voorstellen voor huisvesting van andere, specifieke doelgroepen.
Wonen in relatie tot water en bodem Door klimaatverandering krijgen we vaker te maken met hevige regenbuien en langdurige neerslagperioden waardoor wateroverlast kan ontstaan; ook in de bebouwde omgeving. Om wateroverlast te voorkomen dienen nieuwe ontwikkellocaties voor woningbouw daarom zo veel mogelijk op -vanuit het wateren bodemsysteem gezien- geschikte locaties te liggen, en ingericht met voldoende bergingscapaciteit voor water. Waar nodig, worden nieuwe woonlocaties opgehoogd met het oog op een klimaatadaptieve en waterrobuuste inrichting. Het is van belang hierbij oog te houden voor de effecten van nieuwbouwlocaties op het watersysteem en het waterbergend vermogen; zeker wanneer deze in de lagere delen van polders liggen. Dit is maatwerk en vergt locatieafwegingen en inrichtingskeuzes op gebiedsniveau.
74
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Raakvlakken Het wonen is nauw verweven met andere thema’s en opgaven in de fysieke ruimte. Onderstaand sommen we de belangrijkste raakvlakken op. ◾ Gezonde en veilige leefomgeving: Een gezonde en veilige leefomgeving is een basisvoorwaarde voor gezond en prettig wonen. Toevoeging van woonfuncties kan bijdragen aan de sociale veiligheid denk aan wonen boven winkels. Een goed ontworpen woonomgeving draagt bij aan de gezondheid van de bewoners; ◾ Natuur: Natuurwaarden dragen bij aan een fijn woonklimaat en voorkomen hittestress. Andersom kunnen woongebieden bij een juiste inrichting veel bijdragen aan de biodiversiteit. Om woningen te kunnen bouwen is voldoende stikstofruimte nodig; natuurherstel draagt hieraan bij; ◾ Landschap en erfgoed: Nieuwe uitbreidingslocaties voor woningbouw nemen ruimte in en hebben impact op het landschap en de cultuurhistorie. Dit vraagt om ontwerpen met aandacht voor landschappelijke kwaliteit, groen en water. Vrijkomend erfgoed kan goed benut worden voor wonen; ◾ Landbouw: Nieuwe woningbouwlocaties kunnen ten koste gaan van landbouwgrond. Dit vergt een afweging van belangen. De teelt van gewassen voor biobased bouwen kan een verdienmodel voor agrariërs zijn of worden; ◾ Bodem en water: Meer ruimte voor water maakt woonwijken klimaatbestendig.
Andersom wordt in het ontwerp van woonwijken en de wijze van bouwen rekening gehouden met het water- en bodemsysteem; ◾ Leefbaarheid: Een fijne woning in een prettige woonomgeving is een basisvoorwaarde voor leefbaarheid; ◾ Mobiliteit, bereikbaarheid: Woonwijken vragen een goede ontsluiting met diverse vervoerstypen in een samenhangend mobiliteitssysteem; ◾ Energie: Een voorwaarde om te kunnen bouwen is ruimte voor aansluiting op het elektriciteitsnetwerk noodzakelijk, dit kan onder ander via netbewust bouwen. Netcongestie werkt momenteel vertragend; ◾ Economie: Sterke economische ontwikkeling leidt meestal tot een grotere woningbehoefte. Andersom is een prettig woonklimaat een vestigingsfactor voor bedrijven en een impuls voor economische ontwikkeling; ◾ Gastvrijheid: Een slimme gastvrijheidseconomie komt de leefbaarheid en het woonklimaat ten goede. Structuurkaart Wonen (zie kaartenboek) De kaart geeft vooral de kernenstructuur weer en de percentages uitbreiding die bij de verschillende categorieën kernen horen. Vooral de gebieden buiten de indicatief aangegeven verzorgingsgebieden rond de kernen (in de vorm van cirkels) verdienen aandacht qua bereikbaarheid van voorzieningen.
3.2 Leefbaarheid Friezen zijn de gelukkigste inwoners van Nederland en doen veel vrijwilligerswerk. Ze geven de kwaliteit van hun leven ongeveer een acht. Desalniettemin is actie nodig. De bevolking vergrijst namelijk snel. Ook worden er minder kinderen geboren. Gelet op de huidige bevolkingsprognose zal de beroepsbevolking – als er niets verandert – met 5 % gaan afnemen. Dit leidt tot knelpunten op de arbeidsmarkt en in de zorg. Bovendien tast deze ontwikkeling de sociale samenhang van de samenleving aan. Voorzieningen in dorpen verdwijnen, de bereikbaarheid ervan wordt minder en de leegstand neemt toe. Anders gezegd: de leefbaarheid staat onder druk en daarmee ook het Friese geluk. Een leefbare omgeving maakt mensen gezonder en gelukkiger. Leefbaarheid gaat over de mate waarin de leefomgeving aansluit bij de wensen en behoeften van inwoners. Maar wat mensen belangrijk vinden, verschilt. Sommigen houden van rust en ruimte, anderen juist van levendigheid. Jongeren hebben belang bij goed onderwijs en vervoer. Gezinnen zoeken een veilige woonomgeving met een school, met kinderopvang of een speeltuin in de buurt. Ouderen hechten veel waarde aan zorg dichtbij, zoals een huisarts of apotheek, maar ook aan goed vervoer en sociaal contact. Behalve per individu en leeftijdscategorie, verschillen de behoeften ook per gebied en regio.
Door de bank genomen is het Fries landelijk gebied, op Nederlandse schaal, relatief dunbevolkt met veel kleine kernen. Anders dan in de steden, vragen bereikbaarheid en behoud van het voorzieningenniveau – waaronder winkels, scholen en bibliotheken - veel aandacht. Overigens moet er ook in sommige stedelijke wijken het nodige gebeuren om de leefbaarheid op orde te krijgen. Denk aan het revitaliseren en verduurzamen van woningen, het vergroten van de veiligheid op straat en het verbeteren van woonmilieus. Hier zijn echter vooral het Rijk, gemeenten, woningbouwcorporaties en private partijen aan zet. Als provincie richten we ons vooral op het behoud van de leefbaarheid op het platteland, zodat die niet achterblijft bij de stedelijke ambities. Zo ondersteunen we bijvoorbeeld
75
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
met onze Kleine Kernen Aanpak initiatieven en projecten gericht op het verbeteren van de leefbaarheid in dorpen. Streefbeeld 2050 De brede welvaart floreert in Fryslân. Mensen wonen prettig en werken, leren en ontspannen in een gezonde, gevarieerde omgeving. De provincie is Europees gezien het voorbeeld van een betrokken en verbonden samenleving met levendige dorpen, culturele activiteiten en een dynamisch stedelijk netwerk. Dankzij een provinciedekkend en samenhangend mobiliteitssysteem, zijn voorzieningen en werklocaties voor iedereen goed bereikbaar. Het slim combineren van voorzieningen en clusteren van bedrijvigheid heeft daaraan bijgedragen. Centrumgebieden vormen het kloppende hart van steden en dorpen, met gevarieerde detailhandel, horeca en andere publieksfuncties die de levendigheid en aantrekkelijkheid vergroten. De leegstand van winkels en andere bebouwing is sterk afgenomen door vestiging van nieuwe, eigentijdse (winkel)functies. Transport, energievoorziening en economie zijn verduurzaamd, waardoor de kwaliteit van de leefomgeving een impuls kreeg. Dit heeft - tesamen met de investeringen in de woningvoorraad, natuurkwaliteit en gastvrijheid - geleid tot sterke stedelijke clusters, waar bestaande en nieuwe bedrijvigheid is gevestigd en een aantrekkelijk woonklimaat heerst.
De beroepsbevolking is, mede door technologische innovaties en verdere automatisering, weer op voldoende peil; er zijn voldoende mensen om de zorg en het onderwijs op niveau te houden en om in diverse vormen van bedrijvigheid en dienstverlening aan de slag te gaan. Mede dankzij deze aanwas, maar ook door het aantrekken van het toerisme, konden we het voorzieningenniveau, en de leefbaarheid, in stand houden. Ook in de vele, kleine historische kernen die het platteland sieren. Dit alles mede dankzij de vruchtbare samenwerking tussen Friese overheden, (kennis)instellingen, bedrijfsleven, ngo’s en bewoners(initiatieven).
Opgaven en doelen De leefbaarheid en het voorzieningenniveau staan onder druk in veel dorpen in het landelijk gebied. Niet alleen door de geschetste vergrijzing en ontgroening van de Friese samenleving, maar ook door het tekort aan woningen en de trek naar de stad van met name jongeren. Ook door leegstand van vrijkomende boerderijen, kerken en vergelijkbare gebouwen staan de leefbaarheid en het behoud van karakteristieke bebouwing onder druk. Komende decennia zullen we alle zeilen moeten bijzetten om de leefbaarheid en vitaliteit van de dorpen, maar ook van sommige steden, op peil te houden. Daarvoor moeten we: ◾ Voldoende en gevarieerde woningen bouwen, ook in en rond de regiokernen en dorpen; ◾ Voorzieningen waar mogelijk combineren; ◾ Investeren in gemeenschapszin/verbondenheid. Dit tegen de achtergrond van verregaande individualisering, digitalisering en de demografische ontwikkeling; ◾ Investeren in het versterken van de economie, ook om arbeidskrachten aan te trekken en de beroepsbevolking op voldoende peil te houden; ◾ Sturen op - en stimuleren van - de aantrekkelijkheid van stads- en dorpscentra als plekken om te winkelen, ontmoeten en beleven; ◾ Ruimte bieden voor vervangende functies in leegstaande bebouwing.
Daarbij stellen we onszelf de volgende doelen: ◾ Realiseren van toekomstbestendige banen en voorzieningen in alle delen van Fryslân, passend bij de samenstelling van de beroepsbevolking in een gebied; ◾ Banen en regionale voorzieningen zijn binnen dertig minuten van huis uit bereikbaar; voor basisvoorzieningen geldt als streven 15 minuten; ◾ De bebouwde omgeving in steden en dorpen is opgeknapt, verduurzaamd, klimaatadaptief en voldoet aan ieders woonwensen en specifiek aan die van ouderen en starters op de woon- en arbeidsmarkt; ◾ Stads- en dorpscentra aantrekkelijker maken, zodat er geen of nauwelijks leegstand is; ◾ Afname van leegstand van karakteristieke bebouwing door passend hergebruik.
76
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Hoe gaan we dat doen? Om een antwoord te geven op genoemde opgaven – en onze doelen te realiseren – zetten we in het landelijk gebied in op de volgende aanpak: ◾ Creëren van een 30-minutengemeenschap door diverse mobiliteiten goed op elkaar af te stemmen en overstappen te faciliteren via mobiliteitshubs; ◾ Creëren van de juiste balans tussen economische ontwikkelingen en ruimtelijke- en sociale inrichting. Regiokernen en steden - met hun gevarieerde aanbod aan werkgelegenheid en voorzieningen - spelen hierin een belangrijke rol. Gemeenten zetten hierop in; ◾ Bevorderen van sociale cohesie. Dat doen we door te investeren in verenigingen, dorpsbelangen en vrijwilligers. Onze ambitie is een ontmoetingsplek in elk dorp of elke wijk. Dat kan in de vorm van een dorpshuis (dorpskamer), sportaccommodatie, bibliotheek, buurthuis of wijkgebouw zijn, maar het kan ook om een jeu de boules-baan of een gezamenlijke pluktuin gaan; ◾ Realiseren van adequate bereikbaarheid, zowel fysiek als digitaal (glasvezel).
Een goed werkend daily urban system, waarin wonen, werken en voorzieningen qua ligging en ontsluiting goed op elkaar zijn afgestemd, vormt hiervoor de basis; ◾ Voorzien in voldoende, passende en betaalbare woonruimte voor diverse doelgroepen, waaronder jongeren, jonge gezinnen en ouderen; ◾ Faciliteren van initiatieven die leiden tot het combineren van voorzieningen, het verbeteren van de toegankelijkheid van voorzieningen en het onderwijsaanbod voor iedereen; ◾ In lijn met het gedachtegoed van Positieve Gezondheid (leefstijl, participatie, enz.) bevorderen wij gezondheid in al ons beleid. Met het oog op de detailhandel zijn we uit op: ◾ Het vergroten van de aantrekkelijkheid, kwaliteit en toegankelijkheid van centrumgebieden; de gemeenten hebben hierin het voortouw. De Friese Retailaanpak met gemeenten en private partijen speelt hierin een belangrijke rol. Deze is gericht op het stimuleren en organiseren van samenwerking, ondernemerschap en adequate inrichting van de openbare ruimte. Ook in de aanpak van leegstand – en de afstemming van het detailhandelbeleid – werken we samen met de Friese gemeenten; ◾ De concentratie van winkels in de stads- en dorpscentra.
Met uitzondering van winkelformules die hier niet passen en waarvan vestiging buiten de centra geen afbreuk doet aan de winkelfuntie van de stads- en dorpscentra; ◾ Voor vrijkomende boerderijen, kerken en vergelijkbare gebouwen zetten we in op passend hergebruik. Dit is voor verschillende functies ook een aantrekkelijke optie. Vervangende functies als wonen, cultuur en kunst, educatie, zorgverlening, recreatie, horeca en ontspanning, ambachtelijke en dienstverlenende bedrijvigheid kunnen goed in de landelijke omgeving passen. Het toevoegen van nieuwe bebouwing op het omringende perceel is mogelijk wanneer dit bijdraagt aan behoud van de karakteristiek van de bebouwing en de ruimtelijke kwaliteit van het ensemble als geheel vergroot. Voor veel van deze initiatieven geldt dat de provincie richtinggevend en faciliterend is en de uitvoering vooral ligt bij partijen als gemeenten, woningbouwverenigingen en wijkteams. Dat geldt ook als het gaat om investeringen in de leefbaarheid in wijken met een relatief eenzijdige bevolkingssamenstelling en waar meervoudige problemen spelen. De gemeenten zijn daarin leidend.
Raakvlakken Leefbaarheid is nauw verweven met andere thema’s en opgaven in de fysieke ruimte van Fryslân. Onderstaand sommen we de belangrijkste raakvlakken op. ◾ Natuur: De aanwezigheid van natuur bepaalt mede de mate van leefbaarheid. Volgens onderzoek van Planbureau Fryslân wil 71% van de ondervraagde inwoners van Fryslân meer ruimte voor natuur; ◾ Landschap en erfgoed: Een mooie en karakteristieke leefomgeving en het benutten van erfgoed bevorderen de waardering en identitificatie en daarmee de leefbaarheid; ◾ Landbouw: Agrarisch natuur- en landschapsbeheer, korte voedselketens en lokaal geproduceerd voedsel dragen bij aan de leefbaarheid; ◾ Wonen: Fijne, veilige en betaalbare woningen zijn essentieel voor de leefbaarheid; ◾ Mobiliteit: Goede bereikbaarheid van werk, voorzieningen en onderwijs is cruciaal voor de leefbaarheid, met name in het landelijk gebied; ◾ Economie: Een sterke economie versterkt de leefbaarheid. Economische activiteiten zijn een bron van werk en inkomen, en bieden draagvlak voor voorzieningen; ◾ Gastvrijheid: Recreatie en toerisme dragen sterk bij aan het geluk, het welzijn en de gezondheid van zowel bewoners als bezoekers van de provincie. Van toeristische en recreatieve voorzieningen profiteert uiteindelijk iedereen; ◾ Gezonde leefomgeving: Sporten versterkt de sociale samenhang en is goed voor de gezondheid.
Het Friese verenigingsleven is voor een groot deel rond sport georganiseerd.
77
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
3.3 Bereikbaarheid Bereikbaarheid speelt een sleutelrol in het verbinden van platteland, dorpen, regionale kernen en het stedelijk netwerk. Dat is niet alleen belangrijk voor de instandhouding van de leefbaarheid in het landelijk gebied, maar ook voor de werkgelegenheid en economische ontwikkeling van de provincie. We streven naar een betere onderlinge bereikbaarheid van steden, regiokernen, dorpen en landelijk gebied. Niet alleen door te investeren in de infrastructuur, maar ook door in te zetten op duurzame mobiliteit. Dit via mobiliteitshubs en transferia waar openbaar vervoer, deelvervoer, fiets- en autovervoer en voorzieningen samenkomen. De mobiliteitshubs versterken de bereikbaarheid, in het daily urban system, beperken de vervoersarmoede, stimuleren duurzame vervoerskeuzes en dragen bij aan leefbaarheid. Meer hierover in het thema mobiliteit (4.3). Streefbeeld 2050 In 2050 is Fryslân een 30-minutengemeenschap waarin banen en regionale voorzieningen vanuit alle delen van de provincie voor iedereen binnen een half uur van huis uit te bereiken zijn. En basisvoorzieningen bij voorkeur binnen 15 minuten. Cruciale rol hierin speelt het gedifferentieerd OV-netwerk met sterke, directe verbindingen tussen de dorpen en de steden. Hetzelfde geld voor de fijnmazige bereikbaarheid van de halteplaatsen met publiek en privaat vervoer.
Het vervoer is bovendien betaalbaar, zodat de vervoerskosten geen belemmering vormen om werk en voorzieningen te bereiken. In het verbinden van de verschillende vervoerswijzen, spelen de verspreid over de provincie liggende mobiliteitshubs en transferia een belangrijke rol. Ook in relatie tot het beperken van het autoverkeer, het ontzien van de binnensteden en het verduurzamen van de mobiliteit.
Opgaven en doelen Fryslân staat voor de opgave om te werken aan zowel de bereikbaarheid en leefbaarheid van het platteland, met zijn vele kleine kernen, als het verduurzamen van de mobiliteit. Het uitgestrekte grondgebied en de veranderende bevolkingssamenstelling vragen een flexibel en betaalbaar mobiliteitssysteem. Een inclusief systeem van publieke en private mobiliteit, dat aansluit bij de regionale verschillen en maatschappelijke ontwikkelingen. Met als extra opgave dit systeem te verduurzamen om het milieu en de leefomgeving te ontzien. Om dat te realiseren zet de provincie in op de volgende doelen: ◾ Het borgen van (basis) bereikbaarheid en beperken van vervoersarmoede. Bijvoorbeeld door inzet van dorpshubs met sociale- en vervoersfuncties; ◾ Het verminderen van de uitstoot van CO2 en fijnstof; ◾ Het verbeteren van de verkeersveiligheid.
Hoe gaan we dat doen? Bij het (door)ontwikkelen van het mobiliteitssysteem passen we de Trias Mobilica toe. Dat wil zeggen dat we ten eerste onnodige verplaatsingen vermijden (door voorzieningen naar mensen te brengen), ten tweede de vorm van mobiliteit veranderen en ten derde mobiliteit schoner maken. In de Friese situatie maken we dat op de volgende manieren concrete: ◾ Mobiliteitshubs ontwikkelen op de juiste locaties in het daily urban system: uitrol van regionale en bovenlokale hubs die openbaar-, auto- en fietsvervoer, deelmobiliteit en noodzakelijke voorzieningen onderling verbinden; ◾ Dorpshubs combineren met maatschappelijke voorzieningen, zoals de bibliotheek en de supermarkt. Door de centrale ligging in het dorp - en de aanwezige voorzieningen - heeft deze hub behalve een reisfunctie ook een sociale functie. Dit kan ook leiden tot beperking van het aantal verplaatsingen. Anders gezegd: breng de mensen niet naar de voorzieningen, maar de voorzieningen naar de mensen; ◾ Het fietsnetwerk/doorfietsroutenetwerk versterken. Aanleg of verbetering van snelle en veilige fietsroutes tussen kernen. Dit zal vooral gericht zijn op woon-werkverkeer. Daarnaast kijken we naar mogelijkheden om het recreatief fietsnetwerk te versterken, als bijdrage aan de gastvrijheidseconomie; ◾ Duurzaam mobiliteitsgedrag stimuleren.
Onder andere door in te zetten op een gedragsverandering die het aantal autokilometers beperkt en duurzame reiskeuzes vanzelfsprekend maakt; ◾ De verkeersveiligheid verbeteren via infrastructurele maatregelen en de inzet op veilig verkeersgedrag; ◾ Het STOMP-principe toepassen, bijvoorbeeld bij gebiedsontwikkeling, om duurzame verplaatsingen te stimuleren. .
78
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
STOMP-principe Het STOMP-principe passen we toe in gebiedsontwikkeling en is leidend voor ons mobiliteitsbeleid om duurzame vervoerskeuzes te stimuleren. Met het STOMP-ordeningsprincipe geven we prioriteit aan meer duurzame en gezonde vormen van mobiliteit (lopen, fietsen en openbaar vervoer) en minder prioriteit aan minder duurzame mobiliteitsvormen (zoals de auto). Met STOMP zorgen we voor bereikbare en leefbare gebieden, waarin de mens centraal staat en de auto als laatste vervoermiddel wordt ingezet. 1. Stappen: hoe zorgen we in een gebied voor voorzieningen op loopafstand? En hoe zorgen we voor aantrekkelijke looproutes en verblijfsruimtes voor verschillende doelgroepen? 2. Trappen: hoe zorgen we ervoor dat voorzieningen bereikbaar zijn met de fiets? Hoe zorgen we voor directe en comfortabele fietsroutes? 3. Openbaar vervoer: hoe sluiten we een gebied aan op het ov-netwerk? Kunnen we ov-voorzieningen en gebiedsfuncties combineren? 4. Mobility as a Service: welke mobiliteitsdiensten bieden we aan? Komen er hubs, en waar? Welke vormen van mobiliteit bieden we aan? 5. Privé-auto: moet het gebied bereikbaar zijn voor privéauto's? En op welke manier? Wat betekent dat voor parkeervoorzieningen? Op het platteland blijft de auto voor veel mensen een belangrijk vervoermiddel. Het STOMP-principe passen we dan ook niet rigide toe, maar als maatwerk en met gezond verstand.
Dat doen we in samenwerking met gemeenten, vervoerders en lokale partijen.
Raakvlakken Het thema bereikbaarheid kent de volgende raakvlakken met andere thema’s en opgaven: ◾ Wonen, bedrijvigheid, voorzieningen: het goed situeren van mobiliteitshubs draagt bij aan de bereikbaarheid van woningen, bedrijven en voorzieningen; ◾ Gezonde leefomgeving: mobiliteitshubs, fietsnetwerken en het STOMP-principe brengen mensen in beweging en komen de leefbaarheid en gezondheid van mensen ten goede; ◾ Natuur en landschap: infrastructuur is enerzijds onderdeel van het landschap en anderzijds heeft infrastructuur impact op landschap en natuur; ◾ Leefbaarheid: bereikbaarheid van basisvoorzieningen komt de leefbaarheid ten goede; ◾ Energie: mobiliteitshubs zijn te combineren met voorzieningen voor elektrisch laden, groengas en waterstofgas, energiehubs en deelvoertuigen; ◾ Economie en bedrijvigheid: een optimale bereikbaarheid is goed voor de economie en een aantrekkelijk vestigingsklimaat; ◾ Gastvrijheid: een verbonden fiets- en wandelnetwerk met goed gesitueerde hubs is aantrekkelijk voor recreanten en geeft een impuls aan de gastvrijheidseconomie.
3.4 Gastvrijheid De gastvrijheidssector is van grote betekenis voor Fryslân. De sector is goed voor 7,2% van de totale (directe) Friese werkgelegenheid en voor 4% van de toegevoegde economische waarde. Niet minder van belang is haar bijdrage aan het geluk, het welzijn, de gezondheid en de kwaliteit van leven van zowel inwoners als bezoekers. Het even fraaie als diverse landschap, de eigen cultuur, het erfgoed en het vele water nodigen uit om in Fryslân te recreëren en de provincie te bezoeken. Recreatie en toerisme dragen dus zowel bij aan de economische dynamiek, de vitaliteit van steden en dorpen als aan het Friese woon-, leef- en vestigingsklimaat. Vanwege dit belang continueren we onze inzet op slimme groei. Dat betekent dat kwaliteit boven kwantiteit gaat en dat nieuwe ontwikkelingen altijd toekomstbestendig zijn en verbonden met andere ruimtelijke vraagstukken. Daarbij spelen vragen als: Wie wordt er beter van? Wat wordt er mooier van? Past het bij Fryslân? Hoe gaat het met de natuur? Zo zetten we bijvoorbeeld in op spreiding van bezoek over de provincie en over de seizoenen. En op het stimuleren van (duurzaam) toeristisch-recreatief aanbod dat aansluit bij de aard, schaal en identiteit van de provincie en specifieke gebieden. Maar bijvoorbeeld ook op het realiseren van aantrekkelijke, toekomstbestendige banen.
In het verlengde hiervan nemen we de beschikbaarheid en toegankelijkheid van recreatieruimte mee in lopende en nieuwe gebiedsopgaven. Mooi voorbeeld hiervan is de herinrichting van de Lendevallei waarin zowel natuur-, landschap-, landbouw-, recreatie- als klimaatdoelen samenkomen.
79
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Streefbeeld 2050 Ook in 2050 hebben de inwoners van Fryslân profijt van de slimme groei van de gastvrijheidssector. Recreatie- en toerisme leveren naast een grote bijdrage aan de economie, vooral ook een bijdrage aan het geluk, het welzijn, de gezondheid en de kwaliteit van leven van alle inwoners. De provincie heeft zich ontwikkeld tot een voor iedereen aantrekkelijke en duurzame toeristisch-recreatieve bestemming die aansluit bij de aard, schaal en identiteit van de provincie. Het recreatieve aanbod is vervlochten met – en onderdeel van – een divers landschap, robuuste natuur, rijk cultureel erfgoed, leefbare dorpen, aantrekkelijke steden én het is voor iedereen dichtbij en bereikbaar. De strategie van slimme groei, met behoud van ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid, heeft haar vruchten afgeworpen.
Opgaven en doelen Er spelen verschillende opgaven waarin de gastvrijheidssector een rol kan spelen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de instandhouding van werkgelegenheid en erfgoed, en de verbetering van natuur en landschap. Maar ook voor de aantrekkelijkheid en aantrekkingskracht van dorpen en steden en het woon-, leef- en investeringsklimaat. Ook mogen we het belang van de sector voor onze gezondheid en verbondenheid niet vergeten. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de toegenomen populariteit van wandelen, fietsen en het bezoeken van natuurgebieden. Maar ook uit de waardering voor evenementen en ontmoetingsplekken in dorpen en kleine kernen. Bovendien draagt de sector aantoonbaar bij aan de instandhouding van het voorzieningenniveau.
Voor het omgevingsbeleid rond gastvrijheid leidt dit tot de volgende doelen: ◾ De gastvrijheidseconomie groeit slim en duurzaam; dit betekent dat de sector bijdraagt aan de brede welvaart van Friese inwoners, nu en later; ◾ Er is per inwoner meer recreatieruimte beschikbaar; deze is adequaat ontsloten en voldoet ook kwalitatief aan de recreatiebehoefte; ◾ De recreatieve netwerken (varen, wandelen, fietsen, paardrijden ca.) hebben meer samenhang en zijn versterkt; ◾ De kwaliteit en duurzaamheid van recreatieve voorzieningen en accommodaties zijn verbeterd; ◾ Recreatiemogelijkheden worden integraal meegenomen in gebiedsontwikkelingen, woningbouwopgaven en de aanleg of revitalisatie van bedrijventerreinen; ◾ Recreatiemogelijkheden worden gecombineerd met ruimtelijke opgaven als klimaatmitigatie, natuurversterking, cultuurbehoud, energie- en landbouwtransitie.
Hoe gaan we dat doen? Aansluitend op de opgaven en doelen kiezen we een aanpak langs verschillende sporen. Hieronder geven we ze weer, met een korte toelichting. Slimme groei We zetten blijvend in op slimme groei. Dat verschilt per gebied en soms ook locatie. Zo kan er in het ene gebied ruimte en draagvlak zijn voor groei van kwaliteitstoerisme, bijvoorbeeld om lokale voorzieningen in stand te kunnen houden (zoals supermarkt, dorpscafé, zwembad), terwijl dat elders anders ligt en we daar juist inzetten op spreiding van bezoek over het gebied en de seizoenen. Denk hierbij aan het onderscheid tussen het Waddengebied (kust) en de Waddeneilanden. Bij slimme groei zoeken we dus naar een balans tussen de economische belangen en die van bezoekers en inwoners; brede welvaart dus. Slimme groei betekent ook gebruik maken van bestaand en/of vrijkomend erfgoed, monumentale gebouwen en het (her)ontwikkelen van bebouwde locaties. Dit verdient, ook uit oogpunt van ruimtegebruik, de voorkeur boven nieuwe locaties ontwikkelen. Onder slimme groei verstaan we tevens dat we in het bestemmingsmangement meer inzetten op doelgroepen die de kwaliteiten van Fryslân en de Friese natuur, cultuur en het landschap onderkennen, weten te waarderen, zullen bewaken en daar zelfs aan bijdragen (regeneratief toerisme). Denk daarbij bijvoorbeeld aan de natuur- en cultuurtoeristen.
Voor alles geldt dat we het aanbod aan dagrecreatie en verblijfstoerisme beschikbaar moeten houden voor alle inkomens en mensen met een beperking: inclusief dus. Investeren in recreatieve infrastructuur
80
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Van oudsher is Fryslân een vaarprovincie, dankzij het uitgebreide waternetwerk van meren, kanalen en vaarten. Daarbij zien we een verschuiving van het bezit naar de huur van boten, maar ook een verschuiving naar compleet andere en nieuwe vormen van waterrecreatie. Denk aan suppen en foilen. Inmiddels staat de provincie ook te boek als favoriete bestemming van wandelaars en fietsers. Hiervan profiteren niet alleen bezoekers, maar ook de eigen inwoners die er in hun vrije tijd graag op uittrekken. De behoefte aan een hoogwaardig en toegankelijk routenetwerk voor wandelen, fietsen, varen blijft dan ook groot. Denk daarbij niet alleen aan uitbreiden én verbinden van bestaande routenetwerken, maar ook aan het openstellen van particulier bezit als landpaden en het slechten van weg- en waterbarrières. De ontsluiting en aantrekkelijkheid van de routenetwerken kunnen ook verbeterd worden door ze te verrijken (voorzien van points of interest) en te verbinden met recreatieve en culturele voorzieningen. Grootschalige en bestaande voorzieningen Nieuwe grootschalige (verblijfs)voorzieningen op land of water sluiten niet aan bij de inzet op slimme groei. Een uitzondering maken we voor voorzieningen die meerwaarde hebben voor andere opgaven. Bijvoorbeeld doordat ze substantieel bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, landschap of de gemeenschap.
Of dat ze verdiensten opleveren waarmee we het gebied mooier kunnen maken of het beter kunnen ontsluiten. Ook in dat geval is er oog voor ruimtelijke kwaliteit en voor een bij Fryslân passend aanbod. Prioriteit ligt bij het revitaliseren, dan wel transformeren, van bestaande recreatieve accommodaties en complexen binnen het bestaande ruimtebeslag. Uitbreiding van een terrein is mogelijk als dit gecombineerd wordt met andere opgaven. Het verbeteren van de kwaliteit van bestaande recreatieterreinen en voorzieningen zien we als een verantwoordelijkheid van de ondernemers, binnen de kaders van deze Omgevingsvisie. Zij kunnen het beste bepalen waar in de markt behoefte aan is. Als er zich initiatieven voordoen voor bijzondere en nieuwe vormen van verblijfsrecreatie – bijvoorbeeld varende huizen – met onvoorziene ongewenste effecten, dan zullen wij de verordening daar op aanpassen. Gebruiksvisies voor water- en landrecreatie De provinciale gebruiksvisies voor water- en landrecreatie bieden, op basis van o.a. de beschreven landschappelijke kwaliteiten per gebied, inspiratie om water- en landrecreatie een goede plek te geven in plannen en ontwikkelingen. In de gebruiksvisies geven we verschillende accenten voor ontwikkeling, afhankelijk van de regionale/lokale omstandigheden, onder meer qua landschap, natuur, landgebruik, bebouwing en erfgoed.
Stedelijke gebieden Samen met de gemeenten en het Rijk willen we een impuls geven aan recreatie in en rond de steden en regiokernen en daar met gemeenten de regie op voeren. Er is behoefte aan meer – of aan andere functies gekoppelde – recreatieruimte per inwoner én aan betere verbindingen met het landelijk gebied. Ook moet er bij ontwikkelingen aandacht zijn voor meer – en goed toegankelijk – recreatief groen en water. Ook binnen de bebouwde kom. Dit draagt tevens bij aan de klimaatbestendigheid van wijken. Duurzaam toerisme en recreatie Passend bij onze circulaire ambities – en natuur-, landschap- en culturele kwaliteiten – zien we het beperken van energieverbruik, CO2 uitstoot en het stimuleren van fossielvrij vervoer binnen de sector als vanzelfsprekend. Hetzelfde geldt voor van het gebruik van hernieuwbare materialen en hergebruik van grondstoffen. Of toerisme en recreatie die samengaan met natuur- en landschapsontwikkeling. Ook het ontwikkelen van nieuwe duurzame concepten op het terrein van gezond ouder worden, voeding, streekproducten en korte ketens sluit hierbij aan. Permanente bewoning van recreatiewoningen Permanente bewoning van recreatiewoningen vinden we ongewenst. Het doet afbreuk aan de recreatieve kwaliteit en capaciteit van recreatieterreinen, levert meer verkeersdruk op en geeft een andere uitstraling.
Omzetting naar een permanente woonbestemming is bij uitzondering mogelijk als de recreatiewoningen aansluiten op stad of dorp. Mits dit past binnen het gemeentelijk woonbeleid. Gemeenten zijn hiervoor aan zet. Omgekeerd speelt het recreatief bewonen van woningen met een permanente woonbestemming. Dit doet in kernen als Heeg en Hindeloopen – en op de Waddeneilanden – afbreuk aan de leefbaarheid. Het is een gemeentelijke verantwoordelijkheid om hierin handhavend op te treden.
Raakvlakken Gastvrijheid is nauw verweven met andere thema’s en opgaven in de fysieke ruimte van Fryslân.
81
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Hieronder sommen we de belangrijkste raakvlakken op. ◾ Gezonde en veilige leefomgeving: Een gezonde en veilige leefomgeving is een voorwaarde voor gastvrijheid. Te veel recreatieve drukte kan tot overlast voor bewoners leiden; ◾ Bodem en water: Een klimaatbestendige omgeving is een voorwaarde voor gastvrijheid. Sommige recreatievoorzieningen zijn kwetsbaar voor klimaatverandering. Denk aan buitendijkse voorzieningen in het IJsselmeer, die gevaar lopen bij peilverhoging; ◾ Landschap en natuur: Natuur en landschap zijn trekkers voor recreanten. Recreatieve beleving van natuur vergroot het draagvlak voor natuur. Op recreatieterreinen kan de biodiversiteit vergroot worden. Grootschalige recreatieterreinen kunnen nadelig zijn voor het landschap. Slimme groei van de gastvrijheidseconomie draagt bij aan beheer en onderhoud van natuur en landschap; ◾ Erfgoed: Karakteristieke steden, dorpen en monumenten zijn trekkers voor recreatie en toerisme, waaronder cultuur- en bezinningstoerisme. Daarnaast zijn karakteristieke panden aantrekkelijk als verblijfsaccommodatie; ◾ Landbouw: Recreatie kan voor agrariërs een bron zijn van (neven)inkomsten. Het agrarisch cultuurlandschap trekt recreanten aan. Recreatie kan de agrarische bedrijfsvoering ook in de weg zitten; ◾ Wonen: Slimme groei van de gastvrijheidseconomie draagt bij aan een prettig woonmilieu.
Teveel recreatieve drukte kan afbreuk doen aan het woonklimaat; ◾ Mobiliteit: Een toegankelijk en fijn vertakt netwerk van vaarwegen, fiets- en wandelroutes is een voorwaarde voor gastvrijheid. Recreatieve voorzieningen hebben een goede ontsluiting nodig. Op sommige plekken worden wegen en vaarwegen sterk belast door recreatief verkeer; ◾ Energie: Een fossielvrije energievoorziening voor gastvrijheid vraagt om stevige aanpassingen - denk alleen al aan de veerboten naar de Waddeneilanden. Recreatieve voorzieningen zijn te combineren met energieopwekking en energieopslag; ◾ Economie: De gastvrijheidseconomie is een van de zes economische speerpuntsectoren. Slimme groei van de gastvrijheidseconomie draagt bij aan een toekomstbestendige economie.
H 4 Naar een fossielvrije en circulaire samenleving Fryslân maakt werk van een sterke, circulaire economie met een betrouwbare en betaalbare fossielvrije energievoorziening tegen 2050, met de focus op 2035. Met als uitdaging het slim clusteren en verbinden van economie, energie en mobiliteit op de meest geschikte locaties. Op die manier benutten we de infrastructuur maximaal, versterken we synergie-effecten en voorkomen we versnippering en verstoring van de ruimtelijke kwaliteit. Fryslân zet in op de groei van economische speerpunten, versterkt haar ruimtelijke positie in de circulaire economie en stimuleert fossielvrije bedrijfsvoering. Goede verbindingen via water, weg, openbaar vervoor en de digitale snelweg zijn cruciaal voor het vestigingsklimaat en adequate bereikbaarheid en verbindingen. De provincie zet zich in voor de juiste match tussen bedrijf en locatie, rekening houdend met de context, het water- en bodemsysteem, de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van energie. Bestaande bedrijventerreinen worden optimaal benut en opgewaardeerd tot energie hubs. Op strategische plekken bieden we ruimte aan grootschalige bedrijvigheid met (regionale) meerwaarde.
Daarbij concentreren we ons de komende decennia op: ◾ De (door)groei op het gebied van de economische speerpunten; ◾ Het uitbouwen en opschalen van de koppositie in de circulaire economie; ◾ Het oplossen van netcongestie en het slim(mer) omgaan met beschikbare energie; ◾ Het versnellen en concentreren van duurzame energie-opwekking.
4.1 Economie en bedrijvigheid Het economisch beleid van de provincie Fryslân staat in dienst van de brede welvaart: een schoon, gezond en gelukkig leven voor alle inwoners. Een gezonde economische groei houdt daarin gelijke tred met – en gaat niet ten koste van – het sociale en natuurlijke kapitaal. Een strategische keuze die Fryslân zowel kansen als uitdagingen biedt. Friezen behoren tot de gelukkigste inwoners van Europa, wat wijst op een sterk sociaal en natuurlijk kapitaal (natuur, landschap, cultuur, erfgoed en gemeenschapszin) en hoge levenskwaliteit; het zogenaamde Friese Goud. Tegelijkertijd blijft de provincie economisch achter op de rest van Nederland. Dit manifesteert zich in lagere productiviteit en innovatiegraad, een krimpende beroepsbevolking en een lager gemiddeld en besteedbaar inkomen. Dit staat bekend als de Friese paradox: een gelukkig leven ondanks een relatief zwakke economische en financiële positie. Perspectief biedt dat de provincie koploper is in de circulaire economie. Het is belangrijk deze voorsprong en de brede welvaart te behouden én te versterken. Maar ook om de economische achterstand in te lopen,
82
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
met als vliegwiel het stimuleren en faciliteren van toekomstgerichte, innovatieve en duurzame bedrijfssectoren en verdienmodellen. Een strategie die niet alleen interessant is voor (de werving van) ‘schone’ bedrijven, maar ook leidt tot een verbetering van de bodem, water-, natuur- en luchtkwaliteit en de volksgezondheid. Technologische innovaties, zoals Artificial Intelligence (AI), bieden (nieuwe) kansen. Deze hebben effect op het soort van bedrijfsactiviteiten, de benodigde kennis en op het aantal en de soort van banen. Digitale voorzieningen (waaronder datacentra), verbindingen en veiligheid zijn inmiddels onmisbaar voor het functioneren en innoveren van bedrijven en alle andere organisaties. Netcongestie en stijgende energieprijzen belemmeren de economische ontwikkeling van Fryslân. Zo is er niet altijd een aansluiting beschikbaar voor nieuwe bedrijven of voor bedrijven die willen verduurzamen of uitbreiden. Zonder extra maatregelen verwachten we dat deze problematiek toeneemt. De oplossingsrichtingen zijn aangegeven in de paragraaf energie (4.2). Streefbeeld 2050 In 2050 is de Friese economie toekomstbestendig en circulair. Welzijn, welvaart en leefomgeving zijn met elkaar in balans. Dit is geleidelijk en stapsgewijs tot stand gekomen. In de eerste fase, richting 2035, lag de nadruk op het moderniseren en verduurzamen van de economische structuur.
Bestaande bedrijfs- en kantoorlocaties werden heringericht, verduurzaamd, adequaat ontsloten én klimaatbestendig gemaakt. Hierdoor zijn bestaande bedrijfslocaties optimaal benut. Door de transitie van een lineaire naar een circulaire economie worden er geen grondstoffen meer verspild. In het verlengde van de economische vernieuwing - en het provinciale speerpuntenbeleid - verrezen er gaandeweg nieuwe bedrijfs- en kantoorlocaties, met name rond het Fries Stedelijk Netwerk, de regiosteden en regiokernen. Deze gerichte clustering van activiteiten was essentieel voor het beheer van de schaarse ruimte en cruciale productiefactoren als energie en personeel. Ook het onderling uitwisselen van kennis en kunde, diensten en goederen is hierdoor versterkt. De locaties zijn specifiek gekozen om optimale synergie te creëren. Ondernemingen kunnen dichtbij 'huis’ beschikken over de noodzakelijk infrastructuur, variërend van snelle (fysieke en digitale) verbindingen, geschoold personeel en voldoende duurzame energie en woningen voor werknemers. Maar ook over samenwerkingspartners, waaronder kennisinstellingen en opleidingscentra. In de overige dorpen hebben de van oudsher meer kleinschalige bedrijven hun sterke positie behouden; ook deze bedrijven hebben de slag naar circulariteit en innovatie gemaakt.
Dat alles in een aantrekkelijke omgeving waarin in de ontwerpfase aandacht is besteed aan ruimtelijke kwaliteit, duurzame mobiliteit (transferia en hubs), circulariteit, groen, water en een goede overgang naar het omringende landschap. Kwaliteiten die zich terugbetaalden in zowel de vestiging van nieuwe – hoofdzakelijk op circulaire leest geschoeide en stuwende, innovatieve - bedrijven als uitbreiding van bestaande bedrijven. Dit heeft geleid tot groei van de (beroeps)bevolking en het aantal jongeren dat in Fryslân werkt, studeert en (ver)blijft. Door te investeren in kwaliteit, duurzaamheid, bereikbaarheid en moderne faciliteiten heeft Fryslân haar economische achterstand de afgelopen decennia zelfs omgezet in een voorsprong. Daarin bleek het inzetten en voortbouwen op de Economische Samenwerkingsagenda Blue Delta een gouden zet. Alle zes daarin benoemde speerpuntsectoren – Agro Food, Watertechnologie, Hightech Systemen en Materialen, Circulaire Materialen, Maritieme Technologie en Gastvrijheidssector – hebben de wind in de zeilen. Mede dankzij van een uitstekend woon- en leefklimaat, met voldoende betaalbare woningen.
Opgaven en doelen De centrale opgave voor de komende decennia is het realiseren van een vitale economie met een toekomstbestendig verdienvermogen, die in 2050 volledig circulair is. Dit vereist het bieden van voldoende ontwikkelruimte, met als leidend principe: het juiste bedrijf op de juiste plek. Om dit te bereiken, zetten we in op economische vernieuwing. We willen onze achterstand inlopen door innovatie in speerpuntsectoren en zorgvuldig gebruik van energie, grondstoffen, arbeid en ruimte. De ambitie om de economische achterstand in te lopen vertaalt zich in de volgende doelen: ◾ Economische structuurversterking met behoud van het ‘Friese Goud’ als fundament van de brede welvaart: natuur, landschap, cultuur, erfgoed en sterke sociale verbanden; ◾ Het inlopen van de economische achterstand ten opzichte van de rest van Nederland op het gebied van productiviteit, innovatiegraad, gemiddeld inkomen en bruto regionaal product per inwoner; ◾ In 2050 is de Friese economie volledig circulair met een gesloten kringloop van grond- en hulpstoffen en eindproducten. Concrete mijlpaal voor de korte termijn is het bereiken van 50% circulariteit in 2035;
83
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
◾
Het op peil houden van de beroepsbevolking om de economische en maatschappelijke doelen te kunnen realiseren.
Specifieke doelen: ◾ In 2050 zijn alle bedrijfsmatige vervoersstromen fossielvrij; ◾ Een toename van de rol van vaarwegen in het transport van goederen, grond-, hulp- en reststoffen voor bedrijven; ◾ De havens aan het Prinses Margrietkanaal en Van Harinxmakanaal, en de zijtakken hiervan, richten zich op watergebonden bedrijvigheid, gaan zuinig om met de ruimte en ontwikkelen zich op basis van bestaande specialismen en de vaarwegklasse; ◾ Nieuwe bedrijvigheid wordt gerealiseerd op plekken die qua water en bodem geschikt zijn. Bedrijfslocaties worden waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Uitgangspunt bij grootschalige ontwikkelingen is dat alleen boven het niveau van de Friese boezem gebouwd wordt; ◾ Het aanbod aan kantoorlocaties sluit aan op de vraag, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin.
Ruimtelijke uitdagingen Genoemde opgaven en doelen leiden tot een drietal ruimtelijke uitdagingen. De eerste is het bieden van ruimte voor toekomstbestendige bedrijvigheid. Hoewel de Friese economie zich ontwikkelt en bedrijven willen vernieuwen, zijn de beschikbare ruimte, cruciale infrastructurele voorzieningen – zoals energie, laadinfrastructuur en verbindingen – en zoetwater niet overal toereikend. De oplossing schuilt in het zorgvuldig matchen van de aard van de bedrijvigheid met de locatie, waarbij beschikbaarheid van infrastructuur en zoetwater en een zorgvuldige inpassing in de omgeving van stad of dorp voorop staan. Anders gezegd: het juiste bedrijf op de juiste locatie. De tweede uitdaging is flexibel inspelen op nieuwe ontwikkelingen, ook wel de 'additionele ruimtevraag' genoemd. De ruimtevraag laat zich niet volledig voorspellen, zodat provincie en gemeenten strategisch wendbaar moeten zijn om ruimte te reserveren voor kansrijke, onverwachte initiatieven, zoals nieuwe vormen van hightech bedrijvigheid of snelle groei van bestaande ondernemingen. Dit zonder de kwaliteit van de leefomgeving uit het oog te verliezen. We sluiten echter niet uit dat de ruimtevraag op termijn afneemt, bijvoorbeeld door (toename) online (thuis/elders) werken. Of doordat bestaande bedrijfsactiviteiten – als gevolg van AI – verder worden geautomatiseerd en minder ruimte vragen.
De derde uitdaging is het versterken van de integrale kwaliteit van bedrijventerreinen. Bedrijventerreinen zijn meer dan economische centra; het zijn plekken waar verschillende opgaven samenkomen. Naast behoefte aan ruimte voor ondernemen, is er een groeiende behoefte aan energie, groen, klimaatadaptatie en duurzame mobiliteit, inclusief laadinfrastructuur. Kortom: het toekomstbestendig ontwikkelen, revitaliseren en aantrekkelijker maken van bestaande en nieuwe bedrijfslocaties.