Bijlage 1 - Ontwerp-Provinciale Omgevingsvisien
Tekst van het document
Meervoudige opgaven binnen één landelijk system In delen van Fryslân komen opgaven rond water, bodem, klimaat, landbouw en natuur sterk samen, o.a. rond Natura 2000-gebieden, veenweidegebieden, beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. In deze gebieden is extra inzet nodig om landbouwontwikkeling, natuurherstel, waterkwaliteit en klimaatadaptatie met elkaar te verbinden. We werken hier met generieke maatregelen als basis en gerichte gebiedsaanpakken waar dat nodig is. We zullen een extra inzet ondersteunen met ons grondinstrumentarium en middelen voor agrarisch natuurbeheer, groenblauwe dooradering, innovatie, KPI-sturing door agrariërs, water- en bodemmaatregelen. Ook maatregelen voor zoetwaterbeschikbaarheid en het beperken van wateroverlast maken hiervan onderdeel uit. Agrariërs kunnen zo hun bedrijfsvoering en verdienmodellen verbreden en verduurzamen. Door te werken vanuit bodem- en waterlogica, gebiedskennis en de ontwikkelpaden voor landbouw, ontstaan oplossingen die uitvoerbaar zijn voor het landschap én voor de bedrijven die er actief zijn.
Zorgvuldig omgaan met landbouwgrond Landbouwgrond is schaars en van groot belang voor voedselproductie, de regionale economie en het functioneren van ketens. Daar zijn we zuinig op. Daarom ontwikkelen we, samen met het Rijk en in afstemming met het Wetterskip en gemeenten, een afwegingskader voor functieverandering van landbouwgrond. Hierin worden per geval de landbouwkundige waarde, voedselvoorziening en concurrerend vermogen, landschappelijke kwaliteit en andere maatschappelijke belangen in samenhang afgewogen. Dit biedt duidelijkheid voor ondernemers, financiers, gemeenten en andere gebiedspartners.
Samen werken aan een duurzaam landschap De ontwikkeling van het landelijk gebied vraagt tijd, continuïteit en samenwerking. Door water en bodem centraal te stellen, landbouw perspectief te bieden en natuur te herstellen, groeit Fryslân stap voor stap toe naar een nieuw evenwicht. Met gebiedskennis, vakmanschap, innovatie en gezamenlijke verantwoordelijkheid ontstaat een landelijk gebied dat leefbaar is voor bewoners, aantrekkelijk voor bezoekers en veerkrachtig voor toekomstige generaties. En we hebben aandacht voor stilte en donkerte, als basisvoorwaarden voor een natuurlijke en gezonde leefomgeving.
Uitwerking per grondsoort De belangrijkste aandachtspunten die voortvloeien uit deze beweging presenteren we hieronder per grondsoort (water en bodem als basis). Klei: zoetwater en cultuurbehoud Het kleigebied is van vitaal belang voor de agrarische sector. We stellen het behoud van de uitstekende productieomstandigheden voor de landbouw dan ook voorop. Belangrijke opgaven zijn het anticiperen
17
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
op de toenemende verzilting en het verbeteren van de bodem- en waterkwaliteit. Omdat het doorspoelen met zoet (IJsselmeer)water in de toekomst niet altijd gegarandeerd kan worden, wordt het vasthouden van zoetwater en het vergroten - en in stand houden - van zoetwaterlenzen onder percelen steeds belangrijker. Op plekken waar verzilting in de toekomst onontkoombaar is, liggen kansen voor andere teelten. Daarnaast zijn het verbeteren van de biodiversiteit en het behoud van het karakteristieke kleilandschap met zijn rijkdom aan cultuurhistorisch erfgoed en unieke verkavelingspatronen belangrijk. Veen: veenoxidatie en bodemdaling Onze ambitie voor het veengebied voor de lange termijn (2050) is een blijvend evenwicht, waarin veenafbraak, maaivelddaling en CO2- uitstoot nagenoeg zijn gestopt. De kwaliteiten van landschap en natuur zijn verbeterd. Funderingen worden niet verder aangetast. Ook de leefbaarheid en vitaliteit staan op een hoog peil; de landbouw heeft zich aangepast aan de veranderde omstandigheden en recreatie en toerisme hebben zich verder ontwikkeld.
Om tot deze ambitie te komen richten we ons voor 2030 op de volgende veenweidedoelen: ● De negatieve effecten van maaivelddaling zijn verminderd (gemiddeld 0,2 cm minder maaivelddaling per jaar; daarnaast beperken en compenseren van negatieve effecten); ● De uitstoot van broeikasgassen is met 0,4 megaton CO2 equivalenten per jaar afgenomen; ● De landbouw heeft een duurzaam toekomstperspectief; ● Het watersysteem is waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. We koppelen maatregelen en acties voor deze veenweidedoelen zoveel mogelijk ook aan andere doelen, zoals biodiversiteit, duurzame energie, vermindering stikstofdepositie, waterkwaliteit. Op die manier is meerwaarde te bereiken en worden zaken in een gebied in een keer aangepakt. Zand: stikstof- en waterurgentie Het afstemmen van landbouw, natuur, water, bodem en landschap is op het zand de voornaamste opgave: een kwaliteitsimpuls waarmee een toekomstbestendige landbouw en natuurherstel verder worden vorm gegeven. De beschikbaarheid van voldoende en schoon water speelt daarin een belangrijke rol. Vanwege de aanwezigheid van een groot aantal stikstofgevoelige natuurgebieden en verdroging/ droogtestress, ligt de grootste opgave in Zuidoost-Fryslân. Omdat natuurherstel en perspectief voor de landbouw onmogelijk zijn zonder optimale waterhuishouding, zetten we hier in op zoetwater vasthouden.
In gebiedsprogramma’s werken we de benodigde maatregelen uit met agrariërs, Wetterskip Fryslân en natuurbeheerders. Specifieke aandacht hebben de beekdalen, waar versterkt wordt ingezet op verbetering van natuur-, landschaps- en waterkwaliteit. Dit maakt deze gebieden bovendien aantrekkelijker voor recreanten en toeristen.
In de grondwaterbeschermingsgebieden verbeteren we de grondwaterkwaliteit, met het oog op een veilige en toekomstbestendige drinkwaterwinning. Daarom beperken we hier de uit- en afspoeling van met name nutriënten en pesticiden. Bewegingskaart 2 (zie kaartenboek) Naar een sterke landbouw en natuur in de klimaatbestendig Fryslân Ook voor deze kaart is de natuurlijke ondergrond van water en bodem de basis. De situaties waar Fryslân mee te maken krijgt door klimaatverandering zijn weergegeven, samen met de oplossingen die we hiervoor willen inzetten. Het tegengaan van verzilting en verdroging en het reserveren van ruimte voor dijkversterking zijn hiervan voorbeelden. De landbouwhoofdstructuur wordt weergegeven met de vier gebieden (wadden, klei, veen en zand). Onderdeel daarvan zijn de meervoudige opgaven, waar opgaven rond water, bodem, klimaat, landbouw en natuur sterk samenhangen. In de uitnodigingszone landelijk, Zuidoost Fryslân spelen urgente opgaven vanwege stikstofgevoelige natuur, verdroging en landbouw. We willen hier met medeoverheden en stakeholders aan de slag gaan.
3.3 Naar vitale steden en dorpen in een verbonden Fryslân Een vitaal Fryslân begint bij sterke steden en dorpen die elkaar aanvullen en versterken. Elk dorp en elke stad moet zich kunnen ontwikkelen op een manier die aansluit bij de eigen identiteit, schaal en behoeften. Daarbij streven we naar leefbaarheid door het creëren en faciliteren van nabijheid: wonen dicht bij werken, met voorzieningen binnen handbereik en nooit ver weg van groen, water en een aantrekkelijk en klimaatadaptief landschap.
18
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Het Fries Stedelijk Netwerk is het hart van de regio. Het biedt een breed scala aan stedelijke voorzieningen en bedrijvigheid waar iedereen in Fryslân van profiteert. De stedelijke dynamiek zorgt voor gevarieerde en stuwende werkgelegenheid, innovatie en kennisontwikkeling. Daarnaast vervullen de regiosteden Harlingen en Dokkum en de regiokernen een cruciale werkgelegenheids- en verzorgingsrol voor hun omgeving. Complementair vormen de dorpen, met hun unieke kwaliteiten, het bruisende weefsel van het platteland.
Gevarieerde woningbouw voor groei De grote vraag naar woningen beantwoorden we met gevarieerde nieuwbouw in en rond steden en dorpen; onze ambitie is om in Fryslân voldoende woningen te realiseren waarbij ook rekening wordt gehouden met demografische ontwikkelingen en de verwachte economische impuls in 2050. Door de woningvoorraad aan te vullen en te differentiëren, houden we jongeren vast en komen we tegemoet aan de woonbehoeften van ouderen. Denk daarbij ook aan de combinatie van wonen en zorg. Daarbij vraagt nieuwe woningbouw om tijdige aandacht voor netbewust bouwen en aardgasvrije en collectieve warmteoplossingen. Met circulaire en modulaire bouw en nieuwe woonvormen, kan snel en flexibel worden ingespeeld op veranderende behoeften en tijdelijke woningvraag. En door natuurinclusief te bouwen kunnen we ook in bebouwde gebieden de biodiversiteit vergroten. Alle steden en dorpen moeten in de autonome vraag naar woningen (zie begrippenlijst) kunnen voorzien. Naast het slim benutten van de bestaande woningvoorraad, en van vrijkomende plekken in bebouwd gebied, kunnen enkele woningen - of ‘een straatje’ erbij - nodig zijn. Voorwaarde is dat dit geen afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van de kern. De grotere dorpen - met name de regiokernen - en de steden zullen meer ruimte voor woningbouw nodig hebben.
Wanneer nieuwe bedrijvigheid aantoonbaar nieuwe inwoners aantrekt, is extra woningbouw nodig. Dan kunnen we zowel de beroepsbevolking, de economie als het voorzieningenniveau op peil houden. Het accent voor extra woningbouw ligt op het Fries Stedelijk Netwerk, de regiosteden en de regiokernen. Aanvullend zien we, naar aard en schaal, passende mogelijkheden voor woningen bij de dorpen en ook – onder voorwaarden – in het landelijk gebied.
Daarnaast vinden we ook het volgende belangrijk: ◾ Gemeenten, corporaties en marktpartijen knappen bebouwd gebied op en geven het een optimale, eigentijdse invulling, met aandacht voor energiebesparing en duurzame energie bronnen. Daarbij houden ze rekening met de nederzettingenstructuur en karakteristieke bebouwing. Zo ontstaat ruimte voor nieuwe woningen, bedrijven en voorzieningen in de steden en de dorpen; ◾ Samen met gemeenten zoeken we de juiste balans tussen bouwen binnen de bestaande kernen (inbreiding) en erbuiten (uitbreidingslocaties); ◾ Vrijkomend vastgoed – denk aan boerderijen en karakteristieke gebouwen – komt in aanmerking voor nieuwe bestemmingen voor wonen, recreatie, zorg of passende bedrijvigheid. Ook op het omliggende erf zien we passende mogelijkheden. De ruimtelijke, functionele en maatschappelijke meerwaarde is daarbij leidend. En nieuwe activiteiten mogen geen belemmeringen opleveren voor bestaande activiteiten; ◾ Ondanks dat de Waddeneilanden te maken hebben met meer beperkingen voor woningbouw, vinden we het belangrijk dat ze voldoende woningen kunnen bouwen. We ondersteunen de eilandgemeenten in het vinden van maatwerkoplossingen in relatie tot de beperkte ruimte en nabijheid van natuurgebieden. Woningen zijn bij voorkeur bestemd voor degenen die een sociale en/of economisch binding hebben met de eilanden.
Kwaliteit in de bebouwingsranden Grote inbreidings- en uitbreidingslocaties voor wonen, werken en voorzieningen komen tegemoet aan de bovenlokale behoefte. Bij de ontwikkeling van zulke locaties houden we onder meer het volgende in het oog: ◾ Meegroeien van groen en ruimte voor water; ◾ Nabijheid van recreatiemogelijkheden; ◾ Gezonde en veilige leefomgeving (qua geluid, geur en schone lucht); ◾ Beschikbaarheid van voldoende fossielvrije energie; ◾ Adequate afstemming op het natuurlijke water- en bodemsysteem; ◾ Goede ontsluiting en bereikbaarheid, ook met fiets en OV.
19
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
In aantrekkelijke multifunctionele stadsranden, met ruimtelijke kwaliteit, zorgen we dat de ontwikkeling van stedelijke functies en de aanleg van energie- en data-infrastructuur gelijktijdig plaatsvindt met de aanleg van groen, water en recreatieve voorzieningen. Hierin nemen we samen met gemeenten de regie (uitnodigingszones). Gemeenten werken op hun beurt aan een gezonde en inclusieve woon- en leefomgeving met een inrichting die de volgende kenmerken combineert: ◾ Beperking van hittestress en wateroverlast; ◾ Vergroten van de biodiversiteit; ◾ Een levendig en gemengd karakter; ◾ Uitnodiging tot bewegen, ontmoeten en ontspannen; ◾ Tot stand brengen van ruimtelijke kwaliteit en identiteit.
Verbindingen en bereikbaarheid We versterken de verbindingen tussen steden, dorpen en het platteland, en tussen verschillende vervoerswijzen (OV, fiets, auto, water en lucht). Met nadruk op het optimaliseren, combineren en doelmatig benutten van de bestaande verbindingen. Streven is dat banen en regionale voorzieningen voor iedereen van huis uit binnen dertig minuten reistijd te bereiken zijn; voor basisvoorzieningen is het streven vijftien minuten. Mobiliteitshubs spelen hierin een belangrijke rol doordat ze verschillende vervoerstypen verknopen en het overstappen vergemakkelijken. Daarbij hoort passende laadinfrastructuur voor elektrisch vervoer, in het bijzonder bij mobiliteitshubs en OV-knooppunten.
Bij nieuwe ruimtelijke projecten zijn adequate ontsluiting en goede bereikbaarheid voorwaarden. De steden en regiokernen zijn de knooppunten van snelle, goed bezette OV-lijnen. Van daaruit zorgen we voor een fijnmazige ontsluiting van de kleinere kernen met passend lokaal vervoer. Vestiging van functies in de omgeving van OV-knooppunten en stations draagt bij aan het optimaliseren van de bereikbaarheid. Transferia rond de steden ontlasten binnensteden en maken deze veiliger.
De door het Rijk geplande Lelylijn versterkt niet alleen de onderlinge verbindingen in het Fries Stedelijk Netwerk en in Noord-Nederland, maar ook de aansluiting op de rest van het land. Bij de planvorming rond woon- en werklocaties houden we rekening met de aanleg van deze spoorlijn. Belangrijk aandachtspunt is de aansluiting van de omliggende regio’s op de nieuwe halteplaatsen.
Gastvrijheidssector met meerwaarde Slimme groei van de gastvrijheidssector draagt bij aan een prettige leefomgeving, leidt tot behoud van voorzieningen en karakteristieke gebouwen én schept toekomstbestendige banen. De sector is dan ook van grote waarde. Niet alleen voor de brede welvaart, maar ook voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze raakt immers een grote verscheidenheid aan ruimtelijke vraagstukken.
In relatie tot de gastvrijheidssector merken we het volgende op: ◾ Naast de traditionele watersport en vaarrecreatie, zien we kansen in cultuur-, bezinnings-, agro- en natuurtoerisme. Ontwikkelingen die passen bij de kwaliteiten van Fryslân en het verduurzamen van het toerisme; ◾ We benutten en versterken de potentie van water- en landrecreatie. Gebieds- en landschapskwaliteiten zijn leidend en inspirerend voor nieuwe ontwikkelingen en aanpassingen; ◾ Nieuwe, grootschalige voorzieningen passen niet bij slimme groei van het toerisme. Uitzonderingen zijn mogelijk, mits een initiatief grote meerwaarde heeft voor opgaven als natuurontwikkeling, ruimtelijke kwaliteit en/of leefbaarheid; ◾ Prioriteit ligt bij kwaliteitsverbetering en de meerwaarde van recreatieve en toeristische voorzieningen voor inwoners en bij het aantrekken van passende doelgroepen; ◾ Op de Waddeneilanden zien we kansen voor duurzame recreatievormen die aansluiten bij het unieke landschap, de natuur, het erfgoed en bij de draagkracht van de eilanden. Bewegingskaart 3 (zie kaartenboek) Naar sterke steden en dorpen in een leefbaar, vitaal en verbonden Fryslân Op deze kaart staat de kernenstructuur met het Fries Stedelijk Netwerk, de twee regiosteden Harlingen en Dokkum, de regiokernen, waddenkernen, overige dorpen en plattelandsdorpen. Ook het netwerk van
20
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
fietspaden, autowegen, spoorverbindingen is aangegeven. De cirkels rondom de steden en de regiokernen geven indicatief het verzorgingsgebied aan; we streven ernaar dat iedereen in Fryslân binnen 15 tot 30 minuten toegang heeft tot banen en belangrijke voorzieningen.
3.4 Naar een fossielvrije en circulaire samenleving Fryslân maakt in de komende decennia werk van een sterke, circulaire economie met een betrouwbare en betaalbare fossielvrije energievoorziening. Met als sleutelwoorden: slim clusteren en verbinden. Door economie, energie en mobiliteit grotendeels op de meest geschikte locaties te concentreren, benutten we netwerken en infrastructuur maximaal. Deze netwerken en infrastructuur staan onder druk en moeten worden versterkt om de huidige en nieuwe Friese bedrijvigheid goed te faciliteren. Bovendien versterken we synergie-effecten en is concentratie gunstig voor de ruimtelijke kwaliteit. Met bodem, water en landschappelijke waarden als basis bouwen we voort op de kracht en kwaliteiten van Fryslân.
Daarbij zetten we in op de volgende zaken: ◾ Groei van de zes economische speerpuntsectoren (AgroFood, Water Technology, High Tech Systems & Materials, Circular Materials, Maritime Technology, Tourism & Hospitality) waarmee we ook onze koploperpositie in de circulaire economie verder versterken; ◾ Het faciliteren van een fossielvrije bedrijfsvoering en mobiliteit; ◾ Uitstekende verbindingen ((vaar)wegen, digitale netwerken, Openbaar Vervoer) zorgen voor de bereikbaarheid en onderlinge connectiviteit van belangrijke economische clusters. Hiermee stimuleren we innovatie en versterken we het vestigingsklimaat voor nieuwe, stuwende - en bij voorkeur - innovatieve bedrijven; ◾ De door het Rijk geplande Lelylijn, als bijdrage aan genoemde connectiviteit, zowel binnen NoordNederland als met de rest van het land. Niet alleen het Fries Stedelijk Netwerk profiteert, maar ook de omliggende regio's; ◾ Het stimuleren van het gebruik van ons vaarwegennet voor goederenvervoer over water. Vaarverbindingen zoals het Prinses Margriet- en Van Harinxmakanaal worden robuuste, strategische corridors binnen de grotere Europese netwerken.
Watergebonden bedrijven concentreren zich op enkele goed ontsloten natte bedrijventerreinen;de ontwikkeling hiervan sluit aan op de huidige vaarwegklasse; ◾ Inzet van drones om snel, veilig en efficiënt data te verzamelen, inspecties uit te voeren, (medische) goederen te transporteren en taken uit te voeren op moeilijk bereikbare of risicovolle locaties.
Het juiste bedrijf op de juiste locatie Bij het ruimtelijk programmeren van bedrijventerreinen sturen we op de match tussen bedrijf en locatie. Dit betekent dat de aard en schaal van een onderneming moeten passen bij een reeks van factoren: ◾ De context van de stad of het dorp; ◾ Het onderliggende water- en bodemsysteem; ◾ De ontsluiting en bereikbaarheid; ◾ De beschikbaarheid van energie en zoetwater; ◾ De specifieke kwaliteiten van stad of dorp. We beginnen met het optimaal benutten en opwaarderen van bestaande bedrijventerreinen. Dit betekent: indeling, verblijfskwaliteit en bereikbaarheid verbeteren, klimaat adaptief maken en voorzien in snel internet, duurzame energie en laadinfrastructuur (zogeheten 'clean energy hubs'). Op enkele strategische locaties bieden we ruimte aan grootschalige bedrijvigheid (kavels >3 ha.) met een duidelijke (regionale) meerwaarde, die bijdraagt aan de brede welvaart van Fryslân.
Duurzame energie dichtbij Energie is essentieel voor goed en betaalbaar wonen, werken en verplaatsen in Fryslân. De energievoorziening staat echter onder druk. De ontwikkeling van bedrijven wordt beperkt door stijgende prijzen en netcongestie. Hierdoor stagneren uitbreiding en verduurzaming. Maar ook huishoudens voelen de hoge energiekosten. Bovendien stagneert de woningbouw doordat niet altijd in aansluitingen kan worden voorzien.
Om deze problematiek op te lossen moeten we het energienetwerk slimmer benutten en uitbreiden. Daarbij zetten we ook vol in op energiebesparing en toepassing van niet-elektrische bronnen. Het tijdelijk
21
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
opwekken van nieuwe elektriciteit in de vorm van zonne- en windenergie is echter nodig. En op termijn mogelijk met SMR’s en wind op zee. De productie koppelen we aan de Friese energievraag, waarbij de opbrengsten zo veel mogelijk binnen de provincie blijven.
Door verouderde windturbines op te ruimen, creëren we op een beperkt aantal plekken ruimte voor nieuwe turbines. Dit onder strikte voorwaarden en in samenhang met andere ruimtelijke opgaven. Belangrijk is dat de opbrengsten grotendeels binnen Fryslân blijven. Nieuwe ontwikkelingen die veel energie vragen, zoals bedrijvigheid en transport, koppelen we slim aan plekken waar voldoende energie beschikbaar is of kan worden opgewekt.
Tot 2035 concentreren we onze aandacht op het volgende: ◾ Versneld benutten van duurzame warmtebronnen zoals aquathermie, groengas, restwarmte en geothermie om de behoefte aan lokaal opgewekte elektriciteit te beperken. Dit vraagt om lokaal maatwerk; ◾ Slimmer omgaan met beschikbare energie door vraag en aanbod lokaal beter op elkaar af te stemmen en meer flexibele capaciteit op het elektriciteitsnet te realiseren. Energiehubs op centrale knooppunten zorgen voor stabiliteit in het energienetwerk en voor snelheid en doelmatigheid van onze energievoorziening; ◾ Versnellen van de uitbreiding van de energie-infrastructuur door vergunning-verlening te stroomlijnen en de inzet van provinciale grondposities te verkennen; ◾ Stimuleren van opslag bij grootverbruikers en voorlopig geen grootschalige opslag (>100 MW) toestaan, totdat - in samenspraak met de netbeheerder - duidelijk is waar en waarom deze nodig is; ◾ Saneren van verouderde windturbines om ruimte te creëren voor moderne exemplaren (meer duurzame elektriciteit met minder turbines); ◾ Ruimte bieden voor nieuwe windenergie op logische locaties, onder strikte voorwaarden en met oog voor de ruimtelijke kwaliteit; ◾ Onderzoek naar de haalbaarheid van kleine, modulaire kernreactoren (SMR's) en volgen van innovaties zoals getijdenenergie, onderwatervliegers en blue energy.
Na 2035 streven we het volgende na: ◾ Een sterke aansluiting op nationale en Europese energienetwerken - denk aan de waterstofbackbone en 380 kV-verbinding - om onze energievoorziening stabiel, betrouwbaar en toekomstbestendig te houden; ◾ Het afstemmen van ontwikkelingen die veel energie vragen op de daadwerkelijke beschikbaarheid daarvan. Denk daarbij aan woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en mobiliteit; ◾ Concentratie van duurzame energieopwekking. Tijdelijke clusters van wind- en zonne-energie worden vervangen door meer permanente oplossingen. Kernenergie kan deel van de energiemix uitmaken, mits uit onderzoek blijkt dat dat wenselijk en haalbaar is.
Circulaire economie en sluiten van kringlopen Fryslân is wereldwijd koploper in de circulaire economie met actoren als Vereniging Circulair Fryslân, Omrin, Wetsus, de Dairy Campus en een innovatieve agrofoodsector. Deze positie willen we uitbouwen en opschalen. Naast toepassing van nieuwe technieken in productie en verwerking, hebben we het dan ook over het doorontwikkelen, uitdragen en vermarkten van kennis. In 2030 kunnen we Europees vooroplopen op het terrein van de grondstofkringlopen. We gaan daarom slim en spaarzaam om met zowel grondstoffen, componenten als eindproducten. We werken toe naar een integrale aanpak waarin ketens sluiten en afval niet meer bestaat. Naast de productie werkt dit door in de consumptie van goederen, waarbij bewustzijn, koopgedrag, en duurzame omgang met reststoffen centraal staan.
In de overgangsfase naar een volledig circulaire economie bestaan er twee economieën naast elkaar: een lineaire en een circulaire. Dit zal tijdelijk meer ruimte kosten, tot wel zo’n 40%. Ruimte die eerst op bestaande locaties gevonden moet worden. Bijvoorbeeld door revitalisering, herverkaveling en herplaatsing, inschikking en meervoudig ruimtegebruik. In een later stadium komt noodzakelijke uitbreiding in het vizier. Op geschikte locaties dient altijd voldoende ontwikkelruimte te zijn voor watergebonden bedrijven en zwaardere bedrijven in de hogere milieucategoriëen.
Het sluiten van kringlopen geldt ook in het landelijk gebied. Agrarisch ondernemers maken daarbij gebruik van elkaars grondstoffen en producten. Zo kan samenwerking tussen akkerbouw- en veeteeltbedrijven (her)gebruik van reststromen stimuleren. Ook de productie van groengas uit mest is kansrijk – afhankelijk van toekomstige ontwikkeling van het mestaanbod – en biedt agrariërs nieuwe kansen op inkomsten. De
22
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
kans bestaat dat hierdoor de druk op het netwerk van erftoegangswegen en provinciale wegen toeneemt. We monitoren hoe dit uitpakt en anticiperen waar nodig.
Bewegingskaart 4 (zie kaartenboek) Naar een fossielvrije en circulaire samenleving De netwerken voor energie en economie zijn de belangrijkste dragers van deze kaart. Samen met de grote en middelgrote steden wordt zichtbaar waar de economie, voorzieningen en mobiliteit samenkomen. Ook laat de kaart zien waar de grootste energievraagclusters zich bevinden en waar wordt ingezet op het uitbreiden van onderstations en opwek van duurzame energie. Deze kaart vormt een belangrijke basis voor de uitnodigingszones stedelijk op de Visiekaart. Het zijn de gebieden waar woningbouw, circulaire economie, voorzieningen en duurzame energievoorziening samenkomen. Samen met de grote infrastructuur, zowel op land als op water, stuurt energievoorziening sterk op toekomstige ontwikkelingen.
H 4 Sturing: samenwerken in de geest van de Omgevingswet De Omgevingsvisie is een instrument op grond van artikel 3.2 van de Omgevingswet. We sluiten voor onze sturingsfilosofie dan ook aan bij de doelen van deze wet: ◾ Meer samenwerken als één overheid, met onderkenning van de verschillende belangen; ◾ Meer samenhang brengen in de afwegingen en keuzes voor de leefomgeving; ◾ Ruimte laten voor maatwerk en initiatieven; ◾ Snellere en betere besluitvorming realiseren; ◾ Overzichtelijke regels opstellen. Deze Omgevingsvisie beschrijft zo concreet mogelijk de provinciale opgaven en belangen, ambities en oplossingsrichtingen. Onze samenwerkingspartners, de Friese gemeenten, Wetterskip Fryslân en het Rijk, vragen dit ook van ons. Dit is gedaan in de vier bewegingen en de thematische uitwerkingen daarvan. Om dit alles gestalte te geven sturen niet alleen op proces, maar voeren we ook regie op bovenlokale vraagstukken, zoals klimaatadaptatie, energie, landbouw, natuur en de grote woningbehoefte. We doen dit altijd samen en in overleg met onze partners. Tegelijk wordt ons gevraagd om waar dat kan, ruimte te bieden aan andere partijen en initiatiefnemers. Bijvoorbeeld door lokale ruimtelijke afwegingen aan gemeenten over te laten, dus decentraal te doen wat decentraal kan. Of door ideeën en initiatieven 'van onderop’ te stimuleren vanuit een positieve houding: ja, mits.
En gebruik te maken en aan te sluiten bij wat er al gebeurt. Dat vraagt een manier van sturing waarbij we als provincie onze opgaven centraal stellen en samen met samenwerkingspartners keuzes bepalen en aan oplossingsrichtingen werken. De opgaven zijn hierboven in paragraaf 2.2 beschreven. Met deze opgaven dragen we bij aan onze provinciale belangen (zie bijlage 4). In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we de samenwerking voor ons zien en hoe wij de instrumenten uit de Omgevingswet inzetten om onze doelen te bereiken.
4.1 Samenwerken aan onze opgaven en brede welvaart Wij kiezen in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk voor samenwerking als manier om doelen te realiseren. Niet alleen omdat de Omgevingswet dat vraagt, maar ook omdat het ons helpt bij het maken van de juiste keuzes. Door samenwerking leren we de verschillende belangen en invalshoeken die rond een vraagstuk spelen goed kennen. Alleen zo komen we tot integrale keuzes en een dito aanpak. Onze ambitie is om de beweging te maken naar samenwerking als één overheid. We zijn ons ervan bewust dat we daar nu nog niet zijn. We zullen samen met onze partners de beweging moeten maken. De opgaven waar Fryslân voor staat zijn omvangrijk en urgent. Bij het maken van keuzes – en het vinden van oplossingen – hebben we andere partijen nodig. De opgave bepaalt het schaalniveau van de oplossingen, de daarvoor benodigde maatregelen, de samenstelling van samenwerkende partijen en de tijdspanne waarin een oplossing nodig is. Ook hangt de gebiedsbegrenzing (provinciebreed of specifiek gebied) af van de opgave. We stellen onszelf en anderen steeds de vraag; hoe draagt een oplossing of een maatregel bij aan de brede welvaart in Fryslân?
23
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Vanuit de gedachte 'decentraal wat kan, centraal wat moet', nemen we als provincie meer (proces)regie op bovenlokale vraagstukken. Uiteraard in overleg met onze samenwerkingspartners. Andere partijen en initiatiefnemers hebben ook hun rol in deze vraagstukken. Zo laten we lokale ruimtelijke afwegingen zoveel mogelijk over aan gemeenten (decentraal wat kan) en stimuleren we ideeën en initiatieven 'van onderop’ vanuit een positieve houding: ja, mits. Voor deze ‘mits’ hanteren wij onze Omgevingsvisie als kader. We denken mee en adviseren over projecten en plannen vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor omgevingskwaliteit. De ideeën voor een gezamenlijke werkwijze, vanuit één overheidsgedachte, werken we de komende tijd uit; bijvoorbeeld in de vorm van een Friese organisatie voor omgevingskwaliteit. In Fryslân zetten we als provincie al jaren in op (voorkant)samenwerking: we willen vroeg met elkaar ‘om tafel gaan’ voor snelle, integrale oplossingen met oog voor ieders belang. Zowel met inwoners, bedrijven en organisaties als met de Friese gemeenten en Wetterskip Fryslân. Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden meer als één overheid optreden en meer samenwerken.
We doen dan ook een beroep op de kennis, middelen en innovatiekracht van alle partijen die bij een opgave betrokken zijn en zijn ons bewust van de beweging die we zelf ook willen maken in de samenwerking. Zo werken we samen aan een toekomstbestendig en herkenbaar Fryslân. Dat vraagt een bestuursstijl die samenwerking stimuleert en ruimte biedt voor maatwerk. Met als voorwaarde dat de provinciale belangen gewaarborgd blijven. We gaan dan ook voor een integrale en adaptieve aanpak, met oog voor participatie en een evenwichtige afweging van belangen, soms provinciebreed, soms voor een specifiek gebied. Samenwerken aan de Friese verstedelijkings- en kernenstrategie De gemeenten van het FSN en de provincie werken de verstedelijkingspropositie voor het FSN uit tot een verstedelijkingsstrategie, met een investerings- en uitvoeringsagenda. De gemeenten zijn de trekker van dit proces.
De vijf thema’s uit de verstedelijkingspropositie gaan we verdiepen en met elkaar verbinden: • Ruimte bieden aan verdergaande specialisatie en clustering van de economische topsectoren vanuit stedelijk perspectief; • Blijven bouwen aan een onderling gedifferentieerd woningaanbod en zorgen voor voorzieningen in de nabijheid; • Ontwikkelen van talent door kwalitatief, gericht onderwijs en talent vasthouden door vergroten keuzevrijheid binnen het Noordelijk Stedelijk Netwerk; • Versterken interne en externe multimodale verbindingen (weg, water en spoor); • Verweving stad en land door groene en blauwe routes, anders bouwen en energie(transitie). De tijdshorizon loopt tot 2050, Parallel hieraan gaan de provincie en alle Friese gemeenten een kernenstrategie opstellen voor heel Fryslân. Deze zal, net als de verstedelijkingsstrategie, een uitwerking zijn van het netwerk van steden en dorpen in deze Omgevingsvisie en dezelfde thema’s omvatten,. De provincie voert de (proces)regie op de samenwerking om tot de kernenstrategie te komen. De strategie geeft inzicht in de benodigde ruimte, zowel binnenstedelijk als buitenstedelijk, en geeft aan waar clustering van activiteiten en meervoudig ruimtegebruik nodig zijn. Op deze manier komen we gezamenlijk, gemeenten en provincie, tot een integrale en goed op elkaar afgestemde ontwikkeling van steden én dorpen.
We nemen de verstedelijkingsstrategie en kernenstrategie vervolgens op in een provinciaal Omgevingsprogramma. Hiermee geven we vorm en inhoud aan de beweging naar Sterke steden en dorpen in Fryslân en zorgen we voor een gebalanceerde ruimtelijke ontwikkeling in de hele provincie.
4.2 Onze rollen Als provincie vervullen we bij ruimtelijke vraagstukken verschillende rollen. Voor ieder vraagstuk/programma bepalen we vooraf welke rol – of rollen – we aannemen om partners helderheid te geven. Ook als onze rol gaandeweg een traject verandert, stellen we hen daarvan op de hoogte.
Rechtmatige overheid Daar waar we volgens de wet het bevoegde gezag zijn omdat we regels stellen, vergunningen verlenen of toezicht houden is onze rol helder. We voeren dan wettelijke taken uit en treden op als rechtmatige
24
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
overheid. Ook in dat geval zoeken we naar afstemming en/of samenwerking met onze partners. Bijvoorbeeld door zoveel mogelijk onderwerpen, voorafgaand aan een formele procedurestap, af te stemmen (voorkantsamenwerking). Of door tijdig in gesprek te gaan met belanghebbenden over een vergunning die we willen verlenen.
Presenterende overheid Ook als presterende overheid voeren we wettelijke taken uit, zoals het aanleggen en beheren van wegen, vaarwegen en natuur. Daarbij stemmen we af met andere beheerders (gemeenten, Wetterskip Fryslân, het Rijk, boeren en terreinbeheerders) wanneer we wat doen. We wisselen daarbij onderling de nodige kennis en ervaring uit. Op provinciale projecten voeren we de regie, werken we actief samen met andere overheden – ook om werk met werk te maken – en communiceren we proactief met de projectomgeving.
Samenwerkende overheid Indien er sprake is van een gezamenlijke opgave, dan zijn wij als samenwerkende overheid één van de partners. We hebben als provincie onze eigen taak binnen zo'n samenwerking. Als het gaat om bovenlokale vraagstukken of om een opgave in een Omgevingsprogramma dat we moeten vaststellen, dan ligt de (proces)regie/coördinatie bij de provincie. In andere gevallen zijn we verantwoordelijk voor het voeren van de benodigde procedures, brengen we kennis of middelen in of zijn we de verbinding richting het Rijk.
Faciliterende of participatieve overheid Bij situaties waarin een gemeente, Wetterskip Fryslân, maatschappelijke organisaties of private partijen aan zet zijn ondersteunen wij hen waar nodig. In die situaties zijn wij de faciliterende of participatieve overheid en geven ons beleid en onze regels de kaders aan. Als initiatieven niet passen binnen deze kaders, maar wel gewenst zijn vanwege het maatschappelijk belang en/of het leereffect, dan stellen we vooraf gezamenlijk de kaders voor zo'n initiatief vast; zo nodig wijken we gemotiveerd af van het algemene beleid en de regels. We dragen bij aan dit soort initiatieven door de inbreng van kennis, financiële middelen, of door grond, vastgoed of materiaal beschikbaar te stellen.
25
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
De rollen zullen verschillen per beweging. Hierna een indicatieve invulling daarvan.
26
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
27
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
28
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
29
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
30
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
31
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Verschillende instrumenten Bij de verschillende rollen kunnen we verschillende instrumenten inzetten. Waarbij de instrumenten ook per situatie kunnen verschillen. We kunnen zaken regelen via onze Omgevingsverordening, door omgevingswaarden te bepalen, een concreet projectbesluit te nemen of door een Omgevingsvergunning te verlenen. We bouwen aan onze leefomgeving door het uitvoeren van projecten, bijvoorbeeld de aanleg van de vismigratierivier, en het beheer en onderhoud van infrastructuur en natuur. We stimuleren ontwikkelingen of initiatieven van anderen die bijdragen aan onze doelen. Bijvoorbeeld door financiële middelen, kennis, materialen of ruimte beschikbaar te stellen. In Omgevingsprogramma's, samenwerkingsverbanden en/of een gebiedsgerichte aanpak, werken we samen met de onze samenwerkingspartners.
4.3 Provinciale belangen Voor een Omgevingsvisie is in de Omgevingswet niet bepaald dat het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel in acht moet worden genomen. Voor de Omgevingsvisie is een dergelijke bepaling niet opgenomen. Dat past ook bij de status van een Omgevingsvisie, die zelfbindend is en onze ambitie schetst, maar geen taken en bevoegdheden vastlegt of beperkt. Dat kan bij een nadere uitwerking in de Omgevingsverordening wel aan de orde zijn, en dat moet sprake zijn van een provinciaal belang (proportiona-
32
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
liteit) en moet dat belang niet op doelmatige of doeltreffende wijze door de gemeente kunnen worden behartigd (subsidiariteit). In deze Omgevingsvisie hebben we de provinciale belangen verwoord. Op basis van deze provinciale belangen, gekoppeld aan bovenlokale vraagstukken, bepalen we onze rol in de samenwerking. Uit deze belangen vloeit ook voort bij welke ruimtelijke ontwikkelingen of plannen we als provincie betrokken willen zijn. Kort opgesomd gaat het om: ◾ Een klimaatbestendig water- en bodemsysteem; ◾ Een robuust en veerkrachtig natuursysteem; ◾ Een toekomstbestendige innovatieve landbouw; ◾ Een sterke economische structuur met een aantrekkelijk vestigingsklimaat; ◾ Een goede, duurzame en veilige regionale en (inter)nationale bereikbaarheid; ◾ Een stabiel en betaalbaar netwerk voor productie, opslag, conversie en transport van energie; ◾ Een samenhangende hoofdstructuur van bebouwd gebied, met sterke steden en dorpen; ◾ Een veilige en gezonde leefomgeving; ◾ Een herkenbaar onderscheid tussen Friese landschapstypen op basis van kernkwaliteiten; ◾ Een gemeenschap waarin mensen naar elkaar omkijken, met bestaanszekerheid en gelijke kansen. We verwijzen naar bijlage 4 voor een meer uitgebreid overzicht van onze provinciale belangen. Deze provinciale belangen vormen onze basis om regels te stellen in de verordening.
Bij het stellen van die regels zullen we uiteraard moeten motiveren dat het doelmatig en doeltreffend is dat wij als provincie deze regels stellen. We erkennen hierbij dat de zorg voor de fysieke leefomgeving in de basis bij de gemeente ligt, tenzij daar andere wettelijke regels over zijn gesteld. Bij de uitoefening van provinciale bevoegdheden, zoals het stellen van regels, zullen we van geval tot geval beoordelen of aan het subsidiariteitsbeginsel wordt voldaan.
4.4 Ruimtelijke principes Om onze ambities en doelen te kunnen realiseren, zullen overheid en samenleving oplossingen moeten uitwerken voor de opgaven in de beperkte ruimte. Oplossingen die recht doen aan de omstandigheden en omgevingskwaliteiten in een gebied. Ruimtelijke opgaven zijn immers zelden overal hetzelfde; dat geldt ook voor de oplossingen. Om daar goed op te kunnen anticiperen is gebiedsgericht werken een belangrijk uitgangspunt in deze Omgevingsvisie. De sturingsaanpak vraagt hierin om overleg en samenwerking. Hierbij werken we met gezamenlijke analyses toe naar samenhangende oplossingen en ontwerpen, toegesneden op kenmerken en (gebruiks)waarden in een gebied. En die passen bij onze belangen en bij die van andere partijen. Voor de inrichting van onze ruimte hebben we daarom principes opgesteld. Ze vormen inspiratiebron en hulpmiddel bij het maken van keuzes voor de uitvoering in plannen en programma’s, en om toekomstbestendige keuzes te maken. Er kan niet altijd, in dezelfde mate, aan alle principes worden voldaan. Een bestuurlijke afweging van belangen zal nodig blijven. Daarbij staan de te behalen doelen bij onze opgaven centraal. Net zo goed als de economische haalbaarheid en de betaalbaarheid meewegen. We komen tot de volgende ruimtelijke principes: ◾ Meervoudig en zuinig ruimtegebruik: we gaan slim om met de beschikbare ruimte.
Eerst benutten wat er al is, dan pas nieuwe ruimte inzetten. En door ruimte voor meerdere functies in te zetten en functies te combineren; ◾ Omgevingskwaliteit als ontwerpbasis: ontwikkelingen bouwen voort op bestaande kwaliteiten. Meestal kunnen nieuwe functies worden ingepast in de bestaande situatie. Soms zal echter de ruimtelijke inrichting worden aangepast aan de nieuwe functies, of is zelfs het transformeren van een gebied met een nieuwe ruimtelijke inrichting nodig; ◾ Opgaven koppelen en verbinden: stimuleren dat projecten en ontwikkelingen vanaf de start aan zoveel mogelijk verschillende opgaven en ambities bijdragen; ◾ Een gezonde en veilige leefomgeving: gezondheid en veiligheid worden als centrale thema’s steeds meegenomen in keuzes voor de fysieke leefomgeving; ◾ Klimaatbestendig en voorbereid op toekomstige omstandigheden: onze ruimtelijke ordening en inrichting en daarmee ons landgebruik zijn beter afgestemd op het natuurlijke water- en bodemsysteem; ◾ Niet afwentelen op toekomstige generaties of elders: in onze visie is het effect voor toekomstige generaties of voor andere plekken, meegewogen in onze keuzes. Zo werken we toe naar een rechtvaardigere en duurzamere samenleving.
33
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
We vragen partijen als gemeenten deze principes toe te passen en doen dat zelf ook. Zo hebben we in deze visie het principe Zorgvuldig ruimtegebruik voor ontwikkeling van wonen, werken en voorzieningen vertaald als: “herstructurering, herbestemming en inbreiden voor uitbreiden”. We leggen het principe Koppelen en verbinden voor energie uit door het “combineren van productie, opslag en verbruik van energie in energiehubs, waar tegelijkertijd ruimte is voor groei van de lokale economie, duurzame mobiliteit, warmtetransitie en clustering van functies". Het principe Klimaatbestendigheid en voorbereid op de toekomst, passen we voor economie toe als “Het juiste bedrijf op de juiste plek”. En het principe Niet afwentelen betekent dat we zowel de huidige als de toekomstige drinkwaterwinningen in deze Omgevingsvisie beschermen.
Bij de uitwerking van opgaven, oplossingsrichtingen en programma's zullen we de - in die situatie relevante - principes verder uitwerken, vertalen en concreet maken. Zo helpen ze bij het maken van afwegingen. Ook bij het opstellen en uitvoeren van provinciale projecten benutten we de principes. Wanneer we samen met andere partijen samenwerken aan een opgave of initiatief, dan brengen we de principes aan de start van een traject in.
Via onze opgaven en vanuit brede welvaart willen we zo met alle partijen samenwerken aan een rechtvaardige, doelmatige en slimme verdeling van de ruimte in Fryslân en een goede balans tussen lusten en lasten. Door te zorgen voor interactie en samenhang tussen alle verschillende belangen bij een opgave, kunnen we in elke situatie/gebied beter prioriteren en, waar nodig scherpe, ruimtelijke keuzes maken in waar functies wel, niet, of onder voorwaarden waar hun beslag kunnen krijgen. Zo maken we met elkaar toekomstbestendige keuzes die passen bij onze Friese identiteit en maken we samen de beweging naar het samenwerken als één overheid.
De ruimtelijke principes zijn als checklist en handreiking uitgewerkt in bijlage 1.
H 5 Van Omgevingsvisie naar uitvoering De Omgevingsvisie is onze strategische visie voor de Friese leefomgeving en zet daarmee een integrale en langjarige koers uit. De uitvoering daarvan krijgt op de volgende manieren zijn beslag: ◾ Door het opstellen van provinciale Omgevingsprogramma’s voor bepaalde thema’s of gebieden, waarin de visie wordt uitgewerkt naar operationele doelen en een pakket aan maatregelen om die doelen te bereiken; ◾ Door het opnemen van regels in de provinciale Omgevingsverordening die doorwerken in gemeentelijke Omgevingsplannen of rechtstreeks werken naar inwoners en bedrijven; ◾ Door het nemen van een provinciaal projectbesluit of omgevingsvergunning voor grote projecten; ◾ Door het opstellen van (gemeentelijke) plannen en projecten en het uitvoeren hiervan. De Omgevingsvisie is alleen bindend voor de provincie zelf. Op basis van de beleidscyclus vanuit de Omgevingswet, werkt de Omgevingsvisie door in verschillende instrumenten die wij kunnen inzetten.
34
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Informatie Leefomgeving
5.1 Doorwerking Omgevingsprogramma's Omgevingsprogramma's zijn uitvoeringsgericht, inclusief de financiering. Ze zorgen voor uitwerking en doorwerking van de Omgevingsvisie en bevatten maatregelen om de doelen en ambities uit de visie te realiseren. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit: ◾ Inzet van communicatie- en informatie-instrumenten, kennis en kunde; ◾ Inzet van financiële instrumenten, zoals subsidies; ◾ Feitelijke maatregelen, zoals de uitvoering van een project in de fysieke leefomgeving; ◾ Het opnemen van omgevingswaarden, instructieregels en algemene regels (zoals vergunningplichten) in de Omgevingsverordening.
Omgevingsverordening De Omgevingsvisie en een Omgevingsprogramma bieden de basis om regels op te nemen in een provinciale Omgevingsverordening. In onze Omgevingsverordening zijn regels opgenomen met een directe werking (algemene, rechtstreeks werkende regels) die voor een ieder gelden. Denk daarbij aan vergunningplichten die we als (vaar)wegbeheerder opleggen, of bepaalde verbods- en gebruiksregels zoals ten aanzien van grondwaterbeschermings- of stiltegebieden.
Daarnaast zijn in onze verordening instructieregels opgenomen. Dit zijn regels waaraan Omgevingsplannen of buitenplanse Omgevingsvergunningen van gemeenten moeten voldoen. Tot slot kunnen we omgevingswaarden vastleggen in de verordening. Dat zijn objectief vast te stellen meetbare waarden waarvoor een concreet doel wordt gesteld. De maatregelen om deze waarde te behalen, staan in een Omgevingsprogramma.
Projectbesluit en Omgevingsvergunning Voor concrete activiteiten kunnen we een projectbesluit of een Omgevingsvergunning afgeven. Voor sommige activiteiten in de fysieke leefomgeving is een Omgevingsvergunning nodig. In de Omgevings-
35
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
verordening staan beoordelingsregels waaraan zo’n vergunning moet voldoen. Het projectbesluit is vooral bedoeld en geschikt voor meer complexe, grote projecten, zoals de aanleg van infrastructuur. Of voor gemeentegrensoverschrijdende projecten. In enkele gevallen, zoals het plaatsen van windturbines met meer dan 15 MWh capaciteit, zijn we zelfs verplicht om een projectbesluit te nemen. De instrumenten die we inzetten, stemmen we af op de opgave en op wat er nodig is om de doelen te bereiken. Omdat we vanuit samenwerking en een ‘ja, mits’ houding willen werken, stellen we zo weinig mogelijk en zo helder mogelijke regels.
5.2 Samenwerken aan omgevingsprogramma's Soorten omgevingsprogramma's We werken onze Omgevingsvisie op onderdelen uit in programma’s. We onderscheiden daarbij verschillende soorten programma’s. Er zijn verplichte en vrijwillige programma’s. De wettelijk verplichte Omgevingsprogramma’s zijn: het Regionaal Waterprogramma (wordt in Fryslân een Regionaal Water- en Bodemprogramma), het Actieprogramma Geluid, de Beheerplannen Natura 2000 en een Volkshuisvestingsprogramma. Deze Omgevingsprogramma’s zijn thematisch en veelal provinciebreed. Naast de verplichte programma's, stellen we vrijwillige Omgevingsprogramma’s op. Dit zullen meer integrale en/of meer gebiedsgerichte Omgevingsprogramma’s worden. Hierin worden alle relevante beleidsthema's onderling afgewogen (integraal) en vervolgens vertaald. Deze programma’s kunnen zowel provinciebreed als gebiedsgericht zijn. De overgang van sectoraal beleid naar integrale Omgevingsprogramma's vergt tijd. De komende jaren maken we deze omslag. Met als doel de huidige veelheid aan sectorale beleidsstukken terug te brengen naar een werkbaar aantal Omgevingsprogramma's. Om daarmee de ambities en doelen uit onze visie provinciebreed te kunnen realiseren met, daar waar nodig, een uitwerking per gebied. Voor water en bodem stellen we al één Omgevingsprogramma op.
36
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
We betrekken onze samenwerkingspartners bij het opstellen van onze programma’s. Bij de start van een programma bepalen we met onze samenwerkingspartners ieders rol hierin. Ook brengen we onze provinciale belangen in en vragen onze partners om ook hun belangen te benoemen. Bij ieder programma vertalen we de verplichtingen uit Europese en landelijke wet- en regelgeving en visies, zoals de landelijke Nota Ruimte, naar de Friese situatie. Door ook bij het opstellen van Omgevingsprogramma’s samen te werken met relevante partijen in het gebied krijgen we oog voor wat er leeft en speelt, en kunnen we samen de juiste keuzes maken. Dit kan er toe leiden dat we, met gemeenten en/of Wetterskip Fryslân, een gezamenlijk Omgevingsprogramma voor gedeelde doelstellingen opstellen.
Bron: Provincie Drenthe
37
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Uitnodigingszones In een aantal zones in Fryslân komen veel verschillende – en veelal urgente – opgaven samen op het gebied van energie, economie, wonen, klimaatadaptatie, landbouw, natuur etc. Deze uitnodigingszones zijn aangegeven op de Visiekaart en worden in paragraaf 4.1 en in hoofdstuk 9 van het deel Gebiedsgerichte Verdieping toegelicht. De accenten verschillen per zone, maar overal zullen we met adequate, integrale oplossingen komen passend bij de omgevingskwaliteiten ter plekke. Het zijn geen afgebakende ruimtelijke zones. De begrenzing van de uitnodigingszones is indicatief en flexibel; deze kan meebewegen met de voortgang van de samenwerking en met de kansen die zich daarin voordoen, en met nieuwe ontwikkelingen. In deze zones nodigen we de gemeenten en andere betrokkenen uit om samen om tafel te gaan en plannen vroegtijdig af te stemmen. We brengen onze belangen en de opgaven in de zone in beeld en spreken met elkaar af wie welke rol heeft of neemt en de regie voert over de ruimtelijke ontwikkelingen in de zone. Gemeenten kunnen daarin, vanuit hun verantwoordelijkheid voor hun grondgebied, het voortouw nemen. De resultaten van de planvorming kunnen een plek krijgen in een gemeentelijk, provinciaal of gezamenlijk gebiedsgericht Omgevingsprogramma. Zo kunnen we keuzes op elkaar afstemmen, koppelkansen benutten en verschillende belangen zo goed mogelijk dienen.
Iedere partij kan vervolgens, binnen de eigen rol en bevoegdheid, aan de slag gaan.
5.3 Monitoring en evaluatie: bijsturen waar nodig De wereld om ons heen verandert snel. Oplossingen die nu de juiste lijken, kunnen gaandeweg om bijstelling vragen. We evalueren daarom geregeld – bij voorkeur jaarlijks – onze Omgevingsvisie. Bij de start van iedere nieuwe bestuursperiode voeren we bovendien een meer uitgebreide herijking van onze visie uit. Zo blijven we op de juiste koers. Daarnaast monitoren we of we de doelen uit de visie – en de verschillende Omgevingsprogramma's – halen. Daar waar nodig, stellen we maatregelen bij. Zo werken we goed en resultaatgericht aan onze opgaven en geven we invulling aan de beleidscyclus van de Omgevingswet. Hiermee borgen we – met een doorlopend proces – dat de instrumenten van de Omgevingswet (visie, programma's en verordening) actueel en bruikbaar blijven. Bijstellen doen we ook weer in afstemming met andere organisaties, inwoners en bedrijven. Zo werken we continu samen aan een sterker Fryslân waarin we ons thuis blijven voelen.
38
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
H 6 Het voorgaande samengevat in één afbeelding
H 7 Participatie In een dialoog met de samenleving is met allerlei mensen en organisaties gesproken over de stand van de Friese leefomgeving en de opgaven en kansen die op de provincie afkomen. Deelnemers wezen met name op het belang om als provincie duidelijke keuzes te maken en aan te geven waar ze met partijen naar toe wil werken. Urgente opgaven als woningtekorten, bereikbaarheid van voorzieningen, klimaatadaptatie, landbouw en natuur, en energietransitie vragen om oplossingen, met name op bovenlokaal
39
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
niveau. Let daarbij wel op de schaal en herkenbaarheid van gebieden. Mensen hechten aan behoud van de menselijke maat en de identiteit van het landschap. In de separaat bijgevoegde Participatierapportage verantwoorden we het gevolgde participatieproces en de resultaten daarvan.
H 8 Omgevingseffectrapportage Bij het formuleren van een Omgevingsvisie is het doorlopen van een plan-milieueffectrapportage (mer: de procedure) een wettelijke verplichting die is opgenomen in de Omgevingswet. Met de milieueffectrapportage krijgt het milieu een plaats in de besluitvorming. De verwachte effecten voor het milieu worden beschreven in een milieueffectrapport (MER: het rapport). Wij hebben het MER uitgebreid tot een Omgevingseffectrapport (OER) zodat niet alleen wordt gekeken naar het milieu maar ook naar de sociale en economische effecten. Het OER levert zo een integrale onderbouwing van de keuzes, die erop gericht zijn om onze ambities en brede welvaart in Fryslân te realiseren. Het OER bestaat uit een aantal onderdelen. Ten eerste is er een zogenaamde Leefomgevingsfoto (LOF) gemaakt van de Friese leefomgeving. Deze toont hoe het momenteel is gesteld met de kwaliteiten van de Friese leefomgeving. Ook geeft de LOF weer hoe die kwaliteiten zich autonoom zullen ontwikkelen richting 2035, met een doorkijk naar 2050, bij voortzetting van het huidige beleid. De LOF maakt zichtbaar dat de sociaaleconomische aspecten over het algemeen redelijk tot goed scoren. Economie en verdienvermogen verdienen wel aandacht. Wonen en bereikbaarheid scoren minder gunstig en ook voor de toekomst zijn dit zorgpunten.
De fysiek-natuurlijke aspecten van de leefomgeving scoren minder positief. Ook voor de toekomst staan deze aspecten onder druk. Ten tweede is er voor de Contourenschets een Effectbeoordeling op hoofdlijnen uitgevoerd. Hieruit bleek dat de voornemens in de Contourenschets in het algemeen resulteren in een (grotere kans op) verbetering van de leefomgeving. Er zijn aandachtspunten meegegeven voor de verdere invulling van de Omgevingsvisie, te onderbouwen door het OER. In het proces om te komen tot de provinciale omgevingsvisie formuleren we doelen en zoeken we naar de optimale strategische keuzes om die doelen ook daadwerkelijk te kunnen bereiken. Om gevoel te krijgen bij de effecten van bepaalde keuzes zijn er binnen het OER een viertal alternatieve keuzepakketten samengesteld. Voor elk van die vier alternatieven is beoordeeld hoe de keuzes daarbinnen scoren op de kans op doelbereik. Het beoordelen van deze vier alternatieven vormt het derde onderdeel van de OER. De uitkomsten daarvan staan opgenomen in hoofdstuk 6 van de OER (separate bijlage). Mede op basis van de eerste drie onderdelen van de OER maken we de uiteindelijke keuzes voor onze omgevingsvisie. Dat pakket aan omgevingsvisie-keuzes wordt binnen de OER het voorkeursalternatief (VKA) genoemd. Het vierde onderdeel van de OER omvat het beoordelen van dat voorkeursalternatief.
Dat wil zeggen, hoe beïnvloeden de omgevingsvisie-keuzes de kansen op doelbereik? De beoordeling van het voorkeursalternatief laat zien dat de kans op doelbereik voor veruit de meeste thema’s groter wordt (zie afbeelding volgende pagina).
40
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Samenvatting effectbeoordeling VKA In de afbeelding zijn alle aspecten uit het beoordelingskader samengevat weergegeven. Links zijn de aspecten uit het beoordelingskader per thema geclusterd. Op al deze aspecten zijn door de provincie doelen gesteld of ambities uitgesproken. De symbolen boven – en de bijbehorende kleurschakeringen - staan voor de kans dat voor het betreffende aspect de doelstellingen of ambities worden gehaald. Daarbij staat rood voor “zeer laag” en groen voor “zeer hoog”. Per aspect zijn drie situaties weergegeven: • Huidig: wat is op dit moment de stand van zaken met betrekking tot de te behalen doelen of ambities. De huidige situatie is bepaald in de Leefomgevingsfoto.
41
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
• •
Autonoom: wat is de verwachte trend met bijbehorende onzekerheidsmarge bij gelijkblijvend beleid. De autonome trend is eveneens bepaald in de Leefomgevingsfoto. POVI: wat is de verwachte trend met bijbehorende bandbreedte gebaseerd op de keuzes in de POVI (oftewel het voorkeursalternatief).
Algemene indruk De afbeelding laat zien dat voor de meeste aspecten uit het beoordelingskader een (licht) positief effect wordt verwacht t.o.v. de referentiesituatie. Dit betekent dat het VKA in algemene zin leidt tot het vergroten van de kans op doelbereik voor de aspecten uit het beoordelingskader. Er worden geen trendbreuken of sterke verbeteringen of verslechteringen verwacht ten opzichte van de referentiesituatie. Dit betekent wel dat aspecten die in de referentiesituatie onder druk staan weliswaar iets verbeteren, maar nog steeds is er sprake van een slechte tot matige kans op doelbereik wanneer geen extra maatregelen op programmaniveau worden getroffen. Bovendien is in de afbeelding te zien dat voor de meeste aspecten een relatief grote onzekerheidsmarge geldt. Dit heeft vooral te maken met het overwegend abstracte karakter van de gemaakte keuzes. Door de keuzes verder uit te werken in (thematische en gebiedsgerichte) programma’s wordt duidelijker wat het effect op doelbereik zal zijn. Positief effect op brede welvaart Het hoofddoel van de nieuwe omgevingsvisie voor Fryslân is brede welvaart en Fries geluk voor iedereen. In de figuur is te zien dat het VKA positief scoort op de aspecten die te maken hebben met brede welvaart, zowel op effect ten opzichte van de referentiesituatie als op doelbereik.
Met name de aspecten Werkgelegenheid, Voorzieningen, Vestigingslocaties, Sociale samenhang, Inclusiviteit scoren positief. Aandachtspunten Bij het aspect Woningbouwlocaties is de kans op doelbereik echter nog steeds matig tot redelijk, met een grote onzekerheidsmarge. Dit heeft vooral te maken met de relatief hoge woonlasten in Fryslân en het gebrek aan passende woningen voor starters. Zorgpunt is ook de funderingsproblematiek en de verdergaande maaivelddaling. De verwachting is dat zeker na 2050 de aanpak van het Veenweideprogramma niet meer volstaat om (negatieve gevolgen van) maaivelddaling in het veenweidegebied afdoende tegen te gaan. Aspecten met lage kans op doelbereik Er blijven bij de beoordeling van het VKA aspecten over die een slechte tot matige kans op doelbereik houden. De hierbij het meest in het oog springende aspecten zijn Verkeersveiligheid, Natuurgebieden, Biodiversiteit, Drinkwater en Archeologie. Voor verkeersveiligheid heeft dit vooral te maken met het ambitieuze doel van 0 verkeersdoden in 2040. De kans dat dit doel gehaald wordt is klein, hoeveel aanvullende maatregelen op programmaniveau de provincie ook zal nemen. De inzet binnen het VKA op multimodale ontsluiting, ketenmobiliteit, fietsnetwerk en OV bieden wel kansen om verkeersstromen veiliger te reguleren.
De huidige staat en de referentiesituatie van Natuurgebieden is in de Leefomgevingsfoto negatief beoordeeld. Het VKA biedt wel kansen voor het verbeteren van (de bescherming van) Natura2000-gebieden maar deze zijn abstract en moeten verder geconcretiseerd worden. Het behalen van de NNN-doelstellingen voor 2027 blijven in dit VKA buiten bereik, tenzij aanvullende maatregelen worden getroffen die op programmaniveau in het kader van deze POVI verder kunnen worden ingevuld. In het verlengde daarvan blijven ook de doelstellingen voor Biodiversiteit buiten bereik met de keuzes die in het VKA worden gemaakt. Er liggen kansen voor verbetering, maar om te voldoen aan de doelen die in de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn gesteld is veel meer inspanning en oppervlakte aan beschermde natuur nodig. Deze extra inspanning kan binnen het kader van deze POVI zijn beslag krijgen in een programma Natuur. Het VKA laat wel een lichte verbetering ten opzichte van de referentiesituatie zien. Dit komt voort uit het onderscheid tussen de Landbouwhoofdstructuur en gebieden met meervoudige opgaven én het inzetten op extra waterberging en groenblauwe dooradering. De kansen zullen echter wel geconcretiseerd moeten worden in de gebieden willen ze echt tot verbetering leiden; dit leidt tot een grote onzekerheidsmarge.
42
Provinciaal blad 2026 nr. 4037
9 maart 2026
Voor Drinkwater geldt dat in het VKA wordt ingezet op verbetering van de kwaliteit en kwantiteit. Dit wordt vooral gedaan door stimuleren van infiltratie en waterberging en het treffen van maatregelen met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen. In het VKA worden nieuwe ASV’s aangewezen. Dit leidt tot een licht positief effect ten opzichte van de referentiesituatie. De vraag is of dit genoeg zal zijn om in de toekomst voldoende schoon drinkwater te houden. Verwacht wordt dat de vraag naar drinkwater tot 2050 met zo’n 20% zal stijgen. Daarnaast is sprake van toenemende verzilting en vergrijzing van grondwater. Specifiek zijn de Waddeneilanden kwetsbaar, hoewel in het VKA wel wordt ingezet op het in stand houden van de zoetwaterlenzen aldaar. Al met al biedt het VKA nog steeds een slechte tot matige kans op het halen van de doelstellingen voor drinkwater. Het feit dat het aspect Archeologie laag scoort op doelbereik heeft vooral te maken met het risico van veenafbraak en de daarmee gepaard gaande verliezen van archeologische bodemschatten. Met het in stand houden van het Veenweideprogramma verandert er weinig ten opzichte van de referentiesituatie. Het totale OER-pakket is omvangrijk en daarom beschikbaar in een separate bijlage.